19. Bijlage 4 bij VNG met Ledenbrief Nieuwe Model Re-integratieverordening Participatiewet ed (1104569)
Tekst van het document
Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl | vng.nl 1/23 Bijlage 4: Implementatiehandleiding bij Verordening maatregelen Participatiewet, IOAW en IOAZ (nieuw model, juli 2026) Leeswijzer Deze implementatiehandleiding biedt nadere uitleg en instructies bij de VNG Model Verordening maatregelen Participatiewet, IOAW en IOAZ (nieuw model, juli 2026). De implementatiehandleiding geeft nadere achtergrondinformatie over hoe het model tot stand is gekomen. De implementatiehandleiding fungeert als gebruikershandleiding en geeft een toelichting op voor- en nadelen die zijn verbonden aan de keuze van in het model opgenomen varianten en wijst op acties die noodzakelijk zijn om de keuze voor een bepaalde variant consequent door te voeren in de lokale verordening. Algemeen 1. Aanleiding De landelijke regels over het bij wijze van maatregel (gedeeltelijk) weigeren van uitkeringen worden met de komst van de Participatiewet in balans en de Wet handhaving sociale zekerheid ingrijpend gewijzigd. Door deze wetten en de bijbehorende wijzigingen in het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten, zijn de regels over maatregelen nu in grotere mate landelijk vastgesteld dan voorheen. Dit betekent dat er minder ruimte is voor eigen keuzes op gemeentelijk niveau.
In de bijlage bij deze implementatiehandleiding is schematisch weergegeven welke onderwerpen landelijk zijn bepaald en hoe de gemeentelijke verordening zich verhoudt tot die landelijke kaders. Zo is er bijvoorbeeld geen ruimte meer om in de verordening de hoogte en duur van maatregelen voor te schrijven. Uitzondering hierop is de maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, waarover landelijk geen regels over de hoogte en duur van de maatregel zijn gesteld. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 2/23 De wetswijzigingen hebben gevolgen voor gemeenten, aangezien gemeenten gehouden zijn om, in medebewind, bij verordening regels te stellen over de bij oplegging van een maatregel te hanteren normen, voor zover die nog niet in de wet zijn neergelegd. De VNG kende voorheen de model Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ (gewijzigd model, september 2016). Die modelverordening bleek niet meer passend bij de nieuwe wettelijke regels. Ook klopte de grondslag in de aanhef niet meer. Daarom is een nieuwe verordening nodig waarmee de Afstemmingsverordening wordt vervangen. Met de voorliggende modelverordening kunnen gemeenten hun lokale verordening vaststellen. Deze implementatiehandleiding gaat in op de keuzes die daarbij te maken zijn. Eerst wordt er hieronder ingegaan op de achtergrond van de modelverordening. 2.
Totstandkoming Dit model is tot stand gekomen met input van een klankbordgroep van ambtenaren uit verschillende gemeenten en in samenwerking met diverse partijen. Ook is gebruik gemaakt van de juridische adviezen van de VNG Adviescommissie Gemeenterecht. Meer informatie over deze commissie is te vinden op de website van de VNG. 3. Waaruit volgt de opdracht om een verordening vast te stellen? De verplichting om bij verordening regels te stellen over maatregelen staat in de artikelen 8, eerste lid, onder a en c, van de Participatiewet, 35, onder a en c, van de IOAW en 35, onder a en c, van de IOAZ. In de verordening moeten de essentialia van de bij oplegging van een maatregel te hanteren normen worden vastgesteld, voor zover deze niet al in formele wetten zijn neergelegd. Bij de implementatie van deze modelverordening is het aan te bevelen dat het college beleidsregels vaststelt hoe het in de praktijk uitvoering geeft aan het in de verordening vastgestelde normatieve kader. In dergelijke beleidsregels kan het college uiteenzetten hoe het bij de voorbereiding van besluiten over oplegging van een maatregel de feiten vaststelt, wettelijke voorschriften (zowel landelijke regels als in de verordening neergelegde regels) uitlegt en hoe het – binnen de aan het college Vereniging van Nederlandse Gemeenten 3/23 toekomende ruimte – belangen afweegt.
Beleidsregels scheppen consistentie in de uitvoering bij de uitoefening van bevoegdheden door het college. 4. Inhoud implementatiehandleiding De modelverordening kent een aantal verplichte en een aantal facultatieve elementen. Diverse artikelen bevatten nader door de gemeente in te vullen onderdelen of keuzemogelijkheden. Deze implementatiehandleiding is opgesteld als handleiding bij het maken van de keuzes die daarbij aan de orde zijn. Voor een goed beeld dient deze handleiding in samenhang met de VNG ledenbrief gelezen te worden. 5. Andere keuzes zijn mogelijk Gemeenten kunnen in de verordening ook andere keuzes maken dan in de modelverordening zijn voorgesteld. Die andere keuzes moeten dan wel in lijn zijn met de verplichtingen die volgen uit de Participatiewet, IOAW, IOAZ en het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten. Bij andere keuzes moet de toelichting bij de verordening en het raadsbesluit in verband daarmee worden aangepast. Ook de nummering van de artikelen en de verwijzingen in de verordening vragen dan aandacht. Opschrift en aanhef Het opschrift en de aanhef van de regeling moeten nog worden aangevuld met informatie die betrekking heeft op de lokale situatie. Dan gaat het o.a. om de naam van de gemeente.
In de aanhef van het besluit tot vaststelling van een verordening wordt alleen een considerans of beweegreden opgenomen als het plaatselijk gebruik dat voorschrijft. Deze considerans wordt geplaatst tussen de gezien-regel en de besluit-regel. Hiervoor kan de volgende tekst worden gebruikt: Vereniging van Nederlandse Gemeenten 4/23 Overwegende dat: - aan het recht op een uitkering verplichtingen zijn verbonden; - het voor een rechtvaardig stelsel van sociale zekerheid van belang is dat die verplichtingen worden nagekomen; - het college bij wijze van maatregel een uitkering (gedeeltelijk) kan weigeren als sprake is van niet nakoming door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiend uit de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen dan wel indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan; - door de raad regels gesteld moeten worden met betrekking tot het bij wijze van maatregel weigeren van uitkeringen; Artikelsgewijs Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader toegelicht. Het gaat dan om bepalingen waarin nog keuzes gemaakt moeten worden.
Ook worden hier waar nodig bij bepalingen aandachtspunten meegegeven die van belang zijn voor de implementatie in de gemeentelijke uitvoeringspraktijk. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Wettelijke definities worden niet nogmaals opgenomen in de verordening. In de definitie van “college” moet de naam van de gemeente worden ingevuld. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 5/23 Het opnemen van de definitie van “benadelingsbedrag” of “benadelingsperiode” hangt af van de berekeningswijze die wordt gekozen in artikel 8, tweede lid. Als in artikel 8, tweede lid, wordt gekozen voor Variant A moet de definitie van “benadelingsperiode” worden opgenomen. In de artikelsgewijze toelichting moet het kopje “benadelingsperiode” worden opgenomen. Als in artikel 8, tweede lid, wordt gekozen voor Variant B of Variant C moet de definitie van “benadelingsbedrag” worden opgenomen. In de artikelsgewijze toelichting moet het kopje “benadelingsbedrag” worden opgenomen. Hoofdstuk 2. Procedurele voorschriften Artikel 3. Redelijke termijn bij oplegging maatregel In het eerste lid (facultatieve zinssnede) kan een maximale termijn worden opgenomen. Gemeenten kunnen dan de facultatieve zinsnede (inclusief toelichting) overnemen en de termijn invullen.
Bij het stellen van een maximale termijn kan aangesloten worden bij de zes-maanden- termijn die geldt bij terugvordering (artikel 58, negende lid, onder b van de Participatiewet). Een termijnstelling kan voorkomen dat in de uitvoeringspraktijk te veel tijd wordt genomen om tot oplegging van een maatregel te komen waardoor de belanghebbende lange tijd in het ongewisse blijft en mogelijk wordt geconfronteerd met (hoge) terugvorderingen (als de maatregel met terugwerkende kracht wordt opgelegd). Artikel 4. Zienswijze Met dit artikel wordt het college vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid verplicht tot het vragen van een zienswijze op de vastgestelde feiten of geïnventariseerde belangen. Overigens geldt dat ook als dit artikel niet zou worden opgenomen, de belanghebbende op grond van artikel 4:8 Awb in beginsel in de gelegenheid moet worden gesteld een zienswijze te geven voordat de maatregel wordt opgelegd. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 6/23 Artikel 5. Inhoud Dit artikel dient als invulling of explicitering van het motiveringsvereiste dat volgt uit artikel 3:47, eerste lid, Awb. Artikel 6. Tenuitvoerlegging In onderdeel c en in de artikelsgewijze toelichting moet de maximale termijn worden ingevuld. Hoofdstuk 3. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid Artikel 7.
Definitie In dit artikel kunnen gedragingen (onderdelen a tot en met d) worden geschrapt of toegevoegd (onderdeel e, zelf in te vullen). Een definitie komt de rechtszekerheid ten goede en is een handvat voor de uitvoeringspraktijk. De gedragingen in onderdelen a tot en met d zijn ontleend aan bestaande gemeentelijke verordeningen en de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB). Deze rechtspraak wordt besproken in paragraaf 4 van het algemeen deel van de toelichting bij de verordening. Aandachtspunt is dat een toevoeging of schrapping van een gedraging mogelijk vraagt om aanpassingen in artikel 8, eerste lid. - Als artikel 7, onderdeel a, wordt geschrapt, zal ook artikel 8, eerste lid, moeten vervallen (onder vernummering van de overige leden van dat artikel). - Als aan artikel 7 gedragingen worden toegevoegd (onderdeel e en verder) waarvoor een vaste maatregel gewenst is (conform artikel 8, eerste lid), dan moet in artikel 8, eerste lid, een verwijzing naar de toegevoegde gedraging(en) (onderdeel e en verder) opgenomen worden. - Als ten aanzien van de toegevoegde gedraging(en) een berekeningswijze conform artikel 8, tweede lid, wordt gekozen, is er geen aanpassing van artikel 8 nodig.
Artikel 8, tweede lid, ziet immers al op alle overige gevallen van tekortschietend besef van Vereniging van Nederlandse Gemeenten 7/23 verantwoordelijkheid (en dus ook op eventueel aan artikel 7 toe te voegen onderdelen e en verder). Artikel 8. Berekening hoogte en duur van de maatregel Vaste rechtspraak van de CRvB is dat de verordening criteria moet bevatten om de hoogte en duur van de maatregel wegens tekortschietend besef te kunnen vaststellen. Uit de verordening moet voor een bijstandsgerechtigde duidelijk blijken welke gevolgen door het college aan zijn gedraging kunnen worden verbonden (ECLI:NL:CRVB:2018:77). Hiertoe dient artikel 8. Bij het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel wegens tekortschietend besef kan aangesloten worden bij de landelijke percentages en (maximum)duur die gelden voor andere maatregelen. Op grond van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten kunnen maatregelen van respectievelijk 5, 10 en 25 procent gedurende een maand worden opgelegd (artikel 2, eerste lid, onder a, b en c van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten). Voor de maximumduur kan worden aangesloten bij de landelijke maximale duur van een maatregel van drie maanden (artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet). Het is mogelijk om een hoger percentage of een langere duur van de maatregel op te nemen in de verordening.
Zo heeft de CRvB maatregelen tot 100 procent gedurende een of twee maanden in stand gelaten (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2022:819 en ECLI:NL:CRVB:2024:209). Ook een maatregel van 20 procent voor de duur van de benadelingsperiode van 17 maanden is door de CRvB in stand gelaten (ECLI:NL:CRVB:2020:2763). Opgemerkt wordt dat genoemde rechtspraak van de CRvB dateert van voor de inwerkingtreding van de Wet handhaving sociale zekerheid. De door die wet en het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten geregelde landelijke standaardmaatregelen zijn over het algemeen minder zwaar dan de maatregelen die voorheen voor dezelfde overtredingen in gemeentelijke verordeningen waren voorgeschreven. Hoewel de grondslag voor de maatregel wegens tekortschietend besef niet is gewijzigd, is denkbaar dat de CRvB - indachtig de landelijke standaardmaatregelen en de bedoeling van de wetgever om meer passend handhaven mogelijk te maken (Kamerstukken II, 2024/25, Vereniging van Nederlandse Gemeenten 8/23 36785, nr. 3, p. 44 e.v.) - in de toekomst anders (strenger) oordeelt over de hoogte en duur van de maatregel wegens tekortschietend besef. Eerste lid Het percentage en de maximumduur van de maatregel moeten worden ingevuld in het artikellid en in de artikelsgewijze toelichting daarbij.
In de tweede zin van die toelichting moet gekozen worden voor “benadelingsbedrag” of “benadelingsperiode”, afhankelijk van de optie die wordt gekozen in het tweede lid. Tweede lid Er moet één variant worden gekozen. Bij samenvoeging van varianten, moet worden voorkomen dat in een individueel geval onduidelijkheid kan ontstaan over welke berekeningswijze voorrang geniet. Voor alle varianten geldt dat de maatregel daarmee wordt afgestemd op de ernst van de gedraging. Bij keuze voor Variant A: het percentage en de maximumduur moeten worden ingevuld. In de artikelsgewijze toelichting moet het tekstblok bij Variant A worden opgenomen en moeten het percentage en de periode worden ingevuld. Bij keuze voor Variant B: per subonderdeel moet worden ingevuld (1) het percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, (2) de periode (het aantal maanden) waarin die verlaging geldt en (3) het benadelingsbedrag. Het is mogelijk om een of meerdere subonderdelen toe te voegen (zie het facultatieve onderdeel c). In de artikelsgewijze toelichting moet het tekstblok bij Variant B worden opgenomen. In het rekenvoorbeeld moeten het toepasselijke percentage en de periode worden ingevuld. Een alternatief is dat wordt uitgegaan van een vast maatregelpercentage van bijvoorbeeld 20 procent en een variabele (oplopende) duur, bijvoorbeeld 1, 2 en 3 maanden, naarmate het benadelingsbedrag hoger is.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten 9/23 Bij keuze voor Variant C: de maximumduur moet worden ingevuld. In de artikelsgewijze toelichting moet het tekstblok bij Variant C worden opgenomen en moet de gekozen maximumduur worden ingevuld. Een reden om Variant C (maatregel ter hoogte van het benadelingsbedrag) te kiezen is dat daarmee wordt aangesloten bij de berekeningswijze van artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. Dat artikel ziet op de maatregel die wordt opgelegd als de belanghebbende (na bijstandsverlening) een verplichting tot het aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid niet nakomt. Het college weigert in dat geval dat deel van de bijstand dat niet tot uitbetaling zou zijn gekomen indien de verplichting wel was nagekomen, gedurende ten hoogste drie maanden. Andere keuzes bij het eerste en tweede lid Andere keuzes zijn mogelijk. De artikelsgewijze toelichting vraagt bijzondere aandacht als van het model wordt afgeweken. Twee alternatieven worden hierna toegelicht. Maatregel gebaseerd op het onverantwoord besteed vermogen Gekozen kan worden om bij de gedraging van tekortschietend besef als bedoeld in artikel 7, onder d (opmaken of wegschenken van vermogen), de maatregel af te stemmen op het onverantwoord besteed vermogen (in plaats van op het benadelingsbedrag of de benadelingsperiode).
Als daarvoor wordt gekozen zal een nieuw tweede lid ingevoegd moeten worden (onder vernummering van het tweede en derde lid). Een dergelijk lid zou als volgt kunnen luiden: 2. Bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 7, onder d, wordt de maatregel vastgesteld op: a. [invullen: percentage] van de uitkering gedurende [invullen: periode] bij een onverantwoord besteed vermogen tot [invullen: bedrag]; b. [invullen: percentage] van de uitkering gedurende [invullen: Vereniging van Nederlandse Gemeenten 10/ 23 periode] bij een onverantwoord besteed vermogen vanaf [invullen: bedrag] tot [invullen: bedrag]; c. [eventueel opnemen: [invullen: percentage] van de uitkering gedurende [invullen: periode] bij een onverantwoord besteed vermogen vanaf [invullen: bedrag] tot [invullen: bedrag]; d. [eventueel opnemen: [invullen: …];] e. [invullen: percentage] van de uitkering gedurende [invullen: periode] bij een onverantwoord besteed vermogen van [invullen: bedrag] of hoger. De artikelsgewijze toelichting bij dit lid kan luiden: De maatregel wordt in de in artikel 7, onder d, bedoelde gevallen afgestemd op het onverantwoord besteed vermogen. Dit is het bedrag dat de belanghebbende naar het oordeel van het college op onverantwoorde wijze heeft uitgegeven, bijvoorbeeld door dit te schenken aan een derde.
Naarmate dit bedrag hoger is, is een maatregel voor een langere duur passend. In die situatie is namelijk een sterkere bijsturing van het gedrag van de betrokkene gerechtvaardigd. Een voorbeeld ter illustratie: de belanghebbende deed op 1 april 2026 een schenking van € 25.000 aan een derde, een maand later doet hij een beroep op bijstand. Aangenomen wordt dat hiermee sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Bij een onverantwoord besteed vermogen van € 25.000 kan op grond van artikel 8, tweede lid, een maatregel worden opgelegd ter hoogte van [invullen: percentage] van de uitkering voor de duur van [invullen: periode]. Vaste maatregel bij gedragingen als bedoeld in artikel 7, onder b, c of d. Een ander alternatief is om voor een of meerdere van de gedragingen genoemd in artikel 7, onder b, c of d, een vast maatregelpercentage te stellen (conform artikel 8, eerste lid). Om dat te bewerkstelligen moet een verwijzing naar de betreffende gedraging uit artikel 7 (onder b, c of d) worden toegevoegd aan artikel 8, eerste lid. Het tweede lid Vereniging van Nederlandse Gemeenten 11/ 23 behoeft geen aanpassing omdat dat lid blijft zien op alle overige gevallen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Het voordeel van een vast maatregelpercentage is dat het benadelingsbedrag of de benadelingsperiode niet hoeft te worden vastgesteld.
Dat kan het besluitvormingsproces vereenvoudigen en eventuele discussies over het benadelingsbedrag of de benadelingsperiode voorkomen. Het nadeel van een vast maatregelpercentage is dat het daarmee minder goed mogelijk is om de maatregel af te stemmen op de ernst van de gedragingen. De ernst van de gedraging kan dan nog slechts bij de bepaling van de duur van de maatregel een rol spelen. Derde lid De maximale periode en de wijze van verzwaring bij recidive moeten worden ingevuld in het artikel en de artikelsgewijze toelichting. Aangesloten kan worden bij artikel 6 van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten op grond waarvan het maatregelpercentage wordt verdubbeld bij recidive binnen twee jaar na een eerdere maatregel. Alternatieven zijn dat de duur van de maatregel wordt verdubbeld (en het percentage gelijk blijft) of dat zowel de duur als het percentage worden verdubbeld. In de toelichting moet gekozen worden voor “benadelingsbedrag” of “benadelingsperiode”, afhankelijk van de optie die wordt gekozen in het tweede lid. Vierde lid Dit betreft een facultatieve bepaling waarmee een drempelbedrag kan worden ingevoerd. Aangesloten kan worden bij het drempelbedrag van € 25 dat op grond van artikel 2, eerste lid, van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten geldt voor maatregelen die op grond van dat besluit worden opgelegd. Hoofdstuk 4.
Slot- en overgangsbepalingen Artikel 9. Evaluatie Vereniging van Nederlandse Gemeenten 12/ 23 Dit is een facultatieve bepaling omdat de landelijke wetgeving niet verplicht tot evaluatie. In het eerste lid moet worden ingevuld om de hoeveel jaar een evaluatie plaatsvindt. De gekozen periode moet ook ingevuld worden in de toelichting bij dit artikel. Om de evaluatie goed uit te kunnen voeren, is het noodzakelijk om systematisch informatie ten behoeve van de evaluatie te verzamelen. Op grond van het tweede lid is het college verplicht om de aldaar in te vullen informatie op gepseudonimiseerde wijze systematisch te verzamelen. De gemeente moet in het tweede lid specificeren welke informatie dit betreft, zodat op voorhand wordt geborgd dat de verwerking beperkt blijft tot de strikt noodzakelijke persoonsgegevens. Het is in dat geval van belang om in het tweede lid de reikwijdte van de verwerking van persoonsgegevens te specificeren, onder meer door te specificeren uit welke bronnen de gepseudonimiseerde persoonsgegevens afkomstig zijn (in beginsel slechts de bij het college aanwezige bronnen) en welke categorieën persoonsgegevens verwerkt worden. Uitgangspunt daarbij is dat de verwerking van gepseudonimiseerde persoonsgegevens beperkt blijft tot de strikt noodzakelijke persoonsgegevens waarover het college bij de uitvoering van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ beschikt.
De evaluatie dient in beginsel geen betrekking te hebben op (gepseudonimiseerde) bijzondere persoonsgegevens, tenzij hiervoor een doorbrekingsgrond bestaat in artikel 9, tweede lid, AVG. Voor zover de evaluatie betrekking heeft op opgelegde maatregelen of (anderszins) individuele casuïstiek, wordt aanbevolen om dat deel van de evaluatie vorm te geven als statistisch onderzoek in de zin van artikel 89 AVG. Op grond van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, AVG geldt namelijk dat het verwerken van persoonsgegevens ten behoeve van een statistisch onderzoek wordt beschouwd als een verenigbare verdere verwerking. Daarvoor is vereist dat voldaan wordt aan de volgende randvoorwaarden: (a) er worden niet meer persoonsgegevens verzameld en geanalyseerd dan noodzakelijk is voor het statistisch onderzoek; Vereniging van Nederlandse Gemeenten 13/ 23 (b) het resultaat van de verwerking bestaat uitsluitend uit geaggregeerde gegevens die niet tot natuurlijke personen herleidbaar zijn; (c) de onderliggende gepseudonimiseerde persoonsgegevens worden niet gebruikt om maatregelen of besluiten te nemen die een bepaalde natuurlijke persoon betreffen; en (d) er zijn passende technische en organisatorische maatregelen getroffen ter bescherming van de gegevens, waaronder pseudonimisering en een passende beveiliging van opslag en toegang tot de persoonsgegevens. Artikel 10.
Overgangsrecht, intrekking oude verordening In het eerste, tweede en derde lid en in de artikelsgewijze toelichting moet de citeertitel van de ingetrokken verordening worden vermeld. Artikel 11. Inwerkingtreding en citeertitel De inwerkingtreding van de verordening is gekoppeld aan de verheffing tot wet en inwerkingtreding van het wetsvoorstel Wet handhaving sociale zekerheid en de inwerkingtreding van de relevante bepaling uit de Participatiewet in balans, die deels al in werking is getreden, maar waarvan de voor deze verordening relevante bepaling nog in werking moet treden. De inwerkingtredingsbepaling verwijst daarom ook specifiek naar artikel I, onderdeel E, van de Participatiewet in balans. Het is niet mogelijk deze verordening al eerder in werking te laten treden, omdat dan de juridische grondslag voor de verordening ontbreekt. Een latere inwerkingtreding is ook niet mogelijk, omdat de gemeente dan tijdelijk niet beschikt over een rechtsgeldige verordening. Omdat de besluiten die, mede op basis van deze verordening genomen zullen worden een voor burgers belastend karakter hebben, is het ook niet mogelijk om aan de inwerkingtreding van deze verordening terugwerkende kracht te verlenen. De VNG adviseert daarom om, vooruitlopend op het wetstraject, alvast het vaststellen van deze verordening op te pakken.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten 14/ 23 Op het moment dat duidelijk is wanneer de Wet handhaving sociale zekerheid en de relevante bepaling uit de Participatiewet in balans in werking zullen treden voordat het voorstel tot het vaststellen van de verordening aan de gemeenteraad wordt voorgelegd, dan kan worden volstaan met een eenvoudigere inwerkingtredingsbepaling. Daarbij is het van belang om ook de modeltoelichting die verwijst naar de inwerkingtreding van beide wetten te schrappen. Ook is het belangrijk erop te letten dat de opgenomen datum er niet toe leidt dat deze is gelegen voor de datum waarop de verordening bekendgemaakt zal worden, nu, zoals hiervoor aangegeven, het niet mogelijk is bij de inwerkingtreding van de verordening terugwerkende kracht toe te kennen aan de verordening. Voor deze eenvoudige bepaling kan de volgende tekst worden gebruikt, waarbij de datum nog moet worden ingevuld: Deze verordening treedt in werking op [invullen: datum inwerkingtreding artikel I, onderdeel E, van de Participatiewet in balans en Wet handhaving sociale zekerheid]. De citeertitel moet nog worden aangepast aan de lokale situatie.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten 15/ 23 Bijlage Was-wordt-tabel bij Implementatiehandleiding bij Verordening maatregelen Participatiewet, IOAW en IOAZ (nieuw model, juli 2026) In deze tabel zijn de veranderingen ten opzichte van het Model Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ (2016) weergegeven. Dat een onderwerp terugkomt in de nieuwe verordening betekent niet dat de bepaling zelf ongewijzigd is gebleven: alle bepalingen zijn aangepast. Artikel model 2016 Artikel nieuw model 2026 Toelichting 1 (begrippen) 1 2 (besluit tot opleggen van een maatregel) 5 3 (horen van de belanghebbende) 4 4 (afzien van verlaging) 3 5 (ingangsdatum en tijdvak) 6 Vereniging van Nederlandse Gemeenten 16/ 23 6 (berekeningsgrondsla g) Vervalle n Landelijk bepaald. Zie artikel 2 van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten en artikelen 18 Participatiewet, 20 IOAW en 20 IOAZ. 7 (gedragingen Participatiewet) Vervalle n Landelijk bepaald. Zie artikelen 3, 4 en 5 van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten en artikel 18, vierde en vijfde lid, Participatiewet. 8 (gedragingen IOAW en IOAZ) Vervalle n Landelijk bepaald. Zie artikelen 3, 4 en 5 van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten en artikelen 20 IOAW en 20 IOAZ. 9 (hoogte en duur van de verlaging) Vervalle n Landelijk bepaald. Zie artikel 2 van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten.
10 (duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting) Vervalle n Landelijk bepaald. Zie artikel 2 van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten en artikelen 18 Participatiewet, 20 IOAW en 20 IOAZ. 11 (verrekenen verlaging) Vervalle n Landelijk bepaald. De bevoegdheid om de maatregel te verrekenen is komen te vervallen (voorheen artikelen 18, vijfde lid Participatiewet). 12 (tekortschietend | 8 besef van verantwoordelijkheid) 13 (zeer ernstige | Vervalle | Landelijk bepaald. Zie artikelen 18, misdragingen) | n | vijfde lid, Participatiewet, 20, derde lid, IOAW en 20, derde lid, IOAZ. 14 (niet nakomen van | Vervalle | Landelijk bepaald. Zie artikelen 3, 4 overige | n | en 5 van het Maatregelenbesluit verplichtingen) | socialezekerheidswetten en artikel 18, vierde en vijfde lid, Participatiewet. 15 (samenloop van | Vervalle | Landelijk bepaald. Zie artikel 7 van gedragingen) | n | het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten. 16 (recidive) | Vervalle | Landelijk bepaald. Zie artikel 6 van n | het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten. 17 (samenloop bij | Vervalle | Landelijk bepaald. Zie artikel 7 van weigeren uitkering | n | het Maatregelenbesluit IOAW/IOAZ) | socialezekerheidswetten. 18 (blijvend en | Vervalle | Landelijk bepaald.
Zie artikelen 3, 4 tijdelijk weigeren | n | en 5 van het Maatregelenbesluit IOAW- of IOAZ- | socialezekerheidswetten en artikelen uitkering) | 20 IOAW en 20 IOAZ. 19 (intrekken oude | 10 verordening) Vereniging van Nederlandse Gemeenten | 17/ 23 Vereniging van Nederlandse Gemeenten 18/ 23 20 (inwerkingtreding en citeertitel) 11 - 2 NIEUW: Toepassingsbereik - 7 NIEUW: Definitie tekortschietend besef van verantwoordelijkheid - 9 NIEUW: Evaluatie Vereniging van Nederlandse Gemeenten 19/ 23 Bijlage Verhouding verordening tot landelijke regels bij Implementatiehandleiding bij Verordening maatregelen Participatiewet, IOAW en IOAZ (nieuw model, juli 2026) De regels over maatregelen zijn grotendeels landelijk bepaald in de Participatiewet, IOAW, IOAZ en het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten. Binnen de landelijke kaders zijn nadere regels bij gemeentelijke verordening nodig. Deze tabel maakt inzichtelijk welke onderwerpen (eerste kolom) op welk niveau (tweede, derde en vierde kolom) geregeld zijn. Hiermee wordt inzichtelijk op welke onderdelen de verordening een nadere uitwerking vormt van de landelijke kaders. Onderwerp Participatiew et, IOAW en IOAZ Maatregelenbesluit socialezekerheidswett en Verordenin g Vereniging van Nederlandse Gemeenten 20/ 23 Maatregelwaardi ge verplichtingen Artikelen 18, tweede lid, Participatiewe t, 20, tweede lid, IOAW en 20, eerste lid, IOAZ.
Artikel 2 Afwegingskader Artikelen 18, zesde lid, Participatiewe t, 20, vijfde lid, IOAW en 20, vijfde lid, IOAZ. Waarschuwing Artikelen 18, tweede lid, Participatiewe t, 20, tweede lid, IOAW en 20, eerste lid, IOAZ. Hoogte en duur maatregel bij zwaardere overtredingen Artikelen 18, vierde en vijfde lid, Participatiewe t, 20, eerste en derde lid, IOAW en 20, tweede en derde lid, IOAZ. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 21/ 23 Hoogte en duur maatregel bij lichtere overtredingen Artikelen 18, elfde lid, Participatiewe t, 20, achtste lid, IOAW en 20, achtste lid, IOAZ. Artikel 2, eerste lid in samenhang met artikelen 3, 4 en 5. Verwijtbaarheid Artikelen 9a, twaalfde lid, 18, vierde en zevende lid, onder a, Participatiewe t, 20, eerste en zesde lid, onder a IOAW en 20, tweede en zesde lid, onder a IOAZ. Artikel 2, tweede lid. Dringende redenen Artikelen 18, achtste lid, Participatiewe t, 20, zevende lid, IOAW en 20, zevende lid, IOAZ. Tekortschietend besef Artikel 18, tweede lid, Participatiewe t. Artikelen 7 en 8 Afzien van maatregel bij Artikelen 18, elfde lid, Artikel 2, vierde lid. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 22/ 23 lichtere overtredingen Participatiewe t, 20, achtste lid, IOAW en 20, achtste lid, IOAZ. Recidive Artikelen 18, elfde lid, Participatiewe t, 20, achtste lid, IOAW en 20, achtste lid, IOAZ. Artikel 6.
Samenloop Artikelen 18, elfde lid, Participatiewe t, 20, achtste lid, IOAW en 20, achtste lid, IOAZ. Artikel 7. Redelijke termijn Artikelen 8, eerste lid, onder a en c, Participatiewe t, 35, onder a en c IOAW en 35, onder a en c IOAZ. Artikel 3 Zienswijze Artikelen 8, eerste lid, onder a en c, Participatiewe t, 35, onder a Artikel 4 Vereniging van Nederlandse Gemeenten 23/ 23 en c IOAW en 35, onder a en c IOAZ. Inhoud maatregel Artikelen 8, eerste lid, onder a en c, Participatiewe t, 35, onder a en c IOAW en 35, onder a en c IOAZ. Artikel 5 Tenuitvoerleggin g Artikelen 8, eerste lid, onder a en c, Participatiewe t, 35, onder a en c IOAW en 35, onder a en c IOAZ. Artikel 6