14. TVW Hof van Twente - Bijlagen.pdf
Tekst van het document
4.3
Bijlagen Transitievisie Warmte 2021 Hof van Twente
Inhoudsopgave
2
Bijlage A Begrippenlijst
3
Bijlage B Overzicht financieringsinstrumenten
6
Bijlage C Transitiepaden naar aardgasvrije verwarming
7
Bijlage D Modelanalyses
10
Bijlage E Kengetallenoverzicht
13
Bijlage A Begrippenlijst
3
Term
Toelichting
Aardgasvrij
Niet aangesloten op de fossiele brandstof aardgas. De term aardgasvrij betekent niet altijd gasloos, er kan hernieuwbaar gas worden toegepast.
Afleverset
Bij een warmtenet wordt er gebruik gemaakt van een afleverset in de woning. De afleverset bevindt zich in de meterkast, berging of andere technische ruimte en zorgt ervoor dat de warmte van het warmtenet de verwarmingsinstallatie van de woning bereikt.
All-electric
Warmteoptie waarbij een gebouw alleen aangesloten is op het elektriciteitsnet en verwarmen en koken gebeurt met gebruik van elektriciteit (vaak een warmtepomp).
Aquathermie
Thermische energie uit oppervlaktewater, afvalwater of drinkwater dat kan worden gebruikt als bron voor een warmtenet of lokaal bronnet.
(CBS) Buurt
Onderdeel van een gemeente, dat op basis van historische dan wel stedenbouwkundige kenmerken homogeen is afgebakend. In de vergelijkende analyse die voor deze TVW gedaan is, hanteert ieder model als definitie van buurten de zogenaamde CBS-buurtgrenzen. Deze CBS-buurtgrenzen zijn nuttig omdat elk model dezelfde afbakening gebruikt, waarmee de vergelijkende analyse goed uitgevoerd kan worden. Maar deze grenzen hoeven niet altijd in lijn te zijn met wat door inwoners als logische grenzen gezien wordt, of wat logisch is om als grens te hanteren voor een mogelijke vervolgstap zoals een isolatie-actie binnen een gebied. Deze CBS-grenzen zijn dan ook niet leidend geweest in het bepalen van acties voor het vervolg na deze TVW voor de verschillende wijken en dorpen in onze gemeente.
Geothermie
Warmte afkomstig uit de aarde (aardwarmte) die ingezet kan worden als bron voor warmtenetten.
Duurzaam gas
Gas dat afkomstig is uit een hernieuwbare bron en/of is geproduceerd met duurzame energie, zoals biogas en groene waterstof.
Hoge temperatuur verwarming
Verwarmingssysteem waarbij een gebouw met 70°C of hoger wordt verwarmd en voorzien van warm tapwater.
Hybride warmteoplossing
Warmtelevering met elektrische oplossing, vaak een warmtepomp, in combinatie met een HR-ketel op gas
Lage temperatuur verwarming
Verwarmingssysteem waarbij een gebouw met een temperatuur van 55°C of lager verwarmd wordt. Tapwater wordt separaat verwarmd.
4
Term
Toelichting
Laagste maatschappelijke kosten
De laagste totale kosten voor de gehele keten en al haar gebruikers, dus kosten voor aanpassingen aan gebouwen, kosten voor de infrastructuur en kosten voor de bron en levering van warmte. Daarbij worden niet alleen de investeringen, maar ook onderhoud en operationele kosten meegenomen, dus inclusief de energierekening van de eindgebruiker, gedurende een periode van 30 jaar. De kosten per vermeden ton CO2 zijn naast deze maatschappelijke kosten tevens afhankelijk van de kosten voor verduurzaming van bronnen.
Lokale bronnetten
Lokale kleinschalige (collectieve) warmtevoorziening in de vorm van een zeer lage temperatuur bronnet in combinatie met een warmtepomp in het gebouw. Een bekende vorm is de Warmte-Koudeopslag (WKO).
Middentemperatuur verwarming
Verwarmingssysteem waarbij een gebouw met een temperatuur van 55 °C tot 70 °C wordt verwarmd en voorzien van warm tapwater.
Omgevingswet
De Omgevingswet gaat op 1 juli 2022 in werking en staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving. Ook biedt de Omgevingswet gemeenten de mogelijkheid om met overzichtelijkere regels de leefomgeving meer in samenhang in te richten. Het biedt daarnaast meer ruimte voor lokaal maatwerk en leidt tot een betere en snellere besluitvorming.
Transitiekaart
De transitiekaart is een visuele weergave van de uitkomsten in de TVW. In deze kaart is voor elke wijk/dorp een oplossingsrichting richting aardgasvrij opgenomen.
Regionale Energiestrategie (RES)
In de RES onderzoeken 30 Nederlandse energieregio’s hun vraag naar warmte en elektriciteit en geven ze aan hoeveel duurzame warmte en elektriciteit op eigen grondgebied kan worden gerealiseerd.
Restwarmte
Warmte die vrijkomt bij industriële processen en gebruikt wordt als bron voor warmtenetten.
Transitievisie Warmte (TVW)
Document op gemeenteniveau waarin het tijdpad wordt bepaald waarin buurten aardgasvrij worden en met welke warmteoptie.
Transitiepad
In een transitiepad schetsen we per wijk de route om tot een warmteoptie te komen. Die route bevat zowel een fasering als tussenstappen. Het transitiepad beschrijft ook wat voor soort aanpak erbij hoort, zoals een wijkgerichte aanpak of een doelgroepgerichte aanpak.
Warmtenet
Infrastructuur die warm water via een leidingnetwerk onder de grond levert aan gebouwen voor ruimteverwarming en eventueel warm tapwater. Dit wordt ook wel stadsverwarming of stadswarmte genoemd. Warmtenetten kunnen verschillende aanvoertemperaturen hebben (zie lage, midden en hoge temperatuur verwarming).
Warmteoptie
De beoogde infrastructuur voor warmtelevering zonder aardgas per buurt
5
Term
Toelichting
Warmtepomp
Een warmtepomp onttrekt warmte aan een bron, vaak buitenlucht of grondwater, verhoogt de temperatuur met behulp van een elektrische pomp en staat die hogere temperatuur weer af aan een ruimte.
Werkgroep
De gemeente Hof van Twente heeft met een werkgroep bestaande uit verschillende in de gemeente actieve stakeholders samengewerkt om te komen tot deze TVW.
Wet Collectieve Warmtevoorziening (WCW)
Gemeenten krijgen meer sturingsmogelijkheden om in het kader van de wijkgerichte aanpak de aanleg en exploitatie van de collectieve warmtesystemen te bevorderen en worden tevens voorzien in instrumenten om publieke belangen beter te waarborgen. Collectieve warmtelevering kan uitsluitend plaatsvinden nadat een gemeente hiervoor voorzien heeft middels een aanwijzing of ontheffing.
Woningequivalent (WEQ)
Een woningequivalent is een inschatting van de hoeveelheid warmte-energie die nodig is om een gemiddelde Nederlandse woning van ruimteverwarming en warm water te voorzien.
bijvoorbeeld om het inregelen van de cv-installatie, het aanbrengen van radiatorfolie en tochtstrips of het plaatsen van led-lampen. Daarnaast gebruikt de gemeente de regeling om advies te geven aan huiseigenaren over energiebesparende maatregelen, zoals dak-, raam- of gevelisolatie.
Bijlage B Overzicht financieringsinstrumenten In deze bijlage volgt een overzicht van subsidies en leningen die vanuit het Rijk en de provincie beschikbaar zijn gesteld, of nog steeds beschikbaar zijn.
•
Voor VvE’s is er subsidie beschikbaar voor een energieadvies en eventueel procesbegeleiding en een energieadvies in combinatie met Meer Jaren Onderhoudsplan en eventueel procesbegeleiding.
Subsidies
•
De Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH) is bedoeld voor het aansluiting van huurwoningen op een extern warmtenet. De subsidie is zowel voor aanpassingen in de woningen als voor de aansluitkosten op het warmtenet.
•
SDE++-regeling voor collectieve installaties en exploitatie warmtebron voor collectieve installaties, waaronder Thermisch Energie uit Oppervlaktewater en Afvalwater (TEO en TEA)
•
•
•
•
•
BZK-proeftuinen aardgasvrij: het ministerie van Binnenlandse Zaken (BZK) heeft een subsidieregeling voor aardgasvrije proeftuinen om in de eerste aardgasvrije wijken de onrendabele top (verschil maatschappelijke kosten ten opzichte van aardgas) te verkleinen en lessen voor de uitvoering op te doen. Er zijn begin 2021 twee rondes geweest, waarin 48 wijken subsidie hebben gekregen. Deze maand eindigt de derde ronde waarin de focus lag op isolatie en hybride. Het is op het moment van schrijven nog niet bekend hoeveel wijken zijn geselecteerd. Subsidies van o.a. de provincie en Europa kunnen ondersteuning bieden in de vorm van procesgeld of projectgeld. Voorbeelden zijn Subsidie warmtetransitie gebouwde omgeving op wijkniveau2 en ELENA. Op regionaal niveau worden kansen verkend en inschrijvingen gecoördineerd. Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE): Particuliere huishoudens en zakelijke gebruikers (waaronder VvE’s) die zelf duurzame energie willen opwekken kunnen subsidie aanvragen. Het mag gebruikt worden voor zonneboilers, warmtepompen, biomassaketels en pellet kachels. De subsidie is afhankelijk van de gekozen maatregel. Subsidie Energiebesparing Eigen Huis (SEEH): Woningeigenaren kunnen een subsidie aanvragen bij RVO wanneer zij minimaal twee energiebesparende isolatiemaatregelen laten uitvoeren.
Regeling Reductie Energiegebruik (RRE): Met de RRE zet de gemeente projecten op om huiseigenaren te stimuleren tot kleine energiebesparende maatregelen in huis. Daarbij gaat het
Leningen •
Warmtefonds: biedt energiebespaarleningen tegen lage rent voor particuliere woningeigenaren en Verenigingen van Eigenaren (VvE’s) voor de verduurzaming van woningen. De lening is aan te vragen via www.energiebespaarlening.nl
•
Hypothecaire leningen: deze zijn rendabel vanaf €15.000,vanwege de bijbehorende administratie- en advieskosten. Bij het kopen van een nieuwe woning, kan bovendien tot €9.000,- extra gefinancierd worden voor verduurzamingsmaatregelen.
•
Overige duurzaamheidsleningen: verschillende Nederlandse banken bieden duurzaamheidsleningen aan.
Overig •
Collectieve inkoop acties (o.a. via het Duurzaam Bouwloket) zorgen voor lagere investeringskosten per maatregel, zoals isolatie en zonnepanelen.
•
Salderingsregeling voor zonnepanelen: De salderingsregeling blijft tot 1 januari 2023 zoals hij nu is. Daarna bouwt de overheid de regeling geleidelijk af. In 2031 stopt hij helemaal.
Mediane
Gasverbruik
Warmtevraag
Aantal
woning-
temp.
ruimte-
woningen1
oppervlakte2
gecorrigeerd3
verwarming
m2 go/woning
m3/woning/jaar
397
135
1.620
122
1920-1945
1.099
110
1.200
111
1950-1980
5.301
123
1.260
104
Ruimteverwarming Bij de woningvoorraad gebouwd voor omstreeks 2005 is het nodig om de warmtevraag van gebouwen en woningen te beperken. Enerzijds om woningen geschikt te maken voor lagere temperaturen in het afgiftesysteem, en anderzijds om schaarse bronnen efficiënter te benutten en dus ook meer woningen per bron mogelijk te maken.
1980-1995
2.436
115
1.160
103
1995-2005
1.152
128
990
79
>= 2005
1.650
149
930
64
127
1.193
97
De warmtevraag voor ruimteverwarming van een woning, hierna uitgedrukt in kilowattuur per vierkante meter gebruiksoppervlak (kWh/m2), wordt bepaald door de mate van isolatie, kierdichting, ventilatiesysteem en het afgiftesysteem. De temperatuur die een woning nodig heeft om op de koudste dag van het jaar comfortabel warm te krijgen hangt hier voor een groot deel mee samen. Hoe beter de isolatie, kierdichting, hoe efficiënter het ventilatiesysteem en hoe hoger het afgiftevolume, hoe geschikter de woning is om met een lagere temperatuur te kunnen verwarmen. Het geschikt maken van woningen voor lagere temperaturen is een combinatie van deze maatregelen, waarbij aanpassingen in de schil en het afgiftesysteem het meest bepalend zijn voor de warmtevraag.
Tabel 1: Woningen in Hof van Twente, per bouwjaarklasse, naar gebruiksvloeroppervlakte, gasverbruik en warmtevraag
Bijlage C Transitiepaden naar aardgasvrije verwarming
Bouwjaar
Dit hoofdstuk behandelt de technische achtergrond bij de transitiepaden naar aardgasvrije verwarming aan de hand van warmtevraagbeperking, warmteopties en duurzaamheid.
=< 1920
Beperken van de warmtevraag
Gemiddeld
De bestaande woningenvoorraad kunnen we grofweg opdelen in vier warmtevraagniveaus: 1. Woningen met slechte of onvoldoende isolatie (80 kWh/m2 of hoger). Er is een hoge temperatuur van ongeveer 90°C nodig om op de koudste dagen deze woningen comfortabel warm te stoken. Dit zijn de meeste woningen van voor 1995 die nog niet zijn nageïsoleerd. 2. Woningen die 70°C-gereed zijn (lager dan 80 kWh/m2). Dit gaat om naoorlogse woningen die reeds een aantal aanpassingen in de schil hebben gekregen of dit niveau al hadden bij de bouw. Deze woningen kunnen bij dit niveau al afdoende comfortabel worden verwarmd met 70°C (middentemperatuur) op de koudste dagen, mits er voldoende afgiftevolume aanwezig is. Daarnaast is het afhankelijk van specifieke omstandigheden of de woning daadwerkelijk geschikt is voor verwarming met 70°C, zoals welke bouwdelen al zijn aangepakt en of de bewoners de ruimtes
De warmtevraag voor ruimteverwarming is sterk afhankelijk van het bouwjaar. In Tabel 1 staat de gemiddelde warmtevraag voor woningen in Hof van Twente. Hieruit kunnen wij afleiden dat de warmtevraag afneemt naarmate het bouwjaar recenter is, en dat de mediane Twentse woning 127 m2 gebruiksvloeroppervlakte heeft en een gemiddelde warmtevraag voor ruimteverwarming van 97 kWh/m2.
1
Kadaster (2020), Basisregistratie Adressen en Gebouwen CBS (2021), Voorraad woningen; gemiddeld oppervlak; woningtype, bouwjaarklasse, regio. URL: https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/82550NED/table?fromstatweb 2
kWh/m2/jaar
3
CBS (2019), Gemiddelde energielevering aardgaswoningen. Gecorrigeerd voor grootteklasse. URL: https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2020/33/gemiddelde-energieleveringaardgaswoningen-2019-
7
gebruiken die met deze temperatuur nog niet comfortabel warm wordt. 3. Woningen die transitiegereed zijn (lager dan 65 kWh/m2). Bij dit niveau is er maximaal na-geïsoleerd in de bestaande schil. Naoorlogse woningen kunnen op dit niveau zowel comfortabel worden verwarmd met 70°C als met maximaal 55°C (laagtemperatuur). Voor laagtemperatuur moeten wel aanvullend radiatoren vervangen worden en mogelijk ook de cv-leidingen. De woning is daarmee toekomstbestendig en geschikt voor meerdere alternatieve verwarmingstechnieken. Vooroorlogse woningen die dit niveau bereiken zijn geschikt voor 70°C. Dat komt omdat isolatie van de gevel bij vooroorlogse woningen technisch of economisch gezien vaak niet haalbaar blijkt. Dit niveau sluit aan bij de landelijke Standaard en Streefwaarden, zoals genoemd in het Klimaatakkoord4. 4. Woningen met een hoog isolatieniveau en voorzien van een energiezuinig ventilatiesysteem (lager dan 50 kWh/m2). Deze woningen zijn daarmee zeer geschikt om comfortabel te verwarmen met laagtemperatuur. Dit zijn recent gebouwde woningen na 2005 en woningen die nog gebouwd gaan worden de komende jaren (BENG). Bij bestaande bouw van na 2005 moeten soms wel nog radiatoren of cv-leidingen worden vervangen. Bovenstaande niveaus gelden voor woningen, maar ook voor utiliteitsbouw gaan we ervan uit dat zij maximaal isoleren binnen de bestaande schil.
De warmtevraag die dan overblijft is sterk afhankelijk van de gebruiksfuncties van de utiliteitsbouw, naast het feit dat het warmtevraagprofiel van utiliteitsbouw sowieso anders is dan bij woningen. Warm tapwater Voor warm tapwater geldt dat voor het veilig kunnen gebruiken van warm tapwater er met de huidige stand van de techniek en regelgeving een temperatuur van minimaal 55°C bij het tappunt nodig is. Om deze temperatuur te kunnen garanderen moet het opweksysteem in de praktijk een temperatuur van 60-70°C kunnen leveren. Als de aanvoertemperatuur 4 Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (2021), Standaard en Streefwaarden: uitkomst traject begeleidingscommissie. 5 PBL (2014): https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl-2014-op-weg-naar-eenklimaatneutrale-woningvoorraad-in-2050-achtergrond_1333_1.pdf
onvoldoende is, moet er dus een aanvullende voorziening komen in de woning voor het opwekken of het boosten van de warmte voor warm tapwater. Mogelijk gaat de regelgeving wijzigen waarbij de minimale temperatuur aan het tappunt daalt van 55°C naar 40°C. Om deze temperatuur te kunnen garanderen moet het opweksysteem in praktijk een temperatuur van 45-50°C kunnen leveren. We gaan uit van een huishoudelijke warm tapwatervraag van 20 kWh/m2 per jaar, en deze blijft ook constant over de tijd. Voor utiliteitsbouw is de warm tapwatervraag gering, ca. 3 kWh/m2 (bruto vloeroppervlak). Overig gebruik Naast ruimteverwarming en tapwater gebruiken gebouwen nog energie voor apparaten en licht, koken en koeling. Hier zien we ook een sterk verschil tussen woningen en utiliteitsbouw. Utiliteitsbouw heeft per vierkante meter een veel grotere elektriciteitsvraag voor apparaten, licht en koeling dan woningen. Voor apparaten en licht gaan we uit van een constante. Enerzijds neemt het gebruik van elektrische apparaten toe, anderzijds worden zij steeds efficiënter. Deze effecten heffen elkaar op5. Voor koken gaan we ervan uit dat alle huishoudens op den duur overstappen naar inductiekoken, om zo het aantal gasaansluitingen en de totale gasvraag zo ver mogelijk terug te dringen. Tot slot valt ook koeling onder het overig verbruik.
Hier zien we een toenemende elektriciteitsvraag als gevolg van met name huishoudens die behoefte krijgen aan koeling op warme dagen en gebruik gaan maken van compressiekoelmachines. Deze vraag neemt toe naarmate woningen beter geïsoleerd zijn en als het aantal warme dagen toeneemt. Koeling en de bijbehorende energieconcepten voor huishoudens zijn een ontwikkelende vraag in het vakgebied, en de precieze toekomstige koudevraag laat zich momenteel dan ook lastig voorspellen. Onze aannames en kengetallen voor huishoudelijke koeling nemen wij over van de TKI Urban Energy6. Voor utiliteitsbouw geldt dat de koudevraag al hoog is en ook hoog blijft. Dat komt omdat koele werkplekken nu al de norm zijn.
6
TKI Urban Energy (2021), Koudevraag in Nederland en Europa. URL: https://www.topsectorenergie.nl/tki-urban-energy/kennisdossiers/factsheetskoudetechnieken/koudevraag-in-Nederland
8
Alle gebouwen stapsgewijs transitiegereed Het is belangrijk dat zoveel mogelijk bestaande woningen en gebouwen in Hof van Twente aan het einde van de transitie transitiegereed zijn. Bij dit niveau ligt namelijk een technisch en economisch optimum waarbij we voorbereid zijn op bijna alle duurzame verwarmingstechnieken zonder dat we hoeven te investeren in een nieuwe schil. Om hier te komen is het van belang dat we stapsgewijs alle onderdelen aanpakken en maximaal ingrijpen binnen de bestaande schil. Het warmtevraagniveau is de optelsom van de vier schildelen vloer, gevel, raam en dak, plus de binnen-installatie bestaande uit ventilatie, afgiftesysteem en elektrisch koken. Als een gebouweigenaar een van de schildelen aanpakt is het van belang dat dit onderdeel gereed is voor aardgasvrije verwarming. Daarom gaan we ervan uit dat een isolerende ingreep altijd een maximale ingreep is binnen de bestaande schil. Daarmee voorkomen we dat dak, vloer of gevel in meerdere stappen worden aangepakt. Dat is kosteninefficiënt en de tijd die we hebben voor de transitie is beperkt. Omdat de tijd die we hebben beperkt is, lukt het niet altijd lukken om alle maatregelen te combineren met natuurlijke onderhoudsmomenten. Desalniettemin moeten we daar wel naar streven om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden. de nationale en internationale bronnenmix van het elektriciteitsnet.
De afspraken in het Klimaatakkoord gaan over maatregelen die leiden tot 70% CO2-reductie in 2030, maar bevatten nog geen concrete afspraken voor de reductie tot bijna nul in 2050, wat nodig is voor een CO2-neutrale elektriciteitsvoorziening.
9
WTM veronderstelt dat warmte onbeperkt is en dat de warmtevraag van warmtenetten buiten het model wordt getoetst aan het bronperspectief. Voor duurzaam gas neemt het WTM aan dat duurzaam gas beperkt is, maar kent daar geen waarde aan toe. In plaats daarvan kent het model hybride toe als warmteoptie op basis van buurtkenmerken, zoals ouderdom.
Bijlage D Modelanalyses De modelanalyses geven weer welke techniek in welke buurt de laagste maatschappelijke kosten heeft en hoe deze warmteopties zich vertalen tot een mix van warmteopties en energieverbruik in 2050. Eerst is de methodologie beschreven. Daarna worden de resultaten van de modelstudies inzichtelijk gemaakt en geven we een afweging waarom we voor welk transitiepad hebben gekozen in de transitiekaart.
Methodologie modelanalyses De basis van de modelstudie is een vergelijking van twee verschillende rekenmodelstudies: 1. Warmtetransitiemodel (WTM) van Over Morgen 2. Startanalyse 2020 van Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) 7 Deze modelstudies maken ieder gebruik van eigen aannames, kengetallen en rekenregels. Daarom zijn ze zowel vergeleken op methodologie als op resultaten per CBS-buurt. Het doel van deze vergelijking is om robuustheid aan te brengen in de uitkomsten, en om verschillen tussen modellen te verklaren. Uit de vergelijking van de modellen blijken de volgende, belangrijke overeenkomsten en verschillen (Tabel 2): •
Allebei de modelstudies optimaliseren op maatschappelijke kosten. Daarmee zijn ze in beginsel vergelijkbaar omdat ze een uitspraak doen over hetzelfde, namelijk welke warmteoptie de laagste kosten heeft in een buurt.
•
De modellen hanteren allebei een verschillende typologie van warmteopties. Om de resultaten vergelijkbaar te maken zijn deze typologieën samengevoegd tot één typologie, bestaande uit warmtenet, hybride en all-electric.
•
Het WTM verschilt van PBL als het gaat om de aannames over warmtebronnen en duurzaam gas. De laatste gaat uit van aannames en open data over warmte en gas om deze vervolgens te “verdelen” over buurten op basis van de laagste kosten. Het
Tabel 2: Belangrijkste overeenkomsten en verschillen tussen de gehanteerde modelstudies Kenmerk
WTM
Startanalyse 2020
Algemene
Ruimtelijk rekenmodel dat warmteopties per CBS-buurt vergelijkt op basis van een netto-contante waardeberekening.
Techno-economisch en ruimtelijk rekenmodel voor de berekening van kosten en CO2impact van warmteopties in de gebouwde omgeving.
Kostendefinitie
Maatschappelijke kosten a.d.h.v. een rentabiliteitsberekening van warmteopties per CBS-buurt
Maatschappelijke kosten a.d.h.v. een rentabiliteitsberekening van warmteopties per CBS-buurt
Warmtevraag-
Twee niveaus: 70-graden ready; Twee niveaus: Schillabel D; Transitiegereed Schillabel B
omschrijving
niveaus Warmteopties
Hybride; All-electric; Warmtenet (70°C); Warmtenet (40°C); Lokale bronnetten
Groengas; Waterstofgas All-electric; Warmtenet met MT/HT-bron; Warmtenet met LT-bron
Warmtebronnen
Modelmatig onbeperkt verondersteld.
Verondersteld beperkt en als input aan het model meegegeven op basis van openbare data.
Duurzaam gas
Uitrekening van twee scenario’s met relatief veel en relatief weinig beschikbaar duurzaam gas, gealloceerd op basis van buurtkenmerken zoals ouderdom.
Verondersteld beperkt en als input aan het model meegegeven op basis van openbare data. Gasnet als techniek wordt toegewezen op basis van maatschappelijke kosten.
7 PBL (2020), Startanalyse voor gemeentes. URL: https://www.pbl.nl/publicaties/startanalyseaardgasvrije-buurten-2020
10
Resultaten modelanalyses Het resultaat van beide modelanalyses leidt tot een vergelijkende analysekaart, weergegeven in Figuur 1. Uit deze kaart blijkt welke warmteoptie in welke buurt de laagste maatschappelijke kosten heeft, op basis van de mate van consensus uit beide modelstudies.
rekenmodellen niet of beperkt rekening met lokale omstandigheden, zoals gebiedsontwikkelingen, de mogelijkheid dat delen van het buitengebied nooit op het gasnet zijn aangesloten of dat een aantal woningen in Hof van Twente gebruikt worden als recreatiewoningen en daarmee vaak ook een afwijkende warmtevraag hebben. Om recht te doen aan die lokale omstandigheden zijn de transitiepaden geformuleerd. Dit zijn verschillende paden die een buurt kan afleggen richting een aardgasvrije verwarming. In die transitiepaden sorteren we voor op één of meerdere warmteopties, passend bij de kenmerken van die buurt en met de modelanalyses als basis, maar houden we ook rekening met lokale omstandigheden. De transitiepaden zijn weergegeven op de Transitiekaart, die onderdeel is van elke Transitievisie Warmte. De modelanalyses zijn dus de basis van de keuze van een transitiepad. Voor de buurten waar geen consensus is tussen de modellen of waar er wel consensus is maar waar in de transitiekaart toch een ander transitiepad is gekozen, geven we een korte toelichting: Industrieterreinen Spechthorst I & II, Kevelhammerhoek en Delden De warmteoptie all electric is de optie met de laagst maatschappelijke kosten voor alle vier de industrieterreinen in de gemeente Hof van Twente.
Echter, omdat de warmtevraag van bedrijven en industrieën zo divers is tussen bedrijven, is een alternatieve warmteoptie in hoge mate maatwerk. Dat is de reden dat bedrijventerreinen een eigen transitiepad hebben in de transitiekaart. Dit transitiepad is niet meegenomen in beide modelstudies. Daarom wijken wij voor deze buurten af van all electric naar transitiepad bedrijventerreinen. Verspreide huizen Markelo
Figuur 1: Vergelijkende analyse van het WTM en de startanalyse van de gemeente Hof van Twente
Vertaling van modelanalyses naar Transitiekaart De modelanalyses kiezen één warmteoptie voor een hele buurt. Buurten zijn echter divers, met verschillende typen bebouwing. Dit is met name het geval in buitengebieden en kleine kernen. Daarnaast houden
De buurt rondom Markelo kent geen consensus: het WTM geeft de voorkeur aan hybride en de startanalyse aan all electric. Wij hebben gekozen voor het transitiepad hybride omdat dit het beste bij het type bebouwing in deze buurt past. De startanalyse geeft een andere uitkomst, omdat dit model uitgaat van een beperkte hoeveelheid groengas, die de piek kan voorzien in het geval van een hybride oplossing. In deze TVW gaan wij ervan uit dat de mogelijkheden met groengas pas bekend worden bij een herijking. Bij het transitiepad hybride passen maatregelen die zowel passend zijn voor de situatie waarin in de toekomst voldoende groengas voor de piekvoorziening is als in het geval dat dat niet zo is. Daarom is er voor deze buurt gekozen voor het transitiepad hybride.
11
De Whee II-Noord, De Whee I, Centrum-Goor en Schaepmanbuurt Deze buurten in en rondom de dorpskern van Goor laten zich kenmerken door een grote diversiteit aan bebouwing. Oude, historische panden wisselen af met plukjes van nieuwbouwwoningen. Het is dus niet gek dat beide modellen andere uitkomsten geven. De startanalyse komt uit op all electric en het WTM op een warmtenet. De dichtheid van de woningen zien we als voldoende in deze buurten voor kansen voor een warmtenet. Dat is de reden dat we voor deze buurt hebben gekozen voor het transitiepad focus op energiebesparing en warmteoptie periodiek herijken. De plukjes nieuwbouw hebben we in de transitiekaart aangemerkt als aandachtsgebied all electric. Gijmink Deze buurt heeft eigenlijk dezelfde variëteit en eigenschappen als de buurten die hierboven beschreven zijn, maar komen in de modellen precies andersom uit: De startanalyse komt uit op een warmtenet en het WTM op all electric. Wanneer we de hele buurt bekijken, is de dichtheid van huizen niet voldoende voor een warmtenet. Echter, wanneer we alleen het zuidelijk deel bekijken liggende huizen een stuk dichter bij elkaar dan in het noorden. Dit stuk zou qua bebouwing geschikt kunnen zijn voor een warmtenet. Het noordelijk deel bestaat grotendeels uit nieuwbouw en komt in de transitiekaart als aandachtsgebied all electric.
Omdat het noordelijke deel is aangemerkt als aandachtsgebied all electric, hebben we in deze buurt gekozen voor het transitiepad focus op energiebesparing en warmteoptie periodiek herijken.
transitiekaart gekozen voor focus op energiebesparing, vervolgens overstap naar (hybride) warmtepomp omdat het in een oud centrum als Delden ingewikkeld is om alle gebouwen tot het niveau van transitiegereed te isoleren. Als een warmtenet mogelijk is in Hof van Twente is dit een warmtenet met lage temperatuur, waarvoor tot transitiegereed moet worden geïsoleerd. Omdat dit voor veel woningen in het centrum van Delden waarschijnlijk niet mogelijk is, hebben we gekozen voor het transitiepad focus op energiebesparing, vervolgens overstap naar (hybride) warmtepomp. Alle andere buurten in Hof van Twente In alle overige buurten zien we geen reden om af te wijken van de voorkeursoptie vanuit de modelanalyses. Deze voorkeursoptie nemen we dus over als transitiepad voor de transitiekaart.
Rupertserf De opties in Rupertserf liggen erg dichtbij elkaar. Het is daarom niet vreemd dat de modellen op andere alternatieven uitkomen: de startanalyse op hybride en het WTM op een warmtenet. Overwegende dat de bebouwingsdichtheid net hoog genoeg is voor een warmtenet, er een bedrijventerrein naast Ruperterf ligt om de warmtevraag eventueel te verhogen en er een kans is op een bron, hebben we in de transitiekaart voor transitiepad focus op energiebesparing en warmteoptie periodiek herijken gekozen. Delden Centrum Delden centrum is de oudste buurt in Hof van Twente. De startanalyse komt uit op een warmtenet en het WTM op hybride. We hebben in de
12
Bijlage E Kengetallenoverzicht
Efficiency
Energetische parameters Omrekenfactoren
Eenheid
Transportverlies warmtenet Eenheid
Transportverlies bronnet
Waarde
Waarde %
20%
%
3%
kWh/GJ
6,0
Omrekenfactor GJ naar kWh
GJ/kWh
0,0036
Transportenergie warmtenet
Bovenwaarde energie-inhoud aardgas
GJ/m3
0,03517
Diepe geothermie COP
ƞ
20,0
ƞ
4,0
Omrekenfactor GJ warmtevraag naar gasgebruik
m3/GJ
32,7
Hybride buitenlucht ruimteverwarming COP
Omrekenfactor kWh warmtevraag naar gasgebruik
m3/kWh
0,12
Hybride buitenlucht warmtapwater COP
ƞ
3,2
0,80
Hybride ventilatie ruimteverwarming COP
ƞ
4,0
1,00
Hybride ventilatie warmtapwater COP
ƞ
1,0
Lucht water warmtepomp ruimteverwarming COP
ƞ
3,0
Lucht water warmtepomp warmtapwater COP
ƞ
1,5
Water water warmtepomp ruimteverwarming COP
ƞ
5,0
Water water warmtepomp warmtapwater COP
ƞ
2,0
ƞ
1,7
Verhouding basislast pieklast Energie naar kWh
kWh/kWh
Energie naar m3
kWh/m3
9,77
Energie naar GJ
kWh/GJ
277,78
Verbruiken
Eenheid
Waarde
Gasverbruik koken
m3/jaar
40
Infrarood COP
Elektriciteitsverbruik koken
kwh/jaar
200
E boiler warmtapwater COP
ƞ
0,8
m2 bvo
130
HR-ketel
ƞ
1,0
kWh/m2 go/jaar
20
Pompenergie restwarmte/afvalverbranding
ƞ
45,0
Pompenergie geothermie
ƞ
20,0
COP Aquathermie
ƞ
3,0
Compressie koelmachines COP gemiddeld
ƞ
3,6
Rendement gasketel
ƞ
0,87
Rendement warmtenet
ƞ
0,75
WEQ niet woonfunctie Warmtevraag warmtapwater woningen Warmtevraag warmtapwater nietWonen
CO2-emmissiefactoren Gas 2020 CO2 Eelektriciteitsmix 2020 CO2
kWh/m2 bvo/jaar
Eenheid kg/m3
2,69
Waarde 1,884
kg/kWh
0,475
Warmtenet STEG CO2
kg/GJ hoofdbron
14,6
E-derving AVI/STEG
kg/GJ
2,50
Warmtenet restwarmte CO2
kg/GJ hoofdbron
4,50
Warmtenet diepe geothermie CO2
kg/GJ hoofdbron
0,00
Gas 2030 CO2
kg/m3
1,884
Eelektriciteitsmix 2030 CO2
kg/kWh
0,119
Financiële parameters Warmtetransitiemodel Grootheid
Eenheid
BTW
Waarde
Bron/ Toelichting
Tarieven Variabel tarief warmte
Euro / GJ Incl.
Vastrecht warmte
Euro / jr.
Incl.
Meetkosten warmte
Euro / jr.
Incl.
Huur afleverset warmte
Euro / jr. Euro / Nm3
Incl.
Kale aardgasprijs
Excl.
Gemiddelde 5 grootste € 25,23 leveranciers. indexatie CPI Gemiddelde 5 grootste € 363,13 leveranciers. indexatie CPI Gemiddelde 5 grootste € 26,63 leveranciers. indexatie CPI Gemiddelde 5 grootste € 121,20 leveranciers. indexatie CPI ACM. indexatie KEV 2019 t/m € 0,2485 2030. daarna CPI
13
Grootheid Energiebelasting aardgas ODE aardgas Totale gasprijs Vastrecht netbeheerder gas Vastrecht leverancier gas
Kale elektriciteitsprijs Energiebelasting elektriciteit ODE elektriciteit Totale elektriciteitsprijs Vastrecht netbeheerder elektriciteit Vastrecht leverancier elektriciteit Heffingskorting energiebelasting Financiële uitgangspunten Onderhoudskosten gasketel Onderhoudskosten hybride warmtepomp Onderhoudskosten warmtepomp Vervangingskosten gasketel Vervangingskosten warmtepomp Vervangingskosten hybride warmtepomp Uitganspunten financiering Discontovoet CPI Looptijd lening WACC warmtebedrijf Volloopsnelheid warmtenet Aansluitdichtheid warmtenet
Eenheid Euro / Nm3 Euro / Nm3 Euro / Nm3
BTW Excl. Excl.
Waarde
Bron/ Toelichting Belastingdienst. indexatie € 0,3331 klimaatakkoord en CPI Belastingdienst. indexatie € 0,0775 klimaatakkoord en CPI
Incl.
€ 0,7975
Euro / jr.
Incl.
Gemiddelde van 3 grootste € 185,95 netbeheerder. indexatie CPI
Euro / jr.
Incl.
Euro / kWh Euro / kWh Euro / kWh Euro / Nm3
Excl.
€ 62,82 ACM. indexatie CPI Gemiddelde van 3 grootste leveranciers. indexatie KEV 2019 € 0,0633 t/m 2030. daarna CPI Belastingdienst. indexatie € 0,0977 klimaatakkoord en CPI Belastingdienst. indexatie € 0,0273 klimaatakkoord en CPI
Incl.
€ 0,2278
Excl. Excl.
Euro / jr.
Incl.
Gemiddelde van 3 grootste € 212,79 netbeheerder. indexatie CPI Gemiddelde van 3 grootste energieleveranciers . indexatie € 42,00 CPI
Euro / jr.
Incl.
€ 558,56 Belastingdienst. geen indexatie
Euro / jr.
Euro Euro Euro Euro
Incl.
Incl. Incl. Incl. Incl.
Euro
Incl.
Euro
Incl.
%
n.v.t.
Gewogen gemiddelde corporatie € 100 en consument. indexatie CPI Lucht-water-warmtepomp. € 200 indexatie CPI Warmtepomp inclusief gasketel. € 200 indexatie CPI € 1.600 Na 18 jaar. indexatie CPI € 5.000 Na 15 jaar. indexatie CPI Warmtepomp inclusief gasketel. € 5.000 na 15 jaar. indexatie CPI
3% Centraal Planbureau
%
n.v.t.
2%
Jaren
n.v.t.
30
%
n.v.t.
8,5%
Jaren
n.v.t
%
n.v.t
Financiële kengetallen Warmtetransitiemodel Tabel A: Investeringen isoleren, ventileren, e-koken en afgiftesysteem incl. BTW Woningtype Norm 70-graden ready Transitiegereed m2 GO Meergezinswoningen ≥ 2005
€ van € 1.000
€ tot € 2.000
€ van € 1.000
€ tot € 2.000
€ 1.000
€ 2.000
€ 1.000
€ 2.000
€ 1.000
€ 2.000
€ 1.000
€ 2.000
€ 1.000
€ 2.000
€ 1.000
€ 2.000
€ 2.500
€ 3.500
€ 1.000
€ 7.000
€ 3.000
€ 4.000
€ 1.000
€ 7.000
€ 4.000
€ 5.000
€ 1.000
€ 9.500
€ 4.500
€ 5.500
€ 1.000
€ 11.500
€ 3.500
€ 13.500
€ 7.500
€ 14.500
€ 4.000
€ 20.500
€ 12.500
€ 28.000
€ 5.000
€ 25.000
€ 18.000
€ 35.000
€ 6.000
€ 32.500
€ 22.500
€ 47.500
€ 7.500
€ 14.500
€ 10.500
€ 17.500
90
Rijwoning ≥ 2005 Twee-onder-een-kapwoning ≥ 2005
130
Vrijstaande woning ≥ 2005 Meergezinswoningen ≥ 1990 - 2005
220
Rijwoning ≥ 1990 - 2005 Twee-onder-een-kapwoning ≥ 1990 - 2005 Vrijstaande woning ≥ 1990 2005 Meergezinswoningen ≥ 1975 - 1990
125
Rijwoning ≥ 1975 - 1990 Twee-onder-een-kapwoning ≥ 1975 - 1990 Vrijstaande woning ≥ 1975 1990 Meergezinswoningen ≥ 1950 - 1975
115
Rijwoning ≥ 1950 - 1975 Twee-onder-een-kapwoning ≥ 1950 - 1975 Vrijstaande woning ≥ 1950 1975 Meergezinswoningen ≥ 1920 - 1950
110
Rijwoning ≥ 1920 - 1950 Twee-onder-een-kapwoning ≥ 1920 - 1950 Vrijstaande woning ≥ 1920 1950 Meergezinswoningen < 1920
115
Rijwoning < 1920 Twee-onder-een-kapwoning < 1920
135
Vrijstaande woning < 1920
220
160
90
150 195 70
140 190 75 € 9.000
€ 22.500
€ 16.500
€ 28.500
€ 13.000
€ 27.500
€ 22.500
€ 33.500
€ 19.000
€ 39.500
€ 30.500
€ 48.000
€ 8.000
€ 26.000
€ 11.500
€ 31.500
€ 10.000
€ 37.500
€ 19.500
€ 46.000
€ 15.000
€ 43.000
€ 22.500
€ 55.000
€ 17.000
€ 57.500
€ 27.500
€ 74.500
€ 11.000
€ 26.000
€ 20.500
€ 31.500
€ 14.500
€ 37.500
€ 27.500
€ 46.000
€ 16.500
€ 43.000
€ 32.500
€ 55.000
€ 18.000
€ 56.000
€ 38.500
€ 72.500
130 175 80
135 180 85
155
Eigenaren sluiten binnen 5 jaar 5 aan. 80% van de vastgoedeigenaren/ 80% panden sluit aan in gebied
14
Tabel B: Warmtevraag ruimteverwarming Woningtype Norm 70-graden ready Transitiegereed kWh/m2 kWh/m2 kWh/m2 kWh/m2 kWh/m2 van tot van tot Meergezinswoningen ≥ 2005 40 40 40 40 40 Rijwoning ≥ 2005 Twee-onder-een-kapwoning ≥ 2005
45
45
45
45
45
55
55
55
55
55
Vrijstaande woning ≥ 2005 Meergezinswoningen ≥ 1990 - 2005
60
60
60
60
60
50
50
50
40
40
Rijwoning ≥ 1990 - 2005 Twee-onder-een-kapwoning ≥ 1990 - 2005 Vrijstaande woning ≥ 1990 2005 Meergezinswoningen ≥ 1975 - 1990
60
60
60
50
50
70
70
70
60
60
75
75
75
65
65
70
70
50
50
50
Rijwoning ≥ 1975 - 1990 Twee-onder-een-kapwoning ≥ 1975 - 1990 Vrijstaande woning ≥ 1975 1990 Meergezinswoningen ≥ 1950 - 1975
80
80
55
55
55
95
95
65
65
65
95
95
70
70
70
95
55
55
50
50
Rijwoning ≥ 1950 - 1975 Twee-onder-een-kapwoning ≥ 1950 - 1975 Vrijstaande woning ≥ 1950 1975 Meergezinswoningen ≥ 1920 - 1950
100
65
65
55
55
110
70
70
65
65
100
75
75
70
70
95
55
65
50
50
Rijwoning ≥ 1920 - 1950 Twee-onder-een-kapwoning ≥ 1920 - 1950 Vrijstaande woning ≥ 1920 1950 Meergezinswoningen < 1920
110
65
75
55
55
120
70
85
65
65
110
75
90
70
70
95
65
65
55
50
Rijwoning < 1920 Twee-onder-een-kapwoning < 1920
100
75
75
55
55
110
85
85
65
65
Vrijstaande woning < 1920
100
90
90
70
70
Tabel C: Investeringen aardgasvrij (excl. gebouwgebonden maatregelen) incl. BTW Woningtype Meergezinswoningen ≥ 2005
Warmtenet
All-electric
€ van
€ tot
€ van
€ tot
Gasnet hybride € tot € van
5.500
10.500
17.000
24.000
5.000
8.000
Rijwoning ≥ 2005 Twee-onder-eenkapwoning ≥ 2005
13.000
18.000
18.000
25.000
5.000
8.000
18.000
23.000
24.000
31.000
6.000
6.000
Vrijstaande woning ≥ 2005 Meergezinswoningen ≥ 1990 - 2005
18.000
23.000
25.000
32.000
6.000
6.000
5.500
10.500
17.000
24.000
5.000
12.500
Rijwoning ≥ 1990 - 2005 Twee-onder-eenkapwoning ≥ 1990 - 2005 Vrijstaande woning ≥ 1990 - 2005 Meergezinswoningen ≥ 1975 - 1990
13.000
18.000
18.000
25.000
5.000
14.500
18.000
23.000
24.000
31.000
6.000
17.000
18.000
23.000
25.000
32.000
6.000
17.000
5.500
10.500
17.000
24.000
5.000
12.500
Rijwoning ≥ 1975 - 1990 Twee-onder-eenkapwoning ≥ 1975 - 1990 Vrijstaande woning ≥ 1975 - 1990 Meergezinswoningen ≥ 1950 - 1975
13.000
18.000
18.000
25.000
5.000
14.500
18.000
23.000
24.000
31.000
6.000
17.000
18.000
23.000
25.000
32.000
6.000
17.000
5.500
10.500
17.000
24.000
5.000
12.500
Rijwoning ≥ 1950 - 1975 Twee-onder-eenkapwoning ≥ 1950 - 1975 Vrijstaande woning ≥ 1950 - 1975 Meergezinswoningen ≥ 1920 - 1950
13.000
18.000
18.000
25.000
5.000
14.500
18.000
23.000
24.000
31.000
6.000
17.000
18.000
23.000
25.000
32.000
6.000
17.000
7.500
12.500
17.000
24.000
5.000
12.500
Rijwoning ≥ 1920 - 1950 Twee-onder-eenkapwoning ≥ 1920 - 1950 Vrijstaande woning ≥ 1920 - 1950 Meergezinswoningen < 1920
15.000
20.000
18.000
25.000
5.000
14.500
20.000
25.000
24.000
31.000
6.000
17.000
20.000
25.000
25.000
32.000
6.000
17.000
7.500
12.500
17.000
24.000
5.000
12.500
Rijwoning < 1920 Twee-onder-eenkapwoning < 1920
15.000
20.000
18.000
25.000
5.000
14.500
20.000
25.000
24.000
31.000
6.000
17.000
Vrijstaande woning < 1920
20.000
25.000
25.000
32.000
6.000
17.000
15
Tabel D: Onrendabele top Woningtype Meergezinswoningen ≥ 2005
Warmtenet
All-electric
€ van
€ tot
€ van
€ tot
Gasnet hybride € tot € van
8.000
14.000
14.500
22.500
9.000
12.000
Rijwoning ≥ 2005 Twee-onder-eenkapwoning ≥ 2005
15.000
21.000
13.500
21.500
7.500
10.000
20.000
26.000
16.000
24.000
6.500
5.000
Vrijstaande woning ≥ 2005 Meergezinswoningen ≥ 1990 - 2005
19.500
25.500
12.000
20.000
4.000
1.500
9.000
15.000
13.500
26.000
8.500
18.500
Rijwoning ≥ 1990 - 2005 Twee-onder-eenkapwoning ≥ 1990 - 2005 Vrijstaande woning ≥ 1990 - 2005 Meergezinswoningen ≥ 1975 - 1990
17.000
23.000
11.500
24.500
6.500
19.000
22.500
28.500
13.500
27.000
5.500
20.000
23.000
29.000
10.500
25.500
3.000
16.000
10.000
22.500
18.500
32.000
10.500
23.500
Rijwoning ≥ 1975 - 1990 Twee-onder-eenkapwoning ≥ 1975 - 1990 Vrijstaande woning ≥ 1975 - 1990 Meergezinswoningen ≥ 1950 - 1975
18.000
35.000
18.500
40.500
9.000
25.000
23.500
41.500
22.000
45.000
8.500
25.500
24.000
55.500
25.500
54.500
5.000
26.000
10.500
18.500
16.000
30.000
5.000
15.000
Rijwoning ≥ 1950 - 1975 Twee-onder-eenkapwoning ≥ 1950 - 1975 Vrijstaande woning ≥ 1950 - 1975 Meergezinswoningen ≥ 1920 - 1950
16.000
31.500
17.000
36.000
2.500
20.000
25.000
38.000
23.500
41.500
1.500
21.500
28.500
47.500
26.000
50.500
7.000
27.500
12.500
33.500
16.500
42.500
4.500
23.500
Rijwoning ≥ 1920 - 1950 Twee-onder-eenkapwoning ≥ 1920 - 1950 Vrijstaande woning ≥ 1920 - 1950 Meergezinswoningen < 1920
17.000
47.000
17.000
49.500
2.500
27.000
23.500
53.500
20.000
57.500
-1.000
28.500
30.500
71.500
23.500
76.000
-500
34.500
15.000
33.000
25.500
42.500
12.000
23.000
Rijwoning < 1920 Twee-onder-eenkapwoning < 1920
23.500
48.000
25.500
49.000
12.000
27.500
27.000
55.000
31.000
58.000
13.000
29.500
Vrijstaande woning < 1920
30.000
70.000
36.000
74.000
15.000
35.500
16
Colofon Deze bijlagen bij de Transitievisie Warmte is in opdracht van de gemeente Hof van Twente opgesteld door adviesbureau Over Morgen.
Auteur Robertjan Spaans en Joep Matser Met medewerking van PBL Contact joep.matser@overmorgen.nl