1. Bestemmingsplan 'Diepenheim, herziening Noord 3'.pdf
Tekst van het document
Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Doordat de derogatiebeschikking van de EU na 2015 niet is verlengd, dient Nederland overigens op dit moment te voldoen aan de Europese luchtkwaliteitsnormen. Plannen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.
30
vast te stellen
Diepenheim, herziening Noord 3
Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. Toetsing De categorie woningbouw is opgenomen in bijlage 3A van de Regeling NIBM. De NIBM-grens voor woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2) is <= 1.500 (netto) woningen met één ontsluitingsweg. Het voorgenomen plan zal de NIBM-grens uit de regeling niet overschrijden en derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) is beoordeeld of er ter hoogte van het plan sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. In de volgende tabel zijn voor de jaren 2022 en 2030 voor de relevante stoffen de concentraties en de grenswaarden weergegeven. Stoffen
Grenswaarde
2022
2030
NO2 concentratie
40 µg/m3
< 10 µg/m3
< 10 µg/m3
PM10 concentratie
40 µg/m3
14 - 15 µg/m3
< 14 µg/m3
PM2,5 concentratie
25 µg/m3
6 - 8 µg/m3
6 - 8 µg/m3
Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plekke van de te realiseren woningen wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.5
Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'.
vast te stellen
31
Diepenheim, herziening Noord 3
In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de hinderveroorzakende tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing Met onderhavig plan is sprake van de realisatie van nieuwe, hinderveroorzakende (verpleeghuis) en hindergevoelige functies in de zin van het aspect bedrijven en milieuzonering. De ontwikkelingslocatie ligt aan de rand van de kern Diepenheim, waar het dorp overgaat naar het buitengebied. In de omgeving bevinden zich voornamelijk woningen afgewisseld met wat kleine bedrijven zoals een Bed&Breakfast voorziening. Ook in het buitengebied bevinden zich voornamelijk woningen afgewisseld met een enkel agrarisch bedrijf.
De locatie kan gezien worden als onderdeel van de kern, waardoor deze op basis van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering (2009)', gezien de omliggende functies kan worden gezien als 'rustige woonwijk'. Met de realisatie van het verpleeghuis wordt zowel een hindergevoelige als ook hinderveroorzakende functie mogelijk gemaakt. Een verpleeghuis heeft een richtafstand van 30 meter voor het gebiedstype 'rustige woonwijk' vanwege het aspect 'geluid'. Er zijn enkele woningen waarvan de gevel binnen deze richtafstand ligt. Dit is weergegeven op de onderstaande kaart, waarbij de 30 meter contour is aangegeven met een rode lijn.
Verbeelding verpleeghuis met 30 meter contour geluid (rode lijn) (bron: SAB)
32
vast te stellen
Diepenheim, herziening Noord 3
Ten zuiden gaat het om de reeds bestaande woningen aan de Ruimersdijk 13, 15 en 17, en direct ten noorden de drie aaneengesloten beoogde woningen van het plan aan de Boinksweide. Aan de richtafstanden voor geur (10 meter), stof (0 meter), en gevaar (0 meter) wordt voldaan voor alle omliggende hinder gevoelige functies. Ten zuiden van het ontwikkelingsgebied bedraagt de minimale afstand 25 meter van de reeds bestaande woongevels tot de bestemming van het verpleeghuis. Het bouwvlak van het verpleeghuis ligt op circa 28 meter van de dichtstbijzijnde woongevel. Enige geluidemissie vanuit het bedrijfsperceel zal hier afkomstig zijn van een mogelijk luchtventilatie systeem en/of warmtepomp. Een warmtepomp en/of luchtbehandelingsinstallatie behorend bij een verpleeghuis met 54 wooneenheden zal op een afstand van minstens 25 meter niet zorgen voor een dergelijke hoge geluidbelasting dat deze een significante verstoring van de goede ruimtelijke ordening veroorzaakt. Andere mogelijke geluidbronnen zoals parkeergelegenheden, maar ook het laden- en lossen zijn juist van de bestaande woningen af gesitueerd en bevinden zich op een afstand van ten minste 40 meter. Ten noorden bedraagt de minimale afstand circa 17 meter van de beoogde woongevels tot de bestemming van het verpleeghuis.
Direct grenzend aan de woningen wordt een beperkte openbare parkeerplaats beoogd waarvan zowel het zorgcentrum als de beoogde woningen gebruik kunnen maken. Deze zal voorzien in de parkeerbehoeften van het verpleeghuis (in paragraaf 4.12 wordt de totale parkeerbehoefte van het verpleeghuis bepaald op 33 parkeerplaatsen). Dergelijke kleinschalige openbare parkeerplekken behoren tot een geaccepteerd omgevingsgeluid. De afstand van de dichtstbijzijnde woongevel tot het bouwvlak van het verpleeghuis bedraagt circa 37 meter. Bij een dergelijke afstand veroorzaakt een mogelijke warmtepomp en/of luchtbehandelingsinstallatie geen significante verstoring van de goede ruimtelijke ordening voor de beoogde woningen. Geconcludeerd wordt dat vanwege het aspect 'geluid' er drie bestaande en drie beoogde woningen binnen de richtafstand van een verpleeghuis vallen voor het gebiedstype 'rustige woonwijk', maar dat significante nadelige gevolgen voor een goede ruimtelijke ordening bij voorbaat kunnen worden uitgesloten. Voor andere hindergevoelige functies wordt ruimschoots voldaan aan alle richtafstanden. Het plan kan voorzien in een goede ruimtelijke ordening. De dichtstbijzijnde bedrijvigheid is in de navolgende tabel opgenomen, inclusief de bijbehorende omschrijving uit de VNG-publicatie en de daaruit volgende grootste richtafstanden. Bedrijfssoort
vast te stellen
Adres
Omschrijving Grootste Gemeten VNG richtafstand (m) afstand (m)
Veterinaire Raadhuisstraat * Niet bekend dienstverlening 34
* Niet bekend
± 200
Paarden- en ezelhouderij
Oude Goorseweg 2
50 (geur)
± 200
Bibliotheek
Raadhuisstraat Bibliotheken, 10 (geluid) 8 musea, ateliers, e.d.
± 125
Fokken en houden van overige graasdieren, overige graasdieren
33
Diepenheim, herziening Noord 3
Buurtvereniging Raadhuisstraat Buurt- en 8 clubhuizen
30 (geluid)
± 125
10 (geluid)
± 100
Aardbeienkwek Raadhuisstraat Akkerbouw en 30 (geluid) erij 13 fruitteelt (bedrijfsgebouw en)
± 130
Cadeauwinkel
Ruimersdijk 22 Detailhandel voor zover n.e.g.
Basisschool
Kuimgaarden 15
Scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs
Sportcomplex
Doctor C.A.J. Sporthallen Quantstraat 17
30 (geluid)
± 120
50 (geluid)
± 110
200 (geur)
± 270
Pluimveehouder Oude ij Goorseweg 8
Fokken en houden van pluimvee, legkippen
Visvijver & hengelsport
Binnenvisserijb 50 (geur & geluid) ± 650 edrijven
Oude Goorseweg 10
* In de VNG Brochure is geen categorie dierenarts opgenomen. Wel is een categorie artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven opgenomen met milieucategorie 1 (10 meter). Een dierenarts is dan ook aan te merken als een bedrijf met milieucategorie 1 en een indicatieve afstand van 10 meter. Aangezien de ontwikkelingslocatiebuiten deze 10 meter is gelegen vormt de dierenarts geen belemmering voor de realisatie van het plan. Uit de voorgaande tabel blijkt dat kan worden voldaan aan de indicatieve richtafstanden. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd ter plaatse van de beoogde woning en wordt de omliggende bedrijvigheid niet belemmerd in ontwikkelingsmogelijkheden. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.6
Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid Met externe veiligheid wordt bedoeld de kans op overlijden van mensen buiten de grenzen van een bedrijf of transportmedium, als rechtstreeks gevolg van een ongeval met (gevaarlijke) stoffen binnen de grenzen van het bedrijf dan wel het transportmedium. In de externe veiligheid worden twee risicobegrippen gehanteerd het PR (Plaatsgebonden Risico) en het GR (Groepsrisico).
34
vast te stellen
Diepenheim, herziening Noord 3
Landelijk beleid Voor bedrijven is op 28 oktober 2004 het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. In het Bevi wordt een onderscheid gemaakt in kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. De 10-6 PR contour geldt ten opzichte van kwetsbare objecten als grenswaarde en ten opzichte van beperkt kwetsbare objecten als richtwaarde. Het beoordelingskader voor het groepsrisico is een oriënterende waarde. Voor ondergrondse (aardgas)leidingen is er het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en voor de transportroutes (weg, water, spoor) het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Bevi, Bevt en Bevb zijn de milieukwaliteitseisen vastgelegd die in de ruimtelijke planvorming moeten doorwerken. Basisnet spoor Op 1 april 2015 is de regeling 'Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' in werking getreden. Het Basisnet geldt voor het transport van gevaarlijke stoffen via de weg, spoor en het water. Per traject geeft Basisnet een risicoplafond voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risicoplafond wordt enerzijds bepaald door het aantal transporten dat Diepenheim per jaar passeert en anderzijds door het aantal aanwezige personen (volgens het bestemmingsplan) in de omgeving van het spoor. Met het Basisnet ligt de gebruiksruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en de veiligheidszone voor de ruimtelijke ordening vast.
Gemeentelijk beleid Gemeente Hof van Twente beschikt over gemeentelijk beleid met betrekking tot externe veiligheid. Hieraan zal indien nodig, worden getoetst. Toetsing In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn potentiële risicobronnen in de omgeving van het plangebied beoordeeld. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de toevoeging van kwetsbare objecten in de vorm van woningen en een verpleeghuis. Voor de toetsing van de externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd.
Uitsnede risicokaart (plangebied blauw omkaderd) (bron: atlasleefomgeving.nl)
vast te stellen
35
Diepenheim, herziening Noord 3
De nabij gelegen risicobronnen betreffen een LPG-tankstation op ca. 750 meter en de spoorlijn Zutphen Twentekanaal aansluiting - Delden op ca. 1.450 meter. Verder liggen er geen relevante risicobronnen nabij het plangebied. De ontwikkellocatie ligt buiten het invloedsgebied van het tankstation maar binnen het invloedsgebied van de spoorlijn aangezien hier gevaarlijke stoffen worden getransporteerd die een gifwolk kunnen vormen in het geval van een calamiteit. Aangezien de spoorlijn geen PR 10 -6contour kent en de ontwikkellocatie buiten de belangrijkste zone van het groepsrisico ligt (200 meter) kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Deze verantwoording dient gelezen te worden in combinatie met de vigerende veiligheidsplannen van de gemeente Hof van Twente en de daarin gemaakte keuzes. Navolgend de verantwoording. Met deze verantwoording wordt eveneens aan het gemeentelijk beleid voldaan. Beheersbaarheid/bestrijdbaarheid Allereerst is het voor de bestrijdbaarheid van een ramp of zwaar ongeval van belang om de aanrijdtijden van de brandweer voor het plangebied te inventariseren. Vanuit de brandweerkazerne Diepenheim is de locatie binnen 3 minuten te bereiken, vanuit de brandweerkazerne Markelo binnen 10 minuten. Geconcludeerd wordt dat het plangebied en diens directe omgeving goed bereikbaar is voor de brandweer.
Binnen het plangebied moet de bereikbaarheid en opstelplaatsen voor de brandweer worden gewaarborgd. De Veiligheidsregio Twente wordt meegenomen in dat proces. Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron, door te proberen de toxische wolk neer te slaan. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid bij het toxische scenario worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Aangezien er sprake is van woningbouw ten behoeve van minder-zelfredzame, c.q. zeer kwetsbare, personen, zullen er voor het verpleeghuis/ zorgwoningen voldoende BHV'ers aanwezig moeten zijn die het juiste handelsperspectief weten bij een calamiteit en de aanwezige mensen in veiligheid kunnen brengen.
Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde toxische incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Immers, schuilen binnen de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit te overleven. Schuilen binnen de locatie is mogelijk binnen de nieuwbouw, zeker gezien het feit dat de bebouwing als gevolg van de hedendaagse energieprestatieeisen goed geïsoleerd is en derhalve voldoet aan de nodige veiligheidseisen. Wel dient de ventilatie mechanisch uitgeschakeld en afgesloten te kunnen worden.
36
vast te stellen
Diepenheim, herziening Noord 3
Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Bestaande (vlucht)wegen van de risicobron af, in dit geval richting het oosten of zuiden over de Ruimersdijk en omgeving, behoren tot de mogelijkheden om de zelfredzaamheid te vergroten. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. Dit is tevens bevestigd met de reactie van de Veiligheidsregio van 12 september 2023: "Er spelen geen EV gerelateerde zaken voor dat gebied. Wel graag aandacht voor 'overige' brandweer zaken zoals bereikbaarheid en bluswater".
4.7
Water Algemeen In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Dit is vastgelegd in het procesinstrument 'de Watertoets'. Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen.
In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen aangegeven: waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO2 arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1. Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico's in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen. 2. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie.
Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio's en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart.
vast te stellen
37
Diepenheim, herziening Noord 3
3. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema's een centrale rol in dit waterprogramma: 1. Klimaatadaptatie; 2. Waterveiligheid; 3. Zoetwater; 4. Grondwater; 5. Scheepvaart. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma's en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda's Grote Wateren.
Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma's de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda's onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Provinciaal beleid - Regionaal Waterprogramma Overijssel 2022-2027 Het Regionaal Waterprogramma Overijssel 2022-2027 (RWP) is op 15 december 2021 vastgesteld door de provincie Overijssel. In het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Overijssel. De provincie heeft vier ambities: 1. Watersysteem met een goede ecologische en chemische kwaliteit: Een schoon en gezond watersysteem zijn belangrijk om een toekomstbestendig beheer te krijgen; 2. Rekening houden met gevolgen klimaatverandering: de provincie zet zich scherp in op samenwerking met partners om klimaatbestendig en waterrobuust te worden; 3. Versterking ruimtelijke kwaliteit: De investeringen in vormgeving en landschapsinpassingen worden op prijs gesteld. De provincie wil de beleefbaarheid van het watersysteem verhogen; 4. Kosten waterbeheer: De financiering van het waterbeheer voor de oppervlaktewateren, de aanleg en het onderhoud van keringen en de waterhuishouding in algemene zin liggen primair bij de waterschappen.
38
vast te stellen
Diepenheim, herziening Noord 3
De nadruk wordt verder gelegd op specifieke gebieden die meer aandacht nodig hebben bij een ruimtelijk project: 1. Drinkwateronttrekking: de provincie wil aan de voorkant van de ruimtelijke ontwikkelingen staan, zodat drinkwateronttrekking niet als een belemmering worden ervaren. De bescherming van grondwater voor menselijke consumptie is ook een prioriteit; 2. Waterwingebieden: Bij de winputten, is alle andere activiteiten dan ten behoeve van de openbare drinkwatervoorzieningen niet toegestaan; 3. Grondwaterbeschermingsgebieden (met stedelijke functies): (risico)afweging en maatwerk in de ruimtelijke ontwikkelingen zijn voor deze gebieden kaderstellend; 4. Intrekgebieden (met stedelijke functies): In deze gebieden, is het mogelijk om andere functies toe te staan, mits een duurzame functieverweving mogelijk is bijvoorbeeld extensieve recreatie. Daarnaast hecht de provincie veel belang aan (risico) afwegingen in stedelijke gebieden; 5. Innamezone waterwinning: het water in deze gebieden moeten voldoen aan de eisen van oppervlaktewater; 6. Boringsvrije zone drinkwatervoorziening/ industrie/ Sallands Diep: In de boringsvrije zones is het beleid gericht op het behoud van de beschermende bodemlagen. Doorboren van deze bodemlagen is niet toegestaan. In het plan zijn deze programma's verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven.
Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Overijssel. In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de drinkwatervoorziening en grondwaterbeschermingsgebieden. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken. Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij deze gebieden zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Waterschapsbeleid - Waterbeheerprogramma Vechtstromen 2022-2027 Op 15 december 2021 is het waterbeheerprogramma van waterschap Vechtstromen vastgesteld. Het Waterschap Vechtstromen laat in het waterbeheerprogramma zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke (bestuurlijke) accenten het waterschap in de samenwerking met de partners willen leggen. Van daar uit wordt vervolgens het beleid voor de planperiode 2022-2027 beschreven inclusief de primaire doelen van het waterschap: Klimaatrobuust: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen; Waterkwaliteit op orde: Water moet, zowel ecologisch als chemisch, van goede kwaliteit zijn.
Schoon water is de basis voor een veilige leefomgeving en drager van natuur- en landschapskwaliteit. Duurzaamheid: Aandacht voor duurzaamheid is vanzelfsprekend voor een aantrekkelijke leefomgeving. Binnen het thema duurzaamheid staan drie onderwerpen de komende jaren hoog op de beleidsagenda: 1. vergroening: aandacht voor biodiversiteit en ecologie; 2. CO2-neutraliteit: het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen; 3. omslag naar circulair werken: om kostbare grondstoffen te sparen en afval te voorkomen. Beleven van water: Het waterschap stelt zich open om de verschillende watergangen niet alleen maar functioneel te zien, maar ook om ervan te kunnen genieten. Door aanbod aan een groter publiek toegankelijker te maken, groeit ook het besef dat een gezond watersysteem van cruciaal belang is.
vast te stellen
39
Diepenheim, herziening Noord 3
Duurzaam financieel beleid: dit onderdeel bevat meerdere ramingen inzake onder andere exploitatiekosten of belastingopbrengsten, zodat het waterschap om een duurzame manier omgaat met inkomsten en uitgaven.
Tot slot wordt de geplande koers vertaald in concrete tactische doelstellingen per beleidsonderdeel. Toetsing Op basis van het beleid en de uitgangspunten van gemeente Hof van Twente en Waterschap Vechtstromen is voor het plangebied Boinksweide te Diepenheim een waterstructuurplan6 opgesteld. Met deze structuur voor hemelwater, afvalwater, oppervlaktewater en peilen/ontwatering kan een klimaatbestendige en toekomstbestendige werk- en leefomgeving worden gerealiseerd. Wateroverlast Door een natuurlijk maaiveldverloop (hoog naar laag), getrapte afvoer en berging van hemelwater vanaf de woonpercelen naar de lager gelegen wadi's en waterberging, is het risico op wateroverlast gemarginaliseerd. Voor het huidige knelpunt in water op maaiveld in de zuidwestelijke punt kan met de herprofilering van het maaiveld een verbetering worden gerealiseerd. De waterberging is voldoende om een bui tot minimaal 55 mm vast te kunnen houden in het gebied. Bij grotere pieken is nog resterende ruimte op het centraal gelegen deel beschikbaar waarbij de ambitie voor waterberging á 80 mm ruim gerealiseerd kan worden. Op het zuidelijk deel zou dit gerealiseerd kunnen worden door vergroten van het waterbergend oppervlak in de vijver.
Voor het noordelijke deelgebied is de geambieerde waterberging van 80 mm met oppervlakkige waterberging lastiger realiseerbaar en zal bij grotere buien dan 55 mm hemelwater afgevoerd worden naar de bestaande waterbergingsvijver. Peilen en grondwateroverlast Omdat de huidige grondwaterstanden plaatselijk te hoog zijn voor de functie “wonen” wordt het plangebied plaatselijk opgehoogd om voldoende ontwatering te realiseren en om aan te sluiten bij omringende straat- en bouwpeilen. In principe is drainage hierbij niet noodzakelijk, maar zal voor de ontwatering van de wadi's mogelijk wel een drainage worden toegepast. Deze drainage wordt toegepast om te zorgen dat de waterberging binnen 24 uur weer beschikbaar is voor een volgende bui. Dit is ook om te voorkomen dat langdurig water in de waterbergingsvoorziening blijft staan en de berging dus weer voor een volgende bui beschikbaar is. Het drainageniveau wordt ontworpen op een ontwateringsniveau gelijk of boven RHG (representatief hoge grondwaterstand), waarmee wordt voorkomen dat afvoer van grondwater uit het gebied plaatsvind. Verdroging Dit aspect heeft betrekking op het vasthouden en bergen van overtollig water met als doel om verdroging/vocht te korten in de zomer te voorkomen.
In het plangebied worden diverse waterberging- en infiltratievoorzieningen aangelegd: op de woonpercelen, in de lijn-afwatering wadi's, in de vijver van het verpleeghuis en daar waar mogelijk in de openbare ruimte. Het hemelwater wordt opgevangen in deze voorzieningen en kan daar infiltreren in de bodem. Dit komt daarmee weer ten goede aan nuttige grondwateraanvulling.
40
vast te stellen
Diepenheim, herziening Noord 3
De waterbergingsopgave à 55 mm en een ambitie van 80 mm geldt voor het gehele gebied waar een toename van verharding plaatsvindt, waarmee het plan ten opzichte van de huidige (onverharde) situatie hydrologisch neutraal is. Doordat het plangebied grotendeels opgehoogd wordt is het niet noodzakelijk de grondwaterstand te beheersen en structureel te verlagen middels drainage, waardoor ook dit ten opzichte van de huidige situatie hydrologisch neutraal wordt ingepast. Hitte Als gevolg van de toename van verhard oppervlak is een verslechtering van de hittestress aannemelijk. Door het behoud en de aanplant van bomen, de open structuur, het behoud van de bestaande vijver en de aanleg van een nieuwe vijver is binnen de ontwikkeling wel voldoende rekening gehouden met afstand tot koelteplekken en schaduwplekken binnen de openbare ruimte. Daarnaast zal binnen de woonstraten ook rekening gehouden worden met ruimte voor schaduwplekken en groen. Overstroming/Veiligheid Ten aanzien van overstroming als gevolg van extreme piekbuien is in het maaiveldontwerp rekening gehouden met een afvoer over maaiveld onder vrij verval richting wadi's en vervolgens in waterbergingen op onverhard terrein. Als gevolg van dit ontwerp is het risico van wateroverlast in woningen bij extreme buien (T=100) niet aanwezig.
De woningen zijn nog 20 cm hoger als het straatpeil gesitueerd en zal van nature afstromen naar de lager gelegen onverhard terreindelen. Volksgezondheid Binnen het plan is sprake van een volledig gescheiden riolering. Wel zal ten aanzien van de hoeveelheid afvalwater een beperkte toename plaatsvinden op het bestaande riool. De omvang van het afvalwater in relatie tot hemelwater bij piekbuien is echter dermate klein dat dit niet zal bijdragen aan een verhoging van de frequentie van overstorten van de bestaande riolering. Oppervlaktewaterkwaliteit Het afvalwater wordt geheel gescheiden van het hemelwater afgevoerd en aangesloten op het rioolstelsel. Het hemelwater wordt via goten/holle wegen oppervlakkig afgevoerd naar lijnvormige wadi's langs de wegen. Deze maaiveldafstroming (bodempassage) en wadi's hebben een bergende en zuiverende functie. De eventuele vervuiling die in het hemelwater aanwezig is, blijft achter in de zodelaag van de wadi en komt dus niet in het oppervlaktewater terecht. Ten aanzien van de vijver van het verpleeghuis is niet voorzien in een bodempassage, echter is de kwaliteit van dakwater (uitgaande van niet uitlogende bouwmaterialen) niet risicovol ten aanzien van verontreinigingen. Bij extremen zal gebruik gemaakt worden van de resterende waterberging op onverhard terrein en als laatste overstorten naar recreatievijver en sloten.
Als gevolg van deze bodempasserende constructies zal de oppervlaktewaterkwaliteit (beschermd vanuit de KRW) niet negatief beïnvloed worden. Riolering en zuivering Het afvalwater wordt geheel gescheiden van het hemelwater afgevoerd en onder vrij verval aangesloten op het bestaande rioolstelsel. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
vast te stellen
41
Diepenheim, herziening Noord 3
4.8
Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing Vanwege de realisatie van het verpleeghuis en de woningen kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen door het uitvoeren van een Quickscan natuurwaardenonderzoek7. Het onderzoek en de resultaten worden hieronder nader toegelicht. Het plangebied is op 24 januari 2023 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland.
Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, is een stikstofberekening uitgevoerd voor de ontwikkel- en gebruiksfase. Dit wordt behandeld in paragraaf 4.9. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats.
Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Het plangebied vormt geen functioneel leefgebied van beschermde vissen.
42
vast te stellen
Diepenheim, herziening Noord 3
Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de schuur gesloopt en de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibieën gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaatsen van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats'. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën.
Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein ongeschikt gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende foeragerende diersoorten af. Deze afname leidt niet tot wettelijke consequenties. Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels; Geen beschermde amfibieën of zoogdieren doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein ongeschikt maken); Stikstofberekening uitvoeren (gebruiks- en ontwikkelfase). Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.9
Stikstof Algemeen Op grond van de Wet natuurbescherming worden soorten en habitattypen in Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudings-doelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) een knelpunt aanwezig bij de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen, die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben, kunnen hierdoor “significante negatieve effecten” hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de realisatie en/of de gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS-Calculator kan de stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de ontwikkeling worden berekend. Voor het berekenen van de stikstofdepositie worden in het rekenmodel de emissies van stikstof in de
vast te stellen
43
Diepenheim, herziening Noord 3
verschillende bronnen ingevoerd. Het rekenmodel berekent vervolgens de verspreiding van deze stikstofemissies en de stikstofdepositie binnen de Natura 2000-gebieden op stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten. Toetsing In het kader van de Wet natuurbescherming is de stikstofuitstoot door de beoogde ontwikkeling inzichtelijk gemaakt8. Aanlegfase Met de gehanteerde parameters blijkt uit de uitgevoerde berekeningen van de aanlegfase dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000gebieden. Gebruiksfase Uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Conclusie Geconcludeerd wordt dat aan de hand van de gehanteerde parameters significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Er is geen vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming benodigd
4.10
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het nietzichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing De gemeente Hof van Twente beschikt over een Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart, waarop zowel de bekende waarden als de trefkans op nog onontdekte waarden zijn aangegeven. Op basis van deze kaart kan worden bepaald wat de archeologische verwachting is. Voor iedere verwachting gelden andere voorwaarden met betrekking tot archeologie. Navolgende uitsnede van de archeologische verwachtingskaart geeft de ter plaatse geldende verwachtingswaardes weer.
44
vast te stellen
Diepenheim, herziening Noord 3
Uit de archeologische verwachtingskaart komt naar voren dat de ontwikkelingslocatie grotendeels in een zone ligt met een lage archeologische verwachting. Dit betekent dat bij ingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte groter of gelijk aan 10 hectare archeologisch onderzoek noodzakelijk is. De gehele ontwikkelingslocatie beslaat ongeveer 2 hectare, waardoor archeologische onderzoek binnen dit gebied niet noodzakelijk is. Een deel van de ontwikkelingslocatie ligt in een zone met een middelhoge archeologische verwachting. Dit betreft klein gedeelte in het noorden van de ontwikkelingslocatie . Bij een middelhoge archeologische verwachting moet onderzoek worden uitgevoerd bij verstoringen dieper dan 40 cm en oppervlakte van 5000 m2 of meer. Dit is binnen het onderhavig plan niet van toepassing. Dit betekent dat er geen onderzoek nodig is geacht naar de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden. De archeologische verwachtingswaarden zijn opgenomen als dubbelbestemming binnen het plangebied, waarbij er geen dubbelbestemming is opgenomen voor het gebied met een lage archeologische verwachting. Voor het gedeelte met een middelhoge archeologische verwachting is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' opgenomen. Deze dubbelbestemming zal worden opgenomen in de nieuwe bestemmingsplanregels.
Daarnaast blijft de archeologische meldingsplicht blijft hoe dan ook van kracht. Wanneer tijdens de graafwerkzaamheden archeologische sporen of resten worden aangetroffen, dan dient dit, conform de Erfgoedwet, direct te worden gemeld bij de bevoegde overheid. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.11
Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen.
vast te stellen
45
Diepenheim, herziening Noord 3
Toetsing In of rondom de ontwikkelingslocatie is geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig is. De ontwikkelingslocatie maakt wel onderdeel uit van het kamp- en esontginningen landschap. Dit landschap wordt gekenmerkt door kleinschalig bouwlandcomplex, verspreide hoeven, kleinschalig reliëf en houtwallen. De ontwikkelingslocatie bestaat uit drie kleinere landbouwpercelen die zijn afgescheiden door houtwallen. De houtwallen zullen zo veel mogelijk worden behouden en de woningen volgen de structuur van het voormalige landschap. Dit tezamen maakt dat voorliggende ontwikkeling geen cultuurhistorische waarden in en rondom de ontwikkelingslocatie aantast. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.12
Verkeer en parkeren Algemeen Met het onderhavig plan word een gevarieerd woningbouwprogramma gerealiseerd bestaande uit grondgebonden 20 woningen. Daarnaast wordt op de ontwikkelingslocatie een zorgcomplex gerealiseerd met 54 zorgeenheden. De woningen en het verpleeghuis worden gerealiseerd op een drietal percelen aan de rand van de kern Diepenheim. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling neemt het aantal verkeersbewegingen en de parkeerbehoefte binnen het gebied toe. Verkeer In 2015 is het Gemeentelijk Mobiliteitsplan (GMP) uit 2007 geëvalueerd. Mede op basis hiervan is het mobiliteitsbeleid geactualiseerd en is in 2016 een geactualiseerd GMP door de gemeenteraad vastgesteld. Belangrijkste verschil met GMP 2007 is een grotere inzet op verkeersgedrag, terwijl de infrastructurele maatregelen voor wat betreft de inrichting in 30km-zones en 60km-zones zo goed als afgerond zijn. Hoofddoelstelling van het mobiliteitsplan is het optimaliseren van de leefbaarheid, de verkeersveiligheid en de bereikbaarheid in de gemeente. Gesteld wordt dat de bereikbaarheid nu over het algemeen redelijk is, hoewel het doorgaande verkeer door de kernen ten koste gaat van de leefbaarheid. Zonder maatregelen zullen bovendien de bereikbaarheid, de verkeersveiligheid en de leefbaarheid afnemen, door de groei van het gemotoriseerde verkeer.
Voor de ontwikkelingslocatie geldt dat de ontsluiting is voorzien op de Boinksweide. Het gehele plangebied wordt ingericht als 30 km zone, zoals overal van toepassing is binnen de kern Diepenheim. Zoals benoemd neemt het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling toe. Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW, publicatie 381, van parkeerkencijfers naar parkeernomen, kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Gelet op de ligging van de ontwikkelingslocatie aan de rand van de kern Diepenheim worden de kencijfers voor het gebied 'rest bebouwde kom' gehanteerd. De gemeente Hof van Twente heeft volgens het CBS de stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk'. Daarnaast is het volgende woningbouwprogramma gehanteerd:
46
vast te stellen
Diepenheim, herziening Noord 3
Woning typologieën
Aantal
Koop, huis, tussen/hoek
16
Koop, huis twee-onder-een-kap
4
Serviceflat*
54
*Voor een 'Verpleeg- en verzorgingstehuis' zijn geen kencijfers opgenomen voor de verkeergeneratie. De woningtypologie 'Serviceflat' is daarna het meest vergelijkbaar, derhalve zijn deze kencijfers gebruikt voor het berekening van de verkeersgeneratie. Deze kencijfers vallen hoger uit dan bij de categorie 'Verpleeg- en verzorgingstehuis', waardoor uit wordt gegaan van een worst-case scenario. De onderstaande tabel geeft het aantal verkeersbewegingen weer per type woning: Woning typologieën
Verkeersbewegingen
Koop, huis, tussen/hoek (16)
7,4
Koop, huis twee-onder-een-kap (4)
7,4
Verpleeg- en verzorgingstehuis (op basis 7,4 van serviceflat) (50) Dit leidt tot de volgende verkeersgeneratie: 16 x koop, tussen/hoek (7,4) = 118,4 verkeersbewegingen 4 x koop, twee-onder-een-kap (7,8) = 31,2 verkeersbewegingen 54 x verpleeg- en verzorgingstehuis (2,6) = 140,4 verkeersbewegingen Geconcludeerd wordt dat het verpleeghuis én de woningen in totaal maximaal circa 290 extra verkeersbewegingen per etmaal zullen genereren. De omliggende infrastructuur is in voldoende mate ingericht om de verkeersbewegingen eenvoudig en veilig af te wikkelen. Parkeren Voor de parkeernormen houdt de gemeente Hof van Twente haar eigen parkeernormen aan (versie mei 2016), gebaseerd op de normen uit de CROWpublicatie. Uitgaande van de ligging van de ontwikkelingslocatie in deelgebied 'rest bebouwde kom' betekent dit dat rekening moet worden gehouden met de volgende parkeernorm per woning of wooneenheid. Voor een verpleeg- en verzorgingstehuis zijn wel specifieke parkeernormen, waarbij wel aangegeven is dat dit globale parkeercijfers zijn
vast te stellen
Woning typologieën
Parkeerbehoefte
Koop, huis, tussen/hoek (16)
2,0
Koop, huis twee-onder-een-kap (4)
2,2
Verpleeg- en verzorgingstehuis (50)
0,6
47
Diepenheim, herziening Noord 3
Dit leidt tot de volgende parkeerbehoefte: 16 x koop, tussen/hoek (2,0) = 32 parkeerplaatsen 4 x koop, twee-onder-een-kap (2,2) = 8,8 parkeerplaatsen 54 x verpleeg- en verzorgingstehuis (0,6) = 32,4 parkeerplaatsen In totaal zijn 41 parkeerplekken (32 + 8,8) bij de woningen nodig en globaal 33 parkeerplekken voor het verpleeghuis. Voor het woningbouwplan zijn 34 openbare parkeerplaatsen voorzien, waarbij het parkeren wordt opgelost in parkeerkoffers in het groene landschap. Aanvullend wordt bij de 2 hoekwoningen en 4 tweekappers aan de noordrand rekening gehouden met ruimte voor in totaal 7 parkeerplekken op eigen terrein. Het totaal aantal parkeerplaatsen bedraagt daarmee 41 stuks, wat voorziet in de behoefte van zowel de bewoners als de bezoekers van de 20 woningen. Voor het verpleeghuis is een parkeerkoffer van 26 parkeerplaatsen voorzien direct ten noorden van het verpleeghuis. Daarnaast wordt hier tevens een fietsenstalling gerealiseerd. Aanvullen worden aan de voorzijde van het pand 7 parkeerplaatsen gerealiseerd, waaronder tevens invalideparkeerplaatsen. Het totaal aantal parkeerplaatsen bedraagt daarmee 33 stuks, wat voorziet in de behoefte van het personeel en bezoekers van de bewoners van het verpleeghuis. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
48
vast te stellen
Diepenheim, herziening Noord 3
Hoofdstuk 5
Wijze van bestemmen
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve: het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: het bebouwen van de gronden; het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
5.1.2
Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1. Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één 'enkel' bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. 2. Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels 'iets' geregeld. Dat 'iets' kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.
vast te stellen
49
Diepenheim, herziening Noord 3
5.1.3
Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2. Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelregel, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en overige regels. 4. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Bestemmingsplan
5.2.1
Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
50
vast te stellen
Diepenheim, herziening Noord 3
5.2.2
Bijzonderheden in dit bestemmingsplan De sets regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hiervoor is beschreven. Regels bestemmingsplan Diepenheim, herziening Warme Huizen Groen - Groene ruimte Deze gronden zijn bestemd voor semi-agrarische doeleinden in de vorm van weide en grasland, dagrecreatief medegebruik, groenvoorzieningen, toegangspaden en inritten naar omliggende bestemmingen alsook voet- en fietspaden, verblijfsdoeleinden, speelvoorzieningen, water, afvoer van water, tijdelijke berging en infiltratie van hemelwater en openbare nutsvoorzieningen. Aan het bouwen op de gronden is aan een aantal regels gebonden. Zo mogen gebouwen en overkappingen alleen worden gebouwd binnen een bouwvlak en bedraagt de bouwhoogte van andere overige bouwwerken maximaal 3 meter. In dit plangebied komt geen bouwvlak voor. Om aan te sluiten bij de regeling in de omgeving is deze bouwregel wel in de regels opgenomen. Maatschappelijk Deze gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen. Onder maatschappelijke voorzieningen worden verstaan educatieve voorzieningen, sociaalmedische voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen.
Ter plaatse van de aanduiding 'wonen' is wonen toegestaan in samenhang met centrale voorzieningen ten behoeve van verzorging en verpleging. Daarnaast zijn ter plaatse van deze bestemming tevens groenvoorzieningen, water, afvoer van water, tijdelijke berging en infiltratie van hemelwater, verkeers- en verblijfsdoeleinden, parkeervoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen toegestaan. De bebouwing is vastgelegd door middel van een bouwvlak en het opnemen van de maximale bouwhoogte. Woongebied - 1 Deze gronden zijn bestemd voor wonen, waaronder ook het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep valt en een bed & breakfastvoorziening, groen- en speelvoorzieningen. Daarnaast zijn ter plaatse van deze bestemming tevens water, afvoer van water, tijdelijke berging en infiltratie van hemelwater, verkeers- en verblijfsdoeleinden, parkeervoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen toegestaan. In dit bestemmingsplan is de bestemming 'Woongebied' opgenomen om de doorgaande ontsluitingsweg mogelijk te maken. Voorwaardelijke verplichting waterberging Tevens is in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen om voldoende waterberging te garanderen.
vast te stellen
51
Diepenheim, herziening Noord 3
Regels bestemmingsplan Diepenheim, herziening Noord 3 Groen - Groene ruimte Deze gronden zijn bestemd voor semi-agrarische doeleinden in de vorm van weide en grasland, dagrecreatief medegebruik, groenvoorzieningen, toegangspaden en inritten naar omliggende bestemmingen alsook voet- en fietspaden, verblijfsdoeleinden, speelvoorzieningen, water, afvoer van water, tijdelijke berging en infiltratie van hemelwater en openbare nutsvoorzieningen. Aan het bouwen op de gronden is aan een aantal regels gebonden. Zo mogen gebouwen en overkappingen alleen worden gebouwd binnen een bouwvlak en bedraagt de bouwhoogte van andere overige bouwwerken maximaal 3 meter. In dit plangebied komt geen bouwvlak voor. Om aan te sluiten bij de regeling in de omgeving is deze bouwregel wel in de regels opgenomen. Woongebied - 1 Deze gronden zijn bestemd voor wonen, waaronder ook het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep valt en een bed & breakfastvoorziening, groen- en speelvoorzieningen. Daarnaast zijn ter plaatse van deze bestemming tevens water, afvoer van water, tijdelijke berging en infiltratie van hemelwater, verkeers- en verblijfsdoeleinden, parkeervoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen toegestaan. Aan het bouwen op de gronden is aan een aantal regels gebonden. In de verbeelding worden het bouwvlak en de verschillende maatvoeringsvlakken getoond.
Hierbinnen mag de bebouwing worden gebouwd. Het bouwvlak geeft daarmee een duidelijk onderscheid tussen bebouwd en onbebouwd (tuinen, wegen, pleinen) gebied. De bouwregels, zoals bouw- en goothoogten en bebouwingspercentage, zijn op de verbeelding opgenomen. Ook zijn er in de verbeelding aanduidingen opgenomen voor het soort en aantal woningen dat op de locatie is toegestaan. Voorwaardelijke verplichting waterberging Tevens is in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen om voldoende waterberging te garanderen. Waarde - Archeologische verwachting 2 Deze gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het herstel en behoud van archeologische waarden. Hier geldt dat bij een bodemingrepen groter dan 5.000 m2 en dieper dan 0,4 meter een archeologisch onderzoek moet worden overlegd om aan te tonen dat archeologische waarden voldoende beschermd worden bij eventuele ruimtelijke ontwikkelingen. Waterstaat - Bebouwingsvrij Deze gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van waterschapsbelangen met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. In afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemmingen mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming.