08. Goor, herziening Grotestraat 91 Bijlagen bij toelichting.pdf
Tekst van het document
Datum: Fase: Planid:
ontwerp NL.IMRO.1735.GOxGrotestraat91-OP10
BESTEMMINGSPLAN
Goor, herziening Grotestraat 91
Goor, herziening Grotestraat 91
Goor, herziening Grotestraat 91
Inhoudsopgave
2
Bijlagen bij toelichting
3
Bijlage 1
Aanmeldnotitie m.e.r.
4
Bijlage 2
Watertoets
16
Bijlage 3
Quickscan natuurwaarden
19
Bijlage 4
Asbestbodemonderzoek
48
Bijlage 5
AERIUS-berekening
153
Bijlage 6
Archeologisch onderzoek
185
ontwerp
Goor, herziening Grotestraat 91
Bijlagen bij toelichting
ontwerp
3
Goor, herziening Grotestraat 91
Bijlage 1 Aanmeldnotitie m.e.r.
4
ontwerp
Aan: Gemeente Hof van Twente Postbus 54 7470 AB Goor Borne, 24 november 2021 Ons kenmerk: 20AF141 Bijlagen: Geen
Betreft:
Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Grotestraat 91 Goor
Geacht College, Zoals bij u bekend zijn wij bezig met het opstellen van een bestemmingsplan voor de realisatie van acht woningen aan de Grotestraat te Goor. Het plan kan worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Op basis van het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer dient in dat geval een m.e.r-beoordelingsbesluit te worden genomen door het bevoegd gezag (college), ter voorbereiding op de vaststelling van het bestemmingsplan. Het college van burgemeester en wethouders neemt de beslissing of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r.procedure moet worden doorlopen. In het kader van deze besluitvorming is voorliggende aanmeldingsnotitie opgesteld. De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In de bijlage van het Besluit m.e.r zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen.
In onderdeel C zijn activiteiten genoemd waarbij direct sprake is van een m.e.r.-plicht als bij besluiten de genoemde drempelwaarden worden overschreden. Voor de activiteiten die zijn genoemd in onderdeel D geldt dat als de drempelwaarden worden overschreden een m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden moet een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gedaan. Onderhavig plan kan worden gekwalificeerd als de aanleg of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat 'stedelijke ontwikkelingsprojecten' breed moet worden geïnterpreteerd. Bij de activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk: • een oppervlakte van 100 hectare of meer; • een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen; • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavig plan heeft betrekking op de realisatie van acht woningen. De omvang van het plan blijft hiermee ver onder de indicatieve drempelwaarden waardoor in eerste instantie met een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan worden volstaan.
Ad Fontem Juridisch Bouwadvies BV Stationsstraat 37 7622 LW Borne T 074 255 70 20 IBAN NL92RABO 0331 6534 27 BIC RABONL2U KvK Veluwe-Twente 08140851 Btw nr. NL 8151.28.939.B01 info@ad-fontem.nl www.ad-fontem.nl
In deze vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden beoordeeld of de activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of er sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Daarbij dient te worden ingegaan op de volgende onderdelen: • de kenmerken van het project; • de plaats waar de activiteit plaatsvindt; • de kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het betreffende project Initiatiefnemer is voornemens om in het centrum van Goor garageboxen en een gedeelte van een horecapand te saneren en hiervoor in de plaats acht grondgebonden woningen te bouwen. De woningen worden in twee blokken van vier gerealiseerd. Het plangebied wordt ontsloten via de Spoorstraat en de Schoolstraat. Naast de bouw van de woningen worden tevens acht parkeerplaatsen gerealiseerd. In onderstaande afbeelding is een situatietekening van het plan weergegeven.
Figuur 1: Situatietekening ontwikkeling Grotestraat 91 Goor (bron: Ton Kuipers Architectuur)
Plaats van het project Het plangebied is gelegen aan de Grotestraat in het centrum van de kern Goor. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Goor, sectie C, perceelnummers 6430, 6431 en 6667. Het plangebied kent een oppervlakte van circa 1.600 m². Kenmerken van de potentiële effecten Voor wat betreft de potentiele milieueffecten van de planontwikkeling zijn de volgende aspecten van belang/relevant.
-2-
Verkeerseffecten en luchtkwaliteit Het plangebied wordt ontsloten via een verbindingsstraat tussen de Schoolstraat en de Spoorstraat. Deze weg betreft een erftoegangsweg en kent een maximum snelheidsregime van 30 km/u. Om de toename van het verkeer als gevolg van de ontwikkeling te bepalen wordt gebruik gemaakt van de CROW-kencijfers uit de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen'. Het plangebied behoort tot het gebiedstype 'centrum'. De stedelijkheidsgraad van Goor is weinig stedelijk. Voor één aaneengesloten woning geldt derhalve een gemiddelde verkeersgeneratie van 7,2 verkeersbewegingen per woning per dag. Onderhavig plan maakt de realisatie van acht aaneengesloten woningen mogelijk. De toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van de acht aaneengesloten woningen bedraagt afgerond gemiddeld 58 verkeersbewegingen (7,2 x 8 = 57,6) per dag. Het plan voorziet tevens in het verdwijnen van een gedeelte van een horecagelegenheid, waardoor verwacht wordt dat de toename in verkeersbewegingen minder zal zijn dan 58. Er wordt echter rekening gehouden met het worst-case scenario en derhalve wordt gerekend met 58 verkeersbewegingen. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen.
Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 58 verkeersbewegingen per dag gesteld worden. Er zal geen sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0% gezet kan worden. In onderstaande figuur is de berekening weergegeven.
-3-
Figuur 2: NIBM-tool (bron: InfoMil)
Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Tevens kan de realisatie van 8 woningen niet aangemerkt worden als de realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen de zone van een Rijks- of provinciale weg. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Archeologie De gemeenteraad van Hof van Twente heeft beleid voor archeologie vastgesteld. Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Hof van Twente staan archeologische rijksmonumenten en de kans op archeologische vondsten vermeld. Per gebied zijn criteria opgesteld wanneer een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. De waardenkaart gaat uit van verschillende gebieden: zones met een lage, een middelhoge, een hoge archeologische verwachting en de historische kernen. AMK-terreinen zijn die terreinen die op de landelijke archeologische monumenten kaart staan aangegeven.
Zo zijn de kernen van Delden, Diepenheim, Goor of Markelo sinds de Middeleeuwen bewoond geweest en daardoor gebieden waar de kans op archeologische vondsten groot is. Afhankelijk van de verwachtingswaarde die aan een gebied is toegewezen, zal bij bouwplannen archeologisch onderzoek moeten plaatsvinden. Onderstaand een uitsnede van de archeologische waardenkaart.
-4-
Figuur 3: Archeologische verwachtingskaart (bron: gemeente Hof van Twente)
Op de verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Hof van Twente ligt het plangebied in een gebied met een hoge archeologische verwachting. Vanwege de ligging in meerdere gebieden geldt de hoogste eis als leidraad. Dat betekent dat bij ingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 50 m² een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Derhalve is door RAAP een archeologisch onderzoek uitgevoerd (RAAPrap_5095_HTGG_20210409, d.d. 4 april 2021). Het door RAAP uitgevoerde onderzoek bestaat uit een KNA conform bureauonderzoek (protocol BRL SIKB 4002) dat aangevuld is met een verkennend booronderzoek (protocol BRL SIKB 4003). Op basis van het bureauonderzoek kunnen in het plangebied archeologische resten worden verwacht met een datering vanaf het laat-paleolithicum tot en met de nieuwe tijd, met name voor vindplaatsen uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd, gezien de ligging direct achter lintbebouwing tussen de twee historische kernen van Goor. De bodemopbouw bestaat uit bestrating/puinverharding met daaronder een vlijlaag of rommelig pakket tot circa 50 cm –mv; daaronder ligt een matig humeus (bouwland)dek op beekafzettingen (circa 90 cm –mv) op dekzand. In het humeuze dek zijn archeologische indicatoren aangetroffen, waaronder twee stuks kogelpot uit de late middeleeuwen. Mogelijk is in de zuidwesthoek op circa 90 cm –mv asbest aangetroffen.
Op basis van het booronderzoek zijn in het plangebied geen aanwijzingen voor omvangrijke, diepe bodemverstoringen waargenomen. Gezien de ligging direct achter historische bebouwing, is er een reële kans op de aanwezigheid van archeologische waarden. Om de gespecificeerde verwachting te toetsen, wordt vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (met eventuele doorstart naar opgraving). Voor de uitvoering van een proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen (PvE) ter beoordeling aan het bevoegd gezag te worden voorgelegd. Dit advies geldt voor het gehele plangebied. Selectieadvies Op basis van het bureauonderzoek kunnen in het plangebied archeologische resten worden verwacht met een datering vanaf het laat-paleolithicum tot en met de nieuwe tijd, met name voor vindplaatsen uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd, gezien de ligging direct achter lintbebouwing tussen de twee historische kernen van Goor. De bodemopbouw bestaat uit bestrating/puinverharding met daaronder een vlijlaag of rommelig pakket tot circa 50 cm –mv; daaronder ligt een matig humeus (bouwland)dek op beekafzettingen (circa 90 cm –mv) op dekzand. In het humeuze dek zijn archeologische indicatoren aangetroffen, waaronder twee stuks kogelpot uit de late middeleeuwen. Mogelijk is in de zuidwesthoek op circa 90 cm –mv asbest aangetroffen. -5-
Op basis van het booronderzoek zijn in het plangebied geen aanwijzingen voor omvangrijke, diepe bodemverstoringen waargenomen. Gezien de ligging direct achter historische bebouwing, is er een reële kans op de aanwezigheid van archeologische waarden. Om de gespecificeerde verwachting te toetsen, wordt vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (met eventuele doorstart naar opgraving). Voor de uitvoering van een proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen (PvE) ter beoordeling aan het bevoegd gezag te worden voorgelegd. Dit advies geldt voor het gehele plangebied. Het advies van RAAP wordt overgenomen. Het uitvoeren van archeologisch vervolgonderzoek is noodzakelijk, namelijk in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. In verband met de aanwezigheid van bebouwing, de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten en een saneringsnoodzaak wordt dit onderzoek in een later stadium tijdens de aanvraag van de omgevingsvergunning aan de gemeente overhandigd. Wat betreft het aspect ‘archeologie’ kan het plangebied nog niet worden vrijgegeven. Dit wordt geborgd door de bestaande dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie’ in de herziening van het bestemmingsplan onverkort over te nemen. Geluid Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a.
in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b. in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Het plangebied is niet gelegen binnen een geluidszone in het kader van de Wet geluidhinder. De dichtstbijzijnde weg waar een snelheidsregime van 50 km/u geldt is gelegen op circa 400 m. Voor alle wegen rondom en in de directe omgeving het plangebied geldt een maximum snelheidsregime van 30 km/u. Dit snelheidsregime geldt ook voor de weg waar het plangebied aan is gelegen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient volgens jurisprudentie wel aangetoond te worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
De weg waar het plangebied aan grenst is een smalle straat met verschillende drempels die de Spoorstraat en de Schoolstraat verbindt. Deze straat fungeert tevens als inrit voor een parkeerterrein. De weg waaraan de woningen in voorliggend plan worden gerealiseerd is dus geen drukke weg, kent een laag snelheidsregime en wordt voornamelijk gebruikt voor bestemmingsverkeer. Bovendien dienen de geprojecteerde woningen te voldoen aan de eisen van geluidswering uit het Bouwbesluit. Op basis van vorenstaande kan worden geconcludeerd dat er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de nieuwe woningen. Railverkeerslawaai Ten zuiden van het plangebied op circa 170 meter is een spoorlijn gelegen. Deze spoorlijn is een verbinding tussen Zutphen en Oldenzaal, waar dagelijks stoptreinen rijden. In onderstaand figuur is de geluidsbelasting in Lden van deze spoorlijn weergegeven. Te zien is dat het plangebied ruim buiten de geluidscontouren van het spoortracé is gelegen. Deze spoorlijn vormt voor het aspect railsverkeerslawaai geen belemmering voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.
-6-
Figuur 4: Geluidsbelastingkaart railverkeer (bron: atlasleefomgeving.nl)
Industrielawaai In de directe omgeving van het plangebied bevindt zich geen gezoneerd industrieterrein of een gezoneerd bedrijfsperceel, waardoor het aspect 'industrielawaai' geen hinder zal veroorzaken op het woon- en leefklimaat ter plaatse. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'geluid' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen, de toelaatbaarheid op het gebied van volksgezondheid en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging.
In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van een verkennend asbestbodemonderzoek (kenmerk: 20072316) om ter plaatse de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen Kruse Milieu heeft een verkennend en nader asbestbodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Een samenvatting, conclusie en aanbeveling van dit onderzoek worden hier geschetst. De onderzoekslocatie is deels bebouwd met garageboxen en verhard met klinkers, tegels en gravel. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat op de locatie één asbestverdachte druppelzone aanwezig is. Deze locatie is als verdachte deellocatie beschouwd. De bovengrond van het westelijke deel van de locatie is verdacht voor de aanwezigheid van asbest. De onderzoekslocatie is onverdacht voor chemische componenten. -7-
Resultaten veldwerk In totaal zijn er 8 inspectiegaten en 6 sleuven gegraven en zijn er 5 boringen verricht. Eén boring is doorgezet tot 3.7 meter diepte, welke is afgewerkt tot peilbuis. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit zeer fijn tot matig fijn zand met plaatselijk van 1.55 - 1.8 m-mv een sterk kleiige veenlaag in de ondergrond. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn bodemvreemde materialen waargenomen (baksteen, puin en keramiek). Door de veldwerkers zijn in het nader asbestonderzoek asbestverdachte materialen waargenomen in de bodem van de sleuven S1, S4, S5 en S6. Het freatische grondwater is in peilbuis 1 aangetroffen op 2.10 meter min maaiveld. Resultaten chemische analyses Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd: Onderzoekslocatie de bovengrond (BG I) is (zeer) licht verontreinigd koper, kwik, lood en zink; de bovengrond (BG II) is (zeer) licht verontreinigd koper, kwik en lood; de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; het grondwater (PB 1) is zeer licht verontreinigd met barium, koper, molybdeen en nikkel.
Resultaten asbestanalyses Op basis van de resultaten van de asbestanalyses kan het volgende worden geconcludeerd: Onderzoekslocatie: in het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 01 is asbest aangetoond in een gehalte boven de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Deellocatie A: druppelzone In het mengmonster van de fijne fractie MM FF - A is asbest aangetoond, maar is het gehalte lager dan de interventiewaarde. Resultaten nader asbestonderzoek In sleuf S1 is asbest aangetoond in een gehalte lager dan de interventiewaarde; In sleuf S2 is asbest aangetoond in een gehalte lager dan de interventiewaarde; In sleuf S3 is asbest aangetoond in een gehalte lager dan de interventiewaarde; In sleuf S4 is asbest aangetoond in een gehalte lager dan de interventiewaarde; In sleuf S5 is asbest aangetoond in een gehalte lager dan de interventiewaarde; In sleuf S6 is asbest aangetoond in een gehalte hoger dan de interventiewaarde. Hypothese De hypothese “onverdachte locatie” voor chemische componenten dient te worden verworpen, aangezien er enkele overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. De hypothese “verdacht voor de aanwezigheid van asbest” ter plekke van het westelijke deelvan de onderzoekslocatie kan worden aangenomen, aangezien de bodem asbesthoudend is.
De hypothese “verdacht voor de aanwezigheid van asbest” ter plekke van de druppelzone kan worden aangenomen, aangezien de bodem ter plekke asbesthoudend is. Conclusies en aanbevelingen In de bovengrond (BG I en BG II) en in het grondwater zijn enkele lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het rapport in de bijlage. In de ondergrond (OG) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. In het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 01 is asbest aangetoond in een gehalte boven de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. In het mengmonster van de fijne fractie MM FF - A is asbest aangetoond in een gehalte lager dan de interventiewaarde; er is geen saneringsnoodzaak. Nader asbestonderzoek
-8-
In de sleuven S1, S2, S3, S4 en S5 is asbest aangetoond. De gewogen asbestgehalten zijnlager dan de interventiewaarde voor een nader asbestonderzoek; er is geen saneringsnoodzaak. In sleuf S6 is het gewogen asbestgehalte boven de interventiewaarde. De visueel schone ondergrond (S4-OG) is niet asbesthoudend. De sterke asbestveronteiniging is in voldoende mate in kaart gebracht. De geschatte omvang is circa 100 m³ x gemiddeld 1.0 meter = 100 m³. In het kader van de voorgenomen herontwikkeling van het terrein is sanering van de sterke asbestverontreiniging noodzakelijk. Er dient voorkomen te worden dat er vermenging ontstaat met de schone grond. De sterk verontreinigde grond mag niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van het bevoegd gezag (provincie Overijssel). Voorafgaande aan de sanering dient een BUS-melding of saneringsplan opgesteld te worden en goedgekeurd te worden door het bevoegd gezag. Een sanering mag alleen door hiervoor erkende bedrijven worden uitgevoerd. Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is er, na sanering van de sterke asbestverontreiniging, geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijzing en de nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De noodzakelijke sanering zal in het kader van de Wet bodembescherming voorafgaand aan de sloop en bouw worden uitgevoerd.
Na sanering wordt de bodem geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin). Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'bodem' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Het plangebied is op 12 december 2021 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000.
Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Gelet op de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied 'Borkeld', is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied, maar om het effect van de emissie van stikstof in beeld te brengen, is een stikstofberekening uitgevoerd. De conclusie uit het onderzoek luidt als volgt. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling aan de Grotestraat 91 in Goor komt er NOx vrij. Door uitvoering van de AERIUS berekening is aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof. In zowel de aanleg- als gebruiksfase ligt de emissie niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van de berekende emissie, tijdens de aanleg- en gebruiksfase, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie NOx plaats in op enige afstand gelegen Natura 2000-gebieden als gevolg van de bouw en gebruik van de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000gebied 'Borkeld'. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden.
De AERIUS Calculator 2020 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura 2000-gebieden voor het aspect stikstof. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen. De Wet natuurbescherming vormt voor het aspect stikstof geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling.
-9-
Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten en tot een weinig geschikt leefgebied voor beschermde dieren. Vermoedelijk benutten sommige vogel-, amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten het plangebied als foerageergebied, maar alleen enkele grondgebonden zoogdiersoorten bezetten er een vaste rust- en voortplantingsplaats. Er nestelen geen vogels in het plangebied en vleermuizen bezetten er geen vaste rust- of voortplantingsplaats. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een bosmuis en huisspitsmuis gedood en wordt de vaste rust- en voortplantingsplaats van deze soorten beschadigd en vernield. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen/vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats’ omdat de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende beschermde dieren niet aangetast. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'ecologie' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
Externe veiligheid Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Uit de inventarisatie blijkt dat circa 1 km ten noorden van het plangebied een buisleiding van de Gasunie is gelegen. Op circa 1 km ten zuidwesten van het plangebied is een opslag van gevaarlijke stoffen gelegen. Het plangebied valt niet binnen de risicocontouren van beide bronnen. Binnen een straal van 1 kilometer van het plangebied bestaan geen risico's op basis van de externe veiligheid. Derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.
Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid waterschap Vechtstromen De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. - 10 -
Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit.
Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Watertoetsproces Op 19 april 2021 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht. Op basis van deze toets volgt de korte procedure. Dit houdt in dat direct doorgegaan kan worden met de planvorming van het plan onder de voorwaarde dat de standaard waterparagraaf wordt toepast.
Conclusie In deze aanmeldingsnotitie is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen of een zeer beperkt effect optreedt. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig. Wij vertrouwen erop u hiermee van dienst te zijn geweest. Hoogachtend, Ad Fontem BV, S.H. Geurtse
- 11 -
Goor, herziening Grotestraat 91
Bijlage 2 Watertoets
16
ontwerp
datum 21-4-2021 dossiercode 20210419-63-26188 Geachte heer/mevrouw S.H. Geurtse, U heeft een watertoets uitgevoerd op de website http://www.dewatertoets.nl//. Op basis van deze toets volgt u de korte procedure. Dit houdt in dat u direct door kunt gaan met de planvorming van uw plan onder de voorwaarde dat u de standaard waterparagraaf uit dit document toepast.
STANDAARD WATERPARAGRAAF
Belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Deze standaard waterparagraaf heeft betrekking op het plan Grotestraat 91 Goor. Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.
De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn waterveiligheid, klimaatbestendigheid omgeving en ruimte voor waterberging. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit.
Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.
Wateraspecten plangebied Waterhuishouding Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1500m2. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer In het plan wordt het afvalwater en het hemelwater behandeld via (de gekozen optie wordt hieronder bevestigd met ja): een gemengd stelsel een gescheiden stelsel: hemelwater wordt geinfiltreerd. ja
een gescheiden stelsel: hemelwater wordt afgevoerd naar oppervlaktewater. hemelwater wordt afgevoerd naar een hemelwaterriool van een verbeterd gescheiden stelsel. ja Aanleghoogte van de bebouwing Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. In het plan wordt er naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen.
Intrekgebied grondwaterwinning Het plan ligt in een intrekgebied voor de winning van grondstof voor de drinkwaterbereiding. De provincie is bevoegd gezag voor de bescherming van het winnen van grondstof voor de drinkwaterbereiding. Daarvoor kunnen eisen gesteld worden aan ontwikkelingen binnen het intrekgebied.
_____________________________________________________________________________________________________________________ Watertoetsproces De initiatiefnemer heeft het waterschap Vechtstromen geinformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies.
Algemene info: In de procedurebepalingen van de Wro voor het bestemmingsplan is opgenomen dat de kennisgeving wordt toegezonden aan de instanties die bij het overleg zijn betrokken. De terinzagelegging van het bestemmingsplan kunt u zenden aan kennisgevingwro@vechtstromen.nl.
_____________________________________________________________________________________________________________________ Verklaring Dit document is een automatisch gegenereerd bestand op basis van de door u ingevulde gegevens. U bent akkoord gegaan met de door u ingevulde gegevens en heeft verklaard dat alles naar waarheid is ingevuld. Copyright Digitale Watertoets - http://www.dewatertoets.nl// Dit document is gegenereerd via de website http://www.dewatertoets.nl//. Het document mag alleen worden gebruikt ten behoeve va het plan, dat in dit document is omschreven. De informatie in dit document is houdbaar tot maximaal 1 jaar, gerekend vanaf de genoemde datum in dit document. www.dewatertoets.nl
Goor, herziening Grotestraat 91
Bijlage 3 Quickscan natuurwaarden
ontwerp
19
Quickscan natuurwaardenonderzoek Grotestraat 91 Goor
Effectbeoordeling herontwikkeling van een locatie in het centrum van Goor in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000
Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Grotestraat 91 Goor
Effectbeoordeling herontwikkeling van een locatie in het centrum van Goor in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000
Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0543-451142 / 0614-435700
Opdrachtgever: Contactpersoon:
Projectnummer en versie: 3106 versie 1.0 Veldmedewerker(s): P.Leemreise e.a. Grotestraat 91 te Goor
Ad Fontem dhr. S. Geurtse
Auteur: P.Leemreise
Status: definitief Rapportdatum: 13-1-2020
1
Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 1
Inleiding .................................................................................................................................... 4
Hoofdstuk 2
Het plangebied ......................................................................................................................... 5
2.1 Situering ................................................................................................................................................... 5 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 5 Hoofdstuk 3
Voorgenomen activiteiten........................................................................................................ 6
3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 6 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ................ 6 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................... 6 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................... 7 Hoofdstuk 4
Gebiedsbescherming ................................................................................................................ 8
4.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 8 4.2 Natuurnetwerk Nederland ....................................................................................................................... 8 4.3 Natura 2000.............................................................................................................................................. 9 4.4 Slotconclusie........................................................................................................................................... 11 Hoofdstuk 5
Soortenbescherming .............................................................................................................. 12
5.1 Verwachting en bureauonderzoek ......................................................................................................... 12 5.2 Methode ................................................................................................................................................. 12 5.3 Resultaten .............................................................................................................................................. 13 5.4 Toetsingskader ....................................................................................................................................... 16 5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep............................................................................... 17 5.6 Historische gegevens en overige bronnen ............................................................................................ 19 5.7 Volledigheid van het onderzoek............................................................................................................. 19 Hoofdstuk 6
Conclusies ............................................................................................................................... 20
2
SAMENVATTING Er zijn concrete plannen voor de bouw van acht woningen op een deel van een perceel aan de Grotestraat 91 te Goor. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken worden garageboxen gesloopt en wordt een deel van een bestaand horecagebouw gesloopt. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 12 december 2021 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000.
Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Gelet op de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000gebied, maar om het effect van de emissie van stikstof in beeld te brengen, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Geadviseerd wordt een stikstofberekening uit te voeren m.b.v. het programma Aerius Calculator omdat de uitkomst van dat programma bruikbaar is in een juridische procedure. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten en tot een weinig geschikt leefgebied voor beschermde dieren. Vermoedelijk benutten sommige vogel-, amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten het plangebied als foerageergebied, maar alleen enkele grondgebonden zoogdiersoorten bezetten er een vaste rust- en voortplantingsplaats. Er nestelen geen vogels in het plangebied en vleermuizen bezetten er geen vaste rust- of voortplantingsplaats.
Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een bosmuis en huisspitsmuis gedood en wordt de vaste rust- en voortplantingsplaats van deze soorten beschadigd en vernield. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen/vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats’ omdat de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende beschermde dieren niet aangetast. Samenvattende conclusie Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van sommige beschermde diersoorten. Als gevolg van het verwijderen van de opgeslagen spullen, rommel en voertuigen en het uitvoeren van grondverzet, worden mogelijk beschermde dieren gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier beschadigd en vernield. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Het is niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op Natura 2000-gebied, maar om zekerheid te verkrijgen dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden.
3
HOOFDSTUK 1
INLEIDING Er zijn concrete plannen voor de bouw van acht woningen op een deel van een perceel aan de Grotestraat 91 te Goor. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken worden garageboxen gesloopt en wordt een deel van een bestaand horecagebouw gesloopt. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied.
Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura 2000-gebied) en de Actualisatie Omgevingsverordening Overijssel 2018/2019 (Natuurnetwerk Nederland). Doel van deze rapportage: De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende (milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het wijzigen van het bestemmingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.
4
HOOFDSTUK 2
HET PLANGEBIED
2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd aan de Grotestraat 91 te Goor. Het ligt in het centrum van de woonkern Goor en wordt omgeven door stedelijk gebied. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.
Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode marker aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit bebouwing, verharding, halfverharding en verruigd grasland. In het plangebied staan een dubbele rij garageboxen en een deel van een horecagebouw. De garageboxen zijn gebouwd van betonelementen en zijn gedekt met golfplaten. Het deel van het horecagebouw dat gesloopt wordt heeft bakstenen buitengevels en een met bitumen dakleer gedekt zadeldak. Ten westen van de garageboxen ligt verharding, ten oosten van de garageboxen ligt halfverharding en verruigd grasland. Het plangebied grenst aan de noordzijde aan bebouwing en aan de overige zijden aan openbare ruimte (verhard). Op onderstaande afbeelding wordt de begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor een verbeelding van het plangebied wordt verwezen naar de fotobijlage.
Begrenzing van het plangebied; deze wordt met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl). 5
HOOFDSTUK 3
VOORGENOMEN ACTIVITEITEN
3.1 Algemeen Er zijn concrete plannen om acht woningen in het plangebied te bouwen. Om de bouw van de woningen mogelijk te maken, dient de aanwezige bebouwing gesloopt te worden en de erfverharding verwijderd te worden. Een deel van het plangebied zal ingericht worden als tuin. Op onderstaande afbeelding wordt een plattegrond van het wenselijke eindbeeld gegeven.
Plattegrond van het wenselijke eindbeeld (bron: Ad Fontem).
De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • Slopen bebouwing; • Bouwrijp maken bouwplaats; • Bouwen woningen; • Aanleggen verharding en tuinen;
3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;
3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang 6
van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals sloop- en bouwwerkzaamheden. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van een voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. In voorliggend geval grenst het plangebied aan bebouwing en openbare ruimte die volledig verhard is. Er is geen aanleiding te veronderstellen dan beschermde soorten en/of waarden buiten het plangebied op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties
3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Vanwege de lokale invloedsfeer, wordt het onderzoeksgebied gelijk gesteld aan het plangebied.
7
HOOFDSTUK 4
GEBIEDSBESCHERMING
4.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000gebied en het Natuurnetwerk Nederland. 4.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden.
Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her-begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Overijssel. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Ligging t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 980 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren.
Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
8
980 meter afstand tussen plangebied en gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren.
Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. Gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren worden met de donkergroene kleur op de kaart aangeduid. De ligging van het plangebied wordt aangeduid door de rode marker (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
Effectbeoordeling De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. Wettelijke consequenties Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.
4.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming).