03 TAM omgevingsplan Kluunvenneweg 6 Markelo Motivering.pdf
Tekst van het document
Datum: Fase: Planid:
ontwerp NL.IMRO.1735.BGxKluunvenneweg6-OP10
TAMOMGEVINGSPLAN
TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo
TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo
TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo
Inhoudsopgave
Motivering
2
3
Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7
Inleiding Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Geldend omgevingsplan Doelen van de wet TAM-omgevingsplan De bij het plan behorende stukken Leeswijzer
4 4 4 5 6 6 7 7
Hoofdstuk 2 2.1 2.2
Het plan Huidige situatie Toekomstige situatie
8 8 9
Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3
Beleid Rijksbeleid Provinciaal beleid Overijssel Gemeentelijk beleid
10 10 11 18
Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13
Aspecten fysieke leefomgeving Plan milieueffectrapportage Milieubelastende activiteiten Geur Bodem Geluid Luchtkwaliteit Omgevingsveiligheid Water Natuurwaarden Archeologie en erfgoed Trillingen Verkeer / parkeren Gezondheid
19 19 20 21 22 23 24 26 27 28 31 32 33 33
Hoofdstuk 5 5.1 5.2
Toelichting op de regels Inleiding Opzet regels
34 34 34
Hoofdstuk 6
Kostenverhaal
37
Hoofdstuk 7 7.1 7.2 7.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voorkantsamenwerking Participatie Zienswijzen
38 38 38 38
ontwerp
TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo
Motivering
ontwerp
3
TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding Voor de locatie 'Kluunvenneweg 6' in Markelo is voorliggend TAM-omgevingsplan ontwikkeld. De eigenaren van het agrarisch bedrijf, hierna: de initiatiefnemers, willen stoppen met het houden van vee en verder gaan met een akkerbouwfunctie. Vandaar dat ze meedoen aan de LBV-regeling, de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties. De bestaande bedrijfswoning en drie bedrijfsgebouwen blijven voor de akkerbouwfunctie behouden. De bedrijfsgebouwen, waarin vee gehouden werd, worden gesloopt. De kuilvoerplaten zijn reeds verwijderd. Het uitsluiten van vee is niet bij recht mogelijk binnen het omgevingsplan van de gemeente Hof van Twente. Hierdoor is het wijzigen van het omgevingsplan wenselijk. Voorliggend plan voorziet daarin.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied De locatie waar de ontwikkeling plaatsvindt, staat kadastraal bekend als: gemeente Markelo; sectie O; perceelnummers 996, (deels) 995 en (deels) 225. In figuur 1 is de globale ligging van het plangebied door middel van een rode druppel aangegeven.
Figuur 1.1: globale ligging plangebied (bron: Google Maps) Begrenzing In figuur 2 is de begrenzing van het plangebied aangegeven door middel van een rode omkadering. Het plangebied wordt aan alle zijden begrensd door agrarische gronden.
4
ontwerp
TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo
Figuur 1.2: begrenzing plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.3
Geldend omgevingsplan Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Hof van Twente, waarin diverse tijdelijke onderdelen zijn opgenomen. In dit geval zijn specifiek de tijdelijke onderdelen bestemmingsplan ‘Buitengebied Hof van Twente’ en bestemmingsplan ‘Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2023’ van belang, omdat hier de planologische mogelijkheden voor de gronden binnen het plangebied opgenomen zijn. Op te merken is dat het veegplan een actualisatie is van de regels uit het oorspronkelijke moederplan bestemmingsplan ‘Buitengebied Hof van Twente’. De plankaart is echter niet aangepast, waardoor uitgegaan moet worden van de plankaart behorende bij het moederplan. In figuur 1.3 is daar een uitsnede van opgenomen, waarbij het plangebied rood is omkaderd.
ontwerp
5
TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo
Figuur 1.3: uitsnede geldende plankaart (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Zoals reeds beschreven is het uitsluiten van vee binnen het agrarische bouwvlak niet een mogelijkheid die opgenomen is in het omgevingsplan van de gemeente Hof van Twente. De gewenste omschakeling kan worden gerealiseerd door middel van het opnemen van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – houden van vee uitgesloten’ ín de regels van het omgevingsplan. Hiervoor is een omgevingsplanwijziging noodzakelijk.
1.4
Doelen van de wet Het vaststellen van een omgevingsplan staat volledig in het teken van het bereiken van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow). Artikel 1.3 van de Ow geeft aan dat de wet, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, is gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Artikel 2.1, eerste lid, van de Ow schrijft voor dat bestuursorganen, dus ook het gemeentebestuur, de taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefenen met het oog op deze maatschappelijke doelen.
1.5
TAM-omgevingsplan Een TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat los staat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Een TAM-omgevingsplan maakt gebruik van de techniek voor planvorming zoals dat gebruikt werd onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Deze techniek betreft de
6
ontwerp
TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo
uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening Ruimtelijkeplannen.nl. De TAM-omgevingsplannen plannen maken deel uit van het nieuwe deel van het omgevingsplan. Het is immers een wijziging van het omgevingsplan van rechtswege, alleen wordt die opgesteld, bekendgemaakt en beschikbaar gesteld met de IMRO-techniek. TAM-omgevingsplannen hebben weliswaar de technische vorm van de bestemmingsplannen die deel zijn van het tijdelijk deel, maar juridisch gezien vallen ze onder het nieuwe deel. Ze moeten dus ook voldoen aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en van de provincie.
1.6
De bij het plan behorende stukken Het onderhavige TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken. Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1735.BGxKluunvenneweg6-OP10). Bijlagen bij de motivering. Regels.
1.7
Leeswijzer De motivering van het omgevingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleids- en wettelijke kader van het rijk, provincie en de gemeente. In hoofdstuk 4 worden de omgevingsaspecten belicht. In hoofdstuk 5 wordt het omgevingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op het kostenverhaal en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.
ontwerp
7
TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo
Hoofdstuk 2 2.1
Het plan
Huidige situatie In de huidige situatie van het plangebied is een agrarisch erf aanwezig met een bedrijfswoning. De agrarische bedrijfsgebouwen, waarin het vee gehouden werd, zijn reeds gesloopt evenals de kuilvoerplaten. Aan de westzijde van het plangebied zijn een haag en enkele houtopstanden aanwezig en aan de voorzijde van het erf een oprit met diverse groenvoorzieningen. Aan de oostzijde van het erf zijn een groot tuin met een overkapping en een glazen kwekerij kas aanwezig. De ontsluiting van het plangebied vindt plaats op de Kluunvenneweg. Deze weg ligt op circa 1 kilometer van de dichtstbijzijnde provinciale weg N 755. Vanuit deze weg in noordelijke richting is de A1 eenvoudig te bereiken. In figuur 2.1 is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie van het plangebied. In figuur 2.2 is een vooraanzicht van het plangebied weergegeven.
Figuur 2.1: Luchtfoto plangebied (bron: Cyclomedia, obliekviewer)
8
ontwerp
TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo
Figuur 2.2: Vooraanzicht plangebied (bron: Cyclomedia, streetview)
2.2
Toekomstige situatie In de toekomstige situatie van het agrarische erf is het houden van vee uitgesloten. De agrarische bedrijfsgebouwen die gebruikt werden voor het houden van vee zijn reeds gesloopt en weergegeven in figuur 2.3. Ook zijn de kuilvoerplaten verwijderd. Deze agrarische bebouwing had een bebouwingsoppervlak van circa 1.503 m². Het uitsluiten van vee op het erf wordt gedaan door de huidige aanduiding 'intensieve veehouderij' te schrappen en een nieuwe aanduiding op te nemen ter hoogte van het agrarische bouwvlak. Dit bouwvlak is opnieuw vormgegeven conform de nieuwe situatie op het erf, teneinde toekomstige bouw van agrarische bedrijfsgebouwen te voorkomen.
Figuur 2.3: de te slopen agrarische bedrijfsgebouwen (bron: initiatiefnemer)
ontwerp
9
TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo
Hoofdstuk 3
Beleid
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.
Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Toets Er wordt middels voorliggend plan meegedaan aan de LBV-regeling, de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties. Het doel van deze regeling is om de stikstofuitstoot vanuit de veehouderij te verminderen, zodat natuurgebieden kunnen herstellen. Hiermee is sprake van een nationaal belang, waaraan middels voorliggend plan wordt bijgedragen.
3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. In artikel 5.129g Bkl staat dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorzieninig of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.
10
ontwerp
TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo
Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak over de Ladder (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724). De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. De Ladder toets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of er een nieuw of groter beslag op de ruimte is. Het gaat dus om een stedelijke ontwikkeling die een nieuw of groter planologisch beslag legt op de ruimte. Of, als er alleen een wijziging van de gebruiksfunctie is, op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten heeft. Voor de Ladder is van belang in hoeverre het plan: in vergelijking met het vorige plan, voorziet in een functiewijziging; en welk planologisch beslag op de ruimte het plan mogelijk maakt in vergelijking met het vorige plan. Daarbij gaat het enerzijds over bestaande bebouwing en ook over de bebouwing die op grond van het geldende omgevingsplan nog gebouwd kan worden, inclusief verleende omgevingsvergunningen voor een omgevingsplan activiteit waarbij is afgeweken van het omgevingsplan. Ook als de Ladder niet van toepassing is. Dan moet wel de evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden gemotiveerd.
Toets In voorliggend plan is sprake van een afname van het beslag op de ruimte. De overbodige agrarische bedrijfsgebouwen met een oppervlak van circa 1.503 m² zijn immers gesloopt. Tevens wordt het agrarische bouwvlak beperkt ten opzichte van de huidige situatie en wordt het houden van vee uitgesloten. Gezien de afname in de planologische mogelijkheden en bebouwde oppervlakte wordt geacht dat in voorliggend plan geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Als de Ladder niet van toepassing is, dan moet altijd nog wel gemotiveerd worden dat er sprake is van ETFAL. In de voorliggende motivering wordt daarin voorzien. De toetsing aan de relevante milieu- en omgevingsaspecten vindt plaats in Hoofdstuk 4. 3.1.3
Conclusie Rijksbeleid De in voorliggend TAM-omgevingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling is volledig in overeenstemming met het Rijksbeleid.
3.2
Provinciaal beleid Overijssel
3.2.1
Omgevingsvisie Overijssel De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel en heeft een wettelijke basis in de Ow . In de omgevingsvisie bekijken we onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Ons beleid voor de fysieke leefomgeving staat primair in dienst van de sociaal-economische ontwikkeling van Overijssel. Ontwikkeling die nodig is om Overijssel toekomstbestendig te houden. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.
ontwerp
11
TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo
3.2.2
Omgevingsverordening Overijssel De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening richt zich - net zo breed als de Omgevingsvisie Overijssel - op de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. Dit betekent dat regels worden gesteld op het gebied van de ruimtelijke ordening, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, landschappen, natuur en cultureel erfgoed. Daarmee geeft de provincie invulling aan de opdracht van artikel 2.6 van de Ow om één omgevingsverordening vast te stellen met daarin alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving in Overijssel.
3.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes; ontwikkelingsperspectieven; gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts.
De generieke beleidskeuzes zijn normstellend en betreffen randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.
12
ontwerp
TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo
De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal-economische redenen in haar Omgevingsvisie of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Onder gebiedskenmerken worden de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype verstaan, die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. De generieke beleidskeuzes zijn bepalend voor de vraag of een initiatief mogelijk is. Hieronder wordt het plan getoetst aan de relevante artikelen uit de Omgevingsverordening Overijssel 2024. Artikel 4.5 zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat: a. er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied;
ontwerp
13
TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo
b. de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en c. mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. Toets De bebouwde oppervlak in de Groene Omgeving is afgenomen door de sloop van de overbodige agrarische bedrijfsgebouwen. Door het agrarische bouwvlak daarop aan te passen c.q. te verkleinen, kunnen op de plek waar de gebouwen gesloopt zijn, geen nieuwe bedrijfsgebouwen teruggebouwd worden. Hiermee wordt de verdere verstening van de Groene Omgeving voorkomen. Geacht wordt dat hiermee voldaan wordt aan het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, zoals bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel. Artikel 4.6 toekomstbestendigheid In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn en dus: a. de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien niet in gevaar brengen; b. duurzaam en evenwichtig bijdragen aan het welzijn van mensen, economische welvaart en het beheer van natuurlijke voorraden; en c. ook op lange termijn toegevoegde waarde hebben. Toets De agrarische functie binnen het plangebied blijft behouden in de vorm van een akkerbouwfunctie.
Dit betekent dat het agrarische bedrijf wordt voortgezet. Geacht wordt dat hiermee voldaan wordt aan toekomstbestendigheid, zoals bedoeld in artikel 4.6 van de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel. Artikel 4.8 ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken. Artikel 4.9 onderbouwing ruimtelijke kwaliteit Lid 1 Omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin: a. het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) uit de omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast; b. wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en c. inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagen benadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (Bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Toets Voorliggend plan voorziet in de toetsing van het plan aan het uitvoeringsmodel (OF-, Waar- en HOE-benadering) uit de Omgevingsvisie Overijssel. Daarbij wordt aan de hand van het geldende ontwikkelingsperspectief gemotiveerd dat het plan passend is. Tevens wordt er getoetst aan de geldende gebiedskenmerken volgens de catalogus Gebiedskenmerken.
Omdat er weinig feitelijke ingrepen plaatsvinden op het erf, wordt gesteld dat er geen afbreuk gedaan wordt aan de bestaande ruimtelijke kwaliteit. Aan de artikelen 4.8 'ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit' en 4.9 'onderbouwing ruimtelijke kwaliteit' wordt voldaan.
14
ontwerp
TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo
Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de Groene Omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke omgeving van belang, oftewel Groene Omgeving. In figuur 3.2 is een uitsnede van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven (zie rode markering).
Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart (bron: provincie Overijssel) Het plangebied (zie rode markering) ligt binnen het 'Ontwikkelingsperspectief Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap'. Dit ontwikkelingsperspectief omvat gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming de ruimte krijgt. Die ruimte kan verdiend worden door te investeren in kwaliteitsvoorwaarden. Onder verduurzaming wordt hier verstaan: realisatie van de waterkwaliteitsdoelen, gezondheid en welzijn van mens en dier, bijdrage aan de energietransitie, natuuropgaven, klimaatbestendigheid en ketenoptimalisatie, en ontwikkelen met aandacht voor – en waar mogelijk in dialoog met – omwonenden. Agrarische ondernemers staan voor de uitdaging om hun – vaak grote – gebouwen en erven zo vorm te geven dat ze passen bij maat en schaal van het landschap en de ruimtelijke en milieukwaliteit versterken. Verder biedt dit ontwikkelingsperspectief ruimte aan concurrerende en innovatieve vormen van landbouw en aan opwekking van hernieuwbare energie. Denk daarbij aan zonnepanelen, maar ook aan windenergie en biovergisters. Wat betreft windenergie liggen vanuit de optiek van rendement de beste (wind)kansen in het noorden en noordwesten van de provincie: daar waait het hardst.
Tot slot mogen initiatieven binnen dit ontwikkelingsperspectief de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw in principe niet beperken en dienen aan te sluiten bij de bestaande bebouwing, weginfrastructuur en openbaar vervoer (ov)-routes. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de landbouw, rekening houdend met specifieke omstandigheden en de grenzen aan de mogelijkheden van het waterbeheer (onder andere door de klimaatverandering). Toets: De plannen van de initiatiefnemer worden geacht passend te zijn binnen het geldende ontwikkelingsperspectief, aangezien middels het uitsluiten van vee wordt bijgedragen
ontwerp
15
TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo
aan natuuropgaven. Het uitsluiten van vee leidt immers tot de vermindering van de uitstoot van stikstof die normaal gesproken ontstaat bij het houden van vee en neerslaat op natuurgebieden. Hierdoor zal de milieukwaliteit van natuurgebieden op den duur verbeteren. Daarnaast wordt het agrarische bedrijf met het uitsluiten van vee niet geheel beëindigd, aangezien de initiatiefnemers verder zullen gaan met een akkerbouwfunctie. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw worden derhalve niet onevenredig beperkt. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De kwaliteitsopgaven en -voorwaarden op basis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke -inpassing, infrastructuur,- milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc. De gebiedskenmerken zijn over het algemeen richtinggevend of inspirerend. De provincie onderscheidt de volgende vier lagen: a. Natuurlijke laag. b. Laag van het agrarisch cultuurlandschap. c. Stedelijke laag. d. Laag van de beleving. Gelet op de ligging van het plangebied in het landelijk gebied, zijn er voor de stedelijke laag en laag van de beleving geen kenmerken zichtbaar. Deze lagen worden dan ook buiten beschouwing gelaten.
Natuurlijke laag De natuurlijke laag geeft aan het plangebied het kenmerk 'Dekzandvlakte en ruggen'. In figuur 3.3 is een uitsnede opgenomen van de kaart van de gebiedskenmerken behorende bij de Omgevingsvisie Overijssel, waarop de ligging van het plangebied in de natuurlijke laag is weergegeven (zie rode markering).
Figuur 3.3: fragment Omgevingsvisie Overijssel 2024, de natuurlijke laag (bron: provincie Overijssel) De Dekzandvlakte en ruggen wordt gekenmerkt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. Als ontwikkelingen plaatsvinden binnen de Dekzandvlakte en ruggen, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens het uitgangspunt bij een (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)-richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt.
16
ontwerp
TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo
Toets Met de realisatie van voorliggend plan wordt geen afbreuk gedaan aan de kenmerken van de natuurlijke laag. Het plan heeft immers betrekking op een bestaand agrarisch erf waar feitelijke ingrepen hebben plaatsgevonden. Geacht wordt dat de kenmerken van de natuurlijke laag binnen het plangebied daarom niet aanwezig zijn. Laag van het agrarisch cultuurlandschap De laag van het agrarisch cultuurlandschap geeft aan het plangebied het kenmerk 'Jong heide- en broekontginningslandschap'. In figuur 3.4 is een fragment weergegeven van de ligging van het plangebied in de laag van het agrarisch cultuurlandschap.
Figuur 3.4: fragment Omgevingsvisie Overijssel 2024, de laag van het agrarisch cultuurlandschap (bron: provincie Overijssel) De kenmerken van het jong heide- en broekontginningslandschap zijn grote oppervlakte aan - voormalige - natte en droge heide gronden, die oorspronkelijk functioneel verbonden was met het essen- en oude hoevenlandschap. Vroeger werd hier geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal. In de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht. De ambitie is de ruimtelijke kwaliteit van deze gebieden een stevige impuls te geven en soms een transformatie wanneer daar aanleiding toe is. Toets Met de realisatie van voorliggend plan wordt geen afbreuk gedaan aan de kenmerken van de laag van het agrarisch cultuurlandschap. Zoals reeds beschreven heeft het plan betrekking op een bestaand agrarisch erf waar feitelijke ingrepen hebben plaatsgevonden. Geacht wordt derhalve dat de kenmerken van het landschap binnen het plangebied niet aanwezig zijn en niet verder aangetast kunnen worden als gevolg van voorliggend plan. 3.2.4
Conclusie provinciaal beleid Geconcludeerd wordt dat de in dit TAM-omgevingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
ontwerp
17
TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Strategische visie, Hof van Twente, zicht op 2030 Algemeen In 'Hof van Twente, zicht op 2030' heeft de gemeente Hof van Twente de toekomstvisie voor haar grondgebied vastgelegd. De gemeenteraad heeft de strategische visie op 1 juni 2010 definitief vastgesteld. De visie bevat naast een overzicht van te verwachten trends en ontwikkelingen ook informatie over de gewenste identiteit voor Hof van Twente. Over deze gewenste identiteit is in januari 2009 meegedacht door ruim 60 inwoners uit allerlei geledingen van de gemeente en daarbuiten. In 20 streefbeelden geeft het gemeentebestuur aan in welke richting het beleid voor de komende jaren moet worden ontwikkeld. Streefbeeld 10 is voornamelijk van belang in voorliggend geval. Deze wordt hierna behandeld. Streefbeeld 10: Unieke landschappelijke en cultuurlandschappelijke kwaliteiten verder ontwikkeld Het landschap, de parel van Hof van Twente, heeft in 2030 nog altijd een belangrijke plaats. De structuur van het landschap, met deelgebieden stuwwal/verzamelgebied (westelijk), dekzandgebied (midden) en plateau (oostelijk), maar ook het reliëf en het watersysteem zijn leidend. In de waardevolle ensembles (landschap met natuur- en cultuurhistorische waarden) wordt behoud, onderhoud en herstel van cultuurhistorische en ecologische waarden in praktijk gebracht.
Voltooiing van de ecologische hoofdstructuur is eveneens een herkenbaar resultaat. In 2030 is deze een feit. Bestaande natuurgebieden zijn binnen de gemeente en daarbuiten verbonden met elkaar, waardoor duurzame instandhouding van flora en fauna mogelijk is geworden. De reconstructieplannen die aan het begin van de eeuw zijn gemaakt, zijn uitgevoerd. Dit betekent dat ruimtelijke knelpunten, zoals agrarische bedrijven in de directe nabijheid van natuur of milieuhinderveroorzakende bedrijven in het buitengebied, zijn opgelost. Voor nieuwe inrichting van het landschap door functiewijziging zijn oorspronkelijke landschapstypen richtinggevend. Landgoederen hebben in 2030 hun ruimtelijke visies uit het begin van de eeuw uitgevoerd en de Bovenregge slingert weer als vanouds door het landschap. Dit lint van water door het landschap refereert aan de historie. Het project Bovenregge van Schipbeek tot Elsenerbroek visualiseert de verbinding tussen stad en landelijk gebied. Toets Middels voorliggend plan wordt het houden van vee binnen het plangebied uitgesloten. Zoals reeds beschreven wordt dit gedaan in het kader van de LBV-regeling, de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties, waarmee een steentje bijgedragen wordt aan het verwezenlijken van de nationale opgave ten aanzien van de natuur.
Dit gaat echter niet ten koste van de landbouw binnen de gemeente, aangezien de initiatiefnemers verder gaan met een akkerbouwfunctie. Aangezien de agrarisch-economische bedrijvigheid in het buitengebied behouden blijft en tevens wordt voorzien in herstel van de natuur en er verder geen afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en cultuurlandschappelijke kwaliteit van het gebied, wordt geacht dat dit plan in overeenstemming is met de 'Strategische visie, Hof van Twente, zicht op 2030'. Conclusie Geconcludeerd wordt dat voorliggend plan in overeenstemming is met gemeentelijk beleid.
18
ontwerp
TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo
Hoofdstuk 4 4.1
Aspecten fysieke leefomgeving
Plan milieueffectrapportage Met de Ow verandert de grondslag van de milieueffectrapportage (mer). Afdeling 16.4 van de Ow bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Ow. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen: de EU-richtlijn mer (mer-richtlijn): richtlijn over de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en private projecten de EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling (smb-richtlijn): richtlijn over de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project. In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen: De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan of programma (artikel 16.34, eerste lid Omgevingswet).
In de Omgevingswet is opgenomen dat een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing aan die vereisten voldoen. De tweede eis is dat het plan of programma een kader vormt voor besluiten voor mer-(beoordelings)plichtige projecten (artikel 16.36 Omgevingswet) of dat er een passende beoordeling voor een plan of programma nodig is. In kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de mer-(beoordelings)plichtige projecten opgenomen. De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een plan-milieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn: 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan. Het plan is niet direct plan-mer-plichtig, maar er moet wel een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. De mer-(beoordelings)plichtige projecten zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V Omgevingsbesluit.
Daarnaast komen de projecten waarvoor het omgevingsplan het kader vormt niet boven de drempel van kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit. Er kan dan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling als: a. het plan een kleine wijziging van een plan of programma is; b. het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid 3 en 4 Omgevingswet) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten: Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt
ontwerp
19
TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo
geen MER gemaakt. Toets Het uitsluiten van vee wordt niet benoemd in kolom 1 van Bijlage V van het Ob. Er is geen andere functie, waaraan logischerwijs kan worden aangesloten. Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken ( art. 16.36, lid 3, Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht. Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob. Dit kan in sommige gevallen gemotiveerd worden op basis van jurisprudentie. Als een project voorziet in een (gedeeltelijke) functiewijziging, maar de bebouwde oppervlakte hetzelfde blijft, lijkt gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) geen sprake te zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. Hoewel in de bovenstaande uitspraak de centrale vraag was of een ontwikkeling al dan niet als een stedelijk ontwikkelingsproject moest worden aangemerkt — en daarmee of het Besluit m.e.r.
van toepassing was — wordt gesteld dat de daarvoor relevante aspecten, namelijk de uitbreiding van de bebouwde oppervlakte, de opzet en de vormgeving van de ontwikkeling, ook in dit geval kunnen worden gebruikt om te beoordelen of de voorgenomen ontwikkeling aanzienlijke milieueffecten kan veroorzaken, zoals dat eveneens het geval is bij een stedelijk ontwikkelingsproject Voorliggend plan voorziet in het uitsluiten van vee op het agrarisch bedrijf als onderdeel van de LBV regeling. Het doel van de regeling is om de stikstofuitstoot vanuit de veehouderij te verlagen, zodat natuur die daarvoor gevoelig is, kan herstellen. Daarbij heeft door het slopen van twee agrarische bedrijfsgebouwen een forse reductie van de aanwezige bebouwing plaatsgevonden. Gelet hierop zijn aanzienlijke milieueffecten als gevolg van dit plan niet te verwachten. Sterker nog: het plan levert een positieve bijdrage op voor het milieu door vermindering van stikstof. Hierdoor wordt geacht dat er geen sprake is van een project-m.e.r. plicht of project-m.e.r. beoordelingsplicht. Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat voorliggend plan niet voorziet in een project als bedoeld in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Er is geen sprake van een project-m.e.r. plicht of project-m.e.r. beoordelingsplicht. Vanuit het aspect 'Plan milieueffectrapportage' zijn geen belemmeringen voor voorliggend plan.
4.2
Milieubelastende activiteiten De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Het maatschappelijk doel hierbij is 'ruimte voor ontwikkeling en waarborgen voor kwaliteit'. Om dit doel te bewerkstelligen is het ruimtelijk- en milieuspoor verder geïntegreerd. In de bijlage bij artikel 1.1. van de Ow wordt het begrip Milieubelastende activiteit (Mba) als volgt gedefinieerd: 'activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringstechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit'. Dit heeft betrekking op alle activiteiten die mogelijk een negatief effect op het milieu kunnen hebben. Om te bepalen of er sprake is van een Mba moet een check worden gedaan of er instructieregels uit het Bkl, Bal of Bbl van toepassing zijn op het project. Hieronder vallen ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, niet-plaatsgebonden activiteiten en
20
ontwerp
TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo
tijdelijke activiteiten, dit kunnen ook beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis zijn. De instructieregels in het Bkl zijn bijvoorbeeld niet van toepassing op het wonen zelf, maar wel op beroepen en bedrijven aan huis. Naast de instructieregels hebben gemeenten zelf de beleidsvrijheid om in het omgevingsplan aanvullende milieuregels en/of voorwaarden te stellen voor Mba's. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld het houden van huisdieren of het gebruik van kachels en openhaarden. Met het oog op een veilige en gezonde leefomgeving is het uitgangspunt: het aanhouden van voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige gebouwen en locaties. De VNG heeft gewerkt aan een hulpmiddel die kan worden toegepast voor het plannen en toetsen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen: 'Milieuzonering nieuwe stijl'. De VNG-uitgave 'Milieuzonering nieuwe stijl' gaat uit van zones die die bij een grotere afstand tot gevoelige functies en locaties (bijvoorbeeld wonen) uitgaat van een oplopende gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf. Daarbij staat het reguleren van gebruiksruimte voor geluid en geur centraal in de nieuwe systematiek voor milieuzonering.
Daarbij wordt aansluiting gezocht bij het Bkl waar 'gebruiksruimte' een belangrijk begrip is (zie paragraaf 3.3 "Sturen op de verdeling van gebruiksruimte onder de Omgevingswet" van de Nota van toelichting bij het Bkl. De gebruiksruimte van milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) is de milieuruimte die een milieubelastende activiteit op grond van het omgevingsplan mag benutten voor het uitoefenen van de bedrijfsvoering. Toets In voorliggend plan worden er geen nieuwe milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt binnen het plangebied, maar nemen deze juist af door het beperken van de planologische gebruiks- en bouwmogelijkheden. Dit is goed voor het woon- en leefklimaat van omwonenden, aangezien een zware functie met bijbehorende hinder (houden van vee) verdwijnt en men verder gaat met een (reeds bestaande) functie die minder zware belasting heeft op de omgeving (akkerbouw). Een nadere toetsing aan de VNG uitgave wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit dit aspect geen belemmeringen zijn voor voorliggende ontwikkeling.
4.3
Geur In paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk: Zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2) Het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3) Andere agrarische activiteiten In artikel 5.92 Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake
ontwerp
21
TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo
van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Dit betekent dat er sprake is van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden. Toets Voorliggend plan voorziet in het planologisch uitsluiten van vee op het agrarisch bedrijf als onderdeel van de LBV regeling. Het doel van de regeling is om de stikstofuitstoot vanuit de veehouderij te verlagen, zodat natuur die daarvoor gevoelig is, kan herstellen. De initiatiefnemers gaan verder met de akkerbouwfunctie. Deze functie is al toegestaan op basis van het omgevingsplan. Er worden geen nieuwe geurbelastende activiteiten mogelijk gemaakt. Geur onderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit dit aspect geen belemmeringen zijn voor voorliggend plan.
4.4
Bodem Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Toets Er is in voorliggend plan geen sprake van het mogelijk maken van een bodemgevoelig gebouw of een nieuwe bodemgevoelige functie. Ook wordt de huidige functie binnen het plangebied niet gevoeliger en vinden er geen bodemingrepen voor nieuwbouw plaats. Bodemonderzoek is daarom niet noodzakelijk. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit dit aspect geen belemmeringen zijn voor voorliggend plan.
22
ontwerp
TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo
4.5
Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidsgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Geluidsgevoelige gebouwen In artikel 3.20 van het Bkl zijn de geluidsgevoelige gebouwen aangewezen. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond de woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: woningen Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in artikel 5.78t van het Bkl. Mocht er door een gemeente nog geen geluidaandachtsgebied in het omgevingsplan zijn opgenomen, dan gelden de afstanden uit artikel 17.5 Omgevingsregeling: voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 meter; voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 meter. In het Bkl zijn eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. In onderstaande tabel zijn de standaardwaarden en grenswaarden weergegeven.
Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden. Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter als aanvaardbaar beoordeeld worden (artikel 5.78u tot en met 5.78ad Bkl). Een grenswaarde is een uiterste grens waar niet van mag worden afgeweken. Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde zal beschouwd moeten worden welke maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting te verlagen tot de standaardwaarden. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze: 1. geluidbeperkende maatregelen niet mogelijk zijn;
ontwerp
23
TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo
2. de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk beperkt zijn door het treffen van geluidbeperkende maatregelen; 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overwogen zijn die financieel doelmatig en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan; 4. het gecumuleerd geluid de grenswaarde niet overschrijdt; 5. het gezamenlijke geluid is bepaald en de grenswaarde niet overschrijdt; 6. besluit tot het treffen van geluidwerende maatregelen. Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden. Geluid door activiteiten In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een geluidgevoelig gebouw planologisch wordt mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.
Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen. Toets Met het voorgenomen plan worden geen nieuwe geluidgevoelige functies en gebouwen opgericht. Ook vinden er geen nieuwe geluidbelastende activiteiten plaats. Dit plan voorziet enkel in het uitsluiten van vee als onderdeel van de LBV regeling. Verdere toetsing aan het aspect geluid is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit dit aspect geen belemmeringen zijn voor voorliggend plan.
4.6
Luchtkwaliteit Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden
24
ontwerp
TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo
voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Bkl. Voor vergunningsplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl.
De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
Toets Met het voorgenomen plan vinden er geen nieuwe activiteiten plaats die in betekenende mate invloed hebben op de luchtkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling betreft enkel het uitsluiten van vee als onderdeel van de LBV regeling. Het doel van de regeling is om de stikstofuitstoot vanuit de veehouderij te verlagen, zodat natuur die daarvoor gevoelig is, kan herstellen. Met voorliggende plan wordt het houden van vee uitgesloten, waardoor de stikstofuitstoot van het bedrijf word gereduceerd. Hierdoor zal er per saldo sprake zijn van een verbetering van de luchtkwaliteit, aangezien dezelfde hoeveelheid stikstof niet meer in de lucht terechtkomt. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit dit aspect geen belemmeringen zijn voor voorliggend plan.
ontwerp
25
TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22r Kluunvenneweg 6 Markelo
4.7
Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.