Toelichting op het reglement van orde
Tekst van het document
Het interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht en is een zwaarder politiek instrument. Het gaat om het recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig, omdat de vergaderorde wordt doorbroken. De vragen in het kader van een interpellatie worden gesteld door het individuele raadslid. Uit de artikelen 169 en 180 van de wet moet worden afgeleid dat het college en de burgemeester tot antwoorden verplicht zijn, tenzij er sprake is van strijd met het openbaar belang. De inlichtingen worden gegeven aan de raad als geheel. Artikel 50. Schriftelijke vragen Het vragenrecht stelt de leden van de raad in staat informatie te vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking. Op grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. Niet de voorzitter, maar het college of de burgemeester geeft daarom het schriftelijke antwoord. In de praktijk zal een schriftelijk antwoord van het college vaak door de desbetreffende portefeuillehouder gegeven worden (artikel 168 van de wet).
Schriftelijke vragen worden vaak ook als politieke vragen aangeduid.
Het verkrijgen van informatie is niet altijd het primaire doel van het stellen van schriftelijke vragen. Aandacht vragen voor een kwestie of belang en politieke profilering is veelal belangrijker. De raad kan oordelen dat het bijvoorbeeld wenselijk is dat de verantwoordelijke portefeuillehouder of de burgemeester in de raadsvergadering e.e.a. komt toelichten en nadere vragen komt beantwoorden. Om die reden is in het vijfde lid opgenomen dat de raad anders kan beslissen. In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen over het antwoord te vragen aan degene die het antwoord heeft gegeven. Indien de vragensteller van mening is dat de beantwoording van de vragen tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij het recht van initiatief of het interpellatierecht benutten om het onderwerp of het voorstel op de agenda van de raad te krijgen. Artikel 51. Inlichtingen In artikel 51 wordt een procedurele uitwerking gegeven van de inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten opzichte van de raad. De passieve inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 169, derde lid, van de wet is de klassieke informatieplicht die het college opdraagt de door de raad gevraagde inlichtingen te verstrekken, tenzij het openbare belang zich daartegen verzet. Dit recht om inlichtingen te vragen komt eveneens toe aan individuele raadsleden.
Daarmee wordt voorkomen dat een raadsmeerderheid om (partij)politieke redenen belemmeringen opwerpt tegen het vragen van inlichtingen door een raadslid of raadsminderheid. Wel kan de raad via het Reglement van Orde op grond van doelmatigheidsoverwegingen een zekere ordening aanbrengen in de wijze waarop het inlichtingenrecht wordt uitgeoefend. De raad gaat immers over de agenda en de vergaderorde. De weigeringsgrond ‘strijd met het openbaar belang’ is, zo blijkt uit de bewoordingen van artikel 169 van de wet, wettelijk objectief en algemeen omschreven. Het moet dan gaan om zwaarwegende belangen. Overigens blijft hier het uitgangspunt dat de raad en elk van zijn leden alle informatie dient te ontvangen die nodig is om zijn functie te kunnen uitoefenen. Dat strekt zich ook uit over geheime informatie. In dat geval kan de informatie worden verstrekt onder het opleggen van geheimhouding. In de praktijk bestaan verschillende wettelijke en politieke figuren om als de raad en het college met elkaar te communiceren buiten de openbaarheid. De openbaarheid van stukken en vergaderingen bijvoorbeeld kan al dan niet tijdelijk worden opgeheven. Vervolgens kent de wet een algemene actieve inlichtingenplicht. Artikel 169, tweede lid, van de wet verplicht het college uit eigen beweging de raad alle inlichtingen te verstrekken die de raad nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak.
Het college moet permanent nagaan welke informatie de raad behoeft voor een goede taakvervulling. Hier liggen grote politieke risico’s als de raad het college in het ongewisse laat over de aard en omvang van de gewenste informatie. In het geval dat raad en college daarover geen afspraken maken is de kans groot dat het college de raad veiligheidshalve overstelpt met papier. Van controleren komt dan weinig terecht. Dezelfde risico’s doen zich voor met betrekking tot een tweede actieve, meer specifieke inlichtingenplicht. Artikel 169, vierde lid, van de wet verplicht het college de raad vooraf te informeren over de voorgenomen uitoefening van een gemeentewettelijke bestuursbevoegdheid als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder e, f, g en h, van de wet indien de toepassing daarvan ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente of indien de raad daarom verzoekt. Het college mag dan niet eerder een besluit nemen dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen naar voren te brengen. De term ‘ingrijpend’ is in de wet niet nader omschreven. De raad en het college dienen, op basis van de situatie in de eigen gemeente, tot een afbakening te komen. De wetgever heeft destijds het oog gehad op substantiële financiële gevolgen van privaatrechtelijke overeenkomsten. De raad en het college moeten hier derhalve zelf een modus in vinden.
Artikelen 52 en 53. Actualiteitenronde Deze artikelen vormen een invulling van artikel 155, eerste lid, van de wet met betrekking tot het vragenrecht. In dit artikel is niet opgenomen dat de raad regels of nadere regels kan stellen over invulling van het vragenrecht. Het enigszins reguleren van het onbeperkte vragenrecht kan zeker een functie hebben en ziet vooral op procedurele randvoorwaarden. Een dergelijke uitwerking zal het in de wet toegekende individuele vragenrecht echter niet mogen beperken. Ook hier volgt een antwoordplicht uit de artikelen 169 en 180 van de wet, evenals voor de verschoningsgrond strijd met het openbaar belang. Hoewel het recht individueel van aard is, worden de gevraagde antwoorden aan de raad als geheel gegeven; ook dat blijkt uit artikel 169, derde lid en artikel 180, derde lid. Deze artikelleden leggen een antwoordplicht op het college en de afzonderlijke leden en de burgmeester. Uitgangspunt is en blijft dat elk raadslid recht heeft op alle informatie, ook geheime informatie, om zijn functie als raadslid te kunnen uitoefenen. Met het opleggen van geheimhouding kan dit worden ondervangen. In dit reglement is ervoor gekozen om raadsleden op te roepen alleen vragen te stellen over actuele onderwerpen, waarvoor geldt dat de beantwoording geen uitstel duldt en het onderwerp niet in diezelfde vergadering aan de orde komt.
Gelet op het onbeperkte individuele vragenrecht, moeten deze artikelen vooral worden gezien als een verzoek aan raads- en burgerleden zich te beperken bij het stellen van mondelinge vragen in de raads- en oordeelsvormende vergadering tot actuele zaken. Door deze mogelijkheid van het stellen van mondelinge vragen over actuele onderwerpen ook open te stellen in de oordeelsvormende vergadering, hebben ook burgerleden toegang tot dit mondelinge vragenrecht. Artikel 54. Agenderingsrecht De raad, commissie en de leden daarvan gaan over hun eigen agenda en kunnen dus ook onderwerpen ter agendering aandragen. Met het opnemen van een artikel dat dit agenderingsrecht regelt, wordt beoogd het bewustzijn van dit recht te bevorderen en hiervoor handvatten aan te reiken. De agendering vindt op basis van dit artikel plaats door tussenkomst van de agendacommissie. Dit laat onverlet dat bij de vaststelling van de agenda het ieder commissielid vrijstaat om een voorstel te doen de voorlopige agenda aan te vullen. De kans tot een succesvolle agendering wordt hopelijk met de komst van dit artikel vergroot. In het vijfde lid is geregeld dat bij dringende redenen de agendacommissie een agenderingsverzoek kan afwijzen.
Deze dringende redenen doen zich voor ais sprake is van ‘zodanige elementen of situatie(s) in of rondom een agenderingsverzoek, waardoor objectief gezien van de agendacommissie niet kan worden verwacht dat het agenderingsverzoek wordt geagendeerd’. Denk hier bijvoorbeeld aan de situatie dat de raad wordt gevraagd te debatteren over een onderwerp waarvoor opgaat dat de raad daarbij geen enkele zeggenschap heeft, dat wordt overwogen de raad een standpunt te laten innemen welkt in strijd is met wet- of regelgeving of een agenderingsverzoek waardoor personen beschadigd dreigen te raken. Artikel 55. Aanwijzen rapporteurs en verslag en verantwoording Met dit artikel worden handvatten gegeven om de sturing op en verantwoording van vertegenwoordigers in besturen van verbonden partijen en gemeenschappelijke regelingen in het bijzonder vorm te geven. Met de inwerkingtreding van de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen per 1 juli 2022 waarmee de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen wordt versterkt, worden de sturings- en controlemechanismen van de raad extra kracht bij gezet. Artikelen 56, 57 en 58. Uitleg reglement, intrekking oude regelingen, inwerkingtreding en citeertitel De inhoud van deze artikelen spreekt voor zich.