CConstaterende datHofvantwente
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Bijlagen bij bestemmingsplan 'Diepenheim, herziening Warme Huizen'.pdf

Gemeenteraad 28 mei 2024, gemeente HofvantwenteBij agendapunt: 14: Bestemmingsplan Diepenheim, herziening Warme Huizen22.729 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

BEELDKWALITEITSPLAN BOINKSWEIDE 17 april 2024

1 |9

Bestaande bomen Aanbrengen nieuwe bomen (18 st.), soorten: 1.  Prunus avium - Zoete kers 2.  Aesculus hippocastanum - Kastanje 3.  Tillia europaea - Zomerlinde 4.  Quercus robur - Zomereik 5.  Juglans regia - Walnoot Maatvoering: stamomtrek: 16-18 drdkluit

sen

fiet

26

3 st. 2 st. 4 st. 5 st. 4 st.

Aanbrengen/doorplanten bosplantsoen (700 st), soorten:  Prunus avium - Zoete kers 5% - 35 st.  Acer pseudoplatanus - Esdoorn 5% - 35 st.  Carpinus betulus - Haagbeuk 5% - 35 st.  Fagus sylvatica - Beuk 5% - 35 st.  Quercus robur - Zomereik 5% - 35 st.  Corylus avallana - Hazalaar 10% - 70 st.  Ilex aquifolium - Hulst 20% - 140 st.  Sorbus aucuparia - Lijsterbes 10% - 70 st.  Amelanchier lamarkii - Krent 20% - 140 st.  Frangula alnus - Vuilboom 10% - 70 st.  Lonicera periclymenum - Kamperfolie 5% - 35 st. Maatvoering: 80-100cm, Wrtlg. Plantafstand: 1,00x1,00m1

pp

p

7p

Nieuw te bouwen gebouw WADI

A

Kruidenrijk grasland

B

Perceelsgrens

C

3.

5.

5. 1.

Kruidenrijk Grasland 1.150 m2 incl. WADI

2.

zo om er

r me

5

10

15

20

25m

noord

west er

0

4.

oost zuid

zon win op ter

1:500 C'

4.

A'

zo

4.

3.

er

5.

nd

4.

4. 3.

pz

no

3.

WADI 300 m2

no

zo

5.

1.

ond zon ter win

4.

1.

2.

PROJECT

Landschappelijke inpassing randzone Diepenheim

OPDRACHTGEVER

Van Aarle De Laat Beemdstraat 22, 5652 AB Eindhoven

B'

TUUULK.NL

ONDERDEEL

Landschappelijke inpassing randzone Diepenheim

GETEKEND

(Ing). Rien Heerdink

DATUM

FORMAAT

SCHAAL

VERSIE

21/11/2023

A3

1 : 500

3e versie

Toets Ladder voor duurzame verstedelijking

Zorgcomplex en woningen Boinksweide, Diepenheim Gemeente Hof van Twente

Datum: 23 april 2024 Projectnummer: 230332

INHOUD 1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3

Aanleiding Het plan Leeswijzer

3 3 4

2

Toets Ladder voor duurzame verstedelijking

5

2.1 2.2 2.3 2.4

Stedelijke ontwikkeling Marktgebied Behoefte Bestaand stedelijk gebied

5 5 7 13

3

Conclusie

14

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 Bro lid 2 vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling.

Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en is verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’.

1.2

Het plan Aan de Boinksweide in het noorden van de kern Diepenheim liggen enkele percelen die nu in gebruik zijn als landbouwgrond. De gronden liggen aan de rand van het dorp en zijn gesitueerd rond een retentievijver. Het gebied wordt grotendeels omgeven door woningen. De gemeente Hof van Twente is voornemens om de locatie in te richten als een woongebied met ruimte voor onder andere een zorgcomplex en reguliere grondgebonden woningen. Het verpleeghuis zal bestaan uit 54 verpleeghuiseenheden verdeeld over twee bouwlagen. De grondgebonden woningen bestaan uit een mix van 4 twee-onder-één-kapwoningen, 9 betaalbare rijwoningen en 7 levensloopbestendige rijwoningen, waarbij wordt voldaan aan het percentage van 30% sociale huur en betaalbare woningen. Zo ontstaat een gevarieerd woonprogramma geschikt voor uiteenlopende doelgroepen en portemonnees. Ook wordt ervoor gezorgd dat ouderen richting de toekomst in Diepenheim kunnen blijven wonen. De prioriteit wordt gegeven 3

aan een kwalitatieve toevoeging met meerwaarde voor de omgeving door middel van een parkachtige setting met ontmoetingsplekken. Binnen de huidige bestemming ‘Groen - groene ruimte’ is de realisatie van de ontwikkeling niet toegestaan. Het plan is hiermee in strijd met het geldende planologisch-juridisch kader. Daarom wordt voor de ontwikkeling een planologische procedure doorlopen. In het kader van de planologische procedure moet worden aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met een goede ruimtelijke ordening. Eén van de aspecten die onderdeel uitmaakt van een goede ruimtelijke ordening is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Deze toets vindt in dit rapport plaats.

1.3

Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt de toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Binnen de toets zal allereerst ingegaan worden of en waarom sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Vervolgens wordt het markt- of verzorgingsgebied bepaald. Daarna volgt de toetsing of de ontwikkeling voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte en wordt gekeken of de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Hoofdstuk 3 bevat een eindconclusie als gevolg van de toets aan de Ladder.

4

2

Toets Ladder voor duurzame verstedelijking

2.1

Stedelijke ontwikkeling

2.1.1

Algemeen Allereerst moet de vraag worden beantwoord of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wat onder een stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Andere stedelijke voorzieningen betreffen volgens de Nota van Toelichting op het Bro (2017) “accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure”.

2.1.2

Toetsing De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van in totaal maximaal 70 woon(zorg)eenheden. Relevant is of deze ontwikkeling is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Bij de beantwoording van deze vraag moet volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande plan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het voorliggende plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande plan. Uit jurisprudentie1 blijkt dat een woningbouwplan dat voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen binnen een dorpskern niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Een woningbouwplan dat voorziet in de ontwikkeling van 12 woningen wordt daarentegen wel aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling2. Gelet op het programma van maximaal 70 woon(zorg)eenheden kan worden gesteld dat er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

2.1.3

Conclusie Gelet op het voorgaande is voorliggende ontwikkeling aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro. Daarom is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Deze toets vindt in dit document plaats.

2.2

Marktgebied

2.2.1

Algemeen Wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient de behoefte aan de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt te worden beschreven. De behoefte dient te worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De 1 Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS d.d. 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921). 2 Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS d.d. 25 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:953).

5

aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Het verzorgingsgebied moet van geval tot geval worden bekeken en kan sterk verschillen per functie. 2.2.2

Toetsing De kwantitatieve en kwalitatieve vraag wordt mede bepaald door de omvang van het marktgebied. Het marktgebied verschilt per ontwikkeling en valt niet per se samen met de bestuurlijke regio. Een belangrijke indicator voor de omvang van de marktregio is het aantal verhuisbewegingen binnen en naar de betreffende regio of gemeente. Wanneer de verhuisbewegingen voor de gemeente Hof van Twente worden geanalyseerd, blijkt uit gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat bijna 40% van alle gevestigde personen uit de gemeente zelf afkomstig is. Tabel: Totaal aantal verhuisbewegingen gemeente Hof van Twente in 2022

Verhuisbewegingen Hof van Twente

Aantal

Aandeel (%)

Binnen gemeente Hof van Twente

1.381

45,5 %

Vanuit andere gemeenten

1.209

39,8 %

448

14,7 %

3.038

100,0 %

Vanuit het buitenland Totaal aantal verhuizingen (Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek).

De hierna opgenomen tabel laat de meest relevante verhuisbewegingen naar de gemeente Hof van Twente vanuit andere gemeenten zien. Er zijn geringe verhuisrelaties met de gemeenten uit de omgeving van de gemeente Hof van Twente, voornamelijk de gemeente Hengelo en in mindere mate Enschede. Verder bestaat er in eerste instantie een relatie met de gemeenten Rijssen-Holten, Almelo en Borne. Tabel: Verhuisbewegingen naar de gemeente Hof van Twente naar herkomst in 2022

Gemeente

Aantal

Aandeel (%)

Hof van Twente

1.381

45,5%

Hengelo (O.)

184

6,1%

Enschede

90

3,0%

Rijssen-Holten

71

2,3%

Almelo

65

2,1%

Borne

53

1,7%

Berkelland

52

1,7%

Lochem

47

1,5%

Deventer

45

1,5%

Elders

1.050

34,6%

Totaal

3.038

100,0 %

(Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek).

Wat betreft de verpleeghuiseenheden is een behoefteraming uitgevoerd waaruit een behoefte van 72 eenheden werd geconstateerd. Dit is ruim meer dan de 54 beoogde verpleeghuiseenheden in voorliggend plan. Geacht wordt dat de behoefte naar de verpleeghuiseenheden binnen Diepenheim gevonden kan worden.

6

2.2.3

Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden gesteld dat het marktgebied zich primair richt op de gemeente Hof van Twente en voor de verpleeghuiseenheden zelfs Diepenheim. Op basis van de aard, ligging van de beoogde ontwikkeling en de verhuisbewegingen uit het verleden geldt de verwachting dat de ontwikkeling geen noemenswaardige bovengemeentelijke aantrekkingskracht heeft.

2.3

Behoefte

2.3.1

Algemeen Aangetoond moet worden dat de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte binnen het markt- of verzorgingsgebied. Bij het bepalen van de behoefte is zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte van belang.

2.3.1

Kwantitatieve behoefte Kwantitatieve huishoudensontwikkeling De vraag naar woningen wordt in belangrijke mate bepaald door de demografische ontwikkelingen. Voor de kwantitatieve woningbehoefte geldt dat het sterk afhankelijk is van de ontwikkeling van het aantal huishoudens. In 2023 is de meest recente Primosprognose uitgebracht voor de gemeente Hof van Twente. Deze prognose is navolgend weergegeven.

Huishoudensprognose gemeente Hof van Twente tot 2050 (bron: ABF Research - Primos prognose 2023).

Uit het voorgaande is af te leiden dat de gemeente Hof van Twente de komende jaren een positieve huishoudensprognose kent, maar dat op de lange termijn een daling te verwachten is. De verwachting is dat het aantal huishoudens tussen 2023 en 2040

7

met circa 510 huishoudens zal toenemen. De planperiode van voorliggend plan bedraagt circa 10 jaar, waardoor deze nog in een periode van groei valt. Regionale Woonagenda Twente 2021-2025 De gemeenten in de regio Twente hebben samen met de provincie Overijssel, woningcorporaties, markt en andere partners in de Regionale Woonagenda de prioriteiten en acties op de Twentse woningmarkt verwoord. Afgesproken is dat tot 2030 60.000 woningen aan de Overijsselse woningvoorraad worden toegevoegd. De regio Twente zet daarbij in op circa 20.000 tot 22.000 nieuwe woningen. 15.000 woningen worden op basis van de huishoudensontwikkeling en benodigde ruimere programmering gezien als de lokale behoefte. De 5.000 tot 7.000 extra woningen komen voort uit de inloop van het woningtekort (circa 3%), de krapte op de woningmarkt, de toestroom van buiten de regio en de verstedelijkingsopgaven. Naast deze ambitie ten aanzien van aantallen is aangegeven dat de wens bestaat om het tempo te versnellen. In de regionale agenda is dan ook afgesproken om maximaal de ruimte te bieden aan inbreidingsplannen en de komende vijf jaar geen kwantitatieve kaders aan deze plannen te geven.

Hof van Twente Twente totaal

Netto harde plancapaciteit 1-1-2020 (afgerond) 140 8.330

Netto zachte plancapaciteit 1-1-2020 (afgerond) 420 5.800

Totale plancapaciteit 1-1-2020 (afgerond) 560 14.130

Twente totaal

Lokale behoefte (10 jaar) 15.782

Extra ambitie/ opgave 5.000 - 7.000

Totale ambitie/ opgave 20.000 - 22.000

Uit de hiervoor opgenomen tabel volgt dat de harde plancapaciteit bij afronding van de regionale woonagenda bestaat uit circa 8.330 woningen. Om in de gewenste woningbouwambitie te kunnen voorzien betekent het dat de harde plancapaciteit nog met minimaal circa 12.000 woningen moet worden uitgebreid. De bestaande zachte plancapaciteit is daarvoor nog ontoereikend. Dit betekent dat nog ruimte is voor nieuwe woningbouwplannen in de regio. Met de huidige harde en zachte plancapaciteit kan de gemeente Hof van Twente hiermet circa 560 woningen aan bijdragen. Naar aanleiding van de huishoudensprognose wordt een groei van circa 510 huishoudens verwacht binnen de gemeente Hof van Twente tot 2040. Een groot deel van de plancapaciteit is zacht en de verwachting is dat een deel van deze plannen niet tot uitvoering zal komen. Meestal wordt standaard een plancapaciteit van 130% van de huishoudensprognose aangehouden. In dit geval is er nog voldoende vrije plancapaciteit beschikbaar voor voorliggend plan. Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021-2025 De woonvisie van de gemeente Hof van Twente is door de gemeenteraad vastgesteld op 16 december 2022. Hierin wordt aangegeven dat er sprake is van toenemende krapte op de woningmarkt in Hof van Twente. De afgelopen tien jaar zijn er weinig woningen gerealiseerd in de gemeente. De woningvraag is groot en de woningmarkt in de gemeente is krap.

Tot en met 2030 is er in de gemeente Hof van Twente een 8

woningbehoefte van ongeveer 90 tot 120 woningen voor de categorie dorps wonen. De oplopende woningbehoefte vraagt om aandacht en concrete acties. Versnelling van de woningbouw in de kernen en het buitengebied is nodig om te voorzien in de woningbehoefte. Voorliggend plan draagt hieraan bij met 20 woningen voor verschillende doelgroepen en portemonnees. Verder wordt genoemd dat de verwachting is dat de behoefte aan geclusterd wonen (met of zonder zorg) gaat toenemen. In 2030 dreigt een aanbodtekort te ontstaan in geclusterd wonen met 24-uurzorg PG (dementie) in de regio Twente. Na 2030 verdubbelt dit tekort. Een deel van dit tekort zal zich bevinden in de gemeente Hof van Twente. Daarom wordt ingezet op de realisatie van intramurale zorgplekken tot en met 2030 én daarna. Voorliggend plan draagt hieraan bij door 54 geclusterde verpleeghuiseenheden aan de plancapaciteit van de gemeente Hof van Twente toe te voegen. Hittekaart 2023 De afgelopen jaren is er in de media steeds meer aandacht voor de toenemende druk op de woningmarkt, voornamelijk in het Randstedelijk gebied. Zo is ook een ‘hittekaart’ van de woningmarkt 2023 verschenen.

Hittekaart van de woningmarkt 2023 (Bron: BPD).

Een hoge score (rood is hoog, blauw is laag) op de hittekaart kenmerkt zich door hoge prijzen en/of veel huizenverkopen, maar ook een sterke (verwachte) huishoudensgroei. Amsterdam, Utrecht en Rotterdam zijn traditioneel gezien de meest populaire woonlocaties. Aangrenzende gemeenten kleuren rood mee, maar de hittekaart laat ook zien dat de vraag op de woningmarkt zich geleidelijk als een olievlek uitbreidt van de Randstad richting de provincie. De gemeenten Apeldoorn, Deventer en Zwolle hebben ook te maken met een hoge score en een hoge druk op de woningmarkt. Voor Hof van Twente geldt een blauwe kleur. De druk op de woningmarkt is hier minder groot dan in voorgenoemde gemeenten, maar er is nog steeds sprake van enige druk

9

op de woningmarkt, voornamelijk naar bepaalde woonvormen. Geconcludeerd wordt dat de huidige druk op de woningmarkt binnen de gemeente ook zorgt voor enige vraag naar woningen. Conclusie Gelet op de positieve huishoudensontwikkeling binnen de gemeente Hof van Twente en de kwantitatieve woon(zorg)opgave van de regio en gemeente, wordt geconcludeerd dat het plan past binnen de kwantitatieve woningbehoefte van het marktgebied. 2.3.2

Kwalitatieve behoefte Kwalitatieve huishoudensontwikkeling Naast de kwantitatieve behoefte, bepaalt ook de kwalitatieve behoefte de woningvraag. De kwalitatieve behoefte richt zich op doelgroepen, woningtypen, prijsklassen en dergelijke. Deze behoefte is sterk afhankelijk van de huishoudensopbouw qua samenstelling en leeftijd. Regionale woonagenda Twente In de Regionale Woonagenda Twente is een zevental ambities vastgelegd, namelijk: 1 Toevoegen van 60.000 woningen tot 2030; 2 Inspelen en voorsorteren op veranderde woningvraag; 3 Verstedelijking en stedelijke vernieuwing; 4 Sterke dorpen en platteland in het regionale netwerk; 5 Verduurzaming; 6 Versnelling; 7 Toegankelijkheid en doorstroming. Met onderhavig plan wordt een strategisch woningbouwprogramma gerealiseerd die voldoet in de lokale behoefte en inspeelt op de veranderende woonvraag. Zo bestaat 45% van de 20 grondgebonden woningen uit betaalbare rijwoningen en 35% uit levensloopbestendige woningen wat de toegankelijkheid en doorstroming verbeterd. Met het zorgcomplex wordt specifiek gebouwd voor de lokale behoefte en wordt de doorstroming op de huizenmarkt bevorderd. Het plan is in lijn met het gegeven in de Regionale woonagenda Twente. Woondeal Twente: Wonen met kwaliteit Er moeten meer en betaalbare woningen komen voor het groeiende aantal huishoudens in Nederland.

In de Woondeal Twente hebben provincie Overijssel en de gemeenten, gesteund door het Rijk, corporaties en marktpartijen, afspraken gemaakt over het aantal te bouwen woningen en de betaalbaarheid daarvan: In Twente is het doel om tot en met 2030 ten minste 14.100 woningen te bouwen. Gemeenten streven naar minimaal 30% sociale huur en betaalbare woningen voor huishoudens met een middeninkomen. Dit aantal wordt met name gehaald door in te zetten op sleutelprojecten. Voorliggend plan is één van de sleutelprojecten genoemd in de Woondeal. Het plan biedt ruimte voor een mix van 4 twee-onder-een-kapwoningen, 9 betaalbare rijwoningen, 7 levensloopbestendige rijwoningen en 54 verpleeghuiseenheden, waarbij wordt voldaan aan het percentage van 30% sociale huur en betaalbare woningen. Het plan is derhalve in lijn met de Woondeal Twente.

10

Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021-2025 De woonvisie van de gemeente Hof van Twente is door de gemeenteraad vastgesteld op 16 december 2022. De ambitie is: voor iedere inwoner een passende woning, waarbij de huidige woningvoorraad optimaal wordt benut en waar gericht extra woningen worden bijgebouwd. Dit vraagt om flexibiliteit en maatwerk, waarbij de landelijke kwaliteit van de gemeente ten alle tijden wordt gewaarborgd. Deze woonvisie behandelt de belangrijkste ambities, speerpunten en acties van de gemeente om dit doel te bereiken. De belangrijkste ambities zijn: 1 Versnelling van de woningbouwproductie. 2 Meer betaalbare woningen realiseren. 3 Passende huisvesting realiseren voor jongeren en de ouder wordende bevolking en zorgen voor meer doorstroming op de woningmarkt. 4 Energieneutraal in 2035 en de bestaande woningvoorraad verder verduurzamen. 5 Leefbaarheid en vitaliteit waarborgen in de kernen en het buitengebied. 6 Bouwen aan een inclusieve samenleving: huisvesten van mensen met een zorgvraag en zorgen voor een evenwichtige huisvesting van huishoudens binnen de gemeente en instromers van buiten. Wat betreft de woningbehoefte is vooral behoefte aan ofwel luxere grondgebonden woningen (2 onder 1 kap of vrijstaand) ofwel levensloopbestendige woningen en appartementen voor 1- en 2 persoonshuishoudens. Er is tevens een tekort aan starterswoningen.

Met het onderhavig plan worden 4 twee-onder-één-kapwoningen, 9 betaalbare rijwoningen en 7 levensloopbestendige rijwoningen gerealiseerd, waarmee naadloos wordt ingespeeld op de lokale woningbehoefte binnen de gemeente Hof van Twente. Tevens wordt in het voorliggende plan een verpleeghuis gerealiseerd voor ouderen met een zorgvraag bestaande uit 54 verpleeghuiseenheden. In de huidige situatie is nog geen verpleeghuis in Diepenheim aanwezig. Na een behoefteraming is gebleken dat hier nu en in de toekomst wel behoefte aan is. Het plan is derhalve in lijn met de kwalitatieve ambities gegeven binnen de Woonvisie van de gemeente Hof van Twente. Kwalitatief woningbouwprogramma Hof van Twente In de woonvisie is geen programmering opgenomen wat betreft aantallen en typen woningen. Dat gebeurt in dit uitvoeringsdocument: het Kwalitatief woningbouwprogramma Hof van Twente, versie januari 2022. Het bevat een uitwerking van de minimale behoefte aan verschillende woningtypen per kern om te kunnen voorzien in voldoende woningen voor de inwoners van Hof van Twente. De onderstaande tabel geeft een overzicht van de huishoudensprognose, aanvullende behoefte en resulterende richtlijn behoefte per kern.

11

Tabel met overzicht huishoudensprognose, aanvullende behoefte en resulterende richtlijn behoefte per kern (born: Kwalitatief woningbouwprogramma Hof van Twente).

De verwachting voor Diepenheim is vooral een stijging in jongeren/starters en jonge gezinnen en de leeftijdsgroep >75 jaar. Er is krapte over de volle breedte van de woningmarkt. De bevolkingsgroep waarin een groot deel van de stijging in aantal huishoudens plaatsvindt is veelal tevreden over de woonsituatie in de bestaande woningvoorraad, maar bij een kwalitatief goed aanbod is een deel van deze mensen te verleiden om te gaan verhuizen. Hiermee kan men doorstroming creëren, bijvoorbeeld door de realisatie van levensloopbestendige woningen. Daarnaast wil de gemeente inzetten op woningen voor starters en doorstromers, met name grondgebonden koopwoningen. Verder is er een behoefte aan alle woningtypen. Met het onderhavig plan worden 20 woningen gerealiseerd die in lijn zijn met de lokale behoefte (betaalbare rijwoningen voor starters, levensloopbestendige woningen voor ouderen en woningen uit het luxere segment). Tevens kan met het realiseren van 54 verpleeghuiseenheden ingespeeld worden op de behoefte aan intramurale zorg in Diepenheim. Het plan sluit derhalve aan op het gewenste kwalitatieve woningbouwprogramma van de gemeente Hof van Twente.

Conclusie Gelet op de kwalitatieve huishoudensontwikkeling met bijbehorende woonwensen kan gesteld worden dat het plan, voor een groot deel geschikt voor kleinere huishoudens zoals starters en ouderen, passend is bij de kwalitatieve vraag binnen de gemeente. Ook wordt ingespeeld op de groeiende zorgvraag binnen de gemeente Hof van Twente. Dit maakt dat de ontwikkeling voorziet in een kwalitatieve behoefte van het marktgebied. 2.3.3

Conclusie Gelet op de kwantitatieve en kwalitatieve huishoudensontwikkeling met bijbehorende woonwensen kan gesteld worden dat het plan met haar programma aansluit bij de demografische ontwikkelingen en wensen in het marktgebied. Ook bestaat er nog een opgave in het vinden van voldoende plancapaciteit om aan de geprognosticeerde vraag te kunnen voldoen. Verder wordt ingezet op aspecten als ruimtelijke kwaliteit, betaalbaarheid en levensloopbestendigheid. Met de ontwikkeling wordt ervoor gezorgd dat ouderen ook richting de toekomst in Diepenheim kunnen blijven wonen. De

12

prioriteit wordt gegeven aan een kwalitatieve toevoeging met meerwaarde voor de omgeving door middel van een parkachtige setting met ontmoetingsplekken. Het levensloopbestendige karakter, de aanwezigheid van zorg en de huishoudenstypen geven antwoord op de kwalitatieve woonbehoefte van ouderen en draagt bij aan de doorstroming op de woningmarkt. Dit tezamen maakt dat de ontwikkeling voorziet in een behoefte van het marktgebied.

2.4

Bestaand stedelijk gebied

2.4.1

Algemeen Nu is gebleken dat de ontwikkeling voorziet in een behoefte, moet worden aangetoond in hoeverre die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien. Dit kan bijvoorbeeld door benutting van beschikbare gronden, herstructurering of transformatie. Het Bro definieert het bestaand stedelijk gebied als: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Naast de criteria uit de definitie moet de geldende bestemming ook betrokken worden bij het beoordelen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied.

2.4.2

Toetsing Het plangebied zelf bestaat uit voormalige agrarische gronden, welke bestemd zijn als ‘Groen – Groene ruimte’. Het plangebied wordt omsloten door eerdere woningbouw ontwikkelingen (Raadhuisstraat/ Ruimersdijk) en recente plannen (Noord 1 en 2). Het plangebied ligt daarmee in het bestaande stedelijke gebied van Diepenheim en heeft de functie stedelijk groen. Daarmee is het een geschikte inbreidingslocatie om in de behoefte aan nieuwe stedelijke functies te voorzien, zoals woningbouw of zorg bij voorliggende ontwikkelingen. Bovendien kan gezien de heersende functies in de omgeving van het plangebied en het karakter van de beoogde ontwikkeling gesteld worden dat de voorgestelde ruimtelijke ontwikkeling op deze locatie past. De (zorg)woningen sluiten aan bij de bestaande woonomgeving. Daarnaast wordt de ontwikkeling ruimtelijk gezien ingepast in de ruimtelijke structuren van de omgeving, door onder andere qua schaal en uitstraling aan te sluiten bij de bestaande bebouwing in de omgeving.

2.4.3

Conclusie Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling is voorzien binnen bestaand stedelijk gebied. Het betreft inbreidingslocatie die aan meerdere zijden wordt omsloten door recentere woningbouwplannen en waarvan de agrarische bestemming al was omgezet naar groen. Bovendien is gemotiveerd dat de voorgestelde ontwikkeling op deze locatie past. De geconstateerde kwantitatieve en kwalitatieve behoefte wordt dan ook gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied.

13

3

Conclusie Op basis van het voorafgaande kan geconcludeerd worden dat de Ladder voor duurzame verstedelijking positief is doorlopen. De ontwikkeling voorziet in een behoefte die binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. Dit tezamen maakt dat de ontwikkeling als haalbaar geacht wordt voor wat betreft de Ladder voor duurzame verstedelijking.

14

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Diepenheim, herziening Warme Huizen / Diepenheim, herziening Noord 3 Gemeente Hof van Twente

Datum: 22 april 2024 Projectnummer: 230332

INHOUD

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3

Aanleiding De m.e.r. –beoordeling Leeswijzer

3 3 5

2

Kenmerken van het .plan

6

2.1 2.2 2.3 2.4

Inleiding Beschrijving van het plan Omvang van het plan Overige kenmerken van het plan

6 6 7 7

3

Plaats van het plan

9

3.1 3.2 3.3

Inleiding Het bestaande grondgebruik Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu

9 9 10

4

Kenmerken van het potentiële effect

14

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6

Inleiding Natuur Verkeer Geluid Luchtkwaliteit Water

14 15 17 18 19 20

5

Conclusie

23

Gebruikte onderzoeken/bronnen

25

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Aan de Boinksweide in het noorden van de kern Diepenheim liggen enkele percelen die nu in gebruik zijn als landbouwgrond. De gronden liggen aan de rand van het dorp en zijn gesitueerd rond een retentievijver. Het gebied wordt vrijwel geheel omgeven door woningen. De gemeente Hof van Twente is voornemens om de locatie in te richten als woon-zorggebied door de realisatie van verscheidene rijwoningen en twee-onder-één-kapwoningen en een verpleeghuis met 54 zorgeenheden. In het vigerend bestemmingsplan zijn de percelen voorzien van een groenbestemming zonder mogelijkheden voor gebouwen. De bouw en het gebruik van de te realiseren woningen en het verpleeghuis zijn niet mogelijk binnen de huidige bestemming. Om de beoogde ontwikkeling alsnog mogelijk te maken moet er een nieuw bestemmingsplan worden vastgesteld. Er worden twee bestemmingsplannen in procedure gebracht, één voor de woningen en één voor het verpleeghuis, met een gezamenlijke toelichting. Gezien de samenhang tussen de locaties worden bij de uitgevoerde (milieu) onderzoeken en deze vormvrije m.e.r. beoordeling beide locaties als één onderzoekslocatie beschouwd. In de toelichting van het bestemmingsplan moet de haalbaarheid van de ontwikkeling worden aangetoond en in dat kader vindt toetsing plaats aan van toepassing zijn de wetgeving.

Uit toetsing van de ontwikkeling aan de m.e.r.-wetgeving, blijkt dat de beoogde ontwikkeling is aan te merken als een activiteit als bedoeld in categorie D.11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r., namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Het onderhavige plan blijft onder de bij deze activiteit genoemde drempelwaarden, die in paragraaf 1.2 nader worden besproken. Vanwege het feit dat onder de drempelwaarden wordt gebleven, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Ook dient op basis van het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer een m.e.r.-beoordelingsbesluit te worden genomen door het bevoegde gezag voorafgaand aan het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan. Het bevoegde gezag neemt de beslissing of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. In het kader van voorgaande is voorliggende vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld. Deze kan tevens worden gebruikt als aanmeldingsnotitie. Op basis van deze aanmeldingsnotitie kan het bevoegde gezag de gevolgen beoordelen van het plan en de beslissing nemen of er een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is in het kader van dit plan.

1.2

De m.e.r. –beoordeling Het instrument milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is een hulpmiddel om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De wettelijke basis voor de m.e.r. is de Wet milieubeheer. In de uitvoeringswetgeving, het Besluit m.e.r., staat wanneer een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het plan 3

mogelijk maakt, de omvang ervan en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven.

Schema m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r. (Bron: www.Infomil.nl)

Bovenstaande afbeelding laat zien dat wanneer een besluit over een activiteit die qua omvang boven de C-drempel blijft voor dat besluit een m.e.r.-plicht geldt. Tussen de C- en D-drempel geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Onder de D-drempel moet het bevoegd gezag via een vormvrije beoordeling nagaan of een formele m.e.r.-beoordeling nodig is. In een m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een plan mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Ook in de vormvrije m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een plan mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Deze beoordeling is qua inhoud vormvrij. Als belangrijke nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan moet de formele m.e.r.beoordelingsprocedure worden doorlopen. Uiteraard kan ook direct voor een m.e.r. gekozen worden. Sedert een wetswijziging, waarmee een herziening van de Europese m.e.r.-richtlijn is geïmplementeerd, is ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling aan regels gebonden. De toetsingscriteria lagen al vast, maar nu zijn er ook procedureregels. Voorafgaand aan de besluitvorming over het besluit, moet een aanmeldingsnotitie worden ingediend bij het bevoegd gezag. Op grond van de inhoud van deze notitie moet het bevoegd gezag binnen zes weken gemotiveerd oordelen of voor de activiteit een MER moet worden opgesteld.

Dit besluit hoeft niet openbaar te worden gemaakt. Wel zal in het ontwerp van het besluit aan deze m.e.r.-beoordelingsbeslissing moeten worden toegelicht. Voor plannen, die een kader vormen voor een activiteit waarvoor op grond van de bijlage bij het Besluit m.e.r. een m.e.r. moet worden doorlopen dan wel een formele m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd, moet een planMER worden opgesteld. Toetsing aan Besluit m.e.r. Onderhavig plan (de realisatie van 20 grondgebonden woningen en een verpleeghuis met 54 zorgeenheden) wordt als een activiteit genoemd in bijlage onderdeel D van het Besluit m.e.r. Categorie D.11.2 betreft namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van 4

een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De drempelwaarde is als volgt geformuleerd: “in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.” De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 20 woningen en 54 zorgeenheden. Het totale plangebied betreft circa 2 hectare. Onderhavige activiteiten blijven daarmee ruim onder de drempelwaarde en dus kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Doel vormvrije m.e.r-beoordeling Het doel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is het geven van inzicht in de milieueffecten van de voorgenomen activiteit aan het bevoegd gezag. Er wordt in een vormvrije m.e.r.-beoordeling een antwoord gegeven op de vraag of er vanwege de uitvoering van de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. In voorliggend rapport wordt inzicht gegeven in de milieueffecten en daarmee vormt dit rapport de benodigde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het rapport is de aanmeldingsnotitie waarmee het college een m.e.r.-beoordelingsbeslissing wordt gevraagd over het bijbehorende bestemmingsplan.

Criteria voor toetsing In het voorliggend rapport wordt op de milieueffecten van het voornoemde plan ingegaan, waarbij, conform artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r. juncto de leden 1 tot en met 3 van artikel 7.16 van de Wet milieubeheer, ingezoomd wordt op de volgende onderdelen:  kenmerken van de activiteit;  plaats waar de activiteit wordt verricht;  kenmerken van de gevolgen van de activiteit. Aan de hand van de behandeling van deze criteria wordt onderzocht of voor de ontwikkelingen al dan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn.

1.3

Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgen drie hoofdstukken waarin nader wordt ingegaan op voorgenomen ontwikkeling en de eventuele milieugevolgen. Navolgend wordt ingegaan op de kenmerken van het plan in hoofdstuk 2, in hoofdstuk 3 wordt de plaats van het plan beschreven en de kenmerken van het potentiële effect komen in hoofdstuk 4 aan bod. Het rapport wordt afgesloten met een eindconclusie in hoofdstuk 5.

5

2 2.1

Kenmerken van het .plan Inleiding In dit hoofdstuk worden de kenmerken van het plan besproken. De aard en de omvang van het plan worden in beeld gebracht. Ook wordt gekeken naar overige aspecten: cumulatie, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en de risico op ongevallen.

2.2

Beschrijving van het plan In de toekomstige situatie worden de twee noordelijke percelen ontwikkeld met woningbouw. Op de percelen komen in totaal 20 grondgebonden woningen. Het plan biedt ruimte voor een mix van (a) 4 twee-onder-een-kapwoningen, (b) 9 betaalbare rijwoningen en (c) 7 levensloopbestendige rijwoningen. Dit houdt in dat de woningen tenminste één slaap-, bad- en woonkamer op de begane grond hebben. Binnen het plan zijn 34 parkeerplaatsen voorzien, waarbij het parkeren wordt opgelost in parkeerkoffers in het groene landschap. In het stedenbouwkundig plan wordt een nieuwe parkachtige ruimte gecreëerd aan de westelijke oever van de waterpoel, waarbij de waterpoel centraal staat.

Stedenbouwkundig ontwerp verpleeghuis en woningen (bron: BPK RHO Adviseurs)

6

Het verpleeghuis wordt gerealiseerd op het zuidelijke perceel van de ontwikkelingslocatie. Het verpleeghuis zal bestaan uit 54 zorgeenheden, verdeeld over 2 bouwlagen. De bebouwing is gericht op de hoofdontsluiting en de gevels aan deze zijde hebben een representatieve uitstraling. Daarnaast wordt de bebouwing zoveel mogelijk groen ingepast, waarbij het gebouw een besloten tuin omsluit in het zuiden, die de overgang naar de woonkavels aan de zuidzijde verzacht.

2.3

Omvang van het plan De oppervlakte van het totale plangebied bedraagt circa 2 hectare. De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 20 grondgebonden woningen en 54 zorgeenheden. De maximale bouwhoogte van de woningen aan de Boinksweide bedraagt 10 meter, het verpleeghuis kent een maximale bouwhoogte van 10,5 meter. De parkeergelegenheden worden binnen het plangebied gerealiseerd.

2.4

Overige kenmerken van het plan

2.4.1

Cumulatie met andere planen Zoals benoemd in de inleiding worden er twee bestemmingsplannen in procedure gebracht, één voor de woningen en één voor het verpleeghuis. Er vindt dus cumulatie plaats tussen de twee plannen. Vandaar dat beide plannen in één keer worden beschouwd in voorliggend document. Gezien de samenhang tussen de locaties zijn ook bij de uitgevoerde (milieu) onderzoeken beide locaties als één onderzoekslocatie beschouwd. Cumulatie met andere planen is niet aan de orde.

2.4.2

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Natuurlijke hulpbronnen zijn alle in de natuur aanwezige stoffen die van economisch nut kunnen zijn. Naast natuurlijke grondstoffen, die in productieprocessen gebruikt worden, maken hulpbronnen (economische) activiteiten mogelijk (deze worden daarbij niet verbruikt). De toetsing in deze paragraaf blijft beperkt tot het gebruik van natuurlijke hulpbronnen die binnen dan wel in de directe nabijheid van het plangebied voorkomen. Tijdens de realisatie van de beoogde nieuwbouw wordt tijdelijk gebruik gemaakt van brandstof, elektriciteit, eventueel spoelwater en eventueel grond bij de graafwerkzaamheden. De precieze hoeveelheden en te gebruiken bouwstoffen zijn op dit moment nog niet inzichtelijk te maken. De nieuwe functies binnen het plan maken geen gebruik van natuurlijke hulpbronnen in de directe nabijheid van het plangebied. In het geheel legt het plan hiermee geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen.

7

2.4.3

Productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder Tijdens de tijdelijke realisatie van de nieuwbouw wordt gewerkt met stikstof- en fijnstof-emitterende materieel (machines, etc.). Hiernaast zullen de aanlegwerkzaamheden in beperkte mate gepaard gaan met afvalstoffen (zoals overtollig bouwmaterialen) en hinder (bijv. geluid). Verder vindt geen productie plaats die leidt tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen. De beoogde ontwikkeling heeft een verkeersaantrekkende functie. Er is daarom sprake van mogelijke effecten op het gebied van geluid, lucht en verkeer (bijvoorbeeld hinder, doorstroming, veiligheid).

2.4.4

Risico van ongevallen Onderhavig plan vormt in algemene zin geen bijzonder risico voor de omgeving. Het plan brengt geen wezenlijke risico’s met zich mee.

8

3 3.1

Plaats van het plan Inleiding In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de omgeving waarin de activiteiten plaatsvinden, alsmede de eventuele kwetsbaarheid van dit gebied voor de voorgenomen activiteiten. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het plangebied zelf, maar ook naar de aangrenzende gebieden.

3.2

Het bestaande grondgebruik De ontwikkellocatie ligt aan de Boinksweide in het noorden van de kern Diepenheim. De gronden worden gebruikt voor (kleinschalige) agrarische doeleinden, zoals maisteelt en grasland. Verder zijn de gronden gesitueerd rondom een retentievijver en ze dienen tevens als overloopgebied. Er is binnen de ontwikkelingslocatie geen verharding aanwezig. Rondom de retentievijver liggen wel wandelpaden. De locatie heeft daardoor een parkachtige functie binnen de kern Diepenheim. De ontwikkelingslocatie is opgedeeld in drie percelen die van elkaar worden gescheiden door een bomenrij. Dit is te zien op de onderstaande luchtfoto. Daarnaast geven de onderstaande afbeeldingen een impressie van de locatie.

Luchtfoto met de globale ligging van de ontwikkelingslocatie (rood omkaderd) (Bron: PDOK. Bewerking: SAB)

9

Zijaanzichten ontwikkelingslocatie van het zuidelijke en meest noordelijke perceel (bron: google.nl/streetview)

3.3

Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu

3.3.1

Inleiding Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is een analyse gedaan naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Echter, behalve gebieden die op grond van de richtlijn als gevoelig worden beschouwd, zijn er ook gebieden waar krachtens nationale en provinciale regels in het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling rekening mee dient te worden gehouden. Het resultaat van de analyse wordt hierna beknopt gepresenteerd. Wanneer er een grote relevantie is voor de in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling centraal staande ingrepen, wordt er een toelichting gegeven.

3.3.2

Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn In de navolgende tabel is de toetsing opgenomen aan alle typen gebieden zoals genoemd in bijlage III van de Richtlijn. Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

Wetlands

Conventie van Ramsar

In of in de directe nabijheid van het plangebied is geen wetlandgebied aanwezig.

Kustgebieden

Het plangebied ligt in een stedelijke omgeving en niet in de directe nabijheid van de kust. Daarnaast kent het plangebied geen permanente of tijdelijke verzadiging van opkomend water, zoals bijvoorbeeld bij wetlands.

Berggebieden en bosgebieden

Wet natuurbescherming

Het plangebied is niet gelegen in een berg- of bosgebied.

Reservaten en natuurparken:

Nationale Landschappen zijn

Het plangebied ligt niet in een

Nationale Landschappen

benoemd in de Nota Ruimte

Nationaal Landschap.

Nationale parken

Nationale Parken zijn onderdeel

Het plangebied ligt niet in een

van het NNN.

Nationaal Park.

10

Type gebied

Juridisch kader

Speciale beschermingszones,

Wet natuurbescherming

Relevantie voor de activiteit In de omgeving van het plange-

door de lidstaten aangewezen

bied liggen Natura 2000-gebied

krachtens Richtlijn 79/409/EEG

(zie verder onder 1).

(Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn) Gebieden waarin de bij commu-

Europese milieurichtlijnen (o.a.

Het plangebied ligt niet in een

nautaire wetgeving vastgestelde

kaderrichtlijn Luchtkwaliteit, ka-

gebied waar op basis van com-

normen inzake milieukwaliteit

derrichtlijn water)

munautaire wetgeving reeds

reeds worden overschreden

normen worden overschreden.

Gebieden met hoge bevolkings-

Het plangebied is niet gelegen

dichtheid

in een gebied met hoge bevolkingsdichtheid.

Landschappen van

Verdrag van Valletta

Er bevinden zich geen histori-

historisch belang

Monumentenwet

sche structuren of wegen bin-

cultureel belang

Gemeentelijk landschaps-

nen het besluitgebied. Ook zijn

ontwikkelingsplan

er in het projectgebied geen

o 

beschermd stads- en dorpsgezicht

Rijks- en/of gemeentelijke be-

archeologisch belang

schermde monumenten of anderszins karakteristieke panden aanwezig. Eveneens geldt voor het plangebied een lage of middelhoge archeologische verwachting, waarvoor geen onderzoek nodig is.

1.Natura 2000-gebied Natura 2000 is het netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie, die worden beschermd op grond van de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Deze richtlijnen geven aan welke typen natuur en welke soorten beschermd moeten worden. De lidstaten wijzen daarvoor speciale beschermingszones aan en moeten instandhoudingsmaatregelen nemen om deze gebieden te beschermen. Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen (zie navolgende afbeelding). Wel liggen Natura 2000-gebieden “Borkeld”, “Stelkampsveld”, “Buurserzand & Haaksbergerveenin” en “Lonnekermeer” in de omgeving van het plangebied. Deze liggen respectievelijk op 7,5 kilometer, 10 kilometer, 16 kilometer en 21 kilometer van het plangebied verwijderd.

11

Globale ligging van het plangebied (rode ster) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. (Bron: PDOK. Bewerking: SAB)

Er liggen ook Duitse natuurgebieden die deel uitmaken van Natura 2000 binnen een straal van 25 kilometer van de ontwikkellocatie. De volgende natuurgebieden liggen het meest nabij de ontwikkellocatie:  - Moore und Heiden circa 17 kilometer;  - Lüntener Fischteich circa 18 kilometer;  - Witte Venn circa 18 kilometer. Met het plan wordt een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Het is uitgesloten dat bijvoorbeeld licht of geluid afkomstig van de ontwikkeling op deze grote afstand omliggend Natura 2000-gebied kan verstoren. Wel is met de ontwikkeling een toename van stikstofemissie mogelijk. Dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht. 3.3.3

Toetsing overige gevoelige gebieden Naast de gebiedstypen die specifiek zijn genoemd in bijlage III van de Richtlijn, is getoetst aan de gevoelige gebieden op grond van overig nationale of provinciale wetgeving of beleid. Type gebied

Juridisch kader

Natuurnetwerk Nederland (voor-

Provinciale verordening

Relevantie voor de activiteit Het plangebied maakt geen

heen: Ecologische Hoofdstruc-

deel uit van het Natuurnetwerk

tuur)

Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Gebied geschikt voor be-

Wet natuurbescherming

schermde soorten

Het plangebied is mogelijk geschikt voor beschermde soorten (zie verder onder 2).

12

Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

Weidevogelgebied en ganzen-

Provinciale verordening

Het plangebied ligt niet in een

foerageergebied

beschermingsgebied voor weidevogels en ligt ook niet in de nabijheid van een dergelijk gebied (minder dan 2 km).

Stiltegebied Bodembeschermingsgebied

Wet milieubeheer

Het plangebied is niet gelegen in

Provinciale verordening

een stiltegebied.

Provinciale verordening

Het plangebied is niet gelegen in een bodembeschermingsgebied.

Grondwaterbeschermingsgebied

Provinciale verordening

Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.

2. Beschermde soorten Gelet op het karakter van het plangebied en haar omgeving kunnen mogelijk beschermde dier- of plantensoorten aanwezig zijn, dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht.

13

4 4.1

Kenmerken van het potentiële effect Inleiding In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de potentiële effecten van de activiteiten. In dit hoofdstuk gaat het om de interactie tussen beide voorgaande hoofdstukken. Hetgeen beschreven is over de kenmerken van het plan en de plaats van het plan zijn bepalend voor de milieuaspecten die in dit hoofdstuk nader aan de orde worden gesteld. Voor alle thema’s geldt dat conform de Europese richtlijn gelet wordt op de duur, frequentie en onomkeerbaarheid van het effect. Tevens wordt aandacht besteed aan de mogelijke cumulatieve effecten op de diverse aspecten als gevolg van de komst van de woningen en het verpleeghuis. Hoofdstuk 2 laat zien dat het plan de realisatie van maximaal 20 grondgebonden woningen en 54 zorgeenheden aan de Boinksweide te Diepenheim betreft. Dit is een ontwikkeling die zorgt voor de aantrekking van verkeer. Hoofdstuk 3 laat zien dat de omgeving van het plangebied een beperkt aantal kwetsbaarheden kent. In de wijdere omgeving van het plangebied bevinden zich Natura 2000-gebieden. Daarnaast kunnen beschermde dier- of plantensoorten in het plangebied aanwezig.

Nader te beoordelen aspecten Op basis van de voorgaande twee hoofdstukken worden de volgende milieuaspecten in dit hoofdstuk nader behandeld:  natuur: Het plan kan wat betreft soortenbescherming leiden tot negatieve milieueffecten op beschermde flora en fauna. Ook zijn er vanuit de gebiedsbescherming mogelijk negatieve milieueffecten als gevolg van stikstofdepositie.  verkeer: De nieuwe woonontwikkeling zal leiden tot een toename van het (gemotoriseerde) verkeer. Er zal nader worden beoordeeld of sprake is van negatieve (milieu-)effecten op het gebied van doorstroming en veiligheid.  geluidshinder: Het project heeft een verkeersaantrekkende werking en maakt ook maatschappelijke functies mogelijk. Derhalve leidt het mogelijk ook tot een toename van geluidshinder (door verkeer) op de omgeving.  luchtkwaliteit: De toename van het verkeer kan leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.  water: De toename in verharding kan leiden tot een vermindering van het waterbergend vermogen in de omgeving, wat wateroverlast tot gevolg kan hebben. Daarnaast kan de ontwikkeling invloed hebben op het grondwater, verdroging, hitte en de waterkwaliteit.

Aspecten waarbij op voorhand geen effecten zijn te verwachten Van de overige milieuaspecten wordt op basis van de beoordeling van de kenmerken het concrete plan en de bestaande situatie zoals omschreven in de voorgaande hoofdstukken op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten. Om alle aspecten nog kort langs te lopen:  externe veiligheid: De functies in onderhavig plan leiden niet tot externe veiligheidseffecten.

14

 cultuurhistorie: De functies in onderhavig plan leiden niet tot negatieve effecten van cultuurhistorische waarden.  archeologie: De locatie is aangewezen als een locatie met lage archeologische verwachting. Daarnaast ligt een klein deel van de ontwikkelingslocatie in een zone met een middelhoge archeologische verwachting. Bij een middelhoge archeologische verwachting moet onderzoek worden uitgevoerd bij verstoringen dieper dan 40 cm en oppervlakte van 5000 m² of meer. Dit is binnen het onderhavig plan niet van toepassing. Derhalve kan worden verwacht dat geen archeologische waarden worden geschaad bij onderhavige ontwikkeling.  bodem: Onderhavig plan bevat geen onderdelen die mogelijk bedreigend zijn voor de bodem.  geurhinder: De functies in onderhavig plan leiden niet tot geurhinder. De voorgaande aspecten worden daarom in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling niet nader besproken. Opzet van de beoordeling De inhoud van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is met name gebaseerd op algemeen beschikbare informatie, aangevuld met onderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van het bestemmingsplan.

4.2

Natuur

4.2.1

Huidige situatie Het plangebied bevindt zich binnen het stadje Diepenheim. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van woonhuizen en andere stedelijke functie ten zuiden, westen en oosten van het plan. De omgeving ten noorden van het plangebied kenmerkt zich door agrarische gronden. In de nabijheid liggen natuurgebieden als de Borkeld, Stelkampsveld, Buurserzand en Haaksbergerveen. Op 24 januari is een veldbezoek uitgevoerd. Het plangebied bestaat uit een houten vervallen schuur, beplanting, sloten en grasland. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied ten tijde van het veldbezoek.

De houten vervallen schuur.

Eén van de aanwezige houtwallen.

15

Eén van de aanwezig sloten.

4.2.2

Grasland met aan de achterzijde houtwallen.

Effecten ontwikkeling Natuurbank Overijssel heeft met een QuickScan natuurwaardenonderzoek1 onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Naast beschermde natuurwaarden in het plangebied is ook nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Hiervoor is een stikstofonderzoek2 uitgevoerd. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan en het stikstofonderzoek uiteengezet. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied ‘Borkeld’ ligt in de buurt van het plangebied, namelijk op circa 7,5 kilometer afstand. Op een dergelijke afstand kunnen negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie niet worden uitgesloten. Ten behoeve van de ontwikkeling is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. Uit het betreffende onderzoek volgt dat er in de gebruiks- en aanlegfase rekenresultaten van maximaal 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden verwacht kunnen worden. Hieruit volgt dat er geen sprake zal zijn van een toename van de stikstofdepositie en dat significant negatieve effecten derhalve kunnen worden uitgesloten. Gelet op deze resultaten zijn er geen significant nadelige effecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden.

Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Het plangebied vormt geen functioneel leefgebied van beschermde vissen.

1

Natuurbank Overijssel (2023). Quickscan natuurwaardenonderzoek Boinksweide ongenum-

2

SAB (2023). Onderzoek stikstofdepositie Diepenheim, Boinksweide. Projectnummer:

merd Diepenheim. Projectnummer: 6002 versie 1.0, 14 maart 2023. 230332, 23 november 2023. 16

Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de schuur gesloopt en de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibieën gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaatsen van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rusten voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën.

Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein ongeschikt gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende foeragerende diersoorten af. Deze afname leidt niet tot wettelijke consequenties. Conclusie Gezien voorgaande, en ervan uitgaande dat voornoemde werkwijzen worden uitgevoerd, is voor wat betreft natuur op zijn hoogst sprake van een beperkt negatief milieueffect. Dit geldt enkel voor het aspect soortenbescherming. In ieder geval kan een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu worden uitgesloten.

4.3

Verkeer

4.3.1

Huidige situatie In de huidige situatie zijn de gronden in gebruik voor kleinschalige agrarische en recreatieve doeleinden. De locatie kent daarom in de huidige situatie nog geen verkeer aantrekkende functie.

4.3.2

Effecten ontwikkeling Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW, publicatie 381, van parkeerkencijfers naar parkeernomen, kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Gelet op de ligging van de ontwikkelingslocatie aan de rand van de kern Diepenheim worden de kencijfers voor het gebied 'rest bebouwde kom' gehanteerd. De gemeente Hof van Twente heeft 17

volgens het CBS de stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk'. Daarnaast is het volgende woningbouwprogramma gehanteerd: Woning typologieën Aantal Koop, huis, tussen/hoek 16 Koop, huis twee-onder-een-kap 4 Serviceflat* 54 *Voor een ‘Verpleeg- en verzorgingstehuis’ zijn geen kencijfers opgenomen voor de verkeergeneratie. De woningtypologie ‘Serviceflat’ is daarna het meest vergelijkbaar, derhalve zijn deze kencijfers gebruikt voor het berekening van de verkeersgeneratie. De onderstaande tabel geeft het aantal verkeersbewegingen weer per type woning: Woning typologieën Verkeersbewegingen Koop, huis, tussen/hoek (16) 7,4 Koop, huis twee-onder-een-kap (4) 7,8 Verpleeg- en verzorgingstehuis (op basis van serviceflat) (50) 2,6 Dit leidt tot de volgende verkeersgeneratie: 16 x koop, tussen/hoek (7,4) 4 x koop, twee-onder-een-kap (7,8) 54 x verpleeg- en verzorgingstehuis (2,6)

= 118,4 verkeersbewegingen = 31,2 verkeersbewegingen = 140,4 verkeersbewegingen

Geconcludeerd wordt dat het verpleeghuis en de woningen in totaal maximaal circa 290 extra verkeersbewegingen per etmaal zullen genereren. In de huidige situatie kent de Boinksweide een etmaal intensiteit van 200 motorvoertuigen per etmaal. De Boinksweide is een erftoegangsweg die een maximale intensiteit van 6.000 motorvoertuigen per etmaal aan kan3 vanuit het oogpunt van leefbaarheid en veiligheid. De extra verkeersgeneratie kan derhalve zonder negatieve gevolgen worden opgenomen in het heersende verkeersbeeld van de omliggende 30 km/uur wegen. De capaciteit van de omliggende infrastructuur is voldoende. Gezien voorgaande worden voor wat betreft verkeer geen negatieve (milieu)effecten verwacht op het gebied van doorstroming en veiligheid.

4.4

Geluid

4.4.1

Huidige situatie Het plangebied is gelegen in een stedelijke omgeving waarbij verwacht mag worden dat reeds sprake is van een merkbare geluidsbelasting. Dit gezien de locatie grotendeels wordt omsloten door woningen die onderdeel uitmaken van het stedelijk gebied.

4.4.2

Effecten ontwikkeling De beoogde ontwikkeling van 20 grondgebonden woningen en 54 zorgeenheden zorgt voor de aantrekking van meer verkeer en daarmee potentieel hogere geluidswaarden. 3

CROW richtlijnen conform ASVV2004, publicatie 216 en Handboek wegontwerp 18

Onderhavig plan zal worden ontsloten op aangrenzende 30 km/uur weg Boinksweide. Nabij deze weg zijn reeds bestaande woningen gelegen. Op deze woningen zou de geluidbelasting dus kunnen toenemen. Voor de Boinksweide geldt ter hoogte van het plangebied een etmaalintensiteit van 200 motorvoertuigen per etmaal. Uit de Wet geluidhinder is af te leiden dat bij een geluidstoename van 1,5 dB de geluidstoename merkbaar toeneemt en mogelijk maatregelen gewenst zijn. De realisatie van het verpleeghuis en de woningen zal in totaal circa 290 extra verkeersbewegingen per etmaal genereren. Dit zal hoogstwaarschijnlijk leiden tot een merkbare geluidstoename. Echter is de verkeersintensiteit in de huidige situatie op basis van het aantal woningen zo beperkt dat er geen overschrijdingen zullen optreden van de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van de planbijdrage. Bovendien geldt voor de Boinksweide ook dat het een niet-gezoneerde weg betreft waar maatregelen niet doelmatig zijn. Significant negatieve effecten zijn daarmee niet te verwachten. Gezien voorgaande zal wat betreft geluid geen sprake van een significant negatieve (milieu)effect.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/4104/documents/56685