CConstaterende datHofvantwente
Koppel je AI →
Document · PDF

02 TAM-omgevingsplan Bentelosestraat 45 Bentelo Motivering.pdf

Gemeenteraad 1 juni 2026, gemeente HofvantwenteBij agendapunt: 8: TAM Omgevingsplan gemeente HvT Hoofdstuk 22ag Bentelosestraat 45 Bentelo21.360 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In ruil voor de sloop van de niet karakteristieke gebouwen en een verbetering van de landschappelijke inpassing, kan een landhuis worden toegestaan met gebruikmaking van te behouden bebouwing of gedeeltelijke nieuwbouw. Hiermee wordt ingespeeld op de vraag naar ruimere woningen in het landelijk gebied. De mogelijkheden zijn afhankelijk van de bijdrage aan het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit, de leefbaarheid, de instandhouding van "groene" ruimte functies, het uitsluiten of saneren van niet-agrarische bedrijven, etc. Aan de architectuur en landschappelijke inpasbaarheid worden hoge eisen gesteld. Het totaalplan moet een duidelijke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit opleveren.

4.3.1.3

Toetsing van het initiatief aan de Structuurvisie Landelijk gebied Voorliggend plan wordt mogelijk gemaakt op basis van het gemeentelijke beleid voor nieuwe landgoederen. Het initiatief voldoet aan de randvoorwaarden gesteld door de gemeente. Een verdere toetsing aan de voorwaarden vindt plaats in paragraaf 4.3.2.3. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de Structuurvisie Landelijk gebied.

28

vastgesteld

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22ag Bentelosestraat 45 Bentelo

4.3.2 KGO beleid 2023 "Grond voor gebruik, ontwikkel nu de erfenis voor de toekomst" 4.3.2.1

Algemeen Het gemeentelijke KGO beleid is vastgelegd in de beleidsnota "Grond voor gebruik, ontwikkel nu erfenis voor de toekomst". De beleidsnota voorziet in kaders met betrekking tot nieuwe landgoederen. Hierna wordt ingegaan op deze kaders.

4.3.2.2

Nieuwe landgoederen Om aanvragen voor nieuwe landgoederen op een structurele en afgewogen wijze te toetsen, is een aantal gemeentelijke randvoorwaarden opgesteld. In navolgende paragrafen worden de verschillende voor voorliggende ontwikkeling relevante randvoorwaarden van de gemeente vermeld. Quotering Duidelijk is dat door het toestaan van nieuwe landgoederen gronden onttrokken worden aan de landbouw. Vanwege de eis minimaal 30% als natuur in te richten, betekent dit dat 70% van het landgoed landbouwkundig in gebruik kan blijven. Rangschikkingseisen De gemeente Hof van Twente gaat uit van de volgende rangschikkingseisen: Zowel gerangschikte als de nog niet gerangschikte percelen kunnen in aanmerking komen voor een nieuw landgoed; Afsplitsingen van al gerangschikte landgoederen komen niet in aanmerking voor een nieuw landgoed; Er dient altijd aan de inrichtingseisen voldaan te worden. Dit betekent o.a. dat er altijd 30% nieuw bos/natuur gerealiseerd moet worden. Landschap De landgoederen moeten passen binnen de maatvoering, verkaveling en karakteristiek van het aanwezige landschap. De inrichting moet bijdragen aan beeldkenmerken en natuurwaarden en –potenties van het omringende landschap. Met het stichten van een nieuw landgoed mag geen totaal nieuw landschap ontstaan, het moet aansluiten bij bestaande landschapstypen.

Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het handhaven van bestaand coulisselandschap. Aansluiting bij een bestaand landgoed kan een meerwaarde opleveren. In het essenlandschap zijn nieuwe landgoederen niet toegestaan, vanwege de karakteristieke openheid en de cultuurhistorische waarde. Het ontwerp en de structuur van het nieuwe landgoed (de groene, blauwe en rode elementen) moeten passen in het bestaande en/of beoogde landschap zoals vastgelegd in het landschapsontwikkelingsplan. Ook moet het nieuwe landgoed leiden tot een verbetering of versterking van het landschap en biodiversiteit. Het omheinen van een landgoed door middel van gaas, hekken of andere onnatuurlijke middelen is niet toegestaan. Dit wordt opgenomen in het omgevingsplan en de privaatrechtelijke overeenkomst; De realisatie van een nieuw landgoed mag niet leiden tot een verslechtering van de milieusituatie van de lucht, bodem of het grond- en oppervlaktewater. De nieuwe bestemming van de grond zal worden vastgelegd in het omgevingsplan. Agrarische omgeving Door de komst van het landhuis zouden agrarische bedrijven in de omgeving kunnen worden beperkt in hun bedrijfsvoering of in hun toekomstige uitbreidingsmogelijkheden. Uitgesloten moet worden dat de nieuwe woonbebouwing, de agrarische bedrijfsvoering gaat belemmeren.

De aanvrager wordt verplicht de bestaande agrarische bedrijven in de omgeving in beeld te brengen. Per bedrijf moet worden gekeken naar eventuele ontwikkelingen van het bedrijf in de toekomst. De minimale afstand tot agrarische

vastgesteld

29

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22ag Bentelosestraat 45 Bentelo

bedrijven wordt bepaald aan de hand van de Wet geurhinder en veehouderij. Het is wenselijk dat eventueel aanwezige verkavelingskansen bij dit overzicht betrokken worden. Verbetering van de verkavelingssituatie in het gebied zal een duidelijke meerwaarde voor het plan opleveren. Bebouwing Binnen de gemeente Hof van Twente wordt geen maximum vastgesteld ten aanzien van het te bouwen landhuis van allure. Wanneer er alleen sprake is van een woonfunctie in het landhuis, is bij een rangschikking van 10 ha een bouwvolume van 2500 m3 als maximum een logische gedachte. Het belangrijkste bij een nieuw landgoed is dat het landhuis past in het landschap en dat het in verhouding staat met de totale oppervlakte van het landgoed en de oppervlakte ‘nieuwe natuur’. Eventuele bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw, en er moet sprake zijn van een onderlinge samenhang. Voor de nieuwe landhuizen geldt nadrukkelijk dat inwoning niet is toegestaan, voor nieuwe landgoederen met een zorgcomponent zal hiervoor een uitzondering gemaakt worden. De aanvrager moet een beeldkwaliteitsplan opstellen, in dit plan moet onder andere een uitgebreide beschrijving weergegeven worden van de bebouwing in relatie tot het landgoed.

Ook moet er een uitgebreide beschrijving en referentiebeelden van de architectuur, vormgeving, materiaalgebruik en uitstraling van de bebouwing in het beeldkwaliteitplan opgenomen worden. Daarnaast moet er aandacht zijn hoe het landhuis in relatie staat tot de plek en de streek. Het beeldkwaliteitsplan wordt getoetst in overleg met de ervenconsulent en /of Stadsbouwmeester van het Oversticht. Openstelling Naast de regels van de NSW worden er in de gemeente Hof van Twente aanvullende eisen gesteld ten aanzien van de openstelling. De realisatie van het nieuwe landgoed moet zorgen voor publieke toegankelijkheid en bijdragen aan een verbetering van de recreatieve mogelijkheden. Het landgoed moet actief opengesteld worden. Duidelijke entrees en goede parkeergelegenheid zijn een vereiste en waar mogelijk ook andere voorzieningen om recreanten te trekken. Een beschrijving van omliggende routes dient onderdeel uit te maken van het plan. Daarnaast moet er de mogelijkheid bestaan om de nieuwe landgoederen nu of in de toekomst aan te laten sluiten op de lokale en/of regionale routestructuren. Bij nieuwe landgoederen is het verplicht om 90% van het landgoed open te stellen voor het publiek. Het gaat hierbij om de openstelling van het groen, de bebouwing hoeft niet te worden opengesteld.

Regels ten aanzien van de openstelling worden afgeleid uit de Natuurschoonwet: De toegankelijke wegen en paden moeten min of meer gelijkmatig over het landgoed verdeeld zijn. Tot dergelijke wegen en paden worden ook gerekend: gemarkeerde beloopbare groenstroken en perceelsranden, waar nodig voorzien van draadoverstapjes; Het minimumvereiste aantal meters pad lengte per ha bedraagt vijftig meter voor bos, dan wel 25 meter voor overige gronden, zoals landbouwgronden en natuurterrein; De minimaal vereiste pad lengte voor het gehele landgoed is als volgt te berekenen: 1. som van de arealen bos x 50 m = X m 2. som van de arealen overige grond x 25m = X m Totaal = X m Terreinen die om redenen van privacy afgesloten zijn, worden wel in deze berekening betrokken. Dit geldt niet voor terreinen die in verband met de bijzondere natuurwetenschappelijke of cultuurhistorische waarden zijn afgesloten. De wegen en paden moeten het gehele jaar van zonsopkomst tot zonsondergang toegankelijk zijn; De openstelling is voor het publiek duidelijk waarneembaar aangegeven door borden;

30

vastgesteld

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22ag Bentelosestraat 45 Bentelo

De wegen en paden moeten ten minste toegankelijk zijn voor wandelaars. Overige werkfuncties De hoofdfunctie van de landgoedbebouwing is wonen. Een aan het wonen ondergeschikte kantoor- en praktijkfunctie is toegestaan. Hieronder wordt verstaan een ruimte waarvan de aard en indeling zijn afgestemd op de uitoefening van een bepaald beroep, uitgeoefend door de bewoner(s) van de desbetreffende woning/wooneenheid. De oppervlakte van de ruimte welke als kantoor- en praktijkruimte mag worden aangewend is maximaal 25% van het woonoppervlak. Dit percentage is gelijk aan de gehanteerde oppervlakte van nevenfuncties in een woonbestemming. Er wordt onder andere rekening gehouden met de geluidsbelasting, de verkeersaantrekkende werking, de omvang van de activiteit en mag er geen sprake zijn van detailhandel. 4.3.2.3

Toetsing van het initiatief aan het KGO beleid 2023 Hierna wordt puntsgewijs getoetst aan de randvoorwaarden voor nieuwe landgoederen. Quotering In voorliggend geval is de totale omvang van het landgoed 11,3 hectare. Met voorliggend TAM-omgevingsplan krijgt 3,39 hectare grond binnen het landgoed een functie 'bos' of 'natuur' toegekend. Dit komt neer op 30% van de landgoedgronden. Daarmee wordt voldaan aan deze voorwaarde. Rangschikkingseisen In voorliggend geval is sprake van een reeds gerangschikt landgoed. Er is geen sprake van een afsplitsing. Daarmee wordt voldaan aan deze voorwaarde. Landschap In voorliggend geval is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld (zie Bijlage 1) waarin specifiek rekening is gehouden dat de voorgesteld landschapsmaatregelen aansluiten bij de karakteristieken van het aanwezige landschap en deze versterken. Ook is het landschapsontwikkelingsplan van de gemeente Hof van Twente een uitgangspunt geweest voor de inrichting van het landgoed. Het plangebied ligt op een locatie waar een heideontginngslandschap en een oud hoevenlandschap samenkomen. Er is geen sprake van een essenlandschap binnen het landgoed. Het omheinen van een landgoed door middel van gaas, hekken of andere onnatuurlijke middelen zal niet plaatsvinden. Agrarische omgeving Het voorgenomen plan heeft niet tot gevolg dat agrarische bedrijven worden belemmerd in de bedrijfsvoering.

Dit blijkt uit hoofdstuk 6 van dit TAM-omgevingsplan, waarin getoetst wordt aan de verschillende milieuaspecten. Bebouwing In voorliggend geval wordt een landhuis van allure gebouwd. Er is een beeldkwaliteitsplan opgesteld (Bijlage 2), waarin een uitgebreide beschrijving weergegeven wordt van de bebouwing in relatie tot het landgoed. Ook is een beschrijving en referentiebeelden van de architectuur, vormgeving, materiaalgebruik en uitstraling van de bebouwing opgenomen. Openstelling Over het landgoed wordt een padenstructuur aangelegd om het landgoed beleefbaar te maken voor recreanten. De wandelpaden worden aangelegd door het nieuw aan te leggen gemengde bosperceel en door het bestaande bosperceel. Er ontstaat zo de mogelijkheid om een ommetje door het landgoed te maken. De wandelpaden dienen te bestaan uit halfverharding, of een gemaaid graspad, waarmee ze een natuurlijke uitstraling krijgen passend bij het landgoed. Daarnaast worden de wandelpaden voorzien van openstellingsborden (zie ook afbeelding 3.1). Het landgoed zal in de toekomstige situatie bestaan uit circa 5,3 hectare bos en circa 6 hectare landbouwgrond. De minimale lengte aan wandelpaden zou zodoende (5,3 *

vastgesteld

31

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22ag Bentelosestraat 45 Bentelo

50 meter + 6 * 25 meter =) 415 meter moeten bedragen. In voorliggend geval hebben de wandelpaden gezamenlijk een lengte van circa 450 meter. Zodoende wordt aan de voorwaarden voldaan. Overige werkfuncties De gebruiksmogelijkheden zoals opgenomen in deze randvoorwaarden zijn vertaald in de regels van dit TAM-omgevingsplan. Hierin heeft de landgoedwoning de functie 'Wonen' gekregen, waarbij ondergeschikte functies zoals een kantoor- en praktijkfunctie zijn toegestaan. Hiermee wordt aan deze voorwaarde voldaan.

32

vastgesteld

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22ag Bentelosestraat 45 Bentelo

Hoofdstuk 5 5.1

Omgevingsveiligheid

Algemeen Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan.

In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl).

5.2

Situatie plangebied Aan hand van de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart externe veiligheid met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. Het plangebied is met de blauwe omlijning indicatief weergegeven. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied niet binnen aandachtsgebieden van een risicobron ligt.Er hoeven zodoende geen (veiligheids)maatregelen getroffen te worden in

vastgesteld

33

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22ag Bentelosestraat 45 Bentelo

het kader van het voorkomen, beperken en bestrijden van een brand, een ramp of een crisis. Het aspect externe veiligheid is hiermee voldoende geborgd.

Afbeelding 5.1: Risicokaart externe veiligheid (Bron: Atlasleefomgeving.nl)

5.3

Conclusie Voorliggende wijziging van het omgevingsplan is in overeenstemming met de wet- en regelgeving in het kader van omgevingsveiligheid.

34

vastgesteld

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22ag Bentelosestraat 45 Bentelo

Hoofdstuk 6 milieu

Bescherming gezondheid en het

Op basis van paragraaf 5.1.4 houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen: geluid; bodemkwaliteit; de kwaliteit van de buitenlucht; geur en; trillingen. In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Daarnaast wordt het aspect 'gezondheid' behandeld.

6.1

Geluid door activiteiten

6.1.1

Algemeen In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat).

Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS). Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

vastgesteld

35

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22ag Bentelosestraat 45 Bentelo

6.1.2

Situatie plangebied Met de voorgenomen ontwikkeling worden geluidgevoelige gebouwen (woningen) mogelijk gemaakt. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Weg- en railverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. In voorliggend geval bevinden de woningen zich niet binnen een geluidsaandachtsgebied van een spoorweg. De meest nabijgelegen spoorweg bevindt zich op ruim 2,5 kilometer afstand. Daarnaast bevinden de woningen zich niet binnen het geluidsaandachtsgebied van een weg.

De woningen worden middels een lange oprit ontsloten op de omliggende wegen, waardoor de wegen op ruime afstand liggen. Industrielawaai Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een industrieterrein. Solitaire bedrijvigheid (milieuzonering) Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige gebouwen anderzijds. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. In 2024 is er een nieuwe handreiking uitgebracht 'Activiteiten en milieuzonering'. De nieuwe handreiking 'Activiteiten en Milieuzonering' is bedoeld voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen en andere werkterreinen en het inwaarts zoneren daarvan. De handreiking biedt handvatten om op grond van artikel 5.69 en 5.93 uit het Bkl een aanvullende regeling in het omgevingsplan op te nemen waarmee geluid - en geurwaarden die normaal op de gevel van een geluids- of geurgevoelig gebouw gelden, op een andere locatie te laten gelden. Gedurende de overgangsfase onder de Omgevingswet is er in veel gevallen echter nog sprake van het omgevingsplan van rechtswege, waar de bestemmingsplannen onderdeel van uitmaken. Hiermee is de zoneringssystematiek uit 2009 nog aan de orde, waardoor de nieuwe handreiking niet aansluit op het omgevingsplan.

Daarom kan nog gebruik worden gemaakt van de systematiek uit 2009. Volgens deze systematiek dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'. De omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als 'rustige woonwijk' aangezien ter plaatse geen sprake is van een menging van functies. In de directe omgeving van het plangebied bevindt zich een agrarisch bedrijfsperceel aan de Bentelosestraat 47. Ter plaatse zijn agrarische bedrijven met een grondgebonden bedrijfsvoering toegestaan. Hiervoor geldt op basis van de VNG-publicatie een richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. In voorliggend geval bedraagt de afstand tussen het bedrijfsperceel en de bouwvlakken van de

36

vastgesteld

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22ag Bentelosestraat 45 Bentelo

woningen binnen het plangebied minimaal 50 meter. Aan deze richtafstand wordt zodoende voldaan. Omliggende bedrijven worden met de ontwikkeling niet in de activiteiten belemmerd, daarnaast is er bij de woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 6.1.3

Conclusie Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

6.2

Bodemkwaliteit

6.2.1

Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.

Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname. Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit.

6.2.2

Situatie plangebied Door Sigma Geo- en Milieutechniek B.V. is een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5707 uitgevoerd. Hieronder wordt ingegaan op de resultaten en conclusie. De volledige bodemonderzoeken zijn opgenomen als Bijlage 3 en Bijlage 4. Bodemonderzoek NEN 5740 In de boven- en ondergrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten. In het grondwater is een verhoogd gehalte barium (zware metalen) gemeten ten opzichte van de

vastgesteld

37

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22ag Bentelosestraat 45 Bentelo

streefwaarde. Het gemeten gehalte overschrijdt de signaleringsparameters beoordeling niet. De gemeten gehalten in de grond en het grondwater geven uit milieuhygiënische overweging geen aanleiding tot het instellen van nader onderzoek. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek geldt, ten aanzien van de milieuhygiënisch kwaliteit van de bodem, geen belemmering voor het beoogde gebruik van het plangebied. Aanvullend onderzoek NEN 5707 Gebleken is dat het plangebied ter plaatse van de landgoedwoning als "asbestverdacht" moet worden behandeld. Om uitspraak te kunnen doen over de bodemkwaliteit met betrekking tot asbest is aanvullend een asbestonderzoek overeenkomstig NEN 5707 uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de resultaten Maaiveld Op basis van de indicatieve visuele locatie-inspectie is op de geïnspecteerde delen van het maaiveld geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Bovengrond (0.0 max. 0.5 m-mv) Het totale gemiddeld indicatief gewogen gehalte asbest (fractie <20 mm + fractie >20 mm) in de bovengrond t.p.v. de inspectiegaten G4 t/m G6 bedraagt <0.3 mg /kg d.s en is daarmee niet verhoogd t.o.v. de bepalingsgrens en het criterium voor nader onderzoek (> 50 mg/kg d.s.) Het totale gemiddeld indicatief gewogen gehalte asbest (fractie <20 mm + fractie >20 mm) in de bovengrond t.p.v.

de inspectiegaten G1 t/m G3+G10 t/m G12 bedraagt 10 mg /kg d.s en is daarmee niet verhoogd t.o.v. het criterium voor nader onderzoek (> 50 mg/kg d.s.). De uitgegraven grond uit de inspectiegaten G7 t/m G9 is op basis van zintuiglijke waarnemingen niet verdacht voor de aanwezigheid van asbest. Ondergrond (0.5-2.0 m-mv) fractie >20 mm Op basis van de uitgevoerde inspectie van het opgeboorde materiaal uit de inspectiegaten G1, G8 en G12 zijn vanaf ca. 0.5-2.0 m-mv visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen. fractie <20 mm Van de ongeroerde ondergrond (dieper dan 0.5 m-mv) zijn in deze fase van het onderzoek geen grondmonsters geanalyseerd op de fractie <20 mm. Omdat geen asbestverdacht materiaal (met fractie > 20 mm) in de ongeroerde ondergrond is aangetroffen is de verwachting dat er geen asbest met fractie < 20 mm in de ongeroerde ondergrond aanwezig is. 6.2.3

Conclusie Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.3

Luchtkwaliteit

6.3.1

Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

38

vastgesteld

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22ag Bentelosestraat 45 Bentelo

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL met de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl.

Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 6.3.2

Situatie plangebied Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de standaardgevallen NIBM (artikel 5.54 Bkl) kan worden gesteld dat voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan luchtverontreiniging. Zo is de verkeersgeneratie (een belangrijke bron van luchtvervuiling) afkomstig van de woningen beperkt.

6.3.3

Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.4

Bedrijven en milieuzonering

6.4.1

Algemeen Onder de Omgevingswet worden aspecten als geluid- en geurhinder niet meer in het milieuspoor geregeld, zoals voorheen in het Activiteitenbesluit of een milieuvergunning, maar direct in het omgevingsplan. Dit is een van de redenen waarom de VNG heeft besloten dat de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 met de richtafstanden per bedrijfsactiviteit niet meer goed past bij het integrale karakter van de Omgevingswet en het omgevingsplan. Milieuzonering nieuwe stijl (VNG handreiking mei 2019) anticipeert hierop en gaat uit van de beschikbare gebruiksruimte om activiteiten uit te voeren, onder meer voor geluid. De werkelijke milieubelasting van een bedrijfsactiviteit is dan bepalend of een activiteit op een bepaalde locatie past, en niet meer een richtafstand.

vastgesteld

39

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22ag Bentelosestraat 45 Bentelo

De systematiek uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is opgenomen in veel bestemmingen. Zolang die bestemmingsplannen van kracht zijn - ook na overgang in het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege - wordt deze systematiek nog toegepast. In voorliggend geval geldt voor het plangebied de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering'. Hierna wordt de ontwikkeling op basis hiervan getoetst. 6.4.1.1

Gebiedstypen In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Wat betreft het gebiedstype wordt de omgeving van het plangebied aangemerkt als 'rustige woonwijk'.

6.4.1.2

Situatie plangebied Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De gewenste functies binnen het plangebied, namelijk wonen en natuur/bos, betreffen geen milieubelastende activiteiten voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting

40

vastgesteld

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22ag Bentelosestraat 45 Bentelo

van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of nieuwe functies de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. In voorliggend geval worden milieugevoelige gebouwen mogelijk gemaakt, namelijk woningen. Binnen een straal van circa 350 meter rondom de bouwvlakken van de gewenste woningen bevindt zich uitsluitend een milieubelastende functie aan de Bentelosestraat 47. Het betreft een agrarisch bedrijfsperceel waarbinnen agrarische bedrijfsactiviteiten met een grondgebonden bedrijfsvoering zijn toegestaan. Het bedrijf ter plaatse kan worden aangemerkt als 'akker- en/of tuinbouw in combinatie met het fokken en houden van dieren (niet intensief)'. Hiervoor gelden richtafstanden van respectievelijk 100 meter, 30 meter, 30 meter en 0 meter voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De bouwvlakken van de woningen binnen het plangebied liggen op een afstand van 50 meter ten opzichte van het bedrijfsperceel. Daarmee wordt aan alle richtafstanden voldaan, behalve aan de richtafstand voor geur. Het gaat hier echter om een richtafstand. Het aspect geur wordt nader beschouwd in paragraaf 6.5. Daaruit blijkt dat voldaan wordt aan de wettelijke aan te houden afstanden. 6.4.2

Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend initiatief.

6.5

Geur

6.5.1

Algemeen In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan

vastgesteld

41

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22ag Bentelosestraat 45 Bentelo

algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden 6.5.2

Situatie plangebied Zoals eerder opgermerkt is in de omgeving van het plangebied een agrarisch bedrijfsperceel aanwezig aan de Bentelosestraat 47. Ter plaatse zijn uitsluitend grondgebonden veehouderijen toegestaan (dus geen intensieve veehouderij). Voor grondgebonden veehouderijen geldt dat een vaste afstand van 50 meter dient te worden aangehouden ten opzichte van geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom (artikel 22.101 Bruidsschat). In voorliggend geval is in de verbeelding en regels van dit TAM-omgevingsplan vastgelegd dat de woningen niet binnen 50 meter van het bouwvlak van het agrarische bedrijf kunnen worden gebouwd. Zodoende wordt voldaan aan de vaste afstand.

6.5.3

Conclusie Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.6

Trillingshinder

6.6.1

Algemeen De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1.

42

vastgesteld

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22ag Bentelosestraat 45 Bentelo

Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. 6.6.2

Situatie plangebied In dit geval is geen sprake van het toevoegen van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. Wel is sprake van trillinggevoelige gebouwen. Aangezien de afstand tot de dichtst bijgelegen spoorlijn circa 2,5 kilometer bedraagt, is geen nader onderzoek nodig naar spoortrillingen.

6.6.3

Conclusie Vanuit het aspect trillingshinder is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.7

Gezondheid

6.7.1

Algemeen Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt.

6.7.2

Situatie plangebied In dit hoofdstuk van de onderbouwing zijn al meerdere aspecten behandeld die raken aan gezondheid (zoals geluidhinder en bodemkwaliteit). Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat telkens wordt voldaan aan het wettelijk kader. Ook draagt het voornemen 'niet in betekenende mate' bij aan luchtverontreiniging. Daarnaast wordt opgemerkt dat als gevolg van het voornemen circa 3,39 hectare aan agrarische cultuurgronden omgezet naar natuur-/bosgrond. Er wordt daarbij een groot oppervlakte aan nieuwe natuur aangelegd die beleefbaar wordt gemaakt voor recreanten door het aanleggen van wandelpaden. Daarmee wordt de leefomgeving verbeterd, wat een positieve invloed heeft op de gezondheid. Daarom kan geconcludeerd worden dat het voornemen bijdraagt aan het maatschappelijk doel uit artikel 1.3 Omgevingswet.

vastgesteld

43

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22ag Bentelosestraat 45 Bentelo

6.7.3

Conclusie Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

6.8

Ecologie In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze binnen het voornemen rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.

6.8.1

Gebiedsbescherming

6.8.1.1

Natura 2000 De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijking van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

6.8.1.1.1

Situatie plangebied Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Buurserzand & Haaksbergerveen' ligt op circa 10 kilometer afstand van het plangebied. Gezien deze zeer ruime afstand in relatie tot de aard en omvang van de ontwikkeling kan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden uitgesloten dat geen sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

44

vastgesteld

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22ag Bentelosestraat 45 Bentelo

6.8.1.2

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

6.8.1.2.1

Situatie plangebied Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN ligt op circa 1,4 kilometer afstand. Gezien de onderlinge afstand, de aard en omvang van de ontwikkeling, wordt gesteld dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

6.8.2

Soortenbescherming

6.8.2.1

Algemeen Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

6.8.2.2

Situatie plangebied De gronden waarop het voorliggende TAM-omgevingsplan betrekking heeft bestaan voornamelijk uit intensief onderhouden agrarische cultuurgronden. De aanwezigheid van beschermde soorten is ter plaatse niet te verwachten. Daarnaast worden geen bestaande houtopstanden geveld. Daarmee is geen sprake van het aantasten van bechermde soorten of hun verblijfplaatsen. Wel zal voorafgaand aan de sloop van de bedrijfswoning aan de Bentelosestraat 45 ecologisch onderzoek worden uitgevoerd, zodat tijdig kan worden vastgesteld of maatregelen nodig zijn ter bescherming van aanwezige flora en fauna. De bestaande bebouwing blijft in de komende jaren nog in gebruik en wordt pas in een later stadium gesloopt.

6.8.3

Conclusie Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.

vastgesteld

45

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22ag Bentelosestraat 45 Bentelo

6.9

Archeologie & Cultuurhistorie

6.9.1

Wettelijk kader Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.

6.9.2

Archeologie

6.9.2.1

Algemeen Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden.

6.9.2.2

Situatie plangebied In onderstaande afbeelding is een uitsnede opgenomen van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Hof van Twente. Ter plaatse van het plangebied gelden de aanduidingen 'hoge verwachting in zone om historisch element', 'middelhoge verwachting' en 'lage verwachting'.

46

vastgesteld

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22ag Bentelosestraat 45 Bentelo

Afbeelding 6.1: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (Bron: gemeente Hof van Twente) Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden ingrepen gedaan voor de woonfuncties en het omvormen van agrarische gronden naar bos- en natuurgronden. Daarbij worden de onderzoeksgrenzen overschreden. Er is daarom een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (Bijlage 5). Naar aanleiding van de uitkomsten van het bureauonderzoek is aanvullend een archeologisch veldonderzoek (Bijlage 6) uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies uit beide onderzoeken opgenomen. Archeologisch bureauonderzoek Op basis van landschappelijke criteria kan een lage verwachting worden aangehouden voor de periode Laat Paleolithicum – Vroeg Neolithicum. Resten uit deze periode worden hoofdzakelijk op kleine dekzandkopjes in de omgeving van vers zoet water aangetroffen of in gebieden met een sterke landschapsdynamiek. Daarvan lijkt in het plangebied geen sprake. Resten uit de periode Midden-Neolithicum tot en met Vroege Middeleeuwen kunnen niet uitgesloten worden, al zijn er qua landschap en bekende vindplaatsen geen aanwijzingen voor. Specifiek betreft dit de wat hogere delen van het landschap, die bodemkundig/geomorfologisch overeenkomen met de veldpodzolgronden respectievelijk dekzandwelvingen. Deze delen krijgen een middelhoge verwachting voor deze periode.

Resten uit deze periode bestaan hoofdzakelijk uit grondsporen (paalkuilen, afvalkuilen, greppels en dergelijke) en sporadisch bewerkt vuursteen en natuursteen

vastgesteld

47

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22ag Bentelosestraat 45 Bentelo

(midden-Neolithicum tot en met IJzertijd), aardewerk, verbrande leem en houtskool. Deze zijn direct onder de bouwvoor te verwachten. Grondsporen kunnen zich tot grote diepte uitstrekken. Resten vanaf de Late Middeleeuwen worden alleen verwacht in en rondom het historische erf in het zuidwestelijke plangebied. Hier kunnen voorgangers van de huidige boerderij worden verwacht. Vanaf ongeveer 1100 werden boerderijen op grote stenen gefundeerd. Archeologisch laten deze nauwelijks grondsporen achter, maar wel kunnen afvalkuilen, paalkuiltjes en greppels en dergelijke worden verwacht. Daarnaast kan voornamelijk aardewerk worden aangetroffen. Ook deze sporen liggen direct onder de bouwvoor of opgebrachte grond en kunnen zich tot grote diepte uitstrekken in het onderliggende dekzand. Eventuele nederzettingen uit de steentijd hebben een omvang van 50 – 200 m2 (kleine variant) of 200 – 1000 m2 (middelgrote variant). Nederzettingen uit de periode Bronstijd – middeleeuwen hebben meestal een omvang tussen 500 – 2000 m2 (huisplaats) of meer dan 8000 m2 (dorp). Deze resten liggen in de top van de natuurlijke ondergrond, mogelijk dicht onder het maaiveld onder een bouwvoor of eventuele ophogingslaag. De natuurlijke bodem wordt hier gevormd door dekzand waarin zich een podzol heeft ontwikkeld.

Eventuele resten bestaan uit vuursteenstrooiingen (voornamelijk Laat-Paleolithicum tot en met Neolithicum, in mindere mate Bronstijd en IJzertijd). Daarnaast kan (gefragmenteerd) aardewerk worden verwacht, evenals houtskool, verbrande huttenleem en natuursteen. Vanaf ongeveer de 17e eeuw is ook baksteen te verwachten (rurale gebieden; in bewoningskernen al eerder). Deze vondstcategorieën bevinden zich aan of in het pleistocene zand, direct onder een bouwvoor. Daarnaast kunnen grondsporen worden verwacht. Het gaat daarbij overwegend om paalkuilen, greppels en afvalkuilen en dergelijke. Deze bevinden zich in de top van de pleistocene ondergrond en kunnen zich tot op grote diepte uitstrekken. Er wordt een verkennend booronderzoek op de locaties binnen het plangebied die een middelhoge en hoge archeologische verwachting hebben gekregen.

Afbeelding 6.2: Uitsnede archeologische verwachtingskaart Laagland

48

vastgesteld

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22ag Bentelosestraat 45 Bentelo

Archeologisch veldonderzoek Het typerende bodemprofiel bestaat uit een verstoord pakket met een gemiddelde dikte van 60 cm. Deze ligt meestal onscherp begrensd op een C-horizont (dekzand). In boring 16 is onder de strooisellaag een volledig intact podzolprofiel waargenomen. Dit betreft echter één enkele boring in een deel van het plangebied waar geen verdere verstoringen plaats zullen vinden. Er zijn in het hele plangebied geen archeologische indicatoren aangetroffen. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat. Laagland adviseert geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven. Dit advies is overgenomen door de gemeente Hof van Twente, hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente. De archeologische dubbelbestemmingen zijn daarom niet overgenomen in dit TAM-omgevingsplan. 6.9.3

Cultuurhistorie

6.9.3.1

Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

6.9.3.2

Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden waar voorliggend plan invloed op heeft. Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan.

6.9.4

Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor het plan.

6.10

M.e.r.-beoordeling

6.10.1

Kader Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:

vastgesteld

49

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22ag Bentelosestraat 45 Bentelo

In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor een plan een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. 6.10.2

Situatie plangebied De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Ob, de meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11, een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'. Het begrip 'Stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: de aard en omvang van de ontwikkeling; de vormgeving en opzet; de schaalgrootte; de ligging; de voorgenomen functie(wijziging), en; de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/4296/documents/60170