07 TAM-omgevingsplan Enterbroekweg 5 Markelo Bijlage - Quickscan natuurwaarden.pdf
Tekst van het document
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING ENTERBROEKWEG 5 TE MARKELO
Colofon Quickscan soortenbescherming Projectnummer: E.00006995 Versie: 1 Datum: 26 november 2025 Opdrachtnemer Agrifirm NWE BV Bedrijfsontwikkeling Exlan Waalkade 33 5347 KR Oss
Postbus 300 5340 AH Oss
Locatie Enterbroekweg 5 Markelo Contactpersoon AvZ T: 088 – 488 2929 F: 088 – 488 2102 Email: exlanadvies@agrifirm.com Uitvoerders AvZ JvdK Collegiale check KvL
ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN. NIETS UIT DEZE UITGAVE MAG WORDEN VERVEELVOUDIGD DOOR MIDDEL VAN DRUK, FOTOKOPIE, MICROFILM, GELUIDSBAND, ELEKTRONISCH OF OP WELKE ANDERE WIJZE DAN OOK, EN EVENMIN IN EEN GEAUTOMATISEERD GEGEVENSBESTAND WORDEN OPGESLAGEN, ZONDER VOORAFGAANDE SCHRIFTELIJKE TOESTEMMING VAN AGRIFIRM EXLAN.
2 Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
Inhoudsopgave Quickscan soortenbescherming INLEIDING
4
HOOFDSTUK 1 TOETSINGSKADER
6
HOOFDSTUK 2 ONDERZOEKSRESULTATEN
10
HOOFDSTUK 3 CONCLUSIE
30
LITERATUUR
31
WAARNEMINGEN EFFECTEN INDICATOR SOORTEN PLAN PROJECTLOCATIE RAPPORT BESCHERMDE SOORTENINDICATOR (BESI)
32 34 44 45
3 Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
6
10
30
Inleiding Planbeschrijving Aanleiding Het plangebied is gelegen aan de Enterbroekweg 5 te Markelo. De plannen omvatten: Het beëindigen van een veehouderij; het slopen van de rundveestallen; het voortzetten van een akkerbouwbedrijf; het verbouwen van het achterhuis tot woning. De schuur blijft behouden en wordt in gebruik genomen voor akkerbouw. Verder wordt er geen boom gekapt. In dit kader wordt door het bevoegde gezag een toets aan de soortenbescherming noodzakelijk geacht. Bij de uitvoering van de voorgenomen ingrepen moet rekening worden gehouden met het huidige voorkomen van de, op grond van de Omgevingswet, beschermde soorten. Als de voorgenomen ingreep leidt tot het overtreden van verbodsbepalingen betreffende beschermde soorten, is er een Omgevingswetvergunning voor de activiteit flora en fauna benodigd. De voorliggende quickscan bevat een inventarisatie van de huidige aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren in en om het plangebied. Tevens worden de te verwachten effecten van de ingreep in het plangebied beoordeeld. Plangebied Het plangebied ligt in de plaats Markelo in de gemeente Hof van Twente. Het plangebied bevindt zich buiten de verkeerskundige en stedenbouwkundige bebouwde kom van Markelo.
Afbeelding 1: luchtfoto plangebied (bron: streetsmart.cyclomedia.com/streetsmart, geraadpleegd op 25/11/2025)
4 Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
Afbeelding 2: luchtfoto detail plangebied (bron: streetsmart.cyclomedia.com/streetsmart, geraadpleegd op 25/11/2025)
Onderzoeksmethode Om een goede indicatie van de natuurwaarden binnen het plangebied te krijgen, wordt het onderzoek in verschillende stappen uitgevoerd. Op basis van bronnenonderzoek is nagegaan of er wettelijk beschermde planten- of diersoorten in het gebied voor kunnen komen waaraan extra aandacht geschonken dient te worden tijdens het terreinbezoek. Na het bronnenonderzoek is een verkennend terreinbezoek gebracht aan het plangebied. Hierbij is beoordeeld voor welke soorten het gebied daadwerkelijk een geschikte habitat biedt en welke soorten er voor kunnen komen. Vervolgens zijn de mogelijke effecten op de verwachte beschermde soorten beschreven. Op basis van de doorlopen procedures zijn conclusies getrokken met betrekking tot de eventuele negatieve effecten en/of obstakels inzake de Omgevingswet. Op vrijdag 21 november 2025 is de locatie tussen 09:00 en 10:00 uur ter plaatse geïnventariseerd, om te onderzoeken of het plangebied een zodanig belangrijke status heeft dat een aanvullend veldonderzoek noodzakelijk is. Op het moment van inventarisatie was het 2 graden Celsius, onbewolkt en windstil. Op basis van terreinkenmerken is beoordeeld of het terrein geschikt is voor de, in de regio voorkomende, beschermde soorten.
Doelstelling Om een indicatie te krijgen van de effecten die de sloop- en bouwwerkzaamheden hebben op de natuurwaarden binnen het plangebied, dienen de volgende vragen te worden beantwoord: 1. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? 2. Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en komt daarmee de staat van instandhouding in gevaar? 3. Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig?
5 Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
Hoofdstuk 1
1 Toetsingskader Omgevingswet De bescherming van natuur is in Nederland vastgelegd in nationale wetgeving. De nationale wetgeving is een Nederlandse implementatie van de belangrijkste Europese wetgevingselementen. Per 1 januari 2017 zijn de Flora- en Faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen door de Wet natuurbescherming. En per 1 januari 2024 zijn deze allen opgenomen in de Omgevingswet. De uitvoering van deze nieuwe wet is grotendeels in handen Gedeputeerde Staten van de provincies.
1.1
Gebiedsbescherming De Omgevingswet noemt bekende maar ook enkele nieuwe soorten natuurgebieden die bescherming behoeven: de Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), bijzondere provinciale natuurgebieden en landschappen, bijzondere nationale natuurgebieden en de nationale parken. Bij ontwikkelingen met name in het buitengebied moet rekening worden gehouden met het al dan niet van toepassing zijn van de beschermingsregimes van deze natuurgebieden. Ieder gebied kent een eigen beschermingsregime dat afzonderlijk gewogen dient te worden in relatie tot plannen, projecten en andere handelingen met mogelijk nadelige effecten voor de beschermde natuurwaarden. Natura 2000-gebieden De bekendste natuurgebieden zijn de Natura 2000-gebieden, zij kennen tevens het meest strikte beschermingsregime. De basis voor Natura 2000 zijn de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. In Nederland zijn 164 gebieden als Natura 2000-gebied aangewezen. Daarnaast kent Nederland ook ‘bijzonder nationaal natuurgebied’. Voor ieder gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen bepaald die betrekking kunnen hebben op de bescherming van specifieke flora en fauna alsook leefgebieden van soorten. Alle projecten en handelingen binnen of buiten de gebiedsgrenzen mogen geen verstorend of verslechterend effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen.
Voor de voorgenomen ontwikkeling is hier, voor zover van toepassing, separaat aan getoetst. In deze rapportage wordt hier verder niet op ingegaan. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. De provincies zijn belast met de taak een dergelijk netwerk tot stand te laten te komen en in stand te laten. De uitvoering hiervan is hoofdzakelijk gestuurd vanuit de ruimtelijke ordening (provinciale verordeningen). Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt een “ja-mits”- benadering. Overige gebieden Naast de bovengenoemde gebieden kunnen gebieden aangewezen worden als ‘bijzondere provinciale natuurgebieden’, ‘bijzondere provinciale landschappen’ of ‘nationaal park’. De bescherming van deze gebieden vindt net als bij het NNN plaats via het ruimtelijk spoor. Daarnaast kan een gebied aangewezen worden als ‘bijzonder nationaal gebied’, een soort voorloper van de aanwijzing als Natura 2000-gebied. De bescherming van deze gebieden stemt dan ook overeen met de bescherming van Natura 2000-gebieden.
6 Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
1.2
Soortenbescherming De Omgevingswet verbiedt het om zonder omgevingsvergunning voor de activiteit flora en fauna, activiteiten te verrichten. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wordt het beschermingsregime geregeld van alle van nature in Nederland in het wild voorkomende dieren en planten. Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie soorten beschermingsregimes: 1) Beschermingsregime soorten vogelrichtlijn (paragraaf 11.2.2) 2) Beschermingsregime soorten habitatrichtlijn (paragraaf 11.2.3) 3) Beschermingsregime ander soorten (paragraaf 11.2.4) Daarnaast zijn er vrijgestelde soorten en jaarrond beschermde vogelnesten. Vogelrichtlijn Onder de soorten van de Vogelrichtlijn vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. Het is verboden om: Opzettelijk vogels te doden of te vangen; Opzettelijk vogelnesten, -rustplaatsen en – eieren te vernielen of te beschadigen of vogelnesten weg te nemen; Eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; Opzettelijk vogels te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn Onder de soorten van de Habitatrichtlijn vallen soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I (planten) en II (diersoorten) van het Verdrag van Bern en Bijlage I van het Verdrag van Bonn.
In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Wat betreft deze soorten is het verboden om: Opzettelijk dieren te doden of te vangen; Opzettelijk dieren te verstoren; Opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen; Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; Opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Ook is het verboden deze soorten te verkopen, te vervoeren voor verkoop, te verhandelen, te ruilen of te koop of te ruil aan te bieden, tenzij het gaat om gefokte of gekweekte dieren of planten. Andere soorten Onder het beschermingsregime andere soorten vallen soorten waarvan er geen Europese verplichting tot bescherming is. Dit zijn soorten die vanuit nationaal belang extra bescherming behoeven. Het beschermingsniveau van deze soorten kan per provincie verschillen. Het is verboden om: 1) Opzettelijk dieren te doden of te vangen; 2) Vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren te beschadigen of te vernielen; 3) Opzettelijk (vaat)planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten.
7 Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
Vrijgestelde soorten De verboden zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Ook vallen de zwarte rat, bruine rat, huismuis, de mol en sommige exoten niet onder beschermingsregime van de Omgevingswet en mogen opzettelijk gedood en gevangen worden. Indien deze soorten aanwezig zijn, is een alternatievenafweging noodzakelijk en dient onnodig lijden ten alle tijden voorkomen worden. Daarnaast geldt, zoals hierboven reeds aangegeven, dat provincies de bevoegdheid hebben vrijstelling te verlenen voor bepaalde soorten. Jaarrond beschermde vogelnesten De opgestelde lijst met jaarrond beschermde nesten voor vogels is een beleidsdocument dat voortvloeit uit artikel 11.42 van het Bal en is opgenomen in de provinciale omgevingsverordening. De nesten zijn ingedeeld in categorieën (1 t/m 5) waarvan de categorie 1 t/m 4 jaarrond beschermd zijn. Nesten in categorie 5 zijn enkel beschermd bij afwezigheid van voldoende alternatieven. 1) Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats 2) Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop.
De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3) Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4) Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. 5) Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht is geregeld in artikel 11.27 van het Bal.
Hieronder vallen de volgende soorten: Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van de soorten die genoemd zijn in bijlage I van de Vogelrichtlijn en Alle geregeld in Nederland voorkomende trekvogels als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de vogelrichtlijn; Alle van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van de soorten die zijn opgenomen in de bijlagen II, IV en V van de habitatrichtlijn; Alle dieren of planten van soorten die genoemd zijn in bijlage IX of in de rode lijsten De rode lijst is een lijst met van nature in Nederland voorkomende dieren en planten die met uitroeiing bedreigd worden of die speciaal gevaar lopen. Deze lijst wordt periodiek vastgesteld door de Minister van Natuur en Stikstof. De meest recente lijst dateert van 2 oktober 2024. Wanneer een soort zeldzaam is, of een negatieve trend laat zien, kan deze op de rode lijst gezet worden. De rode lijst heeft geen juridische status. Wel geldt voor de soorten op deze lijst dus de specifieke zorgplicht. De specifieke zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor de genoemde dieren en planten zo veel mogelijk moet worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt. Voor deze soorten moet, voorafgaand aan het verrichten van activiteiten, worden vastgesteld of deze soorten op de locatie aanwezig zijn en of de voorgenomen activiteiten nadelig zijn voor deze soorten.
Er moeten preventieve maatregelen worden getroffen om eventuele nadelige gevolgen te voorkomen.
8 Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
1.3
Houtopstanden Afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) gaat over het vellen van houtopstanden en het herplanten van grond na het vellen van houtopstanden. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Buiten de bescherming vallen: Houtopstanden binnen de ‘bebouwingscontour houtkap’. Dit bebouwingscontour dient door de gemeenteraad vastgesteld te zijn in het omgevingsplan; houtopstanden op erven of in tuinen; bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten zijn geteeld; houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen naaldbomen die duidelijk bedoeld zijn als kerstbomen én niet ouder zijn dan 20 jaar; kweekgoed; populieren of wilgen van: o wegbeplantingen o beplantingen langs waterwegen, of o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden het dunnen van een houtopstand om de groei van de overblijvende houtopstand te bevorderen. Bijvoorbeeld als onderdeel van het reguliere onderhoud van de houtopstand; beplantingen die bestaan uit populieren, wilgen, essen of elzen en duidelijk bedoeld zijn voor de productie van houtige biomassa onder de volgende voorwaarden: o Het oogsten vindt minstens 1 keer per 10 jaar plaats. o De beplantingen bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid.
o Een beplantingseenheid moet bestaan uit aaneengesloten beplanting zonder doorsnijding door meer dan 2 m brede onbeplante stroken. o De beplantingen zijn aangelegd na 1 januari 2013. houtopstanden met een oppervlakte van minder dan 10 are. Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel; houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van maximaal 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen). Het gaat hier om het aantal bomen in rijbeplanting van de totale houtopstand dus niet alleen het aantal te vellen bomen. Naast de Omgevingswet kan ook een gemeente beperkingen opleggen ten aanzien van het kappen van bomen. Er is dan een omgevingsvergunning nodig voor het kappen van bomen op grond van de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV). Tenslotte kan ook in een provinciale verordening een kapverbod opgelegd worden. Indien hier sprake van is, moet er bij de provincie een ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Voor de voorgenomen ontwikkeling is hier, voor zover van toepassing, separaat aan getoetst. In deze rapportage wordt hier verder niet op ingegaan.
9 Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
Hoofdstuk 2
2 Onderzoeksresultaten 2.1
Bronnenonderzoek Gegevens van websites als www.waarneming.nl, de verspreidingsatlas en de NDFF zijn geraadpleegd voor achtergrondinformatie. Daarbij is data in het atlashok 230-475 geraadpleegd in de periode 2021-2025. Een groot aantal amateurs en professionals publiceert op deze bekende websites zijn natuurwaarnemingen, die worden gecontroleerd door een validatiecommissie. Zodoende zijn de waarnemingen uit deze bronnen redelijk betrouwbaar, maar moeilijk te verifiëren. De waarnemingen geven eventueel wel een indicatie van soorten waar tijdens het veldonderzoek extra aandacht aan besteed dient te worden. Natuurnetwerk Nederland Het natuurbeheerplan is een beleidskader om het Europese, rijks- en provinciale natuur- en landschapsbeleid te realiseren. Het gaat hier om bestaande natuurgebieden, gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt, landbouwgebieden worden ingericht en beheerd volgens agrarisch natuurbeheer en de Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland en buiten andere natuurgebieden zoals Natura 2000. Het meest dichtbijgelegen Natura 2000-gebied is het Natura 2000-gebied “Borkeld”. Het habitatrichtlijngebied is gelegen op een afstand van 0,54 km ten westen van de projectlocatie. Het beëindigen van een veehouderij draagt bij aan de verlaging van stikstofdepositie op het natura 2000-gebied.
Andere effecten zoals lichthinder, geluidhinder of trillingshinder zijn gezien de afstand en de reeds aanwezige verstoring van de naastgelegen snelweg niet aan de orde.
Afbeelding
3:
ligging
Natuurnetwerk
Nederland
(bron: atlasleefomgeving.nl/kaarten, geraadpleegd op 25/11/2025)
10
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
en
Natura
2000
Het meest dichtbijgelegen natuurnetwerkgebied is gelegen op een afstand van 0,12 km ten noorden van de projectlocatie. Het betreft een houtwal langs de A1. Door het plan worden de wezenlijke kenmerken en waarden van dit gebied niet aangetast. Er vinden immers geen werkzaamheden plaats in het gebied. De reeds aanwezige bedrijfsactiviteiten worden vervangen door akkerbouwwerkzaamheden. Daardoor verandert er voor dit gebied niets. De provincie Overijssel telt 24 natuurgebieden die zijn aangewezen als Natura 2000-gebied. Zij zijn aangewezen om samen te werken aan het behoud en herstel van kwetsbare natuur. De ambitie van de provincie Overijsel is om een gezonde en aantrekkelijke natuur voor mensen, dieren en planten te creëren met een natuur die beleefd en gebruikt kan worden en die kan profiteren van en bijdragen aan (economische) ontwikkelingen en rijk is aan plant- en diersoorten (biodiversiteit). Samen met bewoners, ondernemers, terreinbeheerders, maatschappelijke organisaties, waterschappen en gemeenten wil de provincie Overijssel de natuur versterken. Met natuur bedoelen we niet alleen de natuur in beschermde natuurgebieden, maar ook de natuur in de stad (parken, straatgroen, water, speelnatuur), natuur in het agrarisch cultuurlandschap (houtwallen, bosjes, poelen), natuur die je kunt beleven en gebruiken. Of, met andere woorden: alle natuur die betekenis heeft voor mensen.
Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt een “ja, mits”- benadering. Het project is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland. De sleufsilo’s die verwijderd worden, grenzen aan dit gebied. Daarna wordt hier niets terug gebouwd.
2.2
Veldonderzoek Op verschillende punten in het plangebied zijn waarnemingen verricht. Tijdens het veldbezoek is het gebied beoordeeld op de aanwezigheid van beschermde soorten en de habitatgeschiktheid voor beschermde soorten. Er is extra aandacht besteed aan de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen en vogelnesten. De ecologische factoren in de omgeving zijn met behulp van een digitale fotocamera vastgelegd. Om de flora en fauna te kunnen determineren, is gebruik gemaakt van eigen kennis en literatuur.
11
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
12
Afbeelding 4: Voorzijde te slopen stal
Afbeelding 5: Andere te slopen stal
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
13
Afbeelding 6: Binnenzijde stal is al gestript
Afbeelding 7: Ongeïsoleerde damwand en golfplaten
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
14
Afbeelding 8: Ongeïsoleerde damwand en golfplaten
Afbeelding 9: In de jongveestal is ook alles al gestript
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
15
Afbeelding 10: Achterzijde
Afbeelding 11: Melkstal
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
16
Afbeelding 12: Zijkant
Afbeelding 13: Silo’s gaan weg, op de achtergrond voornamelijk zomereiken
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
17
Afbeelding 14: Achterzijde
Afbeelding 15: Achterzijde stal
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
18
Afbeelding 16: Zomereiken
Afbeelding 17: Links grond om de putten te vullen
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
19
Afbeelding 18: Achterkant stallen
Afbeelding 19: Schuur die behouden blijft
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
20
Afbeelding 20: Buitenkant schuur
Afbeelding 21: Achterhuis wordt verbouwd tot woning
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
21
Afbeelding 22: voorhuis blijft ongewijzigd
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
22
Afbeelding 23: Binnenzijde te verbouwen achterhuis, het riet is duidelijk zichtbaar
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
23
Afbeelding 24: dakpannen
Afbeelding 25: naburige veehouderij, hier zijn huismussen gehoord
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
Flora algemeen Bij de planlocatie zijn houtwallen bestaande uit zomereiken aangetroffen. Deze worden niet aangetast door de werkzaamheden. Het erf rond de te slopen stallen is verhard en grenzen aan de buitenrand aan agrarisch grasland. De zuurgraad rondom een boerenerf is te hoog voor bijzondere flora. Grondgebonden zoogdieren Specifiek wordt bekeken of binnen de betreffende inrichting verwacht kan worden of er streng beschermde zoogdieren; steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, eekhoorn, bever en das kunnen worden aangetroffen. Op de erf lopen katten vrij rond. Zij slapen op de zolder van het achterhuis. Hierdoor is deze locatie minder geschikt voor vogels en grondgebonden zoogdieren. De katten zouden op de dieren jagen. Steenmarter De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Daarnaast laten steenmarters enorm veel sporen achter. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of verblijfplaats door deze soort. Kleine marterachtigen De onderzoekslocatie biedt geen geschikte verblijflocaties voor de hermelijn, wezel en bunzing.
De soorten maken gebruik van oude holen van onder andere mollen en muizen, maar ook houtwallen, steenhopen en ruimtes onder boomwortels. Er vinden geen werkzaamheden plaats aan houtwallen of bos(randen). Hierdoor is het beschadigen van een verblijfplaats van kleine marterachtigen uitgesloten. Desbetreffende soorten hebben binnen hun territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn er geen marters of sporen van marters aangetroffen op de onderzoekslocatie. Echter, dit betekent niet dat het gebied niet potentieel in gebruik is door de hermelijn, wezel en/of bunzing als migratieroute. Doordat de omliggende groenstructuren in tact blijven, wordt er geen potentiële migratieroute beschadigd. Eekhoorn De bomen langs de snelweg zouden best gebruikt kunnen worden door eekhoorns. Eekhoorns leven doorgaans in oude, dichte bossen met een grote verscheidenheid aan soorten waarin zij hun voedsel kunnen vinden. De oude bomen bieden holtes voor het bouwen van een nest. Er zijn in de bomen langs het bedrijf geen nesten van eekhoorns waargenomen. Tevens worden er met de werkzaamheden geen bomen verwijderd. Doordat eventueel aanwezige eekhoorns al gewend zijn aan de machines die over het erf en omliggende graslanden rijden, en door de aanwezigheid van de snelweg, is hier geen sprake van verstoring van een nest van een eekhoorn.
Bever De projectlocatie bevindt zich aan de rand van het verspreidingsgebied van de bever. Voor de bever is op de onderzoekslocatie geen geschikt habitat aanwezig. De bever leeft in het water of de waterkant. Rondom de projectlocatie is geen water aanwezig. Verstoring van vaste rusten verblijfplaatsen van de bever kunnen worden uitgesloten. Das Dassen komen wel voor in het gebied rondom de projectlocatie. Hoewel de meeste waarnemingen van dassen uit het gebied ten westen van de N752 is. Hier is een bos- en heidegebied aanwezig waar voldoende rust en dekking aanwezig is. Dassen maken hun burchten in de grens tussen bos(jes) en weilanden. Bij voorkeur in een talud, verstopt in de dekking. Er zijn tijdens het veldbezoek geen sporen van dassen waargenomen die duiden op de aanwezigheid van dassen. Daarbij is gelet op pootafdrukken, graafsporen, latrines, holen en wissels. Het verstoren van een vaste rust- en verblijfplaats is daarmee uit te sluiten.
24
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vleermuizen Het plangebied is zeer nauwkeurig beoordeeld op de mogelijke waarde voor vleermuizen. Hierbij is gelet op de geschiktheid van de aanwezige bebouwing als verblijfplaats voor deze dieren: aanwezigheid van spouwgaten en andere openingen in muren en daken, vetstrepen, uitwerpselen en prooiresten bij gevelopeningen. Verblijfsruimte voor vleermuizen hebben specifieke voorwaarden zoals een stabiele temperatuur en het tochtvrij zijn. Bij vleermuizen worden vier verblijfplaatsen onderscheiden; winterverblijven, zomerverblijven, kraamverblijven en paarverblijven. Aan de winterverblijven worden de hoogste eisen gesteld, daarna de kraamverblijven, dan de zomerverblijven en tenslotte de paarverblijven, waarbij de vleermuizen een zeer korte tijd op een bepaalde locatie kunnen verblijven. De gevels van de te slopen stallen bestaan uit metselwerk. De ligboxenstal heeft gevels van prefab metselwerk. Alle naden zijn strak dicht gemaakt. Ook in de gevels van de jongveestal zitten geen open stootvoegen, scheuren of kieren die gebruikt kunnen worden als invliegopening. En kozijnen sluiten strak aan op het metselwerk. Op het dak liggen ongeïsoleerde golfplaten en in de topgevels is ongeïsoleerd damwand toegepast.
Deze materialen bieden geen kleine ruimten om in weg te kruipen. Daarbij is het materiaal aan enorme temperatuursschommelingen onderhevig. Hierdoor is het geen geschikte verblijfplaats voor vleermuizen. De bedrijfswoning met achterhuis is gebouwd in 1926. In die tijd werden woningen wel voorzien van een gevel met spouw. Deze werk nog niet geïsoleerd. Het achterhuis is van oorsprong gebouwd als stal of opslagruimte. Deze gevel heeft geen spouwmuur maar een enkel steens muur. Op het dak liggen deels dakpannen en deels riet. Er is geen dakbeschot aanwezig. Op de zolder van het achterhuis is gezocht naar individuen en sporen die de aanwezigheid van vleermuizen aantoont. Daarbij is gelet op uitwerpselen en prooiresten zoals bijvoorbeeld vlindervleugels. Deze zijn allen niet waargenomen. Bij het verbouwen van het achterhuis worden geen verblijfplaatsen van vleermuizen beschadigd. Foerageerhabitat Vleermuizen foerageren boven gebieden met veel insecten zoals kruidenrijk grasland, bomen of water. De onderzoekslocatie zal, gelet op de aanwezige habitat, gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen.
Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen zoals houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfsplaatsen en foerageergebieden. Mogelijk dat de bomenrijen om het bedrijf gebruikt worden als vliegroute. Doordat de sloopwerkzaamheden in de dagperiode plaatsvinden, en vleermuizen nachtactief zijn, worden er met het plan geen vliegroutes verstoord. Vogels Tijdens het bezoek is met name gelet op de aanwezigheid van nesten en rustplaatsen voor vogels. Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het agrarische (buiten)gebied kunnen dit zijn: boomvalk, buizerd, havik, sperwer, wespendief, huismus, steenuil, kerkuil, boerenzwaluw, huiszwaluw, bosuil, ransuil en torenvalk.
25
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
Boomvalk De boomvalk is een soort die geen eigen nest maakt, maar broedt in gebruikte kraaien- en/of eksternesten in verschillende typen bos(randen) of in solitaire bomen, populierensingels, of op erven. De soort komt vooral voor in open en halfopen landschappen zoals boerenland en dorpen, alsook in buitenwijken van steden. De bomen op- en nabij de projectlocatie zijn gecontroleerd op dergelijke nesten, deze zijn niet aangetroffen. Evenmin worden er met de beoogde werkzaamheden bomen verwijderd. Negatieve effecten op de boomvalk als gevolg van de werkzaamheden zijn derhalve niet aan de orde. Buizerd en havik De buizerd en havik broeden op grote nesten van ongeveer een meter in doorsnede en 60 centimeter diep. Dergelijke nesten zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Een broedgeval van de buizerd en havik is daarom uit te sluiten. Eveneens worden er met de beoogde werkzaamheden geen bomen gekapt, zodat het wegnemen van een jaarrond beschermd nest kan worden uitgesloten. Wespendief en sperwer De wespendief is doorgaans gebonden aan grotere bosgebieden van zowel loof- als naaldbomen. Bij voorkeur is er afwisseling binnen het bosgebied aanwezig in de vorm van open plekken. De sperwer broedt bij voorkeur meer verborgen in naaldbomen. Beide situaties zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig.
Gezien de ligging van de onderzoekslocatie binnen agrarisch gebied en de afwezigheid van voldoende dekking is een nestplaats van de sperwer of wespendief niet te verwachten. Eveneens zijn er tijdens het veldbezoek geen nesten aangetroffen. Een broedgeval van zowel de wespendief als de sperwer zijn uitgesloten. Steenuil en kerkuil De kerkuil en steenuil hebben een voorkeur voor cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen die voor afwisseling zorgen. Beide soorten broeden in gebouwen en gebruiken ook graag speciale nestkasten. Daarnaast worden door de steenuil ook wel boomholten gebruikt, mits er zich grote holten in bevinden. De gebouwen zijn in zijn geheel gecontroleerd op de aanwezigheid van steen- en kerkuilen en is vooral gelet op de aanwezigheid van sporen; braakballen, veren en uitwerpselen. Er zijn geen (sporen van) steen- en kerkuilen waargenomen. Ook zijn er geen waarnemingen bekend van steenuil of kerkuil in de directe nabijheid. De eigenaar heeft geen uilenkast hangen in de gebouwen of tegen bomen. Er is geen sprake van een afname van belangrijk foerageergebied. Er blijft er voldoende foerageergebied aanwezig in de omgeving. Huismus Ook voor de huismus, die veel te vinden is in agrarisch gebied en vooral gebonden aan gebouwen is, is het nest jaarrond beschermd.
Het habitat van een huismus moet bestaan uit een combinatie van: plekken voor nestgelegenheid jaarrond beschikbaar zijn van voedsel (voor volwassen en jongen) dekking (stekelige struiken, groenblijvende struiken en klimplanten, coniferen, klimop) plekken voor stofbaden drinkwater Ontbreekt een van de onderdelen of liggen ze te ver van elkaar verwijderd, dan is de habitat niet geschikt. Er zijn tijdens het veldbezoek geen huismussen gezien of gehoord rond het erf van de projectlocatie. Wel zijn er bij de veehouderij van de buren huismussen gehoord. Het kan best zijn dat er vroeger ooit huismussen hebben gebroed in de stallen. Doordat er geen vee (en daarmee geen voer aan het voerhek en in de voersilo’s) aanwezig is, is het voedselaanbod voor de huismus afgenomen. Er zijn geen nesten van huismussen gevonden in de te slopen bebouwing. Ook zijn er geen geschikte heggen en heesters aanwezig op het erf die voorzien in geschikt leefgebied.
26
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
Boerenzwaluw en huiszwaluw Zowel de boerenzwaluw als de huiszwaluw zijn te vinden rond boerenerven. Beide soorten maken een moddernest. Echter bouwt de boerenzwaluw zijn nest bij voorkeur in een schuur terwijl een huiszwaluw zijn nest aan de buitenkant van een gebouw maakt en helemaal dicht metselt. Ook zijn beide soorten heel sociaal. Huiszwaluwen broeden vaak in kolonies van grote aantallen nesten. Boerenzwaluwen zoeken hun soortgenoten ook op, maar wonen met enkele paren bij elkaar. De boerenzwaluw is erg gebonden aan de aanwezigheid van vee. Er komen vliegen en insecten af op de dieren waardoor er voedsel in de directe aanwezigheid van het nest is. Daarbij geven de dieren warmte. Er worden op deze locatie al lange tijd geen dieren meer gehouden. Hierdoor zijn de stallen niet meer aantrekkelijk om in te broeden. Er zijn enkele nesten van boerenzwaluw waargenomen in de te slopen stallen. Doordat het vee weg is, zullen de zwaluwen in een volgend broedseizoen op zoek gaan naar een locatie in de omgeving waar nog wel vee of paarden worden gehouden. Zij zullen daar hun nieuwe nest bouwen. Een huiszwaluw bouwt zijn nest vaak onder witte overstekken. De te slopen stallen zijn niet voorzien van een overstek. Daarnaast vallen deze nesten erg op. Er zijn geen zwaluwnesten aangetroffen tijdens het veldonderzoek. Bosuil en ransuil De bosuil is de meest voorkomende uilensoort in Europa.
Maar omdat hij vooral ’s nachts leeft, wordt hij niet altijd opgemerkt. Ze leven in veel verschillende biotopen: loof- en naaldbossen, stadsparken en groene woonwijken. Dat komt omdat ze flexibel in prooikeuze zijn. De bosuil broedt overwegend in boomholtes van (oude) bomen. Er moet het hele jaar voldoende voedsel beschikbaar en bereikbaar zijn. Daarnaast zijn voldoende roest- en broedplaatsen belangrijk. Ook de ransuil komt in veel verschillende leefgebieden voor en broedt in bomen. Echter gebruikt een ransuil vaak geen holtes, maar oude kraaien- of eksternesten. Omdat een ransuil in open velden/plekken en langs wegbermen jaagt, komen ze niet veel voor in dicht beboste gebieden. Er worden met de voorgenomen werkzaamheden geen bomen gekapt. Het beschadigen van nesten is dus uitgesloten. Aangezien het nieuwe bebouwde oppervlak vele malen kleiner is dan in de huidige situatie, zal het jaaggebied in areaal toenemen. Een negatief effect van het plan op de bosuil en ransuil is dus uit te sluiten. Torenvalk Een torenvalk bouwt zelf geen nest. Ze gebruiken oude kraaiennesten of speciale torenvalkkasten. Een torenvalk jaagt in open of halfopen landschappen. In een landschap met veel (kort) grasland, heide, hoogvenen, duinen en akkers is voor hen het voedsel goed te vinden. Al biddend in de lucht jaagt hij op prooien op de grond.
Op het menu staan vooral woelmuizen maar ook zangvogels en kuikens van weidevogels. Er worden met de voorgenomen werkzaamheden geen bomen gekapt. Het beschadigen van nesten is dus uitgesloten. Aangezien het nieuwe bebouwde oppervlak vele malen kleiner is dan in de huidige situatie, zal het jaaggebied in areaal toenemen. Een negatief effect van het plan op de torenvalk is dus uit te sluiten. Overige broedvogels De beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals de merel en winterkoning. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Er zijn geen nesten van overige broedvogels aangetroffen in de te slopen bebouwing.
27
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
Er zijn vogels gezien en gehoord, namelijk:
Tabel 1: overzicht waargenomen vogels
Tabel 2: overzicht waargenomen vogelnesten
Soort Boerenzwaluwen Holenduiven Merel Koolmees Roodborst
Soort Boerenzwaluw (categorie indeling nestbescherming: 5) Uitleg bij tabel: Categorie 1: Categorie 2: Categorie 3: Categorie 4: Categorie 5:
Jaarrond gebruikte nesten (steenuil) Zeer honkvaste koloniebroeders of afhankelijk bebouwing Zeer honkvaste broeders of afhankelijk bebouwing (geen kolonie) Vogels die ieder jaar terugkeren naar specifiek nest Honkvaste broeders, maar voldoende flexibel
Reptielen, amfibieën en vissen Er zijn tijdens het terreinbezoek geen reptielen, amfibieën en/of vissen waargenomen. Voor de in Nederland voorkomende reptielsoorten zoals de hazelworm, de levendbarende hagedis en ringslang biedt de onderzoekslocatie geen geschikt habitat. Deze soorten worden vrijwel alleen aangetroffen in specifieke natuurgebieden. In de omgeving van de projectlocatie zijn waarnemingen bekend van de levendbarende hagedis. De levendbarende hagedis is een vochtminnende soort die in de genoemde landschapstypen veel wordt aangetroffen op oevers en vochtige terreindelen. Het habitat moet bestaan uit een afwisseling van dekking in de vorm van (laag) struweel met open plekken om in op te warmen. Daarnaast is de aanwezigheid van voldoende voedsel belangrijk. Aan deze voorwaarden voldoet een boeren erf met omliggend grasland niet. De specifiek beschermende amfibieënsoorten stellen veel eisen aan hun habitat. Het zijn de alpenwatersalamander, heikikker, vinpootsalamander, poelkikker en rugstreeppad. Er zijn geen waarnemingen bekend van deze amfibieën in de omgeving van de projectlocatie. Daarnaast verplaatsen deze soorten zich niet veel tussen voortplantingshabitat en landhabitat. Er is geen oppervlaktewater aanwezig in de omgeving van de projectlocatie.
De onderzoekslocatie vormt wel een geschikt habitat voor algemene amfibieënsoorten als de bruine kikker en de gewone pad. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de begroeiing en onder takken- of stenenhopen. Voor algemene amfibieënsoorten geldt in het kader van de Omgevingswet een vrijstelling, zodat een ontheffing bij verstoring niet noodzakelijk is. Het is echter wel zaak om aandacht te schenken aan de zorgplicht. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. Overige Van de overige soortgroepen, zoals dagvlinders, insecten en libellen, kan worden aangenomen dat deze soorten gedurende het jaar in het plangebied aanwezig kunnen zijn of dit gebied in de migratieroute hebben liggen.
28
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
Afhankelijk van het seizoen zijn mogelijk algemene soorten te vinden op/of binnen de planlocatie. Specifieke beschermende soorten zijn voornamelijk afhankelijk van specifieke terreinkenmerken met specifieke biotopen. Binnen het plangebied is een dergelijk biotoop niet aanwezig. Specifieke zorgplicht Er worden geen negatieve effecten verwacht voor de soorten die vallen onder de specifieke zorgplicht (voor zover niet in voorgaande paragrafen benoemd). Het voorkomen van deze soorten is op of in de directe omgeving van de projectlocatie niet vastgesteld en/of er is geen geschikt habitat op de onderzoekslocatie Het kan incidenteel gebeuren deze soorten ondanks de uitgevoerde quickscan, toch voorkomen op de projectlocatie en tijdens de activiteiten hinder ondervinden van de werkzaamheden. In dat geval kunnen negatieve gevolgen voorkomen worden door te voldoen aan de algemene zorgplicht of het inschakelen van een ecologisch deskundige.
2.3
Effecten van de ingreep De effecten op beschermde soorten zijn onderzocht op basis van het voornemen binnen het plangebied. Flora algemeen Er is geen bijzondere flora aangetroffen binnen het plangebied, negatieve effecten zijn uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Verstoring van algemene zoogdieren vindt mogelijk plaats. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als de egel, konijn en diverse muissoorten. De verblijfsplaatsen van deze soorten worden door de voorgenomen ingreep echter niet aangetast. Verblijfplaatsen van beschermde zoogdiersoorten zijn ter plaatse niet aangetroffen. Vleermuizen Het beschadigen van een verblijfplaats, vliegroute of foerageerhabitat van vleermuizen kan worden uitgesloten. Nader onderzoek in het kader van de soortenbescherming is niet noodzakelijk. Vogels Door de voorgenomen ingreep worden geen vogels en jaarrond beschermde nesten aangetast. Reptielen, amfibieën en vissen Er zijn geen reptielen, amfibieën en/of vissen instandhoudingsdoelstellingen komen niet in het gedrang.
waargenomen.
De
Overige Omdat er geen geschikt biotoop is waargenomen voor overige beschermde soorten, zijn negatieve effecten uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
29
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
Hoofdstuk 3
3 Conclusie en aanbevelingen Het natuuronderzoek is gebaseerd op inventarisatiegegevens van derden, literatuuronderzoek en een verkennend veldbezoek aan het plangebied. Het beeld dat uit het onderzoek naar voren is gekomen vormt voldoende basis om gefundeerd uitspraken te doen over de gevolgen van de voorgenomen werkzaamheden voor beschermde soorten en gebieden.
3.1
Conclusie Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Omgevingswet, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen: 1. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? 2. Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? 3. Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig? Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Alle sloopwerkzaamheden dienen bij voorkeur verricht te worden buiten het broedseizoen (15 maart t/m 15 juli).
Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een Omgevingswetvergunning voor de activiteit flora en fauna is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Omgevingsverordening voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Wat kort gezegd inhoudt dat al het mogelijke gedaan moet worden om het doden van dieren te voorkomen en eventueel aanwezige individuen te laten vluchten als zij verstoord worden.
30
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
Literatuur
Broekhuizen, S., Hoekstra, B., Laar, van, V., Smeenk, C. & Thissen, J.B.M., 1992 Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Stichting uitgeverij van de KNNV, Utrecht. Europese Gemeenschappen, Richtlijn no 92/409 inzake het behoud van de vogelstand. Brussel, 1979. Europese Gemeenschappen, Richtlijn no 92/43 inzake instandhouding van de natuurlijke habitat en de wilde flora en fauna. Brussel, 1992. Provinciale Omgevingsverordening Hollander, H., & Geest, van der, P., 1994. Rode-Lijst van bedreigde zoogdieren in Nederland. Red data book of threatened mammals in the Netherlands. Vereniging voor Zoogkunde en Zoogdierbescherming, Utrecht. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Ministerie van Volkshuisvesting. Ruimtelijke Ordening en milieu, 2004. Nota Ruimte. De Nederlandse libellen, Nederlandse Fauna, deel 4 Nationaal historisch museum, KNNV uitgeverij (2002) Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming (VZZ) Vleermuizen en planologie, Zoogdiervereniging (2010) Omgevingswet
www.waarneming.nl www.synbiosys.alterra.nl www.atlasleefomgeving.nl www.ravon.nl www.sovon.nl www.google.nl www.floron.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.natura2000.nl www.ecologica.eu
31
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
Bijlage 1 Waarnemingen
32
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
33
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
Bijlage 2 Effecten indicator soorten
34
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
35
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
36
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
37
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
38
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
39
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
40
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
41
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
42
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
43
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
Bijlage
3 Plan projectlocatie
Rood: te slopen stallen Blauw: te verbouwen achterhuis tot woning Groen: te behouden schuur tbv akkerbouwbedrijf
44
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
Bijlage
4 Rapport
Beschermde
SoortenIndicator
(BeSI)
45
Quickscan Soortenbescherming – Enterbroekweg 5 Markelo
Aanvraagdatum :
25-11-2025
Rapportnummer :
321548
Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI)
Op 25-11-2025 heeft u de Beschermde SoortenIndicator (BeSI) geraadpleegd. Dit rapport geeft u inzicht in mogelijk nadelige effecten van uw werkzaamheid op beschermde plant- en diersoorten op de door u aangegeven locatie.
Werkzaamheid De werkzaamheid die u heeft aangegeven uit te willen voeren is: Bouwwerk of deel van een bouwwerk slopen, of asbest verwijderen
Locatie De locatie waar u deze werkzaamheid uit wil voeren, heeft u als volgt aangegeven:
Locatie: 233730,90
/
477676,90
Oppervlakte: 2366
m2
De beschermde plant- en diersoorten die mogelijk nadelige effecten ondervinden van de uit te voeren werkzaamheid op de door u aangegeven locatie worden hieronder beschreven, inclusief een advies over hoe u met de soort rekening kunt houden. Bij iedere soort wordt vermeld of het een 1) vogel, 2) een zoogdier, 3) een andere diersoort dan vogel of zoogdier of 4) een plant is. Het BeSI-rapport heeft een signalerende functie. Informatie over de mogelijke vergunningsplicht van uw werkzaamheid krijgt u door de Vergunningcheck te doen. Dit rapport kunt u daarbij gebruiken om de vragen over natuur te beantwoorden. In de bijlage van het rapport worden de genoemde soorten uitgesplitst naar beschermingsregels.
1
Aanvraagdatum :
25-11-2025
Rapportnummer :
321548
Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI)
Antwoorden op vragen uit de Vergunningcheck Welke beschermde dieren en/of planten kunnen aanwezig zijn op de locatie van uw werkzaamheid? Vogels
Ja
Zoogdieren
Ja
Andere diersoorten dan vogels of zoogdieren
Ja
Planten
Nee
Zie de volgende pagina's voor meer informatie over de leefgebieden van deze wettelijk beschermde dieren en planten en een advies over hoe u met deze soorten rekening kunt houden.
Vogels Kunnen er op de locatie van uw werkzaamheid vogels aanwezig zijn waarvan het nest het hele jaar beschermd is?
Ja
Kunnen er op de locatie van uw werkzaamheid vogels aanwezig zijn waarvan het nest alleen tijdens het broedseizoen beschermd is?
Nee
Lees altijd de adviezen van de mogelijk aanwezige vogelsoorten. Sommige provincies hebben voor bepaalde soorten uitzonderingen.
Zoogdieren Kies alle zoogdieren die aanwezig kunnen zijn op de locatie van uw werkzaamheid. Vleermuizen
Ja
Eekhoorns
Nee
Steenmarters
Ja
Andere marterachtige dan steenmarters
Nee
Andere zoogdieren
Nee
2
Aanvraagdatum :
25-11-2025
Rapportnummer :
321548
Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI)
Soorten en adviezen Vogels Boerenzwaluw Beschrijving leefgebied:
De boerenzwaluw leeft op het boerenland, vaak in de buurt van water en vangt zijn voedsel in de lucht. Het voedsel bestaat uit enorme hoeveelheden kleine vliegende insecten. De boerenzwaluw broedt o.a. in boerenschuren, in loodsen en onder bruggen. Advies voor deze soort: Werk buiten het broedseizoen; de periode waarin het nest wordt gebouwd of waarin eieren en/of jongen aanwezig zijn. Voor de boerenzwaluw is dat van begin april (soms eind maart) tot half september (soms eind september). In Flevoland, Limburg en Overijssel zijn nesten jaarrond beschermd. In andere provincies ook, tenzij in de omgeving voldoende geschikte plekken zijn om een nieuw nest te bouwen. Om dat vast te stellen is vaak vooraf extra onderzoek nodig. Kijk voor meer informatie over jaarrond beschermde nesten in de (beleids)regels van de provincie. Huismus Beschrijving leefgebied:
De huismus komt meestal voor in de buurt van mensen en leeft dan vooral in struiken, het liefst met stekels die het hele jaar groen blijven, loofbomen en klimplanten. De huismus broedt in gebouwen, bijvoorbeeld onder dakpannen, en soms in klimop. Advies voor deze soort: Werk buiten het broedseizoen; de periode waarin het nest wordt gebouwd of waarin eieren en/of jongen aanwezig zijn. Voor de huismus is dat van maart tot half augustus (soms tot eind september). De huismus is zeer honkvast en is het hele jaar rondom het nest aanwezig. Daarom zijn de nesten jaarrond beschermd. Haal nesten nooit weg. Houd daarnaast bij werkzaamheden rekening met het behoud van het leefgebied van de huismus. Bijvoorbeeld door struiken of klimplanten rondom de nesten te laten staan. Raadpleeg voor meer informatie het kennisdocument over deze soort op de website van BIJ12. Spreeuw Beschrijving leefgebied:
De spreeuw leeft in allerlei gebieden, meestal in de buurt van bebouwing en graslanden, soms in bossen en dan vooral aan de (bos)randen. De spreeuw broedt onder andere in holtes van bomen, in schoorstenen van gebouwen en in nestkasten. Advies voor deze soort: Werk buiten het broedseizoen; de periode waarin het nest wordt gebouwd of waarin eieren en/of jongen aanwezig zijn. Voor de spreeuw is dat van half maart tot begin juli (soms tweede helft juli). Nesten zijn jaarrond beschermd, tenzij in de omgeving voldoende geschikte plekken zijn om een nieuw nest te bouwen. Om dat vast te stellen is vaak vooraf extra onderzoek nodig. Kijk voor meer informatie over jaarrond beschermde nesten in de (beleids)regels van de provincie. In Limburg geldt een uitzondering, daar zijn nesten alleen in het broedseizoen beschermd.
3
Aanvraagdatum :
25-11-2025
Rapportnummer :
321548
Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI) Steenuil Beschrijving leefgebied:
De steenuil komt vooral voor op erven van (voormalige) boerderijen en broedt daar meestal onder het dak of in een schuurtje. Sommige steenuilen broeden in de holten van knotwilgen. Advies voor deze soort: Werk buiten het broedseizoen; de periode waarin het nest wordt gebouwd of waarin eieren en/of jongen aanwezig zijn. Voor de steenuil is dat van april (soms eind maart) tot eind augustus. De steenuil gebruikt zijn nest het hele jaar ook als rustplek. Daarom zijn de nesten jaarrond beschermd. Haal nesten van de steenuil nooit weg. Raadpleeg voor meer informatie het kennisdocument over deze soort op de website van BIJ12.
Zoogdieren Boombewonende vleermuizen Beschrijving leefgebied:
Boombewonende vleermuizen leven in bossen, bosranden, lanen en parken. Ze verblijven daar in boomholtes, in scheuren in bomen en ruimten achter bast. Voorbeelden zijn de rosse vleermuis en de watervleermuis. Advies voor deze soort: De holtes en spleten waar boombewonende vleermuizen in leven zijn beschermd. Laat daarom in het leefgebied van boombewonende vleermuizen bomen staan. Hetzelfde geldt voor bossen, bosranden, lanen en parken omdat ze dienen als vliegroute en jachtterrein. Voorkom daarnaast het verlichten van de bomen en het leefgebied. Raadpleeg voor meer informatie over de rosse vleermuis en de watervleermuis de kennisdocumenten op de website van BIJ12. Gebouwbewonende vleermuizen Beschrijving leefgebied:
Gebouwbewonende vleermuizen leven in alle typen landschappen. Deze vleermuizen verblijven in gebouwen, onder andere achter betimmering en daklijsten, in spouwmuren, of onder dakpannen. Advies voor deze soort: Spleten en openingen in gebouwen waarin vleermuizen leven, zijn beschermd. Voorkom het verlichten van gevels waarin vliegopeningen zitten en het dichtmaken van invliegopeningen en holle ruimtes in muren en daken. Behoud bomenrijen, bosjes en water omdat ze dienen als vliegroute en jachtterrein. Voor meer info over de gewone dwergvleermuis en de gewone grootoorvleermuis: zie de kennisdocumenten op de website van BIJ12. Let op! Dit sluit het voorkomen van andere vleermuissoorten niet uit. Check daarnaast ook altijd natuurvriendelijkisoleren.nl. Steenmarter Beschrijving leefgebied:
De steenmarter leeft in Nederland op verschillende soorten plekken, maar is vooral te vinden in de buurt van dorpen, boerderijen en (zelfs in) grote steden. De steenmarter is vooral ’s nachts actief. Advies voor deze soort: Vermijd werkzaamheden in de kwetsbare periode. Voor de steenmarter is dit de periode dat de jongen worden geboren en bij de moeder blijven. Deze periode loopt van maart tot en met juli. In Friesland geldt voor de steenmarter het hele jaar een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. In Limburg geldt van 15 augustus tot en met eind februari een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud. Deze vrijstelling geldt niet voor het doden van steenmarters. Kijk voor meer informatie in de (beleids)regels van de provincie. 4
Aanvraagdatum :
25-11-2025
Rapportnummer :
321548
Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI)
Andere diersoorten dan vogels of zoogdieren Bruine kikker Beschrijving leefgebied:
De bruine kikker is een amfibie en leeft o.a. in sloten, poelen, vennen en tuin- en stadsvijvers. De soort leeft zowel in het water maar vaker nog op het land. De bruine kikker heeft een voorkeur voor water waar weinig of geen vis zit. Advies voor deze soort: In alle provincies geldt het hele jaar een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Niettemin geldt de zorgplicht; zorg daarom voor kleine oppervlaktewateren met weinig of geen vis zodat de larven van de bruine kikker niet worden opgegeten. Een deel van de dieren verblijft ook na de voortplanting in of bij het water. Laat daarom, ook in het kader van de zorgplicht, bij baggeren verwijderde modder en planten 24 uur op de oevers liggen zodat de bruine kikkers eruit kunnen kruipen. Gewone pad Beschrijving leefgebied:
De gewone pad is een amfibie en plant zich voort in poelen, vijvers, vennen, sloten en weteringen en zwak stromende beken. De gewone pad leeft buiten de voortplantingstijd (maart) vooral op het land. Advies voor deze soort: In alle provincies geldt het hele jaar een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Niettemin geldt de zorgplicht; zorg daarom voor poelen, vijvers en sloten waarin de gewone pad zich kan voortplanten. Voorkom sterfte op wegen door in de paartijd, als de padden trekken, schermen te plaatsen en/of wegen tijdelijk af te sluiten. Hazelworm Beschrijving leefgebied:
De hazelworm is een reptiel en leeft in heide, loofbos, schraal grasland, schrale bermen en soms ook in tuinen. Hazelwormen laten zich zelden zien en leven voor een groot deel ondergronds of schuilen onder planten. Advies voor deze soort: Houd bij de werkzaamheden rekening met het behoud van het leefgebied van de hazelworm. Bijvoorbeeld door voor extra schuilplaatsen te zorgen. In Limburg geldt van juli tot en met september een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud. Deze vrijstelling geldt niet voor het doden van hazelwormen. Kijk voor meer informatie in de (beleids)regels van de provincie. Heikikker Beschrijving leefgebied:
De heikikker is een amfibie en leeft vooral in vochtige gebieden die weinig of matig worden onderhouden. De heikikker komt voor in heide, hoogveen, laagveen, veenweidegebieden, half natuurlijk grasland en natte bossen. Advies voor deze soort: Vermijd werkzaamheden in de voortplantingsperiode en tijdens de winterrust. Voor de heikikker betekent dit werkzaamheden het beste kunnen worden uitgevoerd in de periode tussen 1 augustus en 1 oktober. Voer werkzaamheden stap voor stap uit en werk één kant uit zodat de dieren tussendoor rust krijgen en kunnen vluchten. De heikikker houdt niet van een gecultiveerde omgeving. Zorg daarom voor extensief beheer van water, oevers en het aangrenzende land. Raadpleeg voor meer informatie het kennisdocument over deze soort op de website van BIJ12.
5
Aanvraagdatum :
25-11-2025
Rapportnummer :
321548
Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI) Levendbarende hagedis Beschrijving leefgebied:
De levendbarende hagedis is een reptiel en leeft in (natte) heide, hoogveen en bosranden maar soms ook in drogere heide, langs spoorlijnen en in bermen. Levendbarende hagedissen ontwaken in maart uit hun winterslaap. Advies voor deze soort: Vermijd werkzaamheden in de voortplantingsperiode en tijdens de winterrust. Werk bij voorkeur tussen 15 augustus en 15 oktober. In Limburg geldt in deze periode een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud. Deze vrijstelling geldt niet voor het doden van levendbarende hagedissen. Kijk voor meer informatie in de (beleids)regels van de provincie. Houd ook rekening met het leefgebied. Bijvoorbeeld door planten en plaggen enkele dagen te laten liggen. Raadpleeg voor meer informatie het kennisdocument over deze soort op de website van BIJ12.
6
Aanvraagdatum :
25-11-2025
Rapportnummer :
321548
Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI) Hoe BeSI is gerealiseerd wordt beschreven in de onderstaande twee documenten: 1. Kwaliteitsborging Beschermde SoortenIndicator 2. Toelichting kansenkaarten beschermde soorten Bekijk deze documenten Disclaimer: In de Omgevingswet is vastgelegd dat iedere Nederlander zorgdraagt voor levende dieren en planten en hun directe omgeving. Dit noemen we de zorgplicht voor natuur. De Beschermde SoortenIndicator (BeSI) helpt u om aan deze zorgplicht te voldoen. In principe houdt BeSI rekening met alle Vogelrichtlijn-, Habitatrichtlijn- en andere wettelijk beschermde soorten. Ook wordt rekening gehouden met Rode-lijst soorten met een status ‘Bedreigd’ of ‘Ernstig bedreigd’. De voorwaarde die hierbij altijd geldt, is dat het mogelijk moet zijn om te berekenen hoe groot de kans is dat een soort voorkomt (kansenkaart). BeSI houdt alleen rekening met beschermde en bedreigde planten en dieren. Mogelijk gelden er ook andere natuurbeschermingsregels. Indien u daar meer informatie over wilt, Klik dan hier Het BeSI-rapport heeft alleen een signalerende functie van de mogelijk nadelige effecten van uw werkzaamheid op beschermde en bedreigde planten en dieren op de door u aangegeven locatie. Het BeSI-rapport is dus geen bindend advies. Het BeSI-rapport geeft geen informatie over een mogelijke vergunningsplicht van uw werkzaamheid.
Het geeft ook geen enkel oordeel over de inhoud of status van een vergunningsplichtig voorgenomen werkzaamheid. Raadpleeg hiervoor de vergunningcheck uit het Omgevingsloket. Het BeSI-rapport wordt gemaakt op basis van de huidige beschikbare informatie over beschermde en bedreigde planten en dieren. Als u later dan drie maanden na het maken van het BeSI-rapport start met uw werkzaamheid, dan wordt geadviseerd een nieuw actueel rapport te maken. Bewaar het door u gemaakte BeSI-rapport goed. Het kan zijn dat ernaar wordt gevraagd, bijvoorbeeld door de gemeente waar u de werkzaamheid uitvoert.