CConstaterende datHofvantwente
Koppel je AI →
Document · PDF

08 TAM omgevingsplan Sloezenweg 2 Ambt Delden Bijlage Quickscan natuurwaarden.pdf

Gemeenteraad 14 april 2026, gemeente HofvantwenteBij agendapunt: 12: TAM omgevingsplan gemeente HvT Hoofdstuk 22u Sloezenweg 2 Ambt Delden8.972 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan natuurwaardenonderzoek Sloezenweg 2 Ambt-Delden

Effectbeoordeling in het kader van de Omgevingswet, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000

0

Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Sloezenweg 2 Ambt Delden Effectbeoordeling in het kader van de Omgevingswet, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000

Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Nobelstraat 5-7 Lichtenvoorde 7131 PZ

BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0850-509852

Opdrachtgever: Ad Fontem Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna

Projectnummer en versie: 7836 versie 1.0 Ligging plangebied: Sloezenweg 2 Ambt Delden Auteur: Ing. P.Leemeise

Status: Definitief Rapportdatum: 27-08-2025 Veldwerk uitgevoerd door: J. van Middelkoop

De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.

1

Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1

INLEIDING ............................................................................................................................... 3

HOOFDSTUK 2

HET PLANGEBIED ...................................................................................................................... 4

2.1 Situering ................................................................................................................................................ 4 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................ 4 HOOFDSTUK 3

VOORGENOMEN ACTIVITEITEN .................................................................................................... 6

3.1 Algemeen .............................................................................................................................................. 6 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ............. 6 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................ 6 Hoofdstuk 4

Toetsingskaders .................................................................................................................. 8

4.1 Algemeen .............................................................................................................................................. 8 4.2 Omgevingswet; Natura 2000................................................................................................................. 8 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming ................................................................................................... 8 4.4 Specifieke zorgplicht.............................................................................................................................. 9 4.5 Regelgeving ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland ............................................................. 11 HOOFDSTUK 5

GEBIEDSBESCHERMING............................................................................................................ 12

5.1 Algemeen ............................................................................................................................................ 12 5.2 Natuurnetwerk Nederland .................................................................................................................. 12 5.3 Natura 2000......................................................................................................................................... 13 5.4 Slotconclusie........................................................................................................................................ 15 HOOFDSTUK 6

SOORTENBESCHERMING .......................................................................................................... 16

6.1 Verwachting en bureauonderzoek ...................................................................................................... 16 6.2 Te toetsen soorten .............................................................................................................................. 16 6.3 Toelichting met zekerheid afwezige soorten op basis van habitat en/of ingreep .............................. 16 6.4 Toetsing beschermde soorten............................................................................................................. 17 6.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep ............................................................................ 21 HOOFDSTUK 7

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .............................................................................................. 24

7.1 Aanleiding en doel ............................................................................................................................... 24 7.2 Conclusie toetsing ............................................................................................................................... 24 7.3 Aanbevelingen en kansen biodiversiteit ............................................................................................. 24 7.4 Historische gegevens en overige bronnen .......................................................................................... 26 7.5 Volledigheid van het onderzoek.......................................................................................................... 26

2

HOOFDSTUK 1

INLEIDING Er zijn plannen voor herontwikkeling van een agrarisch erf aan de Sloezenweg 2 te Ambte Delden. Een deel van de agrarische bijgebouwen wordt gesloopt en er worden een nieuwe woning en schuur bij de bestaande bedrijfswoning gebouwd. Het erf wordt nadien landschappelijk ingepast door middel van de aanplant van nieuwe beplating. Omdat een negatief effect op beschermde flora- en faunasoorten en natuurgebied niet op voorhand volledig kan worden uitgesloten, is Natuurbank Overijssel gevraagd de consequenties van de voorgenomen ontwikkeling op beschermde soorten en gebieden in beeld te brengen en te toetsen aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten )Omgevingswet). In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied.

Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet (soorten en Natura 2000-gebied) en de Omgevingsverordening Overijssel (Natuurnetwerk Nederland).

3

HOOFDSTUK 2

HET PLANGEBIED

2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd aan de Sloezenweg 2 te Ambt Delden. Het ligt in het buitengebied, iets ten zuidoosten van de woonkern Goor. Op de onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.

Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: topotijdreis.nl).

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied vormt een agrarisch erf, omgeven door agrarisch cultuurland. Op het erf staan een bedrijfswoning en meerdere bijgebouwen, waaronder enkele stallen. De bijgebouwen hebben bakstenen buitengevels of zijn bekleed met damwand. De te slopen gebouwen zijn gedekt met golfplaten. Het erf grenst aan de zuidwestzijde aan openbare weg en aan de overige zijden aan agrarisch cultuurland. Hieronder wordt het plangebied weergegeven op de luchtfoto.

4

Luchtfoto met de begrenzing van het plangebied, aangegeven met de gele lijn (bron: topotijdreis.nl).

5

HOOFDSTUK 3

VOORGENOMEN ACTIVITEITEN

3.1 Algemeen Het voornemen bestaat een nieuwe woning met schuur en schuur bij de bestaande woning te bouwen op het erf. Om de bouw mogelijk te maken, worden de agrarische bijgebouwen gesloopt. Het nieuwe erf wordt nadien landschappelijk ingepast. Op onderstaande afbeelding wordt het wenselijke eindbeeld weergegeven.

Verbeelding van het huidige (links) en wenselijke eindbeeld (rechts) bron: Ad Fontem.

De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Omgevingswet: • Slopen bebouwing; • Bouwrijp maken bouwplaatsen en graven cunet voor de erftoegangsweg; • Bouwen woning en bijgebouwen; • Bewonen woning; 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren voortplantings- en rustplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde voortplantings- en rustplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Opzettelijk doden van dieren; • Afname en verdwijnen van functioneel leefgebied van dieren; 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang 6

van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt gekeken naar het uitvoeren van sloop- en bouwwerkzaamheden en het bewonen van de nieuwe woning. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van de voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. In voorliggend geval grenst het plangebied aan agrarisch cultuurland en openbare weg. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of -waarden buiten het plangebied op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties. 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied is gelijk aan het plangebied.

7

HOOFDSTUK 4

TOETSINGSKADERS

4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Omgevingswet; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk. 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.

In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (Artikel 11.37 t/m Artikel 11.40 Bal): 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder Omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2. Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3.

Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. Soorten Habitatrichtlijn (Artikel 11.46 t/m Artikel 11.48 Bal); Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder Omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; 8

c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Andere Soorten (Artikel 11.54 Bal) Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder Omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. Het verbod geldt niet als: a.

het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c. de activiteit deel uitmaakt van: 1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Ow een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is.

Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Omgevingswet. Er is dan geen Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit nodig. 4.4 Specifieke zorgplicht Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.

9

Het Bal geeft aan waaruit de specifieke zorgplicht in ieder geval bestaat. Dat is hierna toegelicht.

Toelichting op de verschillende verbodsbepalingen Bal.

Het is niet geheel duidelijk wat de consequenties zijn van een effect van een activiteit op soorten die vermeld staan op de Rode Lijst, evenals het toetsen van het effect van een activiteit op ‘trekvogels’. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie 10

van: 1° van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2° van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3° dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en 4° voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e.

tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen Nieuw is de zorgplicht voor het aantasten van belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats van vogels en soorten van de Rode lijst. Voor activiteiten die leiden tot overtreding van een verbodsbepaling dient een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen te worden (dit heette in de Wet natuurbescherming een ontheffing). Indien sprake is van het aantasten van belangrijk leefgebied of natuurlijke habitat van een Rode lijstsoort, dient een document opgesteld te worden. Dit zal vergelijkbaar zijn met een ecologisch werkprotocol (EWP). In een EWP wordt beschreven op welke wijze een negatief effect op beschermde soorten, soorten van de Rode Lijst en belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats voorkomen kan worden, of hoe dit hersteld kan worden. Ook wordt een monitoringsplicht ingevoerd tijdens en na de uitvoering van de werkzaamheden, indien maatregelen getroffen worden. Dit geldt alleen voor belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats.

4.5 Regelgeving ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland Het Besluit kwaliteit leefomgeving is een AMvB onder de Omgevingswet waarin onder andere regelgeving over de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opgenomen. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel.

11

HOOFDSTUK 5

GEBIEDSBESCHERMING

5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000gebied en het Natuurnetwerk Nederland. 5.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden.

Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken). Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her-begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Overijssel. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt.

12

Ligging t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) behoren. Op de onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven. Gronden die tot Natuurnetwerk Nederland behoren, worden met de groene kleur weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met de rode ster aangeduid.

Ligging van Natuurnetwerk Nederland (NNN) in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode ster aangeduid. Gronden die tot de Natuurnetwerk Natuurnetwerk behoren worden met de groene kleur aangeduid (bron: atlasleefomgeving.nl).

Beschermingsregime De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft het voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland. 5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime Het Besluit activiteit leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan.

Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: 13

• de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten; De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Ligging van het plangebied t.o.v.

Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 9,3 kilometer afstand van Nederlands Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Nederlandse Natura 2000 gebied is Borkeld. Op de onderstaande afbeelding wordt de ligging van de Natura 2000 gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven.

Het plangebied ligt op minimaal 9,3 kilometer afstand van gronden die tot Natura 2000 behoren.

Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de blauwe cirkel aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de okergele kleur aangeduid (bron: calculator.aerius.nl).

Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve

14

effecten zoals trillingen waarneembaar. Negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen uitgesloten worden. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Ten behoeve van de totale ontwikkeling wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de afvoer van sloopmateriaal, de aanvoer van bouwmateriaal en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (9,3 kilometer) kan een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied tijdens de ontwikkelfase op voorhand uitgesloten worden. Daarom hoeft voor de ontwikkelfase geen stikstofberekening uitgevoerd te worden. Beoordeling stikstof (gebruiksfase) Er is sprake van het omzetten van een agrarisch bedrijf naar wonen. Het is aannemelijk dat dit leidt tot afname van stikstofemissie vanuit het plangebied. Indien geen gebruik gemaakt mag worden van intern salderen, zal de nieuwe situatie beoordeeld moeten worden. Gelet op de aard van de activiteiten (twee woningen, waarvan één zonder aardgasaansluiting) en de afstand tot Natura 2000-gebied, kan toename van stikstofdepositie op voorhand uitgesloten worden.

5.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland hoeft het voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Ook overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied, zoals geluid, trillingen en optische verstoring, kunnen ook worden uitgesloten.

15

HOOFDSTUK 6

SOORTENBESCHERMING

6.1 Verwachting en bureauonderzoek

6.1.1 Algemeen De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten is bepaald aan de hand van de volgende gegevens: • Regionale en landelijke verspreidingsatlassen (waaronder de NDFF) ; • Een oriënterend veldbezoek, uitgevoerd op 15 augustus 2025; Tijdens het oriënterende veldbezoek is gecontroleerd of de locatie voldoet aan eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook is gekeken naar de aanwezigheid van (sporen van) beschermde soorten

6.2 Te toetsen soorten Onderstaande tabel geeft een overzicht van alle beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegevens mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen. Bij het bepalen van de beschermde soorten die mogelijk in het plangebied voorkomen wordt rekening gehouden met de in het onderzoeksgebied aanwezige habitats, gevoerde beheer en aspecten zoals afstand tot erven in verband met verstoring. In voorliggende studie wordt gekeken naar mogelijk voorkomende soorten op een agrarisch erf en agrarisch cultuurland (grasland en akker) in de omgeving van een erf.

Tabel 6.2 Beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegeven mogelijk op een agrarisch erf en agrarisch cultuurland voor kunnen komen.

Soortgroep

Mogelijk aanwezige beschermde soorten

Flora

Geen. Geschikte standplaatsomstandigheden voor beschermde planten ontbreken op het erf en het aangrenzend agrarisch cultuurland. Huisspitsmuis, bosmuis, steenmarter, ree, vos, haas, egel, wolf, wezel, hermelijn, bunzing Gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, baardvleermuis, laatvlieger, brandtsvleermuis, meervleermuis, ruige dwergvleermuis Boerenzwaluw, huiszwaluw, bosuil, steenuil, kerkuil, ransuil, huismus, ooievaar, sperwer, buizerd, boomvalk, torenvalk bonte vliegenvanger, boomkruiper, gekraagde roodstaart, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, ringmus, spreeuw, zomertortel, zwarte roodstaart Diverse algemene broedvogels Gewone pad, bruine kikker, bastaardkikker, kleine watersalamander, rugstreeppad Geen. Geschikt habitat ontbreekt volledig Geen. Geschikt habitat ontbreekt volledig Teunisbloempijlstaart Geen. Geschikt habitat ontbreekt volledig Geen. Geschikt habitat ontbreekt volledig

Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen

Vogels - jaarrond beschermde nesten

Vogels - jaarrond beschermd: afhankelijk van ecologische factoren Vogels – in gebruik zijnde nesten Amfibieën Reptielen Vissen Vlinders Libellen Overige ongewervelden

6.3 Toelichting met zekerheid afwezige soorten op basis van habitat en/of ingreep Sommige van de soorten uit tabel 6.2 kunnen op basis van verspreiding niet op voorhand worden uitgesloten. Op basis van het op 15 augustus 2025 uitgevoerde veldbezoek blijkt echter dat het negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden op sommige soorten wel op voorhand kunnen 16

worden uitgesloten. Daarbij wordt gekeken naar de aanwezigheid van geschikt leefgebied en de ligging van het plangebied ten opzichte van het normale verspreidingsgebied. De volgende soorten kunnen op voorhand uitgesloten worden in het plangebied: • Flora Beschermde planten worden niet verwacht in het plangebied. De meeste beschermde planten stellen bijzondere eisen aan hun groeiplaats en soms aan het beheer (zoals hooilandbeheer). Beschermde planten zijn vaak afhankelijk van schrale, voedselarme of matig voedselrijke standplaatsen of een gebufferde standplaats door de aanwezigheid van kalk in de bodem of gebufferd kwel dat in de wortelzone komt. Dergelijke standplaatsfactoren ontbreken in het plangebied. •

Grondgebonden zoogdieren

Wolf Gelet op de aard van het plangebied kan de aanwezigheid van de wolf uitgesloten worden. Het erf biedt onvoldoende rustige plekken voor deze soort.

Wezel en hermelijn Wezels hebben een ruime verspreiding in ons land. Wezels treffen we in het landelijk gebied aan op plekken met voldoende dekking, zoals bos, houtwallen, houtsingels, struweel of ruigte. Voor deze soort is een fijnmazige dooradering van het landschap met geschikte habitat van groot belang omdat de soort kwetsbaar is voor predatoren. De populatie van de wezel kan sterk fluctueren, en is gekoppeld aan de populatieomvang van zijn prooidieren ((woel)muizen). Het erf in het plangebied ligt geïsoleerd in een intensief beheerd agrarisch cultuurlandschap. Op het erf zelf ontbreekt geschikt leefgebied voor deze soort. Gelet op voorgenoemde argumenten, wordt het erf niet als geschikt leefgebied voor de wezel beschouwd. Hermelijnen hebben een ruime verspreiding in ons land, maar zijn ten opzichte van wezels veel zeldzamer. Hermelijnen treffen we vooral aan in meer extensief beheerde agrarische landschappen, zoals natuurgebieden en bossen. De soort wordt vooral aangetroffen in wat vochtigere habitats zoals natte hooilanden en moeras. In de NDFF wordt de hermelijn één keer gemeld. Dit betreft een waarneming van een hermelijn in rietland ten noorden van Leeuwte, ruim 700 meter ten noorden van het plangebied. Gelet op de inrichting en gevoerde beheer in het plangebied, wordt het erf en het agrarisch cultuurland niet als functioneel leefgebied van de hermelijn beschouwd.

• Dagvlinders Het voorkomen van beschermde dagvlinders is sterk gekoppeld aan bestaande populaties en hun verspreiding en de aanwezigheid van waardplanten. Trekvlinders of vlinders die makkelijk grote afstanden afleggen kunnen ook opduiken buiten het normale verspreidingsgebied, zoals de grote weerschijnvlinder en grote vos. Vanwege het ontbreken van geschikte waardplanten voor kleine ijsvogelvlinder, grote vos en grote weerschijnvlinder, wordt de aanwezigheid van deze soorten uitgesloten in het onderzoeksgebied.

6.4 Toetsing beschermde soorten In de volgende paragrafen zijn de effecten van de beoogde ontwikkeling op de in tabel 4.2 genoemde soorten beschreven.

17

Grondgebonden zoogdieren Steenmarter De steenmarter kunnen een verblijfplaats bezetten in tal van holle ruimtes of stille zolders. Op agrarische erven bezetten ze vaak een verblijfplaats tussen dakisolatie en golfplaten. Ze betreden deze holle ruimte vaak vanaf de buitenzijde. Een deel van de te slopen bebouwing beschikt over hardschuimisolatieplaten onder de gording en ins toegankelijk voor steenmarters. In een deel van de bebouwing zijn de openingen onder de golfplaten afgezicht waardoor marter geen toegang hebben tot de holle ruimte onder het dak. Steenmarter zullen de verblijfplaats betreden via vaste ‘paden’ en op plekken waar steenmarters een verblijfplaats onder de golfplaten betreden ontstaan vettige randen bij de nok van de golfplaat en een donker spoor op de buitengevel (pers. Ervaring auteur). Deze sporen zijn niet waargenomen in het onderzoeksgebied. Ook zijn geen prooiresten waargenomen, uitwerpselen en is de aanwezigheid van een latrine niet geroken door de onderzoeker. Een in gebruik zijnde latrine veroorzaakt een duidelijk herkenbare geur die vaak snel opgemerkt wordt door de onderzoeker (m.u.v. latrines op hardschuimplaten onder de gording).

Het merendeel van de nokken onder de golfplaten zijn afgedicht.

Als gevolg van het slopen van de bebouwing wordt geen steenmarter gedood en geen verblijfplaats beschadigd of vernield. Bunzing De bunzing is de grootste van de kleine marterachtigen en bezet doorgaans een verblijfplaats in hollen en gaten in de grond en in een holle ruimte onder rommel en opgeslagen goederen. Gelet op de omvang van het dier, zijn dat tamelijk forse holle ruimtes. Er zijn in het plangebied geen potentiële verblijfplaatsen van de bunzing aangetroffen. De aanwezigheid van een verblijfplaats van de bunzing wordt uitgesloten.

Egel Egels hebben een brede verspreiding is ons land en kunnen ook voorkomen op (agrarische) erven. In het plangebied zijn nauwelijks geschikte verblijfplaatsen aangetroffen. Egels kunnen ook een verblijfplaats bezetten in hoog gras. Er zijn in het plangebied geen potentiële verblijfplaatsen van egels waargenomen. Zo ontbreekt ruigte, hoog gras, dichte vegetatie of een strooisellaag. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden wordt geen egel gedood en geen verblijfplaats beschadigd of vernield. Ree, vos, haas Reeën, vossen en hazen benutten het plangebied mogelijk als foerageergebied. Ze bezetten er geen verblijfplaats. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kan uitgesloten worden dat deze dieren opzettelijk gedood worden of een verblijfplaats beschadigd of vernield wordt. Algemene soorten

18

Naast voorgenoemde soorten, behoort het plangebied tot functioneel leefgebied van soorten als gewone huisspitsmuis en bosmuis. Soorten als bosmuis en gewone huisspitsmuis bezetten er mogelijk een voortplantings- en rustplaats. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een bosmuis en gewone huisspitsmuis gedood en de verblijfplaats beschadigd en vernield.

Vleermuizen Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Er zijn drie typen leefgebied van vleermuizen te onderscheiden, namelijk: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes. Deze worden hieronder per type leefgebied beschreven. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn te allen tijde wettelijk beschermd. Indien foerageergebied en/of vliegroutes een essentieel onderdeel van het leefgebied van vleermuizen vormen, zijn deze functies eveneens wettelijk beschermd. Er wordt daarom onderscheid gemaakt in essentiële foerageergebieden en vliegroutes en niet-essentiële foerageergebieden en vliegroutes. Verblijfplaatsen De te slopen gebouwen beschikken over gemetselde buitengevels met luchtspouw, maar in de buitengevels zijn geen potentiële invliegopeningen waargenomen. De windveren en muurplaten liggen strak op de gemetselde buitengevels en open stootvoegen ontbreken. De binnenzijde van de gebouwen vormt geen geschikte verblijfplaats voor vleermuizen. Ook zijn aan de buitenzijde geen potentiële verblijfplaatsen waargenomen, zoals een holle ruimte achter een vensterluik of gevelbetimmering. Als gevolg van het slopen van de gebouwen, wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen verblijfplaats beschadigd of vernield.

Vogels Vogels - jaarrond beschermde nesten De nesten van deze vogelsoorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. Uit de literatuurstudie blijkt dat er nesten van boerenzwaluw, huiszwaluw, bosuil, steenuil, kerkuil, ransuil, huismus, sperwer, buizerd, boomvalk en torenvalk. Soorten als bosuil, steenuil, kerkuil, ransuil, boomvalk en torenvalk bouwen zelf nesten of gebruiken bestaande nesten in bomen of gebouwen om te broeden. Er zijn in het onderzoeksgebied geen roofvogelnesten of potentiële nesten van roofvogels, ransuil of bosuil waargenomen. De aanwezigheid van een nest van voorgenoemde soort in het plangebied kan uitgesloten worden. Boerenzwaluw Boerenzwaluwen nestelen aan de binnenzijde van gebouwen. Er zijn in de te slopen gebouwen geen (oude)nesten van boerenzwaluwen vastgesteld. De stallen zijn niet toegankelijk voor boerenzwaluwen. Er zijn dan ook geen nesten van boerenzwaluwen vastgesteld Huiszwaluw Huiszwaluwen nestelen aan de buitenzijde van gebouwen. Deze nesten zijn makkelijk waarneembaar tijdens het onderzoek. Kerkuil Kerkuilen zijn vrij forse vogels en verraden hun aanwezigheid vaak eenvoudig vanwege schijtsporen, braakballen en ruiveren. Bij hoge uitzondering bezetten kerkuilen een rust- of nestplaats op een erf, zonder

19

dat deze duidelijk herkenbaar is. Er zijn in het plangebied geen sporen gevonden van kerkuilen en er zijn geen potentiële nestplaatsen van kerkuilen waargenomen. Steenuil Steenuilen nestelen in ons land hoofdzakelijk in gebouwen en vanaf de afgelopen decennia, in toenemende mate in nestkasten (Stone.nl). Doorgaans is de aanwezigheid van een nestplaats op een erf vast te stellen door ruiveren, braakballen en schijtsporen in rustige, toegankelijke gebouwen. Maar dat is niet altijd het geval. Soms nestelen steenuilen in stallen, zonder dat er aanwijzingen gevonden worden.

Het plangebied ligt binnen de normale verspreiding van steenuilen. Steenuilen bezetten soms een nestplaats tussen dakisolatie en golfplaten en betreden die via de openingen aan de zijkant. Ze betreden dergelijke nestplaatsen altijd op dezelfde plek, waardoor rond de ingang een donkere, vettige vlek ontstaat. Alle nokken van de golfplaten in het onderzoeksgebied zijn bekeken, maar er zijn geen sporen gevonden die op het gebruik door steenuilen duiden. Andere rust- of nestplaatsen ontbreken in het plangebied. Ook zijn in de NDFF geen waarnemingen van steenuilen op het erf bekend. De aanwezigheid van een nestplaats van steenuilen in de te slopen gebouwen wordt uitgesloten. Huismus Er zijn in het plangebied geen huismussen waargenomen en er zijn geen (oude) nesten van huismussen waargenomen. Huismussen kunnen op veel verschillende plekken nestelen, maar nestelen in hoofdzaak onder dakpannen van woningen en in veestallen. Huismussen nestelen niet onder golfplaten van de te slopen gebouwen. Er zijn geen andere geschikte nestplaatsen van huismussen in het plangebied vastgesteld.

Vogels – jaarrond beschermd; afhankelijk van ecologische factoren Bij vogelsoorten uit deze categorie gaat het om vogels die vaak elk jaar terugkeren naar de omgeving waar ze gebroed hebben, maar die wel flexibel zijn om een nieuw nest te maken of zich elders te vestigen. Het gaat dus om de bescherming van het functionele leefgebied en dit is alleen aan de orde als de betreffende soort voor zijn voortplanting uitsluitend afhankelijk is van dat functionele leefgebied en er geen alternatieven of uitwijkmogelijkheden in de omgeving zijn. Uit de literatuurstudie blijkt dat nesten van bonte vliegenvanger, boomkruiper, gekraagde roodstaart, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, ringmus, spreeuw, zomertortel, zwarte roodstaart. Opgaande beplanting ontbreekt in het plangebied waardoor geschikt leefgebied voor voorgenoemde soorten ontbreekt en de oppervlakte bebouwing maakt het erf tot ongeschikt leefgebied voor de zwarte roodstaart. Spreeuwen kunnen ook nestelen in gebouwen, maar de nesten en/of nestingang is doorgaans duidelijk zichtbaar vanwege schijtsporen. Er zijn geen sporen gevonden die op de aanwezigheid van een nest van spreeuwen duiden.

Vogels – in gebruik zijnde nesten De nesten van alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd wanneer ze als broedlocatie in gebruik zijn. Het plangebied vormt een potentiële nestplaats van verschillende algemene vogelsoorten. Deze vogel kunnen nestelen in toegankelijke gebouwen. Er nestelen geen vogels in het agrarisch cultuurland rondom het erf.

20

Als gevolg van het slopen van bebouwing wordt mogelijk een nestplaats beschadigd en vernield. Als deze werkzaamheden uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, wordt mogelijk een vogel gedood en ei beschadigd en vernield.

Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als functioneel leefgebied voor sommige algemene en weinig kritische amfibieënsoorten beschouwd. Amfibieën als bruine kikker, bastaardkikker en gewone pad benutten het plangebied mogelijk als foerageergebied en bezetten er mogelijk een (winter)rustplaats. Deze soorten kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond. Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied. Gelet op inrichting en gevoerde beheer van het plangebied en de geïsoleerde ligging van het plangebied in agrarisch cultuurlandschap, wordt de aanwezigheid van kritische, zeldzamere amfibieën, zoals poelkikker en kamsalamander op voorhand uitgesloten. Rode-lijstsoorten Het plangebied vormt functioneel leefgebied van verschillende soorten die vermeld worden op de Rodelijst. Voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de populatie van rode lijstsoorten. Dit aspect wordt verder niet besproken in deze studie.

6.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden gaan nestplaatsen van vogels verloren en indien de werkzaamheden uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, wordt mogelijk een vogel gedood en ei beschadigd en vernield. Van soorten die in het plangebied nestelen is uitsluitend het bezette nest beschermd. Bezette nesten mogen niet beschadigd of vernield worden. Werkzaamheden met negatieve gevolgen voor bezette vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen bezette nesten beschadigen/vernielen(slopen buiten voortplantingsperiode);

Grondgebonden zoogdieren Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden wordt mogelijk een grondgebonden zoogdier gedood en een voortplantings- en rustplaats beschadigd en vernield. Voor deze meeste soorten geldt een vrijstelling voor het beschadigen/vernielen van de voortplantings- en rustplaats. Beschermde soorten mogen niet opzettelijk gedood worden. Beschermde soorten met een verblijfplaats op het erf mogen weggevangen worden of verjaagd worden. In onderstaande tabel worden de toepasbare vangmiddelen per soort weergegeven.

21

Toepasbare vangmiddelen om beschermde grondgebonden zoogdieren weg te vangen uit het plangebied (Bron: Omgevingsverordening Overijssel, 2024).

Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen grondgebonden zoogdieren opzettelijk doden (zorgvuldig werken); Vleermuizen • Verblijfplaatsen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en geen verblijfplaats beschadigd of vernield. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen; • Essentieel foerageergebied Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet af. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen overtreding van een verbodsbepaling; • Essentiële Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes1 van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling.

Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen overtreding van een verbodsbepaling; Amfibieën Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een amfibie gedood en een rustplaats 1 Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een

vleermuis. Niet ieder lijnvormig element waar langs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute. 22

beschadigd en vernield. Beschermde soorten mogen niet opzettelijk gedood worden. Beschermde soorten mogen weggevangen worden of verjaagd worden. In onderstaande tabel worden de toepasbare vangmiddelen per soort weergegeven.

Toepasbare vangmiddelen om beschermde amfibieën weg te vangen uit het plangebied (Bron: Omgevingsverordening Overijssel, 2024).

Uitvoering van de voorgenomen activiteiten hoeft niet tot overtreding van een verbodsbepaling te leiden indien zorgvuldig gewerkt wordt. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen overtreding van een verbodsbepaling;

23

HOOFDSTUK 7

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

7.1 Aanleiding en doel In opdracht van Ad Fontem heeft Natuurbank Overijssel onderzoek gedaan naar de consequenties van de geldende natuurwet- en regelgeving voor de geplande werkzaamheden en wijzigen van de bestemming. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen kunnen worden verleend. Relevante natuurwet- en regelgeving Voor de toetsing van het voornemen is de volgende natuurwet- en regelgeving van toepassing: Omgevingswet: • Gebiedsbescherming - Natura 2000 • Soortenbescherming Provinciaal beschermde gebieden: • Natuurnetwerk Nederland

7.2 Conclusie toetsing Gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland hoeft het voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Ook overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied, zoals geluid, trillingen en optische verstoring, kunnen ook worden uitgesloten.

Soortenbescherming De voorgenomen ontwikkeling heeft negatieve gevolgen voor verschillende beschermde diersoorten. Als gevolg van het slopen van de gebouwen worden mogelijk beschermde dieren gedood en gaan voortplantings- en rustplaatsen verloren. Voor sommige soorten geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van de voortplantings- en rustplaats, maar dat geldt niet voor vogels. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Mits zorgvuldig gewerkt wordt (geen dieren opzettelijk doden), en bezette vogelnesten niet negatief beïnvloed worden, kunnen de voorgenomen werkzaamheden uitgevoerd worden zonder overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden.

7.3 Aanbevelingen en kansen biodiversiteit De ecologen van Natuurbank Overijssel kijken verder dan de aanwezigheid van strikt beschermde soorten. Vanuit het motto ‘meer biodiversiteit achterlaten dan je aantreft’ signaleren we kansen voor dit project om bij te dragen aan het herstel van biodiversiteit. Hieronder geven we op beknopte wijze enkele kansen aan. Wij bespreken deze voorstellen graag met u en werken desgewenst de praktische aspecten verder uit. Voor dit project liggen er mogelijkheden voor biodiversiteitsherstel door:

1. Ecologisch werkprotocol Het opstellen van een ecologisch werkprotocol. In deze notitie wordt concreet aangegeven op welke wijze de voorgenomen werkzaamheden uitgevoerd dienen te worden om overtreding van van een 24

verbodsbepaling te voorkomen. Kennis van de ecologie van soorten is cruciaal om de juiste maatregelen, in de juiste tijd van het jaar uit te voeren. 2.Het opstellen van een concreet ecologisch beheer- en/of inrichtingsplan Een concreet ecologisch beheer- en/of inrichtingsplan bijvoorbeeld kan opgesteld worden gericht op verhoging van de bloemrijkdom voor bijen. Hierbij sluiten we zo veel mogelijk aan op de (toekomstige) situatie in uw projectgebied, gemeentelijk natuurbeleid en regionale doelsoorten en potenties. Biodiversiteit vraagt om maatwerk en ieder project is anders. In een plan nemen we de best passende maatregelen op.

Voorbeelden van potentiële maatregelen zijn: • Het vergroten van de diversiteit aan leefgebied voor planten en dieren door via aanplant of beheer te zorgen voor verschillende biotooptypen (water, oevers, kruidenvegetatie, struweel, bomen, bos) en geleidelijke overgangen hiertussen • Het versterken van populaties door te voorzien in nestkasten en/of verblijfplaatsen (bijvoorbeeld vogels en vleermuizen), wanneer blijkt dat nestgelegenheid een beperkende factor is • Het vergroten en versterken van leefgebieden voor planten en dieren door ecologisch beheer van (openbaar) groen, bijvoorbeeld door het beheer van grasvegetaties af te stemmen op bloemrijkdom en insecten • Het verbinden van leefgebieden door het aanbrengen of herstellen van lijnvormige landschapselementen (houtwallen, singels, hagen, sloten) of het realiseren van andere ontsnipperingsmaatregelen (bijvoorbeeld faunapassage) • Het versterken van leefgebied en migratiezones door het aanbrengen van natuurlijke elementen als takkenrillen, dood hout, of stenige elementen • Het beperken van verstoring door bijvoorbeeld verlichting of geluid Het terugdringen van overwoekerende en/of invasieve plantensoorten met negatieve effecten op biodiversiteit en de mens (bijvoorbeeld Japanse duizendknoop, reuzenberenklauw)

25

In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Soortgroep

Functie

Beschermde soorten planlocatie

Verbodsbepalingen (Omgevingswet)

Aandachtspunt

Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Vogels

Foerageergebied

Diverse soorten

Geen

Voortplantings- en rustplaatsen Doden van dieren

Diverse soorten

Niet van toepassing, vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Niet van toepassing, vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Art 11.54 lid 1a Bal

Foerageergebied

Diverse soorten

Vogels

Bezette nesten (niet jaarrond beschermd)

Diverse soorten

Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Art 11.37 lid 1b Bal

Vogels

Niet aanwezig

Niet van toepassing

Vogels Vleermuizen Vleermuizen

Jaarrond beschermde nest- en rustplaats Doden van dieren Verblijfplaats Foerageergebied

Diverse soorten Niet aanwezig Diverse soorten

Geen vogels doden Geen Geen

Vleermuizen Vleermuizen Amfibieën

Vliegroute Doden van dieren Foerageergebied

Niet aanwezig Niet aanwezig Diverse soorten

Art 11.37 lid 1a Bal Niet van toepassing Niet van toepassing; er wordt geen essentieel foerageergebied aangetast Niet van toepassing Niet van toepassing Niet van toepassing; vrijstelling van verbodsbepaling

Amfibieën

Rustplaats

Diverse soorten

Geen

Amfibieën Amfibieën

Voortplantingsplaats Doden van dieren

Niet aanwezig Diverse soorten

Niet van toepassing; vrijstelling van verbodsbepaling Niet van toepassing Art 11.54 lid 1a Bal

Overige soorten

Dieren en overige functies

Niet aanwezig

Niet van toepassing

Diverse soorten

Geen Geen dieren opzettelijk doden Geen Geen bezette nesten opzettelijk negatief beïnvloeden Geen

Geen Geen Geen

Geen Geen dieren opzettelijk doden Geen

Samenvatting van de wettelijke consequenties. Soortgroep

Rustplaats

Voortplantingsplaats

Vliegroute (vleermuizen)

Grondgebonden zoogdieren Vogels

Ja

Ja

n.v.t.

Essentieel foerageergebied Nee

Ja

Ja

n.v.t.

Vleermuizen

Nee

Nee

Amfibieën

Ja

Nee

Wettelijke consequenties Ja

Nader onderzoek vereist Nee

Nee

Ja

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

n.v.t.

Nee

Ja

Nee

Omgevingsvergunning vereist Nee, mits zorgvuldig gewerkt wordt Nee, tenzij bezette nesten opzettelijk verstoord, beschadigd of vernield worden Nee Nee, mits zorgvuldig gewerkt wordt

7.4 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens van het plangebied bekend. 7.5 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden.

26

Bijlagen Bijlage 1. De natuurkalender (indicatie voor het uitvoeren van werkzaamheden het kader van de zorgplicht) Bijlage 2. Toelichting Omgevingswet flora- en fauna-activiteit Bijlage 3. Fotobijlage Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen:

27

Bijlage 2 Toelichting Omgevingswet flora- en fauna-activiteit Drie beschermingsregimes De Omgevingswet kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of Omgevingsvergunning. Alle vogels (ruim 700 soorten), zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een Omgevingsvergunning moet aan drie criteria zijn voldaan: -

-

Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.

Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Soortenbescherming en het ‘nee, tenzij principe’ De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Omgevingswet sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. Zorgplicht voor dieren en planten Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. In het Besluit activiteit leefomgeving is het als volgt verwoord: Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a.

voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1°.van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2°.van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3°.dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vierde lid, onder a, onder 4°, van de wet; en 4°.voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; 28

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/4289/documents/59919