toelichting on bp Schouteneinde Puttershoek d.d. 15.03.2022
Tekst van het document
- 34 -
Uit de Beleidsregel:BL-11 ‘Versnelde afvoer van nieuw verhard oppervlak’ d.d. 09-042013 van het Waterschap blijkt dat 10 % van de toename van het verhard oppervlak moet worden gecompenseerd in open water. In de beleidsregel is verder verwoord dat in sommige gevallen de eis tot compensatie zwaar is ten opzichte van het te dienen waterstaatkundige doel. Om deze reden heeft het waterschap de verhardingstoename, van maximaal 500 m² in stedelijk gebied, vrijgesteld van compensatieplicht. Indien er meer verharding toename plaatsvindt, moet volledig worden gecompenseerd. In de bestaande situatie is er in het plangebied een oppervlakte aan verharding aanwezig van 2.245 m2 (bebouwing en terreinverharding). Daarnaast is er 637 m2 aan tuin aanwezig, dat ook als verharding is meegerekend. Totaal derhalve 2.882 m2. In de nieuwe situatie zal er 4.338 m2 verharding aanwezig, 1.773 m2 aan tuin en 311 m2 aan halfverharding.. De tuinen zijn qua verharding gereduceerd in de berekening (75 % tuinen vrijstaande woningen, 50 % tuinen geschakelde woningen. Dit komt uit op in totaal 3.365 m2 aan verharding in de nieuwe situatie. Hierna zijn de berekeningen van de verharding in de bestaande en de nieuwe situatie weergegeven. De conclusie is dat de toename van verharding 802 m2 zal zijn, derhalve er 80 m2 aan water moet worden gecompenseerd.
Over de wijze van compenseren wordt overleg gevoerd met het waterschap.
Figuur 4.4 vergelijking oppervlakte verharding bestaand en nieuw
Een groot deel van het plangebied ligt binnen de bescherming van een waterkering.
- 35 -
plangebied
Figuur 4.5: deel legger waterschap Hollandse Delta
In dat kader zal bij het waterschap vergunning worden gevraagd voor de uitvoering van het bouwplan. Ook over dit aspect is er overleg met het waterschap en de eisen die hieruit voortvloeien zullen ook in de te verlenen watervergunning worden opgenomen. Conclusie is dat het plan voldoet aan de uitgangspunten van het waterschap voor waterkwantiteit en waterkwaliteit. Ten aanzien van de watercompensatie en de waterveiligheid wordt zoals vermeld een watervergunning aangevraagd.
4.8 Flora en fauna In het kader van de verscherpte natuurwetgeving dient, voordat ergens ruimtelijke ingrepen plaatsvinden, te worden onderzocht of er belangrijke natuurwaarden voorkomen op een te bebouwen locatie. In dat kader is bij wijze van quick scan ecologisch onderzoek uitgevoerd (Schouteneinde 54: Ecoresult, 26 augustus 2020, nr. ER20200630v01 en Schouteneinde 52 /Zijdewinde 12: Ecoresult, 1 oktober 2021, nr. ER20210928v01). Deze quick scans hebben tot de conclusie geleid, dat er geen verstoring plaatsvindt van beschermde gebieden en soorten, behoudens vleermuizen (Schouteneinde 52 en 54) en huismussen (Schouteneinde 52. In verband hiermee heeft er nader onderzoek plaatsgevonden (Schouteneinde 54: Ecoresult, 10 september 2021, nr. ER20210817v01, Schouteneinde 52/Zijdewinde 12: Ecoresult, 10 september 2021, nr. ER20210820v01).
- 36 -
De conclusies uit deze onderzoeken zijn als volgt: Vleermuizen • In het plangebied zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis aanwezig. • Buiten het plangebied zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis aangetroffen. • Essentieel functioneel leefgebied is binnen het plangebied afwezig. Huismus • In het plangebied zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen van huismus aanwezig. • Buiten het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van huismus aangetroffen. • Essentieel functioneel leefgebied van huismus is binnen het plangebied afwezig. Ontheffing en maatregelen Negatieve effecten op vleermuizen en huismussen zijn uitgesloten. Een ontheffing op de Wet natuurbescherming of het treffen van aanvullende maatregelen is niet nodig. Stikstof Vanwege recente jurisprudentie moet er ook aandacht worden besteed aan de vraag, of bij een ruimtelijke ontwikkeling er sprake zal zijn van een toename van stikstofdepositie in een Natura 2000 gebied. In en rondom de gemeente Hoeksche Waard liggen de Natura 2000-gebieden Haringvliet, Hollands Diep, Oudeland van Strijen en Oude Maas. Deze Natura 2000-gebieden zijn niet stikstofgevoelig. Op enige afstand liggen de Biesbosch en Krammer-Volkerak. Die gebieden zijn wel stikstofgevoelig. Het plangebied ligt op meer dan 17 km van het Natura 2000 gebied Krammer-Volkerak en op meer dan 10 km van de Biesbosch.
Het gaat derhalve om een grotere afstand van het plangebied ten opzichte van genoemde Natura2000 gebieden. Inmiddels blijkt, dat bij de bouw van niet meer dan 15 woningen in stedelijk gebied, op een afstand van meer dan 6,7 km van stikstofgevoelig Natura2000 gebieden, er geen sprake zal zijn van toename van stikstofdepositie in die gebieden. Volgens het toetsingskader stikstof woningbouw is de bijdrage aan stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura2000 gebieden derhalve 0,00 mol/ha/jaar. Daarnaast is er onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie in het plangebied (Ad Fontem, 22 februari 2022, nr. 21AF190). Hieruit blijkt dat de emissie in de gebruiksfase niet hoger is dan 0,00 mol/ha/j. De ontwikkeling leidt derhalve niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van de Natura 2000-gebieden. Conclusie is, dat er geen frictie ontstaat met de natuurwetgeving op het terrein van stikstofdepositie.
4.9 Geur Het plangebied ligt niet binnen een geurcirkel van enig in de omgeving aanwezig bedrijf.
- 37 -
4.10 Archeologische waarden en cultuurhistorie Archeologie De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ordening is het onderwerp van het Europese Verdrag van Valetta (Malta, 1992) en de Erfgroedwet . De bescherming van het archeologische erfgoed is als uitvloeisel daaruit een taak van de gemeente. Er dient binnen bestemmingsplannen en bij ruimtelijke onderbouwingen als de onderhavige, aandacht te worden besteed aan archeologische aspecten. In het bestemmingsplan ‘Puttershoek’ heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Op grond van die dubbelbestemming moet erbij ingrepen die een oppervlakte beslaan van meer dan 30 m² eerst archeologisch vooronderzoek worden verricht. In dat kader is archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek uitgevoerd (SOB Research, mei 2020, nr. 2745-2003). Op basis van het uitgevoerde onderzoek is geconcludeerd, dat het plan kan leiden tot het aantasten van behoudenswaardige archeologische resten. Archeologisch vervolgonderzoek wordt noodzakelijk geacht. Voor dat vervolgonderzoek kan aansluiting worden gezocht bij de voorgenomen civieltechnische werkzaamheden. Het advies is om de ondergrondse sloopwerkzaamheden en de civieltechnische graafwerkzaamheden onder archeologische begeleiding te laten uitvoeren.
Voor die archeologische begeleiding zal een Programma van Eisen worden opgesteld, dat vooraf door de gemeente moet worden goedgekeurd. Daarnaast is er voor de locaties Schouteneinde 52 en Zijdewinde 12 verkennend veldonderzoek uitgevoerd (SOB Research, september 2021, nr. 2877-2107). Uit dit onderzoek blijkt dat de realisatie van het voorgenomen plan kan leiden tot aantasting van archeologische resten en dat derhalve nader onderzoek vereist is. Beide onderzoeken zijn voorgelegd aan het bevoegd gezag, zijnde de gemeente. De gemeente heeft aangegeven dat het vereiste nader onderzoek kan bestaan uit het uitvoeren van archeologische begeleiding van de ondergrondse sloopwerkzaamheden en de graafwerkzaamheden. Er is voor deze archeologische begeleiding een Programma van Eisen ter goedkeuring voorgelegd aan de gemeente. Cultuurhistorie Op het perceel Schouteneinde 54 / 52 en Zijdewinde 12 te Puttershoek zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Molenbiotoop: Het plangebied valt binnen een molenbiotoop, te weten die van korenmolen de Lelie. ‘De Lelie’ staat aan de Molendijk te Puttershoek.
- 38 -
Figuur 4.6 foto molen ‘de Lelie’
In het bestemmingsplan ‘Puttershoek’ is dit als volgt geregeld: 46.6 Vrijwaringszone - molenbiotoop 46.6.1 Aanduidingsomschrijving De gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de functie van de molen als werktuig en zijn waarde als landschapsbepalend element.
46.6.2 Bouwregels In afwijking van het bepaalde bij de in artikel 46.6.1 bedoelde bestemmingen mogen: a.
binnen een afstand van 100 m van de molen, bouwwerken niet worden gebouwd voor zover de bouwhoogte hoger is dan de hoogte van het onderste punt van de verticaal staande molenwiek;
b.
binnen een afstand van 100 m tot 400 m van de molen, bouwwerken niet worden gebouwd voor zover de bouwhoogte hoger is dan de hoogte van het onderste punt van de verticaal staande molenwiek vermeerderd met 1/30 van de afstand tussen het nieuw op te richten bouwwerk en de molen.
Bij deze toelichting is de bijlage ‘Onderbouwing molenbiotoop Schouteneinde Puttershoek’ (RoosRos, 16 december 2021, nr. 4695) gevoegd. Daarin zijn de huidige en nieuwe situatie in kaart gebracht. Er is berekend welk zichtoppervlak (lengte van de boogstraal tussen de radialen van de overschrijding X de hoogte van de overschrijding) er boven de molenbiotoop uitsteekt. Dit is door middel van inmetingen en een 3D model zo zorgvuldig mogelijk in beeld gebracht.
- 39 -
In de provinciale omgevingsverordening zijn regels gegeven over hoe om te gaan met molenbiotopen. In artikel 6.25, lid 2 sub a is het volgende bepaald: ‘2. In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, is het oprichten van nieuwe bebouwing mogelijk ten behoeve van: a. een ontwikkeling binnen een molenbiotoop waarin vrije windvang en het zicht op de molen al zijn beperkt door bebouwing, zolang de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt, of zeker is gesteld dat de belemmering van de windvang en het zicht op de molen door maatregelen elders in de molenbeschermingszone worden gecompenseerd;’ In de al genoemde bijlage met onderbouwing van de effecten op de molenbiotoop is beschreven, dat met de voorgenomen ontwikkeling het bebouwingslint aan het Schouteneinde zorgvuldig wordt ingevuld en de locatie van een kwaliteitsimpuls wordt voorzien. Langs dit historische bouwlint is gebruik van een woningtypologie bestaande uit een woning met één/twee lagen en kap gewenst. Dit wringt echter met de gestelde bouwhoogtes ten aanzien van het behoud van de windvang van de molen. Er is sprake van een toename van de overschrijding van het zichtoppervlak van de molen in relatie tot de ontwikkeling van voorliggend bouwplan en dat op het buurperceel (voormalige Posthoorn) van: 187 (nieuw) – 159,2 (bestaand) = 27,8 m².
Gelet op de totale omvang (360 graden) van de molenbiotoop belemmert dit plan slechts een zeer klein deel van de totale windvang van de molen. Over het bouwplan is overleg gevoerd tussen gemeente en provincie. Uit dat overleg is gekomen, dat de provincie heeft aangegeven dat er in dit specifieke geval een beroep kan worden gedaan op artikel 6.34 van de omgevingsverordening, waarin een afwijkingsmogelijkheid voor maatwerk is gegeven. De overschrijding hierbij moet niet meer zijn dan 100 m2. De tekst van dit artikel 6.34 luidt als volgt: ‘Een bestemmingsplan kan voorzien in een bestemming waarbij in relatief beperkte mate wordt afgeweken van de regels in deze afdeling, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de doelstelling van de desbetreffende regels.’ Voor alleen het project Schouteneinde 52/54 en Zijdewinde 12 is de overschrijding 29,8 m2. De voorgestelde uitvoering van de bebouwing komt ten goede aan de cultuurhistorische betekenis en bijbehorende waarden van het historische bebouwingslint langs het Schouteneinde. De te verwachten extra windhinder voor de molen is in dit geval minimaal. Hierbij wordt nog opgemerkt, dat er aan het Schouteneinde heel recent ook ontwikkelingen hebben plaatsgevonden die ten goede zijn gekomen aan de windvang van de molen.
Om deze redenen voldoet het bouwplan aan de afwijkingsmogelijkheid die in de omgevingsverordening van de provincie is opgenomen.
- 40 -
Over het bouwplan is overleg gevoerd met de beheerder van de windmolen ‘de Lelie’, te weten de Stichting Molens Hoeksche Waard. Dit overleg is gevoerd op basis van de hiervoor al genoemde ‘Onderbouwing molenbiotoop Schouteneinde Puttershoek’ d.d. 16 december 2021. Van de zijde van de Stichting Molens Hoeksche Waard is bericht, dat er bereidheid bestaat om in te stemmen met het bouwplan. Daarbij is aangegeven dat e.e.a. verder zal afhangen van wat er wordt omschreven in de omgevingsvergunning. Deze zal te zijner tijd worden beoordeeld door de Stichting en als het gaat om een ontwerp zoals dat is besproken, dan zal er mee kunnen worden ingestemd. Daarbij is nog aangegeven, dat het opnemen van een beperkende bepalingen in de privaatrechtelijke overeenkomsten met de toekomstige bewoners , inclusief kettingbeding, voorwaarde is en blijft bij het positieve advies. Dit geldt met name voor eventuele opbouwconstructies en natuurlijk het te planten groen in de bijbehorende tuinen. De Stichting zal daarbij adviezen voor de verkoopdocumentatie verstrekken. Gezien hetgeen hiervoor is opgemerkt, kan worden geconstateerd dat het bestemmingsplan uit oogpunt van cultuurhistorie uitvoerbaar is. Conclusie Er wordt afgeweken van het provinciaal beleid, maar dat is hiervoor in voldoende onderbouwd.
4.11 Verkeer en vervoer Er is onderzoek ingesteld naar de voor dit plan relevante verkeersaspecten (IV-Infra, 11 maart 2022, nr. INFR210935). Uit de desbetreffende rapportage blijkt het volgende. parkeren Het parkeerbeleid van de gemeente Hoeksche Waard ligt vast in de nota ‘Parkeernormering gemeente Hoeksche Waard’, door het college van B&W vastgesteld op 6 juli 2021. In deze nota is vastgelegd dat bij nieuwe projecten rekening gehouden moet worden met de beschikbaarheid van voldoende parkeergelegenheid. Voldoende parkeerplaatsen zijn belangrijk voor de bereikbaarheid en ze voorkomen dat een te hoge parkeerdruk zorgt voor overlast in het gebied. Op basis van de parkeernormen in de parkeernota wordt het aantal parkeerplaatsen berekend dat beschikbaar moet zijn in het plangebied. Dit is de parkeereis. De hoogte van een parkeernorm is afhankelijk van de ligging van de functie. Puttershoek heeft stedelijkheidsgraad ‘weinig stedelijk’. De beoogde locatie aan de Schoutenseinde valt onder de ‘rest bebouwde kom’. De nieuw te realiseren woningen hebben een totale parkeervraag van 31,7 parkeerplaats.
- 41 -
Volgens de gemeentelijke parkeernota moet het aantal parkeerplaatsen vanaf 0,5 parkeerplaats naar boven afgerond worden. Dit betekent dat in totaal 32 parkeerplaatsen beschikbaar moeten zijn.
Op de hierna opgenomen inrichtingsschets zijn 34 plaatsen voor het parkeren van auto’s ingetekend. Een deel van de plaatsen bestaat uit een oprit, die niet als volledige parkeerplaats gerekend mag worden. Als de getekende situatie wordt getoetst aan het gemeentelijk beleid, dan is er na realisatie van het bouwplan een parkeercapaciteit van afgerond 32 parkeerplaatsen. Dit aantal is toereikend om aan de parkeereis te voldoen
Figuur 4.7 parkeersituatie
- 42 -
Verkeersgeneratie Het CROW heeft kencijfers ontwikkeld voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die worden gegenereerd bij nieuwe ontwikkelingen. De meest recente richtlijnen liggen vast in publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. De richtlijnen van het CROW gaan uit van een bandbreedte van minimale en maximale kencijfers. De te hanteren kencijfers zijn afhankelijk van de kenmerken van de locatie. Hiervoor gelden dezelfde uitgangspunten als gehanteerd bij het vaststellen van de parkeernormen (weinig stedelijk, rest bebouwde kom). In de hierna opgenomen zijn de kencijfers voor de verkeersgeneratie van de verschillende typen woningen weergegeven.
De woningen zorgen in de toekomst voor een verkeersgeneratie van minimaal 109, maximaal 121 en gemiddeld 115 verplaatsingen per etmaal
In het verkeersonderzoek wordt verder ingegaan op de ontsluiting van het plangebied en de inrichting en capaciteiten van de omliggende wegen. Tevens wordt aandacht besteed aan de inrichting van de openbare ruimte in het plangebied. De conclusie is het rapport is als volgt: ‘De woningen genereren volgens de kencijfers van het CROW maximaal 121 verplaatsingen. Dit wil echter niet zeggen dat er een toename gaat zijn van dit aantal verplaatsingen, aangezien de huidige functies in het plangebied eveneens verkeer genereren. In het drukste uur levert het bouwplan circa 12 verplaatsingen op. Dit komt overeen met gemiddeld één voertuig per 5 minuten.
- 43 -
De gevolgen voor de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van dit verkeer is zeer beperkt. De gevolgen van het bouwplan voor verkeer zijn daarmee acceptabel. 4.12 Kabels en leidingen Binnen het plangebied liggen wel diverse kabels en leidingen (nutsleidingen), doch deze zijn planologisch gezien niet relevant. De aan de noordrand van het plangebied aanwezige gasleiding is in paragraaf 4.5 (externe veiligheid) benoemd en behandeld.
- 44 -
5. Juridische toetsing 5.1 Juridische planopzet Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening en het nieuwe Besluit ruimtelijke ordening in werking getreden. Per 1 januari 2010 is het verplicht bestemmingsplannen geheel digitaal op te stellen en vast te stellen. Het bestemmingsplan is opgesteld aan de hand van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012).
5.2 Bestemmingswijzer 5.2.1. Inleidende regels. Begrippen (artikel 1) en Wijze van meten (artikel 2) De begrippen die in dit bestemmingsplan zijn opgenomen, worden in artikel 1 nader gedefinieerd. Bij toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel opgenomen definities van de begrippen. Naast begrippen zijn in het bestemmingsplan hoogte- en andere maten opgenomen die van belang zijn bij het bouwen van bouwwerken. Artikel 2 van de regels geeft een nadere omschrijving hoe de bedoelde maten gemeten moeten worden. 5.2.2 Bestemmingsregels Binnen het plangebied zijn de bestemmingen ‘Wonen’, ‘Tuin’ en ‘Verkeer’ opgenomen. Daarnaast zijn ook de dubbelbestemmingen ‘Leiding – Gas’, ‘Waterstaat – Waterkering’ en ‘Waarde – Archeologie’ van toepassing. 5.2.3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, een regel met betrekking tot bestaande afmetingen, afstanden en percentages, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels (met daarin de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’) en algemene afwijkings- en wijzigingsregels. 5.2.4 Overgangs- en slotregel. De laatste artikelen van het bestemmingsplan betreffen de overgangsbepalingen en de slotregel, waarin de naam, zoals de regels aangehaald kunnen worden, is opgenomen.
5.3 Handhaving De gemeente Hoeksche Waard is belast met het toezicht op de uitvoering van de bouwwerkzaamheden overeenkomstig het bepaalde in dit bestemmingsplan. Bij de opstelling van de bouwregels is de bestemmingsplansystematiek van het bestemmingsplan ‘Puttershoek’ in acht genomen.
- 45 -
6. Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Het bouwplan voor het realiseren van 15 woningen omvat de herinrichting van gronden met de bestemmingen ‘Detailhandel’ ‘Wonen’ ‘Bedrijf’ en ‘Groen’. Het plangebied ligt in het de bebouwde kern van Puttershoek (gemeente Hoeksche Waard). Met de initiatiefnemer is een zogenaamde anterieure exploitatieovereenkomst afgesloten. Dit betekent dat het kostenverhaal is verzekerd. Er hoeft dan ook geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 van de Wro te worden vastgesteld. De realisering van het plan wordt verzorgd door initiatiefnemers. De financiële dekking voor het plan is hiermee geregeld en de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In het kader van de omgevingsdialoog is er intensief overleg gevoerd met omwonenden. Met de gevormde klankbordgroep is gesproken over het eerst ontworpen bouwplan. Vanwege de grote bezwaren vanuit omwonenden tegen dat ontwerp is het bouwplan ingrijpend aangepast. Uit de verdere contacten daarover met de klankbordgroep is naar voren gekomen, dan deze groep kan in stemmen met het nu voorliggende bouwplan. De brief van 7 december 2021, die hier op betrekking heeft, is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.
- 46 -
7. Overleg ex artikel 3.1.1. Bro/zienswijzen 7.1 Vooroverleg In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening is het bestemmingsplan voorgelegd aan diverse vooroverlegpartners. Uitkomst PM 7.2 Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan heeft vanaf xx xx 2022 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. In deze perioden kon door een ieder een zienswijze worden ingediend. Van deze gelegenheid is wel/geen gebruik gemaakt.
- 47 -