CConstaterende datHofvantwente
Koppel je AI →
Document · PDF

02 TAM IMRO Diepenheimsestraat 61 Toelichting.pdf

Gemeenteraad 7 oktober 2025, gemeente HofvantwenteBij agendapunt: 9: Gewijzigd vaststellen TAM-omgevingsplan HvT hoofdstuk 22i Diepenheimsestraat 61 Hengevelde11.859 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Resultaten chemische analyses • • • • •

Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: de bovengrond (BG I) niet verontreinigd; de bovengrond (BG II) zeer licht verontreinigd met PAK; de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; het grondwater (PB 1) is zeer licht verontreinigd met barium en zink.

Hypothese De hypothese "onverdachte locatie" dient formeel gezien te worden verworpen aangezien er overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. Conclusies en aanbevelingen In de bovengrond (BG II) en in het grondwater (PB 1) zijn zeer lichte verontreinigingen aangetoond. Het uitvoeren van nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht, aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden. In de boven- en ondergrond (BG I en OG) zijn geen gehalten boven de achtergrondwaarden gemeten. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het rapport in bijlage 2. Conclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de woonfunctie, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik.

4.4 Ecologie Beleidskader In ruimtelijke plannen moet worden aangetoond hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld in de Wet natuurbescherming. Op het gebied

25

van gebiedsbescherming regelt de wet de bescherming van zes verschillende soorten natuurgebieden: het natuurnetwerk Nederland, bijzondere provinciale natuurgebieden, bijzondere provinciale landschappen, nationale parken, bijzondere nationale natuurgebieden en Natura 2000-gebieden. Bij activiteiten of ontwikkelingen die kunnen leiden tot negatieve effecten op instandhoudingsdoelen voor een van deze gebieden moet een vergunning worden aangevraagd.

4.4.1 QuickScan flora en fauna Analyse De voorgenomen activiteiten worden beschouwd als een ruimtelijke ontwikkeling in de zin van de Omgevingswet. Binnen deze kaders gelden regels voor het beschermen van flora en fauna. In de provincie Overijssel is voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten een vrijstelling van toepassing op het verbod tot het opzettelijk beschadigen of vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen, mits de werkzaamheden worden uitgevoerd als onderdeel van een ruimtelijke ontwikkeling. Voor soorten die niet onder deze vrijstelling vallen, is een aanvullende ontheffing nodig óf moet worden gewerkt volgens een goedgekeurde en voor de situatie toepasbare gedragscode, vastgesteld door de minister. Deze gedragscode moet schade aan beschermde soorten voorkomen of beperken, in overeenstemming met de regels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor het opzettelijk doden van beschermde diersoorten is géén vrijstelling van toepassing. De zorgplicht, zoals opgenomen in het Bal, verplicht initiatiefnemers om bij alle werkzaamheden rekening te houden met aanwezige soorten, zodat schade zoveel mogelijk wordt voorkomen. Hiervoor dient in de werkmethodiek en planning gekozen te worden voor natuurvriendelijke oplossingen.

In dat kader is ecologisch onderzoek uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 3. Het plangebied is, gezien het huidige beheer en de inrichting, niet geschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar vormt wel geschikt functioneel leefgebied voor diverse beschermde diersoorten. Met name vogels maken mogelijk gebruik van het gebied om te nestelen, terwijl vleermuizen, amfibieën en grondgebonden zoogdieren het gebied vooral benutten als foerageergebied. Bij het verwijderen van beplanting in het broedseizoen kan verstoring van een bezet vogelnest plaatsvinden. Alleen het bezette nest (inclusief eieren of jongen) van vogels is beschermd. Voor dergelijke handelingen is géén omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit beschikbaar, omdat deze activiteiten niet onder een wettelijk belang vallen. Daarom geldt dat dergelijke werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd moeten worden, bij voorkeur in de periode van augustus tot en met februari. Op basis van het ecologisch onderzoek wordt geconcludeerd dat de betekenis van het plangebied als foerageergebied niet wezenlijk afneemt door de uitvoering van de geplande werkzaamheden. Bij zorgvuldige uitvoering is het risico op schade aan beschermde soorten dan ook beperkt en beheersbaar.

4.4.2 Stikstofberekening Resultaten ontwikkelfase De activiteiten in de ontwikkelfase leiden gezamenlijk tot een Nox-emissie van 7,2 kg/jaar en een NH3 emissie van 0,2 kg/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de ontwikkelfase, leidt niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dus ook geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden. Het resultaat van de AERIUS-berekening voor de ontwikkelfase is als bijlage 4a toegevoegd. Resultaten gebruiksfase De activiteit in de gebruiksfase leidt tot een Nox-emissie van 1,1 kg/jaar en een NH3-emissie van 58,3 g/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de gebruiksfase, leidt niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dan ook geen Wet

26

natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden. Het resultaat van AERIUS-berekening voor de gebruiksfase is als bijlage 4b toegevoegd. Conclusie Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de foeragerende diersoorten niet af. Dit maakt dat het plangebied geschikt is voor de nieuwe functie. Een nadere onderbouwing is opgenomen in de bijlage. Als gevolg van de ontwikkel- en gebruiksfase vindt er geen toename van depositie plaats in Natura 2000- gebied. Er zijn geen rekenresultaten die leiden tot een significant negatief effect op deze natuurgebieden. De voorgenomen activiteiten in de ontwikkel- en gebruiksfase leiden niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden. De toelichting van de stikstofberekening in opgenomen in bijlage 4.

4.5 Externe veiligheid Beleidskader Uitgangspunt bij het externe veiligheidsbeleid is een risicobenadering op basis van risicoberekeningen, met daarbij een wettelijke norm voor het plaatsgebonden risico (een basisbeschermingsniveau voor elk individu) en een afwegingsruimte voor het bevoegd gezag om te bepalen welke risico’s voor grotere groepen mensen aanvaard worden (de verantwoordingsplicht van het groepsrisico). De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid luidt: ‘Het uitvoeren van een veiligheids- en risicobeleid om mens en milieu te beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico’s. De overheid garandeert een zogenaamd ‘basisbeschermingsniveau’ voor externe veiligheid.’ Analyse Aan de hand van de Atlas van de Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de risicokaart staan meerdere soorten risico’s, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden en verstoringen van de openbare orde. In onderstaande figuur is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode ster) en de directe omgeving weergegeven. Het plangebied heeft geen kans op overstromingen. Op 600 meter afstand staat een mestvergister. Deze staat op voldoende afstand en heeft hiermee geen invloed op het plangebied.

27

Figuur 4.1 Uitsnede planlocatie externe veiligheid (bron: Atlas van de Leefomgeving) Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen beperking voor het initiatief.

4.6 Geluid Beleidskader Voor het beschermen van de gezondheid en het milieu staan in het Bkl regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Ook zijn er regels opgenomen voor de bescherming van geluidgevoelige gebouwen. Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.21 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.21 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn de waarden bepaald (artikel 22.57). Analyse Industrielawaai Het plangebied ligt naast het bedrijf MHZ BV, waarvoor een akoestisch onderzoek noodzakelijk is.

Door akoestisch buro Tideman is in februari 2024 een akoestisch onderzoek gedaan naar het bedrijf MHZ BV (zie bijlage 5). Het bedrijf wil uitbreiden, waardoor meer werkzaamheden binnen worden uitgevoerd. De productie vindt hier hoofdzakelijk inpandig plaats. Dit onderzoek is gericht op wanneer de toekomstige situatie is gerealiseerd.

28

Het voorstel is de ‘Nota gemeentelijk geluidbeleid Hof van Twente 2011-2020’ te volgen. Dus 45 dB(A) etmaalwaarde bij de toekomstige woningen. De maximale A-gewogen geluidniveaus wordt getoetst aan een waarde van 70 dB(A) etmaalwaarde. Het bedrijf is voornemens de bedrijfshal uit te breiden waardoor meer werkzaamheden binnen kunnen worden uitgevoerd. Verder zullen enkele wijzigingen worden doorgevoerd zoals de aanschaf van elektrovoertuigen. Met de beschreven set aan maatregelen wordt de geluidbelasting op de eigen bedrijfswoning, de nieuwe woning aan de straatzijde van de Diepenheimsestraat 61 en alle woningen in het plangebied ten zuidoosten teruggedrongen tot maximaal 45 dB(A) etmaalwaarde. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting ter plaatse van de nieuwe woning op de begane grond voldoet aan de richtwaarde. Op de verdieping is de geluidbelasting 3 dB hoger dan de richtwaarde, maar 3 dB lager dan de plafondwaarde van 50 dB(A). Met de standaard bouwvoorschriften wordt voldaan aan de vereiste binnenwaarde van 35 dB(A) zodat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal). Wegverkeerlawaai In de directe omgeving is wegverkeerslawaai te verwachten vanaf de Janninksweg en de Diepenheimsestraat. Hiervoor is een onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 6. De zuidelijke gelegen provinciale weg N740 is gelegen op een afstand van meer dan 300 meter.

Aan de hand van de bekende omgevingskenmerken en de verkeersintensiteiten kan de geluidbelasting worden berekend. Hierbij is gebruik gemaakt van de “Meet- en rekenmethode geluid wegen” zoals beschreven in bijlage Ive van de Omgevingsregeling. Per geluidbronsoort dient de berekende geluidbelasting te worden getoetst aan de standaard- en grenswaarde genoemd in de Omgevingswet/Bkl. Deze gezamenlijke geluidbelasting bedraagt maximaal 55 dB op de westelijke gevel van de nieuw te realiseren woning. Voorgesteld wordt om een hogere omgevingswaarde vast te stellen van 55 dB. De benodigde geluidwering van de gevel bedraagt maximaal de hoogste gezamenlijke geluidbelasting minus 33 is 22 dB (artikel 4.103 Bbl). De geluidbelasting op het plan bedraagt maximaal 55 dB op de begane grond aan de zijde van de Janninksweg. In figuur 4 is de locatie en de geluidbelasting op alle woningen weergegeven op een hoogte van 2/3 van de verdiepingshoogte van elke verdieping. De geluidbelasting op het plan is hoger dan de standaardwaarden van het Bkl (art. 3.21). Bij een geluidbelasting op de gevel tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats. Het bevoegd gezag kan geluid tot en met de grenswaarde toestaan als ze: 1. Geen maatregelen kan treffen om aan standaardwaarde te voldoen; 2. Overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk beperkt; 3.

Afweegt of maatregelen financieel doelmatig zijn en er geen bezwaren zijn van stedenbouw verkeerskunde, vervoerskunde, landschap, techniek; 4. Afweegt of het gecumuleerd geluid aanvaardbaar is; 5. Een geluidluwe gevel in de afweging betrekt. Om het gebouw toe te laten legt het bevoegd gezag de omgevingswaarde van 55 dB vast van het gezamenlijk geluid in het Omgevingsplan. Deze omgevingswaarde geldt alleen voor de nieuw te realiseren woning. Het aspect geluid is geen beletsel voor afwijken van het omgevingsplan. Wat betreft het geluidonderzoek is sprake van een evenwichtige toedeling van de gewenste functie wonen aan deze locatie indien de gevel worden voorzien van voldoende geluidwerende voorzieningen. Conclusie

29

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het plan.

4.7 Luchtkwaliteit Beleidskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: • Woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • Woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; • Kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: -

Er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; Een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL; Een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Analyse Dit plan voorziet in het wijzigen van het gebruik van de bedrijfswoning als woonhuis en een extra woning. Daarmee is er sprake van een extra woonfunctie, waardoor er sprake is van nieuwe extra verkeersbewegingen. Daarom is

30

bekeken wat de effecten van deze verkeersbewegingen zijn. Zie onderstaand de tabel van de NIBM-tool voor de extra verkeersbewegingen van het plan. Tabel 4.1 NIBM-tool met voertuigbewegingen vanuit plan (bron: infomil)

De NIBM-tool laat zien dat er geen sprake is van gevolgen voor de luchtkwaliteit. De gevolgen van het plan op de luchtkwaliteit is daarmee in ‘niet betekende mate’. Conclusie Het plan draagt in niet betekende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het initiatief is op basis van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.

4.8 Water Sinds 1 november 2003 is het verplicht ruimtelijke plannen te toetsen op waterhuishoudkundige aspecten: de zogenaamde watertoets. De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterhuishoudkundige doelstellingen worden daarbij expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen binnen deze ruimtelijke plannen en besluiten. Het watersysteem wordt hierbij op een integrale wijze benaderd. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater worden dus (in samenhang) in beschouwing genomen. Daarbij gaat het naast de kwantiteit ook om de kwaliteit. De integrale benadering van het watersysteem betekent ook dat het watersysteem wordt benaderd in samenhang met andere beleidsvelden. De watertoets is een instrument om deze integrale benadering vorm te geven en om het watersysteem op orde te krijgen. In bijlage 7 bij deze motivering is de watertoets opgenomen. Relevant beleid Het beleid van Waterschap Vechtstromen is beschreven in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 en de Kadernotitie Stedelijk Water. Het proces watertoets kent verschillende fasen waarbij formeel een watertoets voorkomt bij de initiatief-, ontwikkel- en besluitvormingsfase. In elke fase spelen de initiatiefnemer en de waterbeheerder hun rol. Een goede vertaling van het beleid naar deze uitgangspuntennotitie is afhankelijk van de informatie die de

31

initiatiefnemer van het plan heeft aangeleverd. Daarnaast zijn de Keur en Legger een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Invloed op de waterhuishouding Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen dit plan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 cm. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 cm boven het straatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lagergelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater. Waterstructuurplan Hengevelde In het vGRP2013-2016 staat op welke wijze de gemeente de zorgplichten omtrent hemel-, grond- en afvalwater uitvoert. Komende decennia staat de gemeente voor de opgave om veel rioolstelsels te vervangen. Om te komen tot een robuust en klimaatbestendig watersysteem heeft de gemeente per kern een watervisie en een afvoerstructuurplan opgesteld.

Bij ontwerp van toekomstige watersystemen (rioolstelsels, sloten, vijvers, e.d.) wordt hiermee zoveel mogelijk rekening gehouden. Voor de kern Hengevelde is aangegeven dat het ter hoogte van de Diepenheimsestraat wenselijk is om ruimte te reserveren voor water.

Figuur 4.2 HWA afvoerstructuurplan (bron: gemeente Hof van Twente)

32

De gemeente Hof van Twente streeft naar een vitaal en robuust watersysteem en waterketen, waarbij zichtbaar water bijdraagt aan een positieve beleving van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Dit is vertaald naar de volgende uitgangspunten voor de hemelwaterstructuur in dit plan: • •

Overtollig hemelwater van particulier terrein wordt opgevangen in infiltratiekratten op het terrein; De infiltratiekratten vangen het overtollige hemelwater van de toegevoegde verharding op;

Duurzaamheid Door het toepassen van wadi's en daarmee het zichtbaar afvoeren van water naar bovengrondse voorzieningen wordt gebruik van materialen (buizen) onnodig en wordt bespaard op toekomstige beheerkosten. Het gekozen systeem is hiermee duurzaam. Effecten op het watersysteem In het kader van de verplichte watertoets dienen diverse effecten op het watersysteem als gevolg van toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen (bestemmingsplannen) te worden verkend. Bij het doorlopen van de watertoets wordt een aantal waterthema's beschouwd. Hierna is voor deze ontwikkeling per thema het effect op het watersysteem (waterketen en gronden oppervlaktewatersysteem) weergegeven. Veiligheid Dit thema heeft betrekking op waterkeringen en overstromingsrisico's. Deze aspecten zijn niet van toepassing op het plangebied. Wateroverlast Volgens het waterbeheerplan van het waterschap Vechtstromen wordt het plangebied niet gebruikt voor regionale waterberging. Dit betekent dat bij ontwikkeling geen compensatie van de waterberging nodig is. In het plangebied ligt een waterloop van het waterschap. Bij hevige neerslag loost het rioolstelsel van de kern Hengevelde op de kop van deze waterloop. Volgens het waterschap is er geen sprake van een stedelijke wateropgave.

De versnelde afvoer van hemelwater als gevolg van de aanleg van verhard oppervlak in het plangebied wordt gecompenseerd door waterbergende voorzieningen aan te leggen binnen het plangebied. Watervoorziening Dit thema heeft betrekking op het bergen van overtollig water (met name in de winter) met als doel om verdroging/vocht te korten in de zomer te voorkomen. In het plangebied worden infiltratiekratten geplaatst voor het opvangen van het hemelwater om de verharding te compenseren. Deze infiltratiekratten worden gerealiseerd voor het opvangen van 16 m³ (200 m² x 80 mm). Het hemelwater wordt opgevangen in deze infiltratiekratten en kan daar infiltreren in de bodem en komt daarmee ten goede aan het grondwater. Volksgezondheid Op het plangebied wordt geen verontreinigd water gestort, waardoor de volksgezondheid niet in geding komt. Grondwateroverlast Het plangebied wordt al gebruikt als wonen en heeft nooit hinder ondervonden van het grondwater.

33

Oppervlaktewaterkwaliteit Het riool wordt aangesloten op het rioolstelsel en het overtollige regenwater wordt opgevangen in infiltratiekratten. Deze kratten hebben een bergende en zuiverende werking. De eventuele vervuiling die in het hemelwater aanwezig is, blijft achter in de kratten en komt hierdoor niet in het oppervlaktewater terecht. Verdroging/natte natuur Door het opbergende vermogen van de infiltratiekratten die het regenwater wat op het plangebied valt opvangt, komt dit ten goede van het grondwater en is verdroging en natte natuur niet van toepassing. Riolering en zuivering De woningen worden aangesloten op het rioolstelsel, waardoor hier geen verontreiniging vanuit plaats vindt. Daarnaast wordt het regenwater gezuiverd door de infiltratiekratten. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het plan.

4.9 Conclusie Op basis van uitgevoerde onderzoeken en een analyse van de beoogde situatie blijkt dat ruimtelijke en milieukundige aspecten geen belemmering vormen voor de nieuwe woning of de functie wijziging van de bestaande woning. Hieruit blijkt dat het plan uitvoerbaar is.

34

5

Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid

5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.1.1 Vooroverleg instanties Het plan zal in het kader van het vooroverleg naar de relevante vooroverlegpartners worden toegezonden. In deze paragraaf zal verslag worden gedaan van de reacties van de betreffende instanties.

5.1.2 Zienswijzen Dit plan zal voor 6 weken als ontwerp ter inzage worden gelegd. Wanneer er zienswijzen worden ingediend, zal daar in deze paragraaf verslag van worden gedaan.

5.2 Economische uitvoerbaarheid Overheden zijn verplicht om de kosten van een ontwikkeling te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaal plichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal. Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen. In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.

5.3 Participatie In de week van 3 maart zijn de bewoners langs omwonenden gegaan om het plan toe te lichten. Ze hebben het plan laten zien en de mensen op de hoogte gebracht van het toevoegen van één woning op het plangebied en de functiewijziging naar ‘Wonen’. De bewoners zijn langs de Diepenheimsestraat met huisnummers 44/44a/44b/46/48/48a/50/50b/61a en de Bomhof met huisnummers 73/75/77 gegaan. Alle bewoners hebben positief gereageerd op de plannen en hebben geen bezwaar.

5.4 Conclusie Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat het voorgenomen plan ruimtelijk, maatschappelijk en economisch uitvoerbaarheid is. De voorgenomen ontwikkeling kan dus worden gerealiseerd.

35

6

Vooroverleg

6.1 Het Rijk Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een uitvoeringsbesluit onder de Omgevingswet dat regels stelt over milieukwaliteit, veiligheid, gezondheid en omgevingswaarden ter ondersteuning van een goede fysieke leefomgeving. Geoordeeld wordt dat dit plan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

6.2 Provincie Overijssel Omdat met alle Overijsselse gemeenten woonafspraken zijn gemaakt, is voor de kleine woningbouwplannen de voortoets in de vooroverlegfase vervallen. Het gaat om plannen met minder dan 7 woningen. Alle overige woningbouwplannen (groter dan 6 woningen) moeten wel voor het vooroverleg aan de provincie worden aangeboden. In dit plan word één nieuwe woning gebouwd. Hiermee betreft het een plan met minder dan 7 woningen. Vooroverleg met de provincie is dan ook niet noodzakelijk. Het plan zal wel op de gebruikelijke manier ter kennisgeving aan de provincie worden aangeboden.

6.3 Waterschap Vechtstromen Vooroverleg met het Waterschap heeft plaatsgevonden via het invullen van de digitale watertoets op 5 februari 2024. Deze toets resulteerde in een positief wateradvies van het waterschap. De uitkomsten van deze watertoets hebben ertoe geleid dat de er geen waterschapsbelang is. Zie bijlage 7 voor de watertoets.

6.4 Inspraak Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In dit geval wordt dit plan ter inzage gelegd.

6.5 Zienswijzen Het plan zal conform artikel 3.8 lid 1 Wro gedurende 6 weken ter inzage worden gelegd. Eenieder wordt hiermee in de gelegenheid gesteld om te reageren op het plan. Na deze termijn wordt het resultaat van de terinzagelegging in deze toelichting weergegeven.

36

7

Bijlagen

Bijlage 1 Inrichtingsplan Bijlage 2 Bodemonderzoek Bijlage 3 QuickScan flora en fauna Bijlage 4 Stikstofberekening Bijlage 4a Ontwikkelfase stikstofberekening Bijlage 4b Gebruiksfase stikstofberekening Bijlage 5 Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 6 Akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai Bijlage 7 Watertoets

37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/4178/documents/59047