CConstaterende datHofvantwente
Koppel je AI →
Document · PDF

02 - TAM IMRO Worsinkweg 4 Markelo Motivering.pdf

Gemeenteraad 24 juni 2025, gemeente HofvantwenteBij agendapunt: 8: Vaststellen TAM Omgevingsplan Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo16.381 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Datum: Fase: Planid:

ontwerp NL.IMRO.1735.BGxWorsinkweg4-OP10

TAMIMRO OMGEVINGSPLAN

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

Inhoudsopgave

Motivering Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7

Inleiding Aanleiding Ligging en begrenzing Geldend omgevingsplan Doelen van de wet TAM-IMRO Omgevingsplan De bij het plan behorende stukken Leeswijzer

6 6 6 7 9 9 9 10

Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3

Het plan Ontstaansgeschiedenis Markelo Huidige situatie Toekomstige situatie

11 11 11 12

Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4

Beleid en regelgeving Instructieregels Rijk Rijksbeleid Provinciaal beleid Overijssel Gemeentelijk beleid

15 15 16 18 24

Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

Aspecten fysieke leefomgeving Plan milieueffectrapportage Milieubelastende activiteiten Geur Bodem Geluid Luchtkwaliteit Omgevingsveiligheid Water Natuurwaarden Archeologie en cultuurhistorie Verkeer en Parkeren

27 27 29 30 30 31 33 34 36 38 41 42

Hoofdstuk 5 5.1 5.2

Toelichting op de regels Inleiding Opzet regels

43 43 43

Hoofdstuk 6

Kostenverhaal

46

Hoofdstuk 7 7.1 7.2 7.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voorkantsamenwerking provincie Overijssel Participatie Zienswijzen

47 47 47 47

Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

Digitale watertoets Erfinrichtingsplan Natuurwaardenonderzoek

49 50 54 56

Regels

2

5

89

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

ontwerp

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5

Algemene bepalingen Begrippen Toepassingsbereik Wijze van meten Aanvraagvereisten Algemeen gebruiksverbod

90 90 99 100 101 102

Hoofdstuk 2 Artikel 6 Artikel 7

Functies en activiteiten Agrarisch met waarden Waarde - Archeologische verwaching 1

103 103 108

Hoofdstuk 3 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene procedureregels Overige regels

110 110 111 113 114 117 119 120

Hoofdstuk 4 Artikel 15 Artikel 16

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

121 121 122

Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2

Erfinrichtingsplan Staat van Bedrijfsactiviteiten

123 124 126

3

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

4

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

Motivering

ontwerp

5

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding Aan de Worsinkweg 4 in Markelo bevindt zich een agrarisch melkveebedrijf. Initiatiefnemer is voornemens om de melkveetak te beëindigen en het bedrijf voort te zetten als akkerbouwbedrijf. De initiatiefnemer heeft aangegeven daarom gebruik te maken van de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties (LBV)-regeling. De LBV-regeling schrijft voor dat houden van vee is uitgesloten, maar dat de gemeenten wel de bevoegdheid houden om te bepalen of de aanwezige gebouwen een vervolgfunctie mogen krijgen, in de vorm van een akkerbouwfunctie of niet-agrarische bedrijvigheid. Het is geen vereiste vanuit de LBV-regeling dat alle gebouwen gesloopt moeten worden. Het voornemen is daarom een groot deel van de bedrijfsgebouwen te behouden. Deze gebouwen worden niet meer gebruikt voor het stallen van vee, maar zullen worden gebruikt voor akkerbouw. Alleen de grote ligboxenstal zal gesloopt worden. Hier zit geen toekomstperspectief in voor de akkerbouwtak en zal dan ook aangemeld worden voor sloop in de LBV-regeling. Vanuit de LBV-regeling moet het houden van vee uitgesloten worden. Dit kan door het opnemen van een aanduiding 'houden van vee uitgesloten'. Het omgevingsplan dient daarom te worden aangepast. Voorliggend TAM-Omgevingsplan is opgesteld om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2

Ligging en begrenzing Liging Het plangebied is gelegen aan de Worsinkweg 4 en ligt in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente. Het plangebied maakt onderdeel uit van het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Markelo, sectie N nummer 446. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 10525 m2. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied in het buitengebied van Markelo weergegeven.

Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: PDOK viewer)

6

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

Begrenzing De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 weergegeven (met rode lijn omkaderd). In dit figuur is een luchtfoto weergegeven waarop het plangebied te zien is. De planlocatie is aan alle zijden omgeven door agrarische gronden. Aan de noordzijde ligt op enige afstande de Worsinksweg. Aan de oostzijde bevindt zich een woonerf en aan de westzijde bevindt zich een bedrijf-VAB functie, hier zijn geen agrarische activiteiten meer.

Figuur 1.2: Begrenzing plangebied (Bron: Google Maps)

1.3

Geldend omgevingsplan Het plangebied maakt onderdeel uit van het Omgevingsplan gemeente Hof van Twente, onderdeel 'Buitengebied Hof van Twente'. Op grond van het omgevingsplan van rechtswege geldt voor het plangebied de hoofdfunctie 'Agrarisch met waarden' en de functie 'Waarde - Archeologische verwachting 1'. Daarnaast beschikt het plangebied over de volgende functie- en gebiedsaanduidingen: 'Specifieke vorm van agrarisch met waarden - openheid', 'Reconstuctiewetzone - verwevingsgebied', 'Milieuzone grondwaterbeschermingsgebied', 'Vrijwaringszone - radar' en 'Milieuzone - intrekgebied'. Zie hieronder een uitsnede van het planologisch kader.

ontwerp

7

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

Figuur 1.3: Uitsnede omgevingsplan van rechtswege (Bron: Omgevingsloket) De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bedoeld voor behoud van de aanwezige landschapswaarden zijnde: beeldbepalende landschapselementen, beslotenheid, hoogteverschillen, rustige omstandigheden, natuur en waterhuishouding. Daarnaast zijn de aangewezen gronden bedoeld voor het uitoefenen van een grondgebonden agrarisch bedrijf en het uitoefen van een grondgebonden agrarisch bedrijf, met dien verstande dat van de bedrijfsgebouwen uitsluitend één bouwlaag mag worden gebruikt voor het houden van dieren. Ook zijn de aangewezen gronden bedoeld voor: hobbymatig agrarisch gebruik buiten het bouwvlak, het bestaande en legale aantal bedrijfswoning(en), de bestaande en legale nevenactiviteiten; aan huis verbonden beroepen, bed & breakfast; caravanstalling binnen het bouwvlak, met dien verstande dat caravanstalling uitsluitend mag plaatsvinden in op het moment van inwerkingtreding van het plan aanwezige bebouwing, extensieve dagrecreatie met bijbehorende wegen en paden, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, de bestaande nutsvoorzieningen, het behoud en de bescherming van openheid ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - openheid', detailhandel, met dien verstande dat uitsluitend verkoop van ter plaatse geproduceerde goederen is toegestaan,

ontsluitingsvoorzieningen en ontsluitingsvoorzieningen voor naastgelegen bestemmingen; Tot slot zijn de aangewezen gronden bedoeld voor bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, tuinen en erven. De gronden ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' en 'milieuzone - intrekgebied' zijn, behalve voor de daar voorkomende functies, mede bedoeld voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater in verband met de drinkwatervoorziening, met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Voor de gronden ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone verwevingsgebied', gelden de regels zoals opgenomen in de functies 'Agrarisch' en 'Agrarisch met waarden'. De gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - radar' zijn, behalve voor de daar voorkomende functies, mede bedoeld voor een radarverstoringsgebied. Het geldende omgevingsplan biedt op basis van de functieomschrijving de mogelijkheid tot het houden van dieren. Vanuit de LBV-regeling moet het houden van vee echter worden uitgesloten. Dit kan door het opnemen van een aanduiding 'houden van vee

8

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

uitgesloten'. Om dit mogelijk te maken is een herziening van het omgevingsplan noodzakelijk. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan maakt de voorgenomen ontwikkeling mogelijk. In dit omgevingsplan wordt aangetoond dat het plan voldoet aan de vereisten van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

1.4

Doelen van de wet Het vaststellen van een omgevingsplan staat volledig in het teken van het bereiken van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet. Artikel 1.3 van de Omgevingswet geeft aan dat de wet, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, is gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Artikel 2.1, eerste lid, van de Omgevingswet schrijft voor dat bestuursorganen, dus ook het gemeentebestuur, de taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefenen met het oog op deze maatschappelijke doelen.

1.5

TAM-IMRO Omgevingsplan Een TAM-IMRO omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat los staat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Een TAM-IMRO Omgevingsplan maakt gebruik van de techniek voor planvorming zoals dat gebruikt werd onder de Wet ruimtelijke ordening. Deze techniek betreft de uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening Ruimtelijkeplannen.nl. De TAM-IMRO plannen maken deel uit van het nieuwe deel van het omgevingsplan. Het is immers een wijziging van het omgevingsplan van rechtswege, alleen wordt die opgesteld, bekendgemaakt en beschikbaar gesteld met de IMRO-techniek. TAM-IMRO plannen hebben weliswaar de technische vorm van de bestemmingsplannen die deel zijn van het tijdelijk deel, maar juridisch gezien vallen ze onder het nieuwe deel. Ze moeten dus ook voldoen aan de instructieregels uit het Bkl en van de provincie.

1.6

De bij het plan behorende stukken Het onderhavige TAM-IMRO omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo' bestaat naast deze motivering uit de volgende stukken. Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1735.BGxWorsinkweg4-OP10); Bijlagen bij de motivering; Regels; Bijlagen bij de regels.

ontwerp

9

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

1.7

Leeswijzer De toelichting van het omgevingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleids- en wettelijke kader van het rijk, provincie en de gemeente. In hoofdstuk 4 worden de omgevingsaspecten belicht. In hoofdstuk 5 wordt het omgevingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op het kostenverhaal en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

10

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

Hoofdstuk 2 2.1

Het plan

Ontstaansgeschiedenis Markelo Binnen het Twentse landschap zijn de oude agrarische erven vooral terug te vinden langs de kampen en essen: de hoger gelegen delen van het landschap, waar zich de akkers bevonden. De planlocatie ligt binnen het essenlandschap. Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden, – voormalige – heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es (esdorpen en verspreide erven. Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. Eeuwenlange bemesting met heideplaggen en stalmestheeft geleidt tot een karakteristiek reliëf met soms hoge stijlranden. Onder en in de es heeft zich op deze wijze een waardevol archeologisch archief opgebouwd. Het landschapsbeeld is afwisselend en contrastrijk, volgend aan de organische patronen van het natuurlijke landschap. Typerend zijn de losse hoeven rond de es en de esdorpen met hun karakteristieke boerderijen en herkenbaar dorpssilhouet met vaak de kerktoren als markant element.

2.2

Huidige situatie Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Hof van Twente en bevindt zich ten noordoosten van Markelo. In de huidige situatie is er aan de Worsinkweg 4 in Markelo sprake van een bedrijfslocatie waar een agrarisch melkveebedrijf is gevestigd. In figuur 2.1 is een vooraanzicht te zien van het plangebied. Figuur 2.2 toont hetbovenaanzicht van het plangebied, het erf is omcirkeld met een rode lijn. Op het perceel zijn de volgende gebouwen/bouwwerken aanwezig. De specifieke locatie van de gebouwen en bouwwerken is afgebeeld in figuur 2.3. 1. Woonhuis/deel; 2. Schöppe/veestalling; 3. Werktuigenberging/mestopslag; 4. Mestsilo; 5. Oude kippenhok/varkensschuur; 6. Kuilvoerplaten; 7. ligboxenstal.

ontwerp

11

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

Figuur 2.1: vooraanzicht plangebied (bron: Google Streetview)

Figuur 2.2: bovenaanzicht plangebied (Bron: Google Maps)

2.3

Toekomstige situatie De initatiefnemer is voornemens haar melkveebedrijf te beeindigen en om te schakelen naar een akkerbouwbedrijf. Daarom wordt mee gedaan aan de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties (LBV)-regeling. De LBV-regeling schrijft voor dat het houden van vee is uitgesloten, maar dat de gemeenten wel de bevoegdheid houden om te bepalen of de aanwezige gebouwen een vervolgfunctie mogen krijgen, in de vorm van een akkerbouwfunctie of niet-agrarische bedrijvigheid. Het is geen vereiste vanuit de LBV-regeling dat alle gebouwen gesloopt moeten worden. Initiatefnemer is daarom voornemens om een groot deel van de huidige gebouwen te behouden. Alleen de grote ligboxenstal (7) zal gesloopt worden. Hier zit

12

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

geen toekomstperspectief in voor de akkerbouwtak en zal dan ook aangemeld worden voor sloop in de LBV-regeling. De woning (1), de schöppe/veestalling (2), de werktuigenberging en mestkelder (3), de mestsilo (4) en de varkensschuur (5) worden behouden. Deze gebouwen zullen worden gebruikt voor de akkerbouw. De kuilvoerplaten (6) moeten ook behouden blijven.

Figuur 2.3: bouwwerken binnen het plangebied (Bron: Google Maps, bewerkt) In de toekomst wordt verder gegaan als akkerbouwer. Op de reeds in gebruik zijnde 37 hectare grond zal door middel van een traditioneel bouwplan mais, gras en eventueel aardappelen, suikerbieten of granen worden verbouwd. Dit zal in totaal leiden tot een afname in stikstof depositie op de locatie aan de Worsinkweg 4 t.o.v. de huidige veehouderij. Op dit moment worden er in 2 stallen rundvee gehouden. De 1e stal waar vee staat betreft het achterhuis van de boerderij. Het achterhuis wordt gebruikt als verblijf voor het jongvee. Deze stal wordt behouden aangezien deze onderdeel vormt van de karakteristieke Twentse boerderij waarin ook de woning is gevestigd. De 2e stal waar vee wordt gehouden is de bestaande ligboxenstal en heeft een oppervlakte van circa 530 m2. Deze stal zal worden gesloopt. Op het erf staan 2 oude varkenstallen waarvan 1 is omgebouwd tot machineberging. De daken van deze schuren zijn de laatste jaren allemaal voorzien van asbest vrije daken. De varkensschuren en de al aanwezige machineberging worden behouden. Enerzijds om straks als akkerbouwer de machines en zaaigoed op te slaan en anderzijds omdat op beide schuren reeds zonnepanelen liggen die de woning en de beregeninstallatie voor de akkerbouwgewassen voorzien van elektriciteit.

Onder de bestaande machineberging zit een mestkelder en er is ook een mestsilo aanwezig op het erf. Deze mestkelder / mestsilo wordt behouden zodat in de winterperiode naburige melkveehouders hier op korte afstand hun mest kunnen opslaan. De bestaande kuilvoerplaatsen dienen te worden behouden, zodat tijdens de oogst van de akkerbouwgewassen deze kunnen fugeren als tijdelijk opslag en om grasbalen (tijdelijk) op te slaan om deze vervolgens gedurende het jaar te verkopen aan naburige

ontwerp

13

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

landbouwers. De agrarische functie blijft behouden, waarbij de milieuwinst hem zit in het uitsluiten van het houden van vee. Met het aangepaste plan worden de ontwikkelmogelijkheden om te bouwen ten behoeve van het akkerbouwbedrijf niet ingeperkt en wordt agrarisch-economische bedrijvigheid in het buitengebied behouden. Voorliggend plan wordt op basis van bijgevoegd Erfinrichtingsplan ingepast in de omgeving .

14

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

Hoofdstuk 3 3.1

Beleid en regelgeving

Instructieregels Rijk De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB's): het Omgevingsbesluit (Ob); het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. Het Rijk geeft in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (afdeling 5.1 Bkl). Bovenlokale belangen werken daarmee door in de vaststelling en wijziging van een omgevingsplan. Ten aanzien van de instructieregels wordt onderscheid gemaakt tussen drie soorten instructieregels: 'betrekken bij', 'rekening houden met' en 'in acht nemen'. De eerste twee geven gemeenten ruimte voor eigen overwegingen. De laatste - ‘in acht nemen’ is dwingend.

Voor de volgende onderwerpen gelden rijksinstructieregels: waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2 Bkl); beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3 Bkl); Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (paragraaf 5.1.4 Bkl); Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (paragraaf 5.1.5 Bkl); Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden (paragraaf 5.1.6 Bkl); Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (paragraaf 5.1.7 Bkl); Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8 Bkl). Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen.

Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Doorwerking plan Het voorliggende omgevingsplan houdt rekening met de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl. In deze motivering wordt onder andere ingegaan op de uitvoerbaarheid van het project ten aanzien van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, ten aanzien van omgevingsveiligheid, waterbelangen en de bescherming van gezondheid en het milieu. Toetsing aan de verschillende instructieregels wordt onder Hoofdstuk 4 Aspecten fysieke leefomgeving gedaan. Hieruit blijkt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).

ontwerp

15

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

3.2

Rijksbeleid

3.2.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.

Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Conclusie Vanuit de LBV-regeling moet het houden van vee uitgesloten worden. Voorliggend plan voorziet enkel in een aanpassing van de planregels, waarbij een aanduiding wordt opgenomen die uitsluit dat op het erf vee mag worden gehouden. Daarnaast zal in het kader van de LBV-regeling de ligboxenstal worden gesloopt. De ontwikkeling vindt daarmee het beste een aansluiting bij de prioriteit 'toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied'.

In de NOVI wordt voor het landelijk gebied aangegeven dat een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied vraagt om een verantwoorde herinrichting van het landelijk gebied en een verbetering van de milieukwaliteit. Bij ontwikkelingen in het landelijk gebied moet cultureel erfgoed en unieke landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten behouden en versterkt worden. Waar mogelijk en gewenst dienen nieuwe kwaliteiten toegevoegd te worden. Voor een landelijk gebied dat zich toekomstbestendig kan ontwikkelen, is nodig dat de bereikbaarheid, de economische kracht en de beschikbaarheid van voorzieningen ook voldoende worden meegenomen in het Nationaal Programma Landelijk gebied.

16

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

Door om te schakelen naar een akkerbouwbedrijf waarbij het houden van vee wordt uitgesloten kan de agrarisch-economische bedrijvigheid in het buitengebied worden behouden en tevens worden voorzien in herstel van de natuur. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling binnen de prioriteiten van de NOVI past. Er wordt een bijdrage geleverd aan de toekomst van het landelijk gebied. Onderhavig TAM-IMRO omgevingsplan past daarmee binnen de prioriteiten van de NOVI. 3.2.2

Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. In artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving staat dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak over de Ladder (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724). De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of er een nieuw of groter beslag op de ruimte is. Het gaat dus om een stedelijke ontwikkeling die een nieuw of groter planologisch beslag legt op de ruimte. Of, als er alleen een wijziging van de gebruiksfunctie is, op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten heeft.

Voor de Ladder is van belang in hoeverre het plan: in vergelijking met het vorige plan, voorziet in een functiewijziging; en welk planologisch beslag op de ruimte het plan mogelijk maakt in vergelijking met het vorige plan. Daarbij gaat het enerzijds over bestaande bebouwing en ook over de bebouwing die op grond van het geldende omgevingsplan nog gebouwd kan worden, inclusief verleende omgevingsvergunningen voor een omgevingsplanactiviteit waarbij is afgeweken van het omgevingsplan. Ook als de Ladder niet van toepassing is. Dan moet wel de evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden gemotiveerd. Onderhavig plan Vanuit de LBV-regeling moet het houden van vee uitgesloten worden. Voorliggend plan voorziet enkel in een aanpassing van de planregels, waarbij een aanduiding wordt opgenomen die uitsluit dat op het erf vee mag worden gehouden. Daarnaast zal in het kader van de LBV-regeling de ligboxenstal worden gesloopt. De oppervlakte aan aanwezige bebouwing neemt dus af. Er is verder geen sprake van het bouwen van woningen, bedrijfsbebouwing of het toevoegen van extra functies. Wanneer enkel sprake is van een planologische functiewijziging dan is in beginsel geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 20 april 2016; ECLI:NL:RVS:2016:1075). Er is gezien het bovenstaande geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Voor dit project is een laddertoets niet noodzakelijk. Wel moet altijd gemotiveerd worden dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, voorliggende onderbouwing voorziet hierin.

ontwerp

17

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

3.3

Provinciaal beleid Overijssel

3.3.1

Omgevingsvisie Overijssel De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel en heeft een wettelijke basis in de Omgevingswet . In de omgevingsvisie bekijken we onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Ons beleid voor de fysieke leefomgeving staat primair in dienst van de sociaal-economische ontwikkeling van Overijssel. Ontwikkeling die nodig is om Overijssel toekomstbestendig te houden. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

3.3.2

Omgevingsverordening Overijssel De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening richt zich - net zo breed als de Omgevingsvisie Overijssel - op de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. Dit betekent dat regels worden gesteld op het gebied van de ruimtelijke ordening, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, landschappen, natuur en cultureel erfgoed. Daarmee geeft de provincie invulling aan de opdracht van artikel 2.6 van de Omgevingswet om één omgevingsverordening vast te stellen met daarin alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving in Overijssel.

3.3.3

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes; ontwikkelingsperspectieven; gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden,

18

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn normstellend en betreffen randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal-economische redenen in haar Omgevingsvisie of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities.

Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Onder gebiedskenmerken worden de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype verstaan, die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

ontwerp

19

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel) Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. De generieke beleidskeuzes zijn bepalend voor de vraag of een initiatief mogelijk is. Hieronder wordt het plan getoetst aan de relevante artikelen uit de Omgevingsverordening Overijssel 2024. Artikel 4.5 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Lid 2 Omgevingsplannen voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen in de Groene Omgeving die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen, als aannemelijk gemaakt is dat: a. (her)benutten van bestaande bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; en b. mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Doorwerking voor voorliggend plan: De bebouwingsmogelijkheden voor het akkerbouwbedrijf blijven behouden, maar door de sloop van de ligboxenstal vindt er een afname in bebouwing plaats. Hierdoor neemt de verstening in de groene omgeving af. Er wordt voldaan aan het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Artikel 4.6 toekomstbestendigheid In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn en

20

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

dus: a. de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien niet in gevaar brengen; b. duurzaam en evenwichtig bijdragen aan het welzijn van mensen, economische welvaart en het beheer van natuurlijke voorraden; en c. ook op lange termijn toegevoegde waarde hebben. Doorwerking voor voorliggend plan: De Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) is bedoeld voor veehouders die willen stoppen met hun bedrijf of een locatie van hun bedrijf. Het doel van de regeling is om de stikstofuitstoot vanuit de veehouderij te verlagen, zodat natuur die daarvoor gevoelig is, kan herstellen. Door de agrarische functie te behouden, maar het houden van vee uit te sluiten kan de agrarisch-economische bedrijvigheid in het buitengebied worden behouden en tevens worden voorzien in hestel van de natuur. Hierdoor kunnen toekomstige generaties op het erf in hun behoeften blijven voorzien en wordt een duurzame en evenwichtige bijdrage geleverd aan de economische welvaart en het behoudt van de natuur. Hiermee wordt voldaan aan het principe van toekomstbestendigheid. Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart (Bron: Provincie Overijssel) Het plangebied aan de Worsinkweg in Markelo bevindt zich in het ontwikkelingsperpsectief Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap. Het noordelijk gedeelte van het erf bevindt zich in het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap. Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt

ontwerp

21

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt. Het ontwikkelingsperspectief Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap omvat gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming de ruimte krijgt. Die ruimte kan verdiend worden door te investeren in kwaliteitsvoorwaarden. Onder verduurzaming verstaan we hier: realisatie van de waterkwaliteitsdoelen, gezondheid en welzijn van mens en dier, bijdrage aan de energietransitie, natuuropgaven, klimaatbestendigheid en ketenoptimalisatie, en ontwikkelen met aandacht voor – en waar mogelijk in dialoog met – omwonenden. Agrarische ondernemers staan voor de uitdaging om hun – vaak grote – gebouwen en erven zo vorm te geven dat ze passen bij maat en schaal van het landschap en de ruimtelijke en milieukwaliteit versterken.

Dit plan voorziet in het uitsluiten van vee door het agrarisch bedrijf als onderdeel van de LBV regeling, als onderdeel van dit beleid wordt een ligboxenstal gesloopt. Het doel van de regeling is om de stikstofuitstoot vanuit de veehouderij te verlagen, zodat natuur die daarvoor gevoelig is, kan herstellen. Door de agrarische functie te behouden, maar het houden van vee uit te sluiten kan de agrarisch-economische bedrijvigheid in het buitengebied worden behouden en tevens worden voorzien in hestel van de natuur. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit/milieukwaliteit in samenhang versterkt. Gebiedskenmerken Natuurlijke laag De natuurlijke laag geeft aan het plangebied het kenmerk 'Stuwwallen' (zie figuur 3.3.).

22

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

Figuur 3.3.: Fragment natuurlijke laag (Bron: Provincie Overijssel) De laag 'Stuwwallen' beslaat een groot deel van de oppervlakte van de provincie Overijssel. De ambitie van deze laag is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. De stuwwallen zijn tijdens de ijstijd opgestuwde aardlagen. Door de vaak grote hoogteverschillen zijn ze nu nog steeds goed zichtbaar. Op een aantal plekken zijn de ruggen al van verre zichtbaar; bovenop staand bieden ze spectaculaire zichten over de provincie. De stuwwalen hebben als regionale inzijggebieden een belangrijke functie in het watersysteem. Het zijn de ‘ingangen’ van regionale en lokale stelsels van grondwaterstromen. Toets Het plan voorziet in een afname van bedrijfsgebouwen. Door ontharding onstaat de mogelijkheid om water beter in de grond te infiltreren. Hierdoor kan een bijdrage worden geleverd aan het verbeteren van het watersysteem. Op basis hiervan wordt gesteld dat het plan past binnen de kenmerken van de natuurlijke laag. Laag van het agrarisch cultuurlandschap De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent aan het plangebied het kenmerk 'Essenlandschap' toe.

In figuur 3.4 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.

Figuur 3.4: Fragment Laag van het agrarische cultuurlandschap (Bron: Provincie Overijssel) De ambitie van deze laag is het behouden van de es als ruimtelijke eenheid en het versterken van de contrasten tussen de verschillende landschapsonderdelen: grote open maat van de essen, het mozaïek van de flank van de es, de open beekdalen en

ontwerp

23

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

vroegere heidevelden. De samenhang hiertussen krijgt opnieuw vorm en inhoud door accentuering van de verschillende onderdelen en overgangen. De flank van de es biedt eventueel ruimte voor ontwikkelingen, mits de karakteristieke structuur van erven, beplantingen, routes en open ruimtes wordt versterkt. Dit betekent dat de es en de flanken slecht geschikt zijn voor het plaatsen van windturbines. Als ontwikkelingen plaats vinden in het essenlandschap, dan krijgen deze in de flanken een plaats, met respect voor en bijdragend aan de aanwezige bebouwingsstructuren (lint, erf) en versterking van het landschappelijk raamwerk Dit plan voorziet in het uitsluiten van vee door het agrarisch bedrijf als onderdeel van de LBV regeling, als onderdeel van dit beleid wordt een landschapontsierende ligboxenstal gesloopt. Dit draagt bij aan het versterken van ruimtelijke kwaliteit van het erf. Conclusie Er kan met voorliggende onderbouwing geconcludeerd worden dat de voorgenomen planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Strategische visie, Hof van Twente, zicht op 2030 Algemeen In 'Hof van Twente, zicht op 2030' heeft de gemeente Hof van Twente de toekomstvisie voor haar grondgebied vastgelegd. De gemeenteraad heeft de strategische visie op 1 juni 2010 definitief vastgesteld. De visie bevat naast een overzicht van te verwachten trends en ontwikkelingen ook informatie over de gewenste identiteit voor Hof van Twente. Over deze gewenste identiteit is in januari 2009 meegedacht door ruim 60 inwoners uit allerlei geledingen van de gemeente en daarbuiten. In 20 streefbeelden geeft het gemeentebestuur aan in welke richting het beleid voor de komende jaren moet worden ontwikkeld. Streefbeelden 10, 11 en 19 zijn voornamelijk van belang. Deze worden hierna behandeld. Streefbeeld: Unieke landschappelijke en cultuurlandschappelijke kwaliteiten verder ontwikkeld Het landschap, de parel van Hof van Twente, heeft in 2030 nog altijd een belangrijke plaats. De structuur van het landschap, met deelgebieden stuwwal/verzamelgebied (westelijk), dekzandgebied (midden) en plateau (oostelijk), maar ook het reliëf en het watersysteem zijn leidend. In de waardevolle ensembles (landschap met natuur- en cultuurhistorische waarden) wordt behoud, onderhoud en herstel van cultuurhistorische en ecologische waarden in praktijk gebracht. Voltooiing van de ecologische hoofdstructuur is eveneens een herkenbaar resultaat.

In 2030 is deze een feit. Bestaande natuurgebieden zijn binnen de gemeente en daarbuiten verbonden met elkaar, waardoor duurzame instandhouding van flora en fauna mogelijk is geworden. De reconstructieplannen die aan het begin van de eeuw zijn gemaakt, zijn uitgevoerd. Dit betekent dat ruimtelijke knelpunten, zoals agrarische bedrijven in de directe nabijheid van natuur of milieuhinderveroorzakende bedrijven in het buitengebied, zijn opgelost. Voor nieuwe inrichting van het landschap door functiewijziging zijn oorspronkelijke landschapstypen richtinggevend. Landgoederen hebben in 2030 hun ruimtelijke visies uit het begin van de eeuw uitgevoerd en de Bovenregge slingert weer als vanouds door het landschap. Dit lint van water door het landschap refereert aan de historie. Het project Bovenregge van Schipbeek tot Elsenerbroek visualiseert de verbinding tussen

24

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

stad en landelijk gebied. Streefbeeld 11: Nieuw evenwicht in functies in het buitengebied is ontstaan met een nieuwe toeristisch-recreatieve publiekstrekker In de toekomstvisie wordt ingezet op het faciliteren van knooperven, CO2 reductie bij agrarische bedrijven en hun toe- en afvoer en de toevoeging van een attractie van bovenregionaal belang. Streefbeeld 19: Een kwalitatief sterke, maar duurzame agrarische sector gericht op wereldvoedselproductie èn een belangrijke lokaal/regionale functie In de toekomstvisie wordt beschreven dat de landschappelijke structuur bepalend is voor de gedifferentieerde benadering van de ontwikkelingsmogelijkheden van de landbouw: meer grootschalig voor de Europese markt daar waar er ruimte is en het landschap dit toestaat (landbouwontwikkelingsgebieden, verwevingsgebieden), en elders meer op landschap, recreatie en natuur gericht (extensiveringsgebieden, verwevingsgebieden) De landbouw dient naast voedselproductie, ook bij te dragen aan energieproductie, landschaps- en natuurbeheer en recreatie. Toets en conclusie De voorgenomen ontwikkeling betekent een impuls in de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied, omdat er ontsierende bebouwing wordt gesloopt. Daarnaast wordt met voorgenomen ontwikkeling een bijdrag geleverd aan het oplossen van ruimtelijke knelpunten, zoals agrarische bedrijven in de directe nabijheid van natuur.

Het doel van de LBV regeling is om de stikstofuitstoot vanuit de veehouderij te verlagen, zodat natuur die daarvoor gevoelig is, kan herstellen. Door de agrarische functie te behouden,maar het houden van vee uit te sluiten kan de agrarisch-economische bedrijvigheid in het buitengebied worden behouden en tevens worden voorzien in herstel van de natuur. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de streefbeelden als bedoeld in de Strategische visie, Hof van Twente, zicht op 2030. 3.4.2

Structuurvisie Landelijk Gebied In 'Structuurvisie Landelijk gebied' van de gemeente Hof van Twente staat de ontwikkeling van het landelijk gebied voor de komende 10 jaar centraal.De structuurvisie vormt vooral een integratiekader voor het bestaande beleid van de gemeente ten aanzien van de verschillende functies en waarden in het gebied. Een dergelijk 'integratiekader' schetst de bredere achtergrond van beleid dat voor specifieke thema's (bijvoorbeeld recreatie, rood-voor-rood en vrijkomende agrarische bebouwing) is uitgewerkt. Daarnaast beschrijft deze structuur de algemene strategie van de gemeente Hof van Twente ten aanzien van verschillende functies en waarden. Deze strategie geeft richting aan de latere toetsing van verschillende initiatieven die bij de gemeente worden ingediend, en bij het bepalen van het beleid dat in het bestemmingsplan buitengebied wordt uitgewerkt.

De structuurvisie benoemt de volgende kernkwaliteiten van het landelijk gebied in Hof van Twente: een sterke agrarische structuur, bestaande uit bedrijven die door schaalvergroting actief anticiperen op een wereldwijde marktwerking, of hun risico's spreiden door diensten te verlenen op het gebied van natuur en landschap en recreatieve functies of andere bedrijvigheid aan het bedrijf toe te voegen; een grote mate van ondernemerschap, waardoor verspreid over het gehele landelijk gebied nieuwe bedrijvigheid wordt gestart; een breed scala aan landelijke woonmilieus, variërend van kernen en buurtschappen tot individuele erven, dat qua kwaliteit aansluit bij actuele behoefte

ontwerp

25

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

van de woonconsument; een gevarieerd en aantrekkelijk landschap, met als bijzondere parels 23 archeologische monumenten, twee rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten (Den Haller en Stokkum) en acht rijksbeschermde historische buitenplaatsen; een robuust ecologisch netwerk, dankzij een combinatie van grote natuurgebieden en talrijke verbindingen via beken en kleine natuurelementen; een sterk ontwikkelde recreatieve (infra)structuur; een goede regionale infrastructuur. Behoud karakteristieke boerderijen De gemeente Hof van Twente streeft er naar om bebouwing met een streekeingen karakter te behouden in eerste instantie krijgt dit doel vorm door karakteristieke boerderijen in stand te houden en mogelijk te versterken door een grotere inhoudstmaat toe te staan dan bij reguliere woningen. Concreet betekent dit dat kan worden toegstaan ook voormalige bedrijfsgedeeltes, zoals de deel, bij de woning te betrekken. Groei grondgebonden landbouw faciliteren en inpassen De gemeente Hof van Twente kiest ervoor om ruimte te bieden aan een grootschalig gespecialiseerde agrarische sector. Rekening houdend met de afname van het aantal bedrijven wil de gemeente de groei van overgebleven (gezins)bedrijven faciliteren.

Door stevig in te zetten op een zorgvuldige landschappelijke inpassing is de gemeente van mening dat verspreid over de gehele gemeente een uitbreiding van bedrijven verantwoord kan plaatsvinden. Vanwege de vereiste zorgvuldige inpassing worden geen landschappelijke eenheden aangwezen waar op voorhand een maximamum aan de groei wordt gesteld. Wel zullen in nieuwe omgevingsplannen groeimogelijkheden worden opgenomen, waarbij de mogelijke effecten op het omringede landschap en op de nabijgelegen kwetsbare natuurwaarden, de omvang van het bedrijf en de impact op de omgeving in afweging worden meegenomen. Toets en conclusie Dit plan voorziet in het uitsluiten van vee op het agrarisch bedrijf als onderdeel van de LBV regeling. Het doel van de regeling is om de stikstofuitstoot vanuit de veehouderij te verlagen, zodat natuur die daarvoor gevoelig is, kan herstellen. Daarnaast zal in het kader van de LBV-regeling alleen de ligboxenstal worden gesloopt. Door de overige bedrijfsgebouwen te gebruiken ten behoeve van de akkerbouwtak wordt op een verantwoorde manier ruimte geboden aan het bedrijf om haar bedrijfsactiviteiten voort te zetten. Daarnaast blijft de karakteristieke boerderij met daarin de woning op deze wijze behouden. Met voorliggende ontwikkeling wordt een afweging gemaakt tussen bedrijvigheid en natuur.

Een bestaand agrarisch bedrijf wordt hierdoor de ruimte geboden verder te ondernemen, waarbij ter gelijkertijd groeimogelijkheden (het uitsluiten van vee) voor het bedrijf worden opgenomen, zodat de mogelijke effecten op de kwetsbare nauurwaarden worden gereduceerd. De voorgenomen ontwikkeling past binnen de genoemde streefbeelden als bedoeld in de 'Structuurvisie Landelijk Gebied'.

26

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

Hoofdstuk 4

Aspecten fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke manier bij de voorgenomen activiteiten rekening is gehouden met diverse aspecten uit de fysieke leefomgeving om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een aantal aspecten zijn nadere onderzoeken uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken zijn opgenomen in dit hoofdstuk. De rapportages zijn als bijlage aan deze ruimtelijke motivering toegevoegd.

4.1

Plan milieueffectrapportage Met de Omgevingswet verandert de grondslag van de milieueffectrapportage (mer). Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Omgevingswet. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen: de EU-richtlijn mer (mer-richtlijn): richtlijn over de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en private projecten de EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling (smb-richtlijn): richtlijn over de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project. In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen: De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan of programma (artikel 16.34, eerste lid Omgevingswet).

In de Omgevingswet is opgenomen dat een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing aan die vereisten voldoen. De tweede eis is dat het plan of programma een kader vormt voor besluiten voor mer-(beoordelings)plichtige projecten (artikel 16.36 Omgevingswet) of dat er een passende beoordeling voor een plan of programma nodig is. In kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de mer-(beoordelings)plichtige projecten opgenomen. De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het ecther mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een plan-milieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn: 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan. Het plan is niet direct plan-mer-plichtig, maar er moet wel een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. De mer-(beoordelings)plichtige projecten zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V Omgevingsbesluit.

Daarnaast komen de projecten waarvoor het omgevingsplan het kader vormt niet boven de drempel van kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit. Er kan dan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling als: a. het plan een kleine wijziging van een plan of programma is; b. het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is.

ontwerp

27

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid 3 en 4 Omgevingswet) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten: Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt. Toets De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Ob, de meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11, een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'. Het begrip 'Stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.

Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: de aard en omvang van de ontwikkeling; de vormgeving en opzet; de schaalgrootte; de ligging; de voorgenomen functie(wijziging), en; de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken( art. 16.36, lid 3, Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht. Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob. Dit kan in sommige gevallen gemotiveerd worden op basis van jurisprudentie. In ECLI:NL:RVS:2006:AZ4270van 13 december 2006 vindt in de bestaande stal een omschakeling plaatsvindt van stalsysteem BB 93.06.010 naar stalsysteem BB 98.10.065, maar dit leidt slechts tot beperkte aanpassingen.

Bij beide stalsystemen wordt gebruik gemaakt van spoelgoten, met dien verstande dat de spoelfrequentie na de omschakeling lager wordt en er niet langer zuur aan de spoelvloeistof wordt toegevoegd. Aannemelijk is dat deze aanpassingen tot een lagere ammoniakemissie vanuit de stal leiden. Nu is gebleken dat noch de omvang van de bestaande stal noch het daarin te houden veebestand worden gewijzigd, zijn de aanpassingen in deze stal naar het oordeel van de Afdeling niet zodanig dat gesproken moet worden van de oprichting van een nieuwe installatie als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Voorliggend plan voorziet in het uitsluiten van vee op het agrarisch bedrijf als onderdeel van de LBV regeling. Het doel van de regeling is om de stikstofuitstoot vanuit de veehouderij te verlagen, zodat natuur die daarvoor gevoelig is, kan herstellen. In tegenstelling tot de bovengenoemde uitspraak vindt er niet alleen een reductie plaats van de stikstofuitstoot, maar wordt door het slopen van de ligboxenstal ook voorzien in

28

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22g Worsinkweg 4 Markelo

een reductie van de aanwezige bebouwing. Gelet op de uitspraak van 12 juni 2019, worden geconcludeerd dat het project niet voorziet in een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, nummer J11 van bijlage V van het Ob. Er is geen sprake van een project-m.e.r. plicht of project-m.e.r. beoordelingsplicht.

4.2

Milieubelastende activiteiten De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Het maatschappelijk doel hierbij is 'ruimte voor ontwikkeling en waarborgen voor kwaliteit'. Om dit doel te bewerkstelligen is het ruimtelijk- en milieuspoor verder geïntegreerd. In de bijlage bij artikel 1.1. van de Ow wordt het begrip Milieubelastende activiteit (Mba) als volgt gedefinieerd: 'activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringstechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit'. Dit heeft betrekking op alle activiteiten die mogelijk een negatief effect op het milieu kunnen hebben. Om te bepalen of er sprake is van een Mba moet een check worden gedaan of er instructieregels uit het Bkl, Bal of Bbl van toepassing zijn op het project. Hieronder vallen ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten, dit kunnen ook beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis zijn. De instructieregels in het Bkl zijn bijvoorbeeld niet van toepassing op het wonen zelf, maar wel op beroepen en bedrijven aan huis. Naast de instructieregels hebben gemeenten zelf de beleidsvrijheid om in het omgevingsplan aanvullende milieuregels en/of voorwaarden te stellen voor Mba's.

Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld het houden van huisdieren of het gebruik van kachels en openhaarden. Met het oog op een veilige en gezonde leefomgeving is het uitgangspunt: het aanhouden van voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige gebouwen en locaties. De VNG heeft gewerkt aan een hulpmiddel die kan worden toegepast voor het plannen en toetsen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen: 'Milieuzonering nieuwe stijl'. De VNG-uitgave 'Milieuzonering nieuwe stijl' gaat uit van zones die die bij een grotere afstand tot gevoelige functies en locaties (bijvoorbeeld wonen) uitgaat van een oplopende gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf. Daarbij staat het reguleren van gebruiksruimte voor geluid en geur centraal in de nieuwe systematiek voor milieuzonering. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij het Besluit kwaliteit leefomgeving waar 'gebruiksruimte' een belangrijk begrip is (zie paragraaf 3.3 "Sturen op de verdeling van gebruiksruimte onder de Omgevingswet" van de Nota van toelichting bij het Bkl. De gebruiksruimte van milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) is de milieuruimte die een milieubelastende activiteit op grond van het omgevingsplan mag benutten voor het uitoefenen van de bedrijfsvoering.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/4175/documents/58448