CConstaterende datHof van Twente
Koppel je AI →
Document · PDF

09. Ruimtelijke onderbouwing Kuipersweg 5 Ambt Delden 2.0.pdf

Gemeenteraad 8 maart 2022, gemeente Hof van TwenteBij agendapunt: 9: Legalisatie paarden longeer- en rijbak aan de Kuipersweg 5 in Ambt Delden5.298 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ruimtelijke onderbouwing Kuipersweg 5 Ambt Delden Longeer- en paardenbak

Gemeente Hof van Twente / Ruimtelijke onderbouwing Kuipersweg 5 Ambt Delden . 1

Inhoudsopgave Inhoud Inhoudsopgave ................................................................................................................................... 2 Hoofdstuk 1. Inleiding ......................................................................................................................... 3 1.1.

Aanleiding............................................................................................................................. 3

1.2 Ligging plangebied .................................................................................................................... 3 1.3 Planologisch regiem .................................................................................................................. 3 1.4 Leeswijzer ................................................................................................................................. 4 2. Planomschrijving en ruimtelijke aanvaardbaarheid ......................................................................... 5 2.1 Gewenste situatie ...................................................................................................................... 5 2.2. Ruimtelijke aanvaardbaarheid .................................................................................................. 5 3.

Beleidskader ................................................................................................................................ 7 3.1

Rijksbeleid ............................................................................................................................ 7

3.2 Provinciaal beleid ...................................................................................................................... 8 3.3. Gemeentelijk beleid ................................................................................................................ 11 Omgevingsaspecten ......................................................................................................................... 12 4.1 Verkeer en parkeren................................................................................................................ 12 4.2 Flora en Fauna ........................................................................................................................ 12 4.3 Waterparagraaf ....................................................................................................................... 12 4.4 Luchtkwaliteit........................................................................................................................... 13 4.6 Externe veiligheid .................................................................................................................... 14 4.7 Bedrijven en milieuzonering ....................................................................................................

15 4.8 Archeologie ............................................................................................................................. 15 4.9 Bodem..................................................................................................................................... 15 5. Uitvoerbaarheid ............................................................................................................................ 16 5.1 Economische haalbaarheid ..................................................................................................... 16 5.2 Maatschappelijke haalbaarheid ............................................................................................... 16

Pagina / 2

Hoofdstuk 1. Inleiding Dit document vormt de ruimtelijke onderbouwing ‘Kuipersweg 5 Ambt Delden’. De ruimtelijke onderbouwing maakt deel uit van de omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning is nodig voor het legaliseren van een rij- en longeerbak die in de periode 2012/2013 is aangelegd. In dit hoofdstuk wordt de aanleiding, de ligging van het projectgebied en leeswijzer van deze ruimtelijke onderbouwing uiteen gezet.

1.1. Aanleiding Voorliggende ruimtelijke onderbouwing heeft betrekking op een perceel aan de Kuipersweg 5 Ambt Delden. Daar is een aanvraag omgevingsvergunning voor ingediend. De aanvraag heeft betrekking op de legalisatie van een reeds gerealiseerde rij- en longeerbak buiten het bouwvlak.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied ligt aan de Kuipersweg 5 Ambt Delden. Het betreft de kadastrale percelen DDN01-B2236, DDN01-B-2281 en DDN01-B-1829.

Figuur 1. Afbeelding plangebied met de longeerbak en rijbak

1.3 Planologisch regiem De aanvraag voorziet in het legaliseren van een rijbak (paardenbak) en een longeerbak op het adres Kuipersweg 5 in Ambt Delden. Deze rijbak en longeerbak zijn aangelegd in de periode 2012 en 2013. Op dat moment waren de bestemmingsplannen ‘Buitengebied Ambt Delden’ en ‘Buitengebied Ambt Delden, herziening Azelo 2010’ van toepassing. Alleen voor het achterste gedeelte van de rijbak was het ‘Buitengebied Ambt Delden’ van toepassing, het andere deel van de rijbak en longeerbak vielen binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Ambt Delden, herziening Azelo 2010’. Voor de twee

Pagina / 3

bouwwerken gold een vergunningsplicht op grond van de hiervoor beschreven bestemmingsplannen. Er ligt nu een aanvraag omgevingsvergunning voor de legalisatie van de twee bouwwerken. Activiteit bouwen Het bouwplan ligt binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2019’. Het heeft de bestemming ‘Agrarisch met waarden‘ (artikel 4) en de dubbelbestemmingen ’Leiding - Gas’ (artikel 31) en ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’ (artikel 37). Daarbij gelden de gebiedsaanduidingen ‘Reconstructiewetzone - verwevingsgebied’ (artikel 45.6) en ‘Vrijwaringszone – radar’ (artikel 45.10). Het gebruik als zijnde rijbak en longeerbak ten behoeve van de paardenhouderij (agrarisch bedrijf) zijn overeenkomstig het huidige bestemmingsplan. Op grond van de regels van het bestemmingsplan mogen bouwwerken geen gebouw zijnde buiten het bouwvlak niet hoger zijn dan 1 m. Het bouwplan is hiermee niet overeenstemming omdat de omheining van de rijbak een hoogte heeft van 1,2 m en de longeerbak een hoogte van 1,5 m. Omdat de omheining functioneel is verbonden met de rijbak en longeerbak, moet er worden afgeweken van het bestemmingsplan ten aanzien van de rijbak en longeerbak. Uitvoeren van een werk Daarnaast is voor het uitvoeren van een werk een vergunningsplicht op grond van het vigerende bestemmingsplan.

Daar zal in de reactie op de betreffende aangevraagde activiteit een onderbouwing voor worden gegeven, deze ruimtelijke onderbouwing heeft sec betrekking op de bouwwerken. Overigens wordt ingeschat dat de vergunning voor het uitvoeren van een werk verleend kan worden. Afwijken bestemmingsplan Omdat het bouwplan niet voldoet aan het bestemmingsplan, is de aanvraag aangemerkt als een verzoek om af te wijken van de regels. Het bestemmingsplan geeft onvoldoende afwijkingsmogelijkheden. Volgens artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) kan de gemeente afwijken van het bestemmingplan. In deze onderbouwing wordt de ruimtelijke aanvaardbaarheid aangetoond.

1.4 Leeswijzer Deze ruimtelijke onderbouwing is als volgt opgezet. Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een omschrijving van het plan gegeven. Hierin wordt een beschrijving gegeven van de gewenste situatie en de ruimtelijke aanvaardbaarheid. Voorts wordt in hoofdstuk 3 het ruimtelijk beleid behandeld. De omgevingsaspecten worden behandeld in hoofdstuk 4. Hierin wordt onder andere ingegaan op de bodem- en luchtkwaliteit, geluidshinder, verkeersinvloeden, archeologie, cultuurhistorie, flora en fauna en eventueel voorkomende kabels en leidingen. In hoofdstuk 5 wordt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid behandeld.

Pagina / 4

2. Planomschrijving en ruimtelijke aanvaardbaarheid 2.1 Gewenste situatie De aanvraag voorziet in het legaliseren van een rijbak (paardenbak) en een longeerbak met omheining op het adres Kuipersweg 5 in Ambt Delden. Onderstaand een luchtfoto van de gewenste huidige en gewenste situatie.

Figuur 2. Gewenste situatie

2.2. Ruimtelijke aanvaardbaarheid De stadsbouwmeester heeft voor het bouwplan op 9 februari 2021 een gunstig advies uitgebracht, mits de omheining gedekt van kleur wordt. Dit advies is overgenomen. De omheining is antraciet van kleur. Het bouwplan voldoet volgens ons aan redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12 van de Woningwet. De paardenbak valt binnen de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’. Volgens artikel 31.6.1 van het bestemmingsplan is het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning. Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden kan worden verleend indien de betreffende werken en/of werkzaamheden de belangen van de leiding niet schaden. Om medewerking te kunnen verlenen moet advies worden ingewonnen bij de betrokken leidingexploitant. In dit geval is Gasunie de leidingbeheerder van de gasleiding. Op 5 januari 2021 heeft de adviseur Pagina / 5

omgevingsmanagement juridische zaken bij Gasunie een positief advies afgegeven. Het bouwplan is besproken met medewerkers van de afdeling tracébeheer. De locatie is bekend bij de Gasunie. Tijdens de aanleg van de paardenbak is er vanuit de Gasunie toezicht geweest. Omdat de situatie bekend is en aangezien het gaat om een reeds bestaande situatie zijn er vanuit de Gasunie geen bezwaren tegen het verlenen van de vergunning. De overschrijding van de omheining van de paardenbak ten aanzien van hetgeen het bestemmingsplan mogelijk maakt is minimaal (20 cm). De paardenbak is landschappelijk goed ingepast doordat deze is gesitueerd achter de stallen en aan 3 zijden is omgeven door groen. Vanaf de openbare weg is er niet of nauwelijks zicht op deze paardenbak. De zichtlijnen vanaf de Kuipersweg worden onderbroken door bestaande bebouwing en het groen. Daarnaast is de afstand vanaf de Blokstegenweg (circa 300 m) te groot om de overschrijding te kunnen waarnemen. Gezien de geringe overschrijding en het beperkte zicht op deze paardenbak wordt gesteld dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de ruimtelijke kwaliteit. De omheining van de longeerbak is weliswaar 30 cm hoger dan die van de paardenbak, maar is in omvang vele malen kleiner. De longeerbak is achter de bestaande en legale tredmolen gesitueerd.

Ook voor de longeerbak geldt dat er vanaf de openbare weg niet direct zicht is op het bouwwerk. Het zicht wordt ontnomen door de tredmolen, de groene aanplant en de bestaande bebouwing langs de Kuipersweg. Ook dit leidt niet tot een onevenredige aantasting van de ruimtelijke kwaliteit.

Pagina / 6

3. Beleidskader 3.1 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (Novi) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio's; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.

Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een paarden- en longeerbak die zijn gelegen aan de achterzijde van een erf. De beide bouwwerken zijn functioneel gewenst voor de aldaar gevestigde paardenhouderij. Het plan draagt daarom bij aan een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en past daarmee binnen de prioriteiten van de NOVI.

Ladder voor duurzame verstedelijking Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat Pagina / 7

moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling. Uit jurisprudentie is inmiddels gebleken dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is voor zeer kleinschalige ontwikkelingen. In dit geval is er sprake van een relatief kleinschalige ontwikkeling er is daarom geen sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid Bro.. Op grond van de Nota van toelichting behorend bij het besluit tot wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet gezien wordt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder van duurzame verstedelijking. De ladder van duurzame ontwikkeling is daarom niet van toepassing op het voorliggende plan. De ruimtelijke aanvaardbaarheid van de ontwikkeling wordt bovendien in deze toelichting aangetoond.

3.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Overijssel De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. De ambities in het kader van duurzaamheid zijn: klimaatbestendigheid, het realiseren van een duurzame energiehuishouding, het sluiten van kringlopen (circulaire economie) en het beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur. Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit wordt ingezet op het vergroten van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is daarbij van belang, waarbij een vitaal en samenhangend stelsel van gebieden met een hoge natuuren waterkwaliteit wordt ontwikkeld. Ook de ontwikkeling van een continu en beleefbaar watersysteem, het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen en het contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken, zijn ambities op het gebied van ruimtelijke kwaliteit.

Het zorgvuldig inpassen van nieuwe initiatieven heeft als doel om de samenhang in en de identiteit van een gebied te versterken en nieuwe kwaliteiten te laten ontstaan. Een zichtbaar en beleefbaar landschap en het behouden en waar mogelijk verbreden van het bestaande aanbod aan woon-, werk- en mixmilieu's betreffen ruimtelijke kwaliteitsambities. Omgevingsverordening Overijssel De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Actualisatie Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: • generieke beleidskeuzes; • ontwikkelingsperspectieven; • gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Pagina / 8

Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.

De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

Pagina / 9

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. Generieke beleidskeuzes (of) Of een ontwikkeling nodig of mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Deze zijn vastgelegd in de regels behorende bij de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel. Artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1. Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: • dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; • dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. In voorliggend geval is sprake van de realisatie van een longeer- en rijbak met een oppervlakte van aansluitend en aan de achterzijde van een erf. Binnen het bouwvlak is geen ruimte voor een dergelijke rij- en longeerbak. Het plan is in overeenstemming met de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

Ontwikkelingsperspectieven (waar) Het ontwikkelingsperspectief is “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap”. De mogelijkheden voor een reeds gevestigde paardenhouderij om paarden te begeleiden in een rijbak en longeerbak sluiten aan bij het perspectief wonen en werken. Gebiedskenmerken (hoe) Het betreft een oude hoevenlandschap. De omheiningen van de rijbak hebben slechts een hoogte van 1,2 meter en de omheining van de kleinere longeerbak slechts 1,5 meter. Daarmee is er reeds nauwelijks visueel impact op het landschap. De bouwwerken zijn groen ingepast met inheemse beplanting, waardoor dit landschap niet wordt aangetast door deze ontwikkeling.

Pagina / 10

3.3. Gemeentelijk beleid Structuurvisie Landelijk gebied Hof van Twente De gemeenteraad heeft op 6 juli 2020 de structuurvisie Landelijk gebied Hof van Twente vastgesteld. Ten aanzien van agrarische bedrijven wordt aangegeven dat de gemeente groei van agrarische bedrijven wil faciliteren. Gericht op de paardenhouderij wordt beschreven dat, om negatieve ruimtelijke effecten te voorkomen, hekwerken in gedekte tinten uitgevoerd kunnen worden en dat de bebouwing groen ingepast dient te worden. Daar sluit deze ontwikkeling bij aan. KGO-notitie Grond voor gebruik Deze notitie is 27 november 2015 vastgesteld door de gemeenteraad en biedt instrumenten zoals rood voor rood en Vab die toegepast kunnen worden in het buitengebied. Ten aanzien van ontwikkeling van de agrarische sector wordt beschreven dat doorgaande agrarische bedrijven de ruimte moeten hebben en niet belemmerd mogen worden door bijvoorbeeld rood voor rood ontwikkelingen in het buitengebied. Deze ontwikkeling geeft een voorbeeld van de doorontwikkeling van een paardenhouderij (agrarisch bedrijf) en daarmee past het binnen de kaders die zijn gesteld in de KGO-notitie Grond voor gebruik. Landschapontwikkelingsplan Hof van Twente Het landschapsontwikkelingsplan is in mei 2005 vastgesteld door de gemeenteraad.

Het plangebied ligt in een ontginningslandschap (agrarisch werklandschap) dat wordt gekenmerkt door de rechthoekige begrenzingen. De beplanting is strak geordend. De ontwikkeling sluit aan bij deze kenmerken qua postionering en (inheemse) beplanting

Pagina / 11

Omgevingsaspecten 4.1 Verkeer en parkeren De rijbak/longeerbak is ten behoeve van het houden en trainen van paarden. De ontsluiting van het erf is op de Kuipersweg. De ontwikkeling heeft geen verkeersaantrekkende werking zodat geen verkeersproblemen te verwachten zijn op de Kuipersweg en/of op het erf. Op het erf is overigens voldoende parkeerruimte aanwezig.

4.2 Flora en Fauna Ten aanzien van de bescherming van de natuurlijke waarden wordt onderscheid gemaakt in soortenbescherming en gebiedsbescherming. Hierna wordt aandacht besteed aan beide aspecten in relatie tot het plangebied. Aangrenzend aan het bouwblok is in het naastgelegen weiland de rijbak en longeerbak aangelegd. Het weiland was in gebruik voor intensieve beweiding of regelmatig oogsten van gras. Ecologisch gezien weinig waardevol. In de nieuwe situatie zijn heggen toegevoegd aan het landschap. Geen verslechtering voor flora en fauna derhalve. Binnen de Europese Unie wordt beoogd een samenhangend netwerk van leefgebieden en soorten te realiseren, Natura 2000 genaamd. De Vogel- en Habitatrichtlijngebieden maken hiervan deel uit. Voor beschermde Natura 2000-gebieden geldt dat er door projecten en handelingen (in of in de nabijheid van het Natura 2000-gebied) geen verslechtering van de kwaliteit van de habitats of een verstorend effect op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen mag optreden (Natuurbeschermingswet). Natuurbeschermingswet. Het meest dichtbij gelegen Natura2000 gebied is gelegen op meer dan 2 kilometer (Lonnekermeer) en derhalve kan worden gesteld dat deze ontwikkeling geen toename van depositie op Natura2000 gebieden met zich meebrengt.

4.3 Waterparagraaf Via www.watertoets.nl is een aanvraag ingediend, de standaard waterparagraaf is van toepassing op de ontwikkeling. STANDAARD WATERPARAGRAAF Belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater) . Deze standaard waterparagraaf heeft betrekking op het plan. Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).

Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn waterveiligheid, klimaatbestendigheid omgeving en ruimte voor waterberging. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Pagina / 12

Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe """"eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren"""" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem.

Vandaar dat het principe """"eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren"""" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Waterhuishouding Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1500m2. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. Aanleghoogte van de bebouwing Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte.

Kelders dienen waterdicht te zijn. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. In het plan wordt er naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen. Watertoetsproces De initiatiefnemer heeft het waterschap Vechtstromen geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies.

4.4 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2. over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de Wet luchtkwaliteit. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate (NIBM)' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote Pagina / 13

projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen (Besluit NIBM)'. Op hoofdlijnen komt het er op neer dat projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. Kleine projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling "niet in betekenende mate bijdragen". De ontwikkeling van een paardenbak en een longeerbak met een beperkt aantal bijbehorende stallen draagt niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het uitvoeren van een toets is niet noodzakelijk. Ten aanzien van stof is er getoetst aan de VNG handreiking Bedrijven en Milieuzonering. Daarin wordt ten aanzien van stof een minimale richtafstand van 30 meter voorgeschreven tussen de rijbak en longeerbak en een woning van derden.

Daaraan wordt voldaan, omdat het meest dichtbijzijnde bestemmingsvlak wonen (van een derde) is gelegen op meer dan 50 meter.

4.5 Geluid De mate waarin geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh): • Woningen, • Geluidsgevoelige terreinen • Andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder bijvoorbeeld onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, enz. Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen, geluidbelastingkaarten en actieplannen. De wet stelt dat in principe de geluidsbelasting op de gevel van woningen niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB), dan wel een nader bepaalde waarde (hogere grenswaarde) In het Activiteitenbesluit bij de Wgh zijn voorschriften opgenomen die bescherming bieden tegen geluidhinder van inrichtingen die onder het Besluit vallen. Deze bescherming wordt geboden aan gevoelige objecten. Een paardenbak en/of longeerbak is geen geluidsgevoelige functie. De Wet Geluidhinder geeft voor het initiatief geen beperkingen. Het uitvoeren van een geluidsonderzoek is niet noodzakelijk

4.6 Externe veiligheid Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijk slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Groepsrisico Pagina / 14

Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. In het Bevi, Bevb en Bevt wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen en mobiele bronnen wettelijk geregeld. De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico's acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico's te verkleinen. De aanleg van een paardenbak en/of longeerbak is in het kader van de externe veiligheid geen relevante ontwikkeling. Zoals gezegd is er afstemming geweest met de Gasunie over de transportleiding. Nader onderzoek naar de externe veiligheid is niet nodig.

4.7 Bedrijven en milieuzonering De VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering schrijft een minimale afstand van 50 (geur), 30 (geluid) en 30 (stof) meter voor tussen een paardenhouderij en een woning van een derde. De bouwwerken voldoen aan die richtafstanden, waardoor kan worden gesteld dat de ontwikkeling het woon- en leefklimaat niet nadelig beïnvloed.

4.8 Archeologie Voor het gebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’. Een archeologisch onderzoek is niet nodig omdat de oppervlakte van de totale bodemingrepen die dieper zijn dan 40 cm minder is dan 2.500 m². Een archeologisch onderzoek is hierdoor niet nodig.

4.9 Bodem In artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) wordt geregeld of de bodem geschikt is voor de nieuwe ontwikkeling. De paardenbak en longeerbak zijn horizontaal/vlak aangelegd in een weiland. De grondsoort is zand. Zandgronden zijn geschikt voor een aanleg van een paardenbak en longeerbak. Bodemonderzoek ten behoeve van aanleg van de paardenbak en longeerbak is niet nodig.

Pagina / 15

5. Uitvoerbaarheid 5.1 Economische haalbaarheid Conform artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 dient onderzoek te worden verricht naar de uitvoerbaarheid van het plan. Voor wat betreft de economische uitvoerbaarheid kan worden gesteld dat het hier een bestaande situatie betreft. Aan de realisatie van de paardenbak zijn voor de gemeente geen kosten verbonden. Aan de aanvraag omgevingsvergunning zijn leges verbonden.

5.2 Maatschappelijke haalbaarheid In artikel 3.1.6 lid 1, aanhef en onder e van het Bro is bepaald dat een beschrijving dient te worden opgenomen van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereidingen van het projectbesluit zijn betrokken. Voor dit projectbesluit is geen inspraak gehouden. De paardenbak is in 2012/2013 aangelegd en nauwelijks zichtbaar. Het ontwerp projectbesluit ligt zes weken ter inzage met de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen. Met het waterschap is vooroverleg gevoerd. Met de provincie hoeft geen vooroverleg gevoerd te worden omdat deze ontwikkeling is opgenomen in de provinciale lijst waarvoor geen vooroverleg gevoerd hoeft te worden (projectbesluiten voor kleinschalige agrarische bebouwing buiten het bouwperceel). Omdat kleinschalige agrarische bebouwing niet is gedefinieerd heeft er vooroverleg plaatsgevonden de provincie heeft ingestemd met de ontwikkeling.

Team Ruimte en Economie de Höfte 7, 7471 DK Goor Postbus 54, 7470 AB Goor 0547 – 85 85 85 info@hofvantwente.nl

Pagina / 16

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/3863/documents/53023