CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting on bp Oud-Cromstrijensedijk WZ naast 75 d.d. juli 2020

Besluitvormende raad 15 juni 2021, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan Oud-Cromstrijensedijk WZ naast nr.75 te Klaaswaal7.690 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Toelichting Bestemmingsplan ‘Oud-Cromstrijensedijk WZ naast 75 Klaaswaal’ Gemeente Hoeksche Waard

Ontwerp: NL.IMRO.1963.BPOCdWZ77KLW20-ON01

Bestemmingsplan ‘Oud-Cromstrijensedijk WZ naast 75 Klaaswaal’ Gemeente Hoeksche Waard

Toelichting Regels Verbeelding Datum: Status:

juli 2020 ontwerp

Identificatienummer: NL.IMRO. 1963.BPOCdWZ77KLW20-ON01

-2-

INHOUDSOPGAVE

1. Inleiding 1.1 Situering 1.2 Aanleiding en doelstelling 1.3 Het bestemmingsplan 1.4 Eerder bestemmingsplan 1.5 Leeswijzer 2. Beschrijving plangebied en bouwplan 2.1 Inleiding 2.2 Omgeving plangebied 2.3 Huidige situatie 2.4 Doel bestemmingsplan 2.5 Stedenbouwkundige aspecten 3. Beleidskader 3.1 Inleiding 3.2 Rijksbeleid 3.3 Provinciaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid 4. Omgevingsaspecten 4.1 Inleiding 4.2 Verkeer 4.3 Flora en fauna 4.4 Archeologische waarden 4.5 Waterhuishouding 4.6 Milieuzonering 4.7 Geluid 4.8 Bodem 4.9 Geur 4.10 Luchtkwaliteit 4.11 Externe veiligheid 4.12 Kabels en leidingen 4.13 Besluit Milieueffectrapportage 5. Juridische toelichting 5.1 Juridische planopzet 5.2 Bestemmingswijzer 5.3 Plantoetsing en handhaving 6. Uitvoering 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Planschade 7. Overleg ex artikel 3.1.1. Bro/zienswijzen 7.1 Vooroverleg 7.2 Zienswijzen Bijlagen: -akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (Kraaij akoestisch adviesbureau, 28 april 2020, projectnr. VL 1851.R01, rev. 1) -verkennend bodemonderzoek (Inventerra., d.d. 23 april 2020, nr. 20-2113-R01JV) -quick scan Flora en Fauna (Breur Ecologie & Onderzoek, 29 april 2020, nr. QS20028v1) -stedenbouwkundige schets (Wissing, 9 maart 2020)

PAG.

4 4 4 5 6 6 7 7 7 7 8 8 10 10 10 11 16 19 19 19 20 21 22 23 23 25 26 26 27 29 29 30 30 30 30 31 31 31 32 32 32

-3-

1. Inleiding 1.1 Situering. Het plangebied ligt in het buitengebied van Klaaswaal aan de Oud-Cromstrijensedijk WZ naast nr 75.

plangebied

Figuur 1.1: luchtfoto plangebied met omgeving

1.2 Aanleiding en doelstelling Het desbetreffende perceel aan de Oud-Cromstrijensedijk WZ is eigendom van initiatiefnemer. Het perceel heeft op dit moment in het geldende bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 2013’ de bestemming ‘Tuin’. Initiatiefnemer wil een burgerwoning realiseren op dit perceel, hetgeen op grond van genoemde bestemming niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Initiatiefnemer heeft een verzoek ingediend bij de voormalige gemeente Cromstrijen en onder de voorwaarden dat de woning levensloopbestendig en gasloos wordt is de gemeente welwillend geweest om medewerking te verlenen aan het plan van initiatiefnemer.

Daarbij heeft voor de gemeente Cromstrijen meegespeeld, dat het plan om een extra woning in een bestaand bebouwingslint te bouwen, in overeenstemming is met het provinciale ruimtelijke beleid zoals eerst vastgelegd in de Verordening Ruimte 2014 en thans in de Omgevingsverordening.

-4-

Initiatiefnemer wil ter plaatse een woning bouwen die aan de eisen van de gemeente Hoeksche Waard voldoet. Het perceel is kadastraal bekend gemeente Klaaswaal, sectie C, nr. 67 (ged.). Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 5.000 m².

Figuur 1.2: kadastrale tekening

De woning wordt gebouwd op het zuidelijk deel van het perceel. De rest van het perceel blijft op dezelfde wijze ingericht met beplanting en bomen zoals thans al aan de orde is. Vanwege de strijdigheid van het bouwplan met genoemd bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 2013’ is een herziening van dat bestemmingsplan vereist.

1.3 Het bestemmingsplan Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisering van een woning mogelijk. Dit bestemmingsplan is gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het bestemmingsplan bestaat uit de volgende stukken: - Verbeelding (plankaart) - Regels. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van deze toelichting.

-5-

1.4 Eerder bestemmingsplan Er is een eerder initiatief geweest voor het bebouwen van het perceel C nr. 67. Het betrof het plan tot het bouwen van een woning aan de noordzijde van dit perceel. Vanwege een indertijd ingediende zienswijze heeft het gemeentebestuur een heroverweging gemaakt voor dat initiatief. Er is gezocht naar een situering van de nieuwe woning zodanig op het perceel, dat meer aansluiting wordt gezocht bij het bestaande bebouwingslint. Dit heeft geleid tot het plan om aan de zuidzijde van perceel C 67 de woning te realiseren. In paragraaf 2.5 wordt nader ingegaan op de relevante stedenbouwkundige en landschappelijke aspecten, die hebben geleid tot het oordeel dat de nu aan de orde zijnde plaats nom meer aanvaardbaar is.

1.5 Leeswijzer Deze toelichting omvat een omschrijving op hoofdlijnen van het plangebied en het plan (hoofdstuk 2). Het relevante beleid voor het plangebied (hoofdstuk 3) en een omschrijving van de verschillende omgevingsaspecten (hoofdstuk 4). In hoofdstuk 5 wordt een juridische toelichting gegeven. Hoofdstuk 6 omvat de aspecten planschade en economische uitvoerbaarheid. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 het overleg ex artikel 3.1.1 Bro beschreven, alsmede de uitkomst van het vooroverleg en de zienswijzenprocedure.

-6-

2. Beschrijving plangebied en gebruiksplan. 2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt het plangebied en het aangepaste plan beschreven. 2.2 Omgeving plangebied

De Oud-Cromstrijensedijk WZ loopt vanaf het centrum van Klaaswaal in westelijke richting tot aan de Beijerlandschedijk. De dijk ligt grotendeels in het buitengebied van Klaaswaal. Langs de dijk is een diversiteit aan bebouwing aanwezig, van burgerwoningen tot agrarische bebouwing. Het perceel Oud-Cromstrijensedijk WZ naast nr. 75 ligt ten westen van de bebouwde kern van Klaaswaal.

2.3 Huidige situatie

Op dit moment heeft het perceel Oud-Cromstrijensedijk WZ naast nr. 75 de bestemming ‘Tuin’. Op het perceel mogen geen gebouwen worden opgericht. Hierna zijn foto’s opgenomen van het perceel.

Figuur 2.1 luchtfoto perceel Oud-Cromstrijensedijk WZ naast nr. 75

-7-

Figuur 2.2 foto plangebied vanaf de Oud-Cromstrijensedijk

Figuur 2.3 foto plangebied vanaf de Kreekweg

2.4 Doel bestemmingsplan Het voorliggende bestemmingsplan geeft aan het plangebied het bestemmingsvlak ‘Wonen’ met als doel om de realisering van een woning mogelijk te maken.

2.5 Stedenbouwkundige aspecten Ten aanzien van de stedenbouwkundige opzet van het plan het volgende. De positie van de woning is bepaald aan de hand van de hiervoor gemaakte stedenbouwkundige schets (Wissing, 9 maart 2020), die als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. De woning komt op het zuidelijke deel van het ter plaatse aanwezige perceel, de rest van het perceel blijft ingericht met beplanting en bomen zoals thans al aan de orde is.

-8-

De woning staat op ruim 30 meter vanaf de Kreekweg. De woning ligt op vergelijkbare afstand als de andere bebouwing aan deze zijde van de dijk, circa 12 m vanaf die dijk. De dijk behoudt zijn gezicht. De woning positioneert zich ruimtelijk in een groene omkadering in de polder. De tuindiepte is gelijk aan de gemiddelde tuindiepte van de aangrenzende kavels. Door de voorgestane positionering van de woning zijn er ruime zichtlijnen naar de achtergelegen gronden.

Het plan is uit landschappelijk en stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar.

-9-

3. Beleidskader 3.1

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de hoofdlijnen beschreven van het relevante beleid van het rijk, provincie en gemeente. 3.2

Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) De SVIR vervangt de Nota Ruimte uit 2006. In de SVIR kiest het Rijk drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; • Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. In de SVIR wordt ten aanzien van het onderwerp ‘Verstedelijkings- en landschapsbeleid’ aangegeven, dat het Rijk dit overlaat aan de provincies en gemeenten. Dit bestemmingsplan heeft tot doel om de bestaande tuinbestemming op het perceel Oud Cromstrijensedijk WZ naast nr. 75 te wijzigen in een woonbestemming met tuin. Het plan is niet in strijd met de uitgangspunten van de SVIR. Ladder voor duurzame verstedelijking (SER-ladder) In 2012 is de ladder voor duurzame verstedelijking aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegevoegd, laatstelijk gewijzigd 1 juli 2017. De ladder voor duurzame verstedelijking is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd.

Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie van de ladder vraaggerichte programmering bevorderen. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro bepaalt ten aanzien van de werking van de ladder dat de ladder toegepast moet worden bij bestemmingsplannen, die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Het plan tot het aanpassen van de bestemming van het perceel Oud-Cromstrijensedijk van Tuin naar Wonen. Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt, dat de bouw van een enkele woning niet als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.16, tweede lid, Bro wordt beschouwd (zie ABRvS 27 juni 2017, 201608869/1/R3).

- 10 -

Om die reden is er geen noodzaak om de behoefte aan deze ontwikkeling te toetsen aan de hand van de ladder voor duurzame verstedelijking. 3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid-Holland De omgevingsvisie en de omgevingsverordening Zuid-Holland zijn op 1 april 2019 in werking getreden. Deze vervangen de Verordening Ruimte en de Visie Ruimte. Het nieuwe omgevingsbeleid bestaat uit de volgende onderdelen: *De introductie op het Omgevingsbeleid, waarin opgenomen de ruimtelijke hoofdstructuur, een overzicht van de samenhangende beleidskeuzes per provinciale beleidsopgave en de ontwikkelrichting die is opgenomen onder ‘Ambities en sturing’. *Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. Stedelijke ontwikkeling Nieuwe stedelijke ontwikkelingen in het gebied buiten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) zijn op basis van artikel 6.10 van de verordening pas mogelijk als na toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking blijkt dat dit binnen bestaand stads- en dorpsgebied niet mogelijk is. Zoals onder 3.2.3 is beargumenteerd, is er in onderhavig plan geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.

Bestaand stads-en dorpsgebied In figuur 3.1 is de kaart van het bestaande stads- en dorpsgebied weergegeven. De provincie kiest ervoor om verstedelijking zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied te concentreren. Hiermee worden investeringen in de gebouwde omgeving gebundeld, waardoor de kwaliteit van het bebouwde gebied behouden blijft en versterkt wordt. De planlocatie ligt buiten dit gebied. Maar zoals hieronder nader aangegeven, geeft het plan in totaal een kwalitatieve meerwaarde.

- 11 -

Figuur 3.1 kaart BSD

In de Omgevingsverordening wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkelingen (artikel 6.9), inpassen, aanpassen en transformatie. In de toelichting wordt bij de omschrijving van ‘inpassing’ aangegeven dat dit een ontwikkeling betreft die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een kavel. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of een woning in een lint. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met topkwaliteit. Hier is sprake van een ontwikkeling die zich afspeelt op het niveau van een kavel, waarbij de nieuwe woning aansluit op de aanwezige lintbebouwing langs de Oud Cromstrijensedijk WZ. Om deze reden is de ontwikkeling te kwalificeren als ‘inpassen’. nieuwe woning

Figuur 3.2 lintbebouwing Oud Cromstrijensedijk WZ

- 12 -

Ten aanzien van de integrale kwaliteitskaart wordt het volgende opgemerkt. Voor het plangebied zijn de Laag van de ondergrond en de Laag van de cultuur- en natuurlandschappen van belang, nu er bij die lagen richtpunten worden genoemd voor het gebied waar Oud-Cromstrijensedijk WZ naast nr. 75 onderdeel van vormt. Het gaat om de volgende richtpunten: Bij de Laag van de ondergrond is voor het plangebied het richtpunten ‘Rivierdeltacomplex’ vermeld: Rivierdeltacomplex Zoals overal in Zuid-Holland heeft het water en het menselijk handelen grote invloed gehad op de geomorfologie van dit deel van de provincie. Het land in de delta is vergroot door aanleg van dijken rond droogvallende gronden. Jonge zeeklei De gronden in het deltacomplex bestaan overwegend uit kleigronden. Dit zijn voedselrijke, draagkrachtige gronden. De deltawateren zijn onderdeel van het deltacomplex. De estuariene dynamiek is een belangrijk natuurlijk gegeven. Nauw verbonden met de deltawateren zijn de niet ingepolderde, buitendijkse kleigronden. Dit betreft de slikken, (bekade) gorzen, grienden, wilgenbossen en de uiterwaarden langs de rivieren. Het zijn natuurlijke landschappen waar ruimte is voor dynamische processen. Richtpunt: Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden.

Beoordeling De ruimtelijke ontwikkeling die in dit bestemmingsplan is opgenomen legt geen groot beslag op het zeekleigebied. In de al aanwezige lintbebouwing wordt één woning toegevoegd. De waarde van het gebied en de kleigronden worden niet nadelig beïnvloed.

Bij de Laag van de cultuur- en natuurlandschappen is voor het plangebied het richtpunt ‘Linten’ vermeld: Linten Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Om die reden worden linten beschouwd als onderdeel van de tweede laag. Op kaart zijn zowel de linten buiten als binnen het stedelijk gebied aangegeven. De linten binnen het stedelijk gebied zijn met name opgenomen om de relatie met het lint in het buitengebied aan te geven. Er kunnen verschillende typen linten onderscheiden worden.

- 13 -

1. Dijklint: De bebouwing staat op of tegen de dijk. Er is weinig ruimte voor nieuwe bebouwing. 2. Polderlint: De bebouwing ligt op één niveau met de omgeving. Dit biedt ruimte voor plaatselijke verbreding van het profiel door differentiatie in kaveldiepte. Er liggen hier kansen voor ontwikkeling, mits rekening wordt gehouden met de overige karakteristieken van het lint. 3. Boerenervenlint (niet opgenomen op kaart): het lint als kralensnoer van losse boerderijen met hun erven wordt in stand gehouden, verdere verdichting van dit type lint verstoort de kenmerkende openheid van het landschap en kan alleen daar waar zeer ruime doorzichten bewaard blijven. Met name kenmerkend voor droogmakerijen, zeekleipolders en ruilverkavelingslinten. Boerenerven zelf kunnen uitbreiden, onder de voorwaarde dat dit aansluit bij de karakteristieke erfindeling met een landelijke uitstraling en dient ter ondersteuning van de (verbrede) functie van het landbouwbedrijf. Richtpunten: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst. • Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend.

• Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht. Beoordeling: De ruimtelijke ontwikkeling die in dit bestemmingsplan aan de orde is, betreft de toevoeging van één woning aan de Oud-Cromstrijensedijk WZ. Het bestaande dijklint wordt niet aangetast, de nieuwe woning voegt zich in dat bestaande dijklint. De situering en afmetingen sluiten daar bij aan. Gebiedsprofiel Hoeksche Waard Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland hebben op 24 mei 2013 het Gebiedsprofiel Hoeksche Waard vastgesteld. Het Gebiedsprofiel Hoeksche Waard is één van de 16 gebiedsprofielen die voor ZuidHolland worden gemaakt. Met de introductie van deze profielen wil de provincie ruimtelijke kwaliteit als belangrijke voorwaarde stellen voor nieuwe gebiedsontwikkelingen. Het gebiedsprofiel verbeeldt en beschrijft de ruimtelijke kwaliteiten en ambities voor het landelijke gebied. Hierdoor wordt duidelijk waar rekening mee moet worden gehouden bij nieuwe ruimtelijke ingrepen. De Hoeksche Waard is een uniek agrarisch polderlandschap en als representant van de bedijkingsgeschiedenis van Nederland ook op internationale schaal bijzonder.

De schoonheid van het landschap zit in de eenvoud: een weids en open landschap waarin dorpen, dijken, polders en kreken de ingrediënten van een leesbaar landschap zijn.

- 14 -

De landschappelijke identiteit van de Hoeksche Waard wordt sterk bepaald door de ligging in het deltagebied. Een eiland tussen de grote wateren, waar het land is gewonnen op het water. De vruchtbare kleigronden hebben van de Hoeksche Waard een sterk landbouwgebied gemaakt. Door de rust en de ruimte is het een aantrekkelijk gebied voor recreatie, toerisme en wonen in de nabijheid van de stad. Kwaliteiten In samenwerking met SOHW, Waterschap Hollandse Delta en maatschappelijke organisaties, heeft de provincie Zuid-Holland de kwaliteiten in de Hoeksche Waard bepaald. De ambities in het gebiedsprofiel richten zich op: • de herkenbaarheid van de structuur van dijken en kreken • de openheid van de polders • de ontwikkeling van hoogwaardige dorpsranden • een zonering van het landschap • het versterken van de verbindingen tussen dorp en landschap • de verdere ontwikkeling van buitendijkse natuur Nieuwe ontwikkelingen dienen met deze kwaliteiten rekening te houden. Uit het Gebiedsprofiel blijkt dat het hier gaat om de volgende karakteristieken ‘Herkenbaar open zeekleipolderlandschap’ en ‘Linten blijven Linten’. Bij hetgeen hiervoor is geschreven over de richtpunten van de kwaliteitskaart is op deze karakteristieken al ingegaan. Voor de volledigheid wordt er nog op gewezen, dat de provincie gebieden ingedeeld heeft in drie beschermingscategorieën: 1.

Beschermingscategorie 1: gebieden met topkwaliteit (bv. Natuur Netwerk Nederland, Natura2000 en cultuurhistorische kroonjuwelen). Ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met beschermingscategorie 1 zijn in beginsel alleen mogelijk voor zover ze bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de specifieke waarden. 2. Beschermingscategorie 2: gebieden met bijzondere kwaliteit (weidevogelgebieden buiten NNN, groene buffers, graslanden in Bollenstreek en openbare recreatiegebieden). Ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden zijn mogelijk, maar met inachtneming van het instandhouden van de specifieke waarden. 3. Beschermingscategorie 3: overige gebieden, zonder specifieke landschappelijkeen/of natuurkwaliteiten. Ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden zijn toegestaan, mits uiteraard stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar. Het perceel Oud-Cromstrijensedijk WZ naast nr. 75 ligt in gebied met beschermingscategorie 3. De bouw van een woning verstoort daarmee geen waardevol gebied.

- 15 -

Figuur 3.3 deel kaart ‘Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën’ provincie Zuid-Holland

Conclusie Aan alle voorwaarden wordt voldaan zodat het provinciale beleid de voorgestane ontwikkeling niet in de weg staat. 3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Hoeksche Waard De Omgevingsvisie is door de gemeenteraad van Hoeksche Waard op 17 december 2019 vastgesteld. In de Omgevingsvisie is er voor gekozen een uitnodiging te doen aan de samenleving om bij te dragen aan de Hoeksche Waard. Het accent is gelegd op wat de Hoeksche Waard wil; niet op wat niet mag. Of in Omgevingswet termen: ‘Ja mits’, in plaats van ‘Nee, tenzij’. Het gaat dus om een gewenste koers, niet om een alomvattend beleid. Het is niet nodig gevonden om nu al alle aspecten die in het Omgevingsplan worden uitgewerkt te benoemen. Alle beleidsaspecten opnemen zou ten koste gaan van het karakter van de visie: gericht op inspireren en uitnodigen. • De Omgevingsvisie richt zich op de gewenste koers van de gemeente; • De Programmaplannen richten zich er op hoe daar te komen; • Het Omgevingsplan geeft aan binnen welke regels dit gaat gebeuren. In de Omgevingsvisie is o.a. aangegeven dat er gestreefd wordt naar een krachtige en vitale participatiesamenleving waarin inwoners zelfbewust en in samenwerking met maatschappelijke organisaties en de gemeente regie voeren op het eigen bestaan, waarin voldoende vangnetten zijn ingericht en waarin preventie een grote rol speelt. Inzet is dat er voor alle inwoners een duurzaam veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit aanwezig is.

Partijen worden uitgenodigd om vooral zelf met concrete uitwerkingen te komen.

- 16 -

Daarbij is het van belang om de Hoeksche Werken te noemen, waaraan het initiatief een bijdrage levert. Daarnaast moet worden gekeken naar het gebied waar het initiatief aan de orde is. Daarbij dienen de Hoeksche Waarden te worden benoemd, die met het initiatief behouden of versterkt worden. Hoeksche Werken Bij de Hoeksche Werken zijn er diverse enkele maatschappelijke opgaven die de aandacht vragen de komende jaren. De bijdrage van het initiatief aan de Oud Cromstrijensedijk WZ naast nr. 75 aan de Hoeksche Werken is als volgt te omschrijven: - Duurzaam, energieneutraal en klimaatbestendig Het plan bestaat om zo veel mogelijk eigen energie op te wekken middels zonnepanelen voor elektriciteit en zonnecollectoren voor warm water (toe te passen op de bebouwing). De locatie zal in ieder geval zelfvoorzienend zijn en levert daarmee een bijdrage aan reductie van CO2 en andere broeikasgassen. Hoeksche Waarden De Hoeksche Waard is bij het maken van de Omgevingsvisie ingedeeld in vijf gebieden. Elk deelgebied bestaat uit eigen Hoeksche Waarden, bestaand en verder te ontwikkelen. Het perceel Oud Cromstrijensedijk WZ naast nr. 75 ligt in het gebied ‘Natuurlijk! Verbonden’. Dit gebied ‘Natuurlijk! Verbonden’ is het grootste deelgebied binnen de Hoeksche Waard. Het betreft het grote, relatief open agrarische landschap.

Het landschap is rationeel en doelmatig ingericht voor de agrarische sector. De openheid geeft lange zichtlijnen en vergezichten. De Hoeksche Waarden waar het initiatief een bijdrage aan levert betreft: - Versterken en in stand houden van het patroon van groene dijken en kreken Het karakter van de Oud Cromstrijensedijk WZ wordt niet aangetast door het bouwplan. Het groene dijkenpatroon wordt hiermee in stand gehouden. Het plan tot de bouw van de woning is daarmee in overeenstemming met de Omgevingsvisie.

3.4.2 Bestemmingsplan Landelijk gebied 2013

Het perceel Oud-Cromstrijensedijk WZ naast nr. 75 is opgenomen in het bestemmingsplan Landelijk gebied 2013. De gemeenteraad van Cromstrijen heeft het bestemmingsplan op 2 juli 2013 vastgesteld. Uit de verbeelding blijkt dat het perceel de bestemming ´Tuin’ heeft gekregen.

- 17 -

Figuur 3.4 deel verbeelding bestemmingsplan Landelijk gebied 2013

De bouw van een woning stemt niet overeen met het geldende bestemmingsplan. Om die reden is dit nieuwe bestemmingsplan gemaakt. Het bouwplan zal voldoen aan de voorwaarden die de gemeente heeft gesteld bij de honorering van het principeverzoek. Verwezen wordt naar paragraaf 1.2 van deze toelichting. 3.4.3 Woningmarktanalyse 2019 Er is in 2019 een actualisatie uitgevoerd van de in 2016 uitgevoerde woningmarktanalyse. De gemeente Hoeksche Waard wil komen tot een integraal gemeentelijk woonbeleid, met een op de individuele dorpen afgestemde woningbouwprogrammering die recht doet aan de verschillen tussen de dorpen. Daarbij vinden de gemeente en woningcorporatie HW Wonen het essentieel dat bij de gesprekken rond het maken van nieuwe prestatieafspraken gesproken wordt vanuit een gezamenlijk beeld van de volkshuisvestelijke opgave. Uit de analyse blijkt onder andere dat er in de koopsector de komende jaren eigenlijk in alle segmenten een behoorlijke aanvullende woningvraag aanwezig is. De meeste vraag is er naar rij- en hoekwoningen, maar ook in het duurdere segment tweekappers en vrijstaande woningen is er veel extra vraag. De nieuwe woning is een vrijstaande woning in de koopsector, waarnaar volgens de genoemde analyse behoefte aan bestaat.

- 18 -

4. Omgevingsaspecten. 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk zullen de verschillende omgevingsaspecten nader worden beschreven en toegelicht.

4.2 Verkeer/parkeren Ontsluiting Het perceel heeft via een bestaande dam een eigen ontsluiting op de Kreekweg. Deze dam zal worden gebruikt ter ontsluiting van het woonperceel.

Bij een woning kan op grond van de CROW-normen (publicatie 381) worden uitgegaan van een aantal verkeersbewegingen per auto van 7,8 tot 8,6 per etmaal; buitengebied niet stedelijk. De Kreekweg is voldoende gedimensioneerd om dit te verwerken. Parkeren Voor de berekening van het vereist aantal parkeerplaatsen voor onderhavig bouwplan is uitgegaan van het vigerend parkeerbeleid van de voormalige gemeente Cromstrijen. Het plangebied is te categoriseren als ‘buitengebied’. De gemeente beoordeelt plannen aan de hand van de maximale normen. Kijkend naar de huidige CROW-normen moet hierbij een norm van 2,8 parkeerplaatsen per vrijstaande koopwoning (inclusief bezoekers) worden aangehouden. Daarvan uitgaande dient het plan te voorzien in 3 parkeerplaatsen (afronding naar boven). Op eigen terrein is voldoende ruimte aanwezig voor het parkeren van minimaal 3 auto’s. De parkeernorm is in de regels vastgelegd.

- 19 -

4.3. Flora en fauna Op basis van de Wet natuurbescherming is het van belang bij de ruimtelijke planvorming vooraf te onderzoeken of en welke dier- en plantensoorten er voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voortbestaan van de gevonden soorten. Het gebied vormt geen onderdeel van het Nationaal Netwerk Nederland en ligt ook niet in de invloedssfeer van een Natura 2000 gebied. Er is geen sprake van een ecologische verbindingszone dan wel een recreatiegebied of een natuurgebied. In de huidige situatie is het een grasland met knotwilgen rondom en een aantal Boswilgen en struiken. Om te weten te komen of er natuurwaarden worden geschaad door de uitvoering van het bouwplan is een quick scan Flora en Fauna uitgevoerd (Breur Ecologie & Onderzoek, 29 april 2020, nr. QS20028v1).

Dit onderzoek heeft tot de volgende conclusies geleid: • De ontwikkeling leidt niet tot negatief effect op beschermde natuurgebieden. • Ten noorden van het plangebied bevindt zich een nest van de buizerd (jaarrond beschermd). Het plangebied is gelegen buiten de verstoringsgevoelige zone rondom dit nest, negatief effect is uitgesloten. • Het plangebied is geschikt als nesthabitat van algemene boom- en struweelbroedende vogels. Nesten van deze vogels zijn alleen beschermd wanneer zij in gebruik zijn. Bij het plannen van de kapwerkzaamheden wordt daarom aangeraden rekening te houden met het vogel broedseizoen: grofweg van half maart t/m augustus. • Overige beschermde soorten worden niet verwacht in het plangebied. • Aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing ten aanzien van de Wet natuurbescherming is niet nodig. • Voor alle soorten flora en fauna (beschermd en onbeschermd) geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit betekent dat de initiatiefnemer verplicht is om zorgvuldig te werken en dat onnodige schade aan planten of dieren altijd dient te worden voorkomen. Vanwege recente jurisprudentie moet er ook aandacht worden besteed aan de vraag, of bij een ruimtelijke ontwikkeling er sprake zal zijn van een toename van stikstofdepositie in een Natura 2000 gebied.

In en rondom de gemeente Hoeksche Waard liggen de Natura 2000-gebieden Haringvliet, Hollands Diep, Oudeland van Strijen en Oude Maas. Deze Natura 2000-gebieden zijn niet stikstofgevoelig. Op enige afstand liggen de Biesbosch en Krammer-Volkerak. Die gebieden zijn wel stikstofgevoelig. Het plangebied ligt op meer dan 8,5 km van het Natura 2000 gebied Krammer-Volkerak en op meer dan 16 km van de Biesbosch.

- 20 -

Inmiddels blijkt uit het stroomschema beoordeling WABO aanvragen bouw (Omgevingsdienst Zuid-Holland-Zuid, versie 4.0 d.d. 1 november 2019), dat bij de bouw van niet meer dan 1 woning in landelijk gebied, op een afstand van meer dan 1.400 m van stikstofgevoelig Natura2000 gebieden, er geen sprake zal zijn van toename van stikstofdepositie in die gebieden. Conclusie is, dat er geen frictie ontstaat met de natuurwetgeving op het terrein van stikstofdepositie. 4.4 Archeologische waarden en cultuurhistorie. Archeologie De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ordening is het onderwerp van het Europese Verdrag van Valetta (Malta, 1992). Nederland heeft dit Verdrag ondertekend en goedgekeurd. Sinds 1 september 2007 is de Wet Archeologische Monumentenzorg als onderdeel van de Monumentenwet van kracht. De bescherming van het archeologische erfgoed is een taak van de gemeente geworden. Er dient binnen bestemmingsplannen en bij ruimtelijke onderbouwingen als de onderhavige, aandacht te worden besteed aan archeologische aspecten. Uit de Archeologisch verwachtingskaart van de gemeente Hoeksche Waard blijkt, dat er sprake is van een gebied met middelhoge archeologische verwachtingswaarde.

Figuur 4.1 archeologische verwachtingskaart

Bij bodemingrepen dieper dan 50 centimeter en groter dan 500 m2 dient een inventariserend archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. De bodemingrepen om de woning te realiseren zijn veel minder groot dan 500 m2. Om die reden is geen archeologisch onderzoek ingesteld. In het voorliggende bestemmingsplan is mede om die reden de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting middelhoog’ opgenomen. Op deze wijze worden eventueel aanwezige archeologische waarde in voldoende mate beschermd. Cultuurhistorie Er zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig op het perceel. Het perceel valt ook niet binnen een molenbiotoop.

- 21 -

4.5 Waterhuishouding De watertoets ten behoeve de voorgestane ontwikkeling wordt uitgevoerd om inzicht te krijgen in de waterhuishoudkundige consequenties van het plan en het vaststellen van eventuele mitigerende of compenserende maatregelen. Waterbeheerprogramma 2016-2021 Vanaf 2016 is er een nieuw waterbeheer programma van kracht. Het programma bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren. Het plan bevat doelen en maatregelen voor de thema’s Calamiteitenzorg, Water en Ruimte, Waterveiligheid, Voldoende Water, Schoon water en Waterketen. Voor het thema water en ruimte is de nadere uitwerking van de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie de belangrijkste ontwikkeling. Hierbij wordt uitgegaan van meerlaagse veiligheid: preventie (laag 1), ruimtelijke inrichting (laag 2) en crisisbeheersing (laag 3). Voor Hollandse Delta ligt de nadruk op de eerste laag: een overstroming voorkomen door middel van (primaire) waterkeringen. Voor de tweede laag is als doel geformuleerd dat de ruimtelijke inrichting bijdraagt aan het beperken van de gevolgen van een overstroming.

Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de hydraulische belasting van de afvalwaterzuivering. Watergang Het plangebied grenst aan enkele sloten. Voor het onderhoud van deze sloten blijft voldoende vrije ruimte beschikbaar. Waterveiligheid Het bouwplan wordt gerealiseerd valt buiten de beschermingszone van een waterkering. Voldoende water - wateroverlast Het watersysteem van het Waterschap wordt niet aangetast door het bouwplan. Er is ter plaatse ook geen sprake van wateroverlast. Uit de ‘Nota toetsingskaders en beleidsregels voor het watersysteem 2014’van het Waterschap blijkt dat 10% van de toename van het verhard oppervlak moet worden gecompenseerd in open water. In buitenstedelijk gebied geldt die eis pas bij een toename van verharding van 1.500 m2, in stedelijk gebied bij een toename van 500 m2. De verharde oppervlakte op het perceel zal gelijk blijven of beperkt toenemen, maar de toename zal minder zijn dan 500 m2.

- 22 -

Schoon water De woning wordt aangesloten op de bestaande riolering. Het hemelwater zal worden afgekoppeld en worden geloosd op aanwezig open water. Met het oog op de waterkwaliteit van het te lozen hemelwater geldt dat het dak van de woning worden uitgevoerd in niet-uitlogende materialen. Conclusie Het bouwplan is in overeenstemming met de geldende normen en beleidsuitgangspunten van het aspect ‘water’.

4.6 Milieuzonering Ter bepaling van de mogelijkheid om milieubelastende bestemmingen te realiseren in de nabijheid van milieugevoelige bestemmingen, zoals woningen, wordt gebruik gemaakt van de systematiek van milieuzonering. In de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is één en ander nader beschreven en uitgewerkt. In deze VNG-publicatie is ook een Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen, waarbij per type bedrijf wordt aangegeven welke afstanden tussen milieugevoelige en milieubelastende bestemmingen moet worden aangehouden. Zo ontstaat een zone rond een perceel met een bedrijfsbestemming waar in principe geen milieugevoelige bestemmingen zijn toegestaan. Op deze wijze wordt geborgd dat er geen onaanvaardbare milieuoverlast voor milieugevoelige bestemmingen aan de orde zal zijn. Woningen zijn milieugevoelige objecten. Uit dien hoofde wordt bij de voorbereiding van het bestemmingsplan bezien of de woningen worden gesitueerd in de milieuzone van omliggende milieubelastende functies. Onderzoek In de nabijheid van het plangebied zijn geen planologisch gezien relevante bedrijven aanwezig. Uit oogpunt van milieuzonering voldoet het plan aan de daarvoor geldende uitgangspunten.

4.7 Geluid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet inzicht worden geboden in de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling vanuit akoestisch oogpunt. Het geluidsaspect is relevant in relatie tot industrielawaai, wegverkeerslawaai en/of spoorweglawaai. Toetsingskader is de Wet geluidhinder en enkele uitvoeringsbesluiten.

- 23 -

Industrie en/of spoorweglawaai Het plangebied valt niet binnen een zone voor industrie- en/of spoorweglawaai. Wegverkeerslawaai Wettelijk kader: Voor woningbouw binnen de zone van een weg dient een akoestisch onderzoek te worden overgelegd. In artikel 74 van de Wet geluidhinder wordt de breedte van de zone van een weg in buitenstedelijk gebied bepaald op 250 meter. Wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt hebben niet een dergelijke geluidszone. Conform artikel 82, lid 1 van de Wet geluidhinder geldt voor de geluidbelasting op de gevel van een woning binnen de zone van een weg een voorkeursgrenswaarde Lden van 48dB. Er is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai (Kraaij akoestisch adviesbureau, 28 april 2020, projectnr. VL.1851.R01 rev. 1). Uit de uitkomst blijkt de geluidbelasting vanwege de Oud Cromstrijensedijk WZ/Beijerlandschedijk op de zuidgevel van de nieuwe woning 49 dB op de begane grond en 52 dB op de beide verdiepingshoogten bedraagt. De geluidbelasting op de overige toetspunten bedraagt niet meer dan 47 dB. Daarmee wordt niet overal voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De overschrijding vindt alleen plaats aan de zuidelijke (voor)gevel en bedraagt 1 – 4 dB. Nader onderzoek naar maatregelen om de geluidbelasting te reduceren is daarmee noodzakelijk.

De maximale ontheffingswaarde voor woningen in buitenstedelijk gebied wordt niet overschreden. Uit de rekenresultaten van de gridpunten in het zuidelijk deel van het perceel blijkt dat de geluidbelasting binnen de planlocatie 45 – 55 dB bedraagt. Deze geluidbelasting wordt berekend op een rekenhoogte van 4,5 meter. In het akoestisch onderzoek is aandacht besteed aan mogelijk maatregelen om het geluid op het perceel en de gevels van de nieuwbouwwoning te reduceren. Er is geconcludeerd dat het treffen van maatregelen aan de bron en in de overdrachtssfeer niet doelmatig, dan wel op overwegende bezwaren stuit van stedenbouwkundige of landschappelijke aard. Om die reden dienen maatregelen bij de ontvanger te worden genomen in de vorm van voldoende geluidwering van de gevels, dit om te voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit. Aangezien in onderhavige situatie sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde is, naast toetsing aan de Wgh, ook toetsing aan het hogere waardenbeleid van de gemeente van toepassing. Uit het maatregelenonderzoek kan worden opgemaakt dat maatregelen aan de bron of in de overdrachtssfeer om de geluidbelasting te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet doeltreffend zijn of stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige of landschappelijke aard.

In navolging van het gemeentelijk geluidbeleid dient een goede ruimtelijke ordening te worden gegarandeerd bij de woning.

- 24 -

Om dit te bepalen wordt uitgegaan van de cumulatieve geluidbelasting zonder aftrek art. 110g Wgh. In het akoestisch onderzoek zijn de rekenresultaten van de cumulatieberekening opgenomen en is beschreven dat zowel op basis van het gemeentelijke geluidbeleid als op basis van de milieukwaliteitsmaat sprake is van een acceptabel woonmilieu. Ondanks dat de geluidbelasting op een aantal gevels de voorkeursgrenswaarde overschrijdt, wordt het woon- en leefmilieu bij de woning wel acceptabel geacht, aangezien er sprake is van minimaal één geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte bij de woning aan de westzijde. Bovendien kan ook de noordzijde bij de woning grotendeels als geluidluw worden beschouwd. De aanwezigheid hiervan is een gemeentelijke voorwaarde voor het verlenen van een hogere waarde. Er wordt om deze redenen voldaan aan de gemeentelijke voorwaarden voor het aanvragen van een hogere waarde. Het verlenen van een hogere grenswaarde past om die reden in het gemeentelijke hogere waardenbeleid. Conclusie Het akoestisch klimaat voldoet aan de wettelijke normen, met dien verstande dat de gemeente wel een hogere grenswaarde moet verlenen.

4.8 Bodem In de Woningwet is bepaald dat door de gemeenteraad in de bouwverordening regels moeten worden opgenomen om het bouwen op verontreinigde bodem te voorkomen. Deze regels hebben onder andere betrekking op het uitvoeren van een (bodem)onderzoek naar de aard en schaal van de verontreiniging van de bodem. Ook is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders (B en W) een beslissing op een aanvraag om omgevingsvergunning moeten aanhouden als blijkt dat de bodem is verontreinigd dan wel het vermoeden bestaat dat er sprake is van ernstige verontreiniging. Uit artikel 3.1.6, lid 1 sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vloeit voort dat bij ruimtelijke besluiten inzicht verkregen moet worden over de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat er onder andere inzicht verkregen moet worden in de noodzakelijke financiële investering van een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering. Er is om die reden verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Inventerra., d.d. 23 april 2020, nr. 20-2113-R01JV). Uit de uitkomst van dit onderzoek blijkt dat de bodem geschikt is voor een gebruik in relatie tot woondoeleinden.

- 25 -

4.9 Geur. Het perceel bevindt zich niet binnen een geur- en/of stankcirkel. Er zou enige geurhinder op kunnen treden als gevolg van landbouwactiviteiten op de belendende percelen. Dit is echter verder niet direct te vertalen naar een afwegingskader. Daarbij is dergelijke geurhinder inherent aan het landelijk wonen en meestal naar aard tijdelijk. Om deze reden levert het aspect geur/stank geen belemmeringen op voor de realisering van het bouwplan.

4.10 Luchtkwaliteit In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit vastgelegd. In artikel 5.16 is vastgelegd dat bestuursorganen bevoegdheden, zoals het vaststellen van een bestemmingsplan of het nemen van een projectbesluit, mogen uitoefenen wanneer sprake is van één van de volgende gevallen: a. b.

Er is geen sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden. De concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft ten minste gelijk. c. Het plan draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht. d. De ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. Voor ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’.

Voorheen werd het perceel bedrijfsmatig gebruikt door de provincie, de daarbij behorende vervoersbewegingen zijn verdwenen. Daarvoor in de plaats komen 7,8 tot 8,6 vervoersbewegingen per etmaal van en naar de woning. Er kan worden geconcludeerd dat deze ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Voor de volledigheid is uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening ook de heersende luchtkwaliteit in ogenschouw te nemen.

- 26 -

Op basis van de landelijk beschikbare GCN-waarden (Grootschalige Concentratiekaarten Nederland) kan gesteld worden dat de jaargemiddelde achtergrondconcentratie voor stikstofdioxide 16,1 (2017, gebaseerd op gegevens gcn 2017) microgram per kubieke meter lucht bedraagt voor pm 10 is dit 16,9 (2017, gebaseerd op gcn 2017) microgram per kubieke meter en voor pm 2,5 is dit 9,8 (2017, gebaseerd op gcn 2017). Hieruit kan geconcludeerd worden dat de luchtconcentraties ruim voldoen aan de normering Wet milieubeheer onderdeel luchtkwaliteit (grenswaarde voor stikstofdioxide en fijn stof bedragen 40 microgram per kubieke meter). Voorheen was het perceel niet in gebruik. Daarvoor in de plaats komt een woning met circa 7,8 a 8,6 vervoersbewegingen per etmaal van en naar de woning. Echter is deze verandering zo gering dat er kan worden geconcludeerd dat deze ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 1 woning. Gezien dit beperkte omvang van het plan behoeft er geen specifiek luchtkwaliteitsonderzoek te worden uitgevoerd. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit worden geen belemmeringen ondervonden.

4.11 Externe veiligheid In overeenstemming met het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI) dient bij een besluit in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) onderzocht te worden in hoeverre er sprake is van aanwezigheid van risicovolle inrichtingen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft. Tevens dienen de risicocontour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6 contour) en het groepsrisico (GR) met de eventuele toename hiervan berekend te worden. Het GR dient in de toelichting op het besluit te worden verantwoord. Uit de risicokaart Nederland blijkt het volgende. Het perceel ligt op circa 400 m van rijksweg A29.

Oud-Cromstrijensedijk WZ naast 75

Figuur 4.2: deel risicokaart Nederland

Voor wat betreft de ligging van het plangebied op circa 400 meter van een basisnetroute (A29: afrit 21 (Oud Beijerland) – Knp. Hellagatsplein) het volgende. Vanuit oogpunt van PR-plafond (0 meter) en het GR-plafond (9 meter) is er geen probleem.

- 27 -

Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico is in de bijlage van de Handleiding risicoanalyse transport (Hart) als vuistregel opgenomen dat indien het groepsrisico lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde er volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Daarin moet ten minste de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid worden beschreven. Nu deze situatie zich voordoet wordt verderop in deze paragraaf op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid ingegaan. Op minder dan 750 meter is een aantal buisleidingen gelegen. Dit betreft onder andere een Propyleen Leiding DOW, de PRB-leiding (Pijpleiding Rotterdam - Beek voor het transport van vloeibare koolwaterstoffen) en een hogedruk aardgastransportleiding. Bij de beschouwing en beoordeling van de betreffende buisleidingen dient te worden aangesloten bij de richtlijnen beschreven in het 'Handboek buisleiding in bestemmingsplannen' van oktober 2016. Gelet op de afstand van het plangebied tot de buisleidingen kan er vanuit worden gegaan, dat de hoogte van het groepsrisico minder bedraagt dan 0.01 * de oriënterende waarde. Hierdoor geldt er voor deze risicobron een beperkte verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Verwezen wordt naar het onderdeel ‘bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

De planlocatie ligt binnen het invloedsgebied van Van Iperen BV. Deze inrichting is gelegen te Westmaas. Gezien de aard van de stoffen daar aanwezig is er volgens de risicokaart Nederland sprake van een effectafstand 1% letaliteit voor toxische stoffen die overlapt met de planlocatie. De afstand tussen het plangebied en deze inrichting is circa 2 km. Gezien die afstand zijn er geen directe risico’s, maar is het ook vereist om in te gaan op aspecten van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Zie hierna. Bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid Het treffen van maatregelen aan de bron (rijksweg A29, buisleidingen en Van Iperen) is in de gegeven situatie geen optie. Voor wat betreft andere punten van de bestrijdbaarheid is het zo dat de hulpverlening de woning eenvoudig kan benaderen. Er is voldoende ruimte om materiaal voor hulpverlening te stallen. Daarnaast zijn er vanwege de aanwezigheid van watergangen voldoende bluswatervoorzieningen nabij het plangebied. Ten aanzien van het aspect zelfredzaamheid wordt er op gewezen dat de infrastructuur in de omgeving zodanig is dat er voldoende vluchtwegen aanwezig zijn. De woning zelf zal ook zodanig zijn dat er diverse mogelijkheden zijn tot het ontvluchten uit het gebouw. Daarnaast worden er in het bestemmingsplan geen functies gecreëerd waarin groepen minder zelfredzame personen aanwezig zullen zijn.

Vanuit oogpunt van externe veiligheid kan het bestemmingsplan als aanvaardbaar worden bestempeld.

- 28 -

4.12 Kabels en leidingen Binnen of langs het plangebied liggen diverse kabels en leidingen, zoals elektriciteit, telefoon en kabeltelevisie. Er zijn geen kabels of leidingen aanwezig die een specifieke bescherming hebben in het bestemmingsplan, het gaat om ‘gewone’ leidingen waar bij de uitvoering van een eventueel bouwplan rekening mee wordt gehouden.

4.13 Besluit milieueffectrapportage In mei van 2017 is een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) en de Wet milieubeheer in werking getreden. Deze wijziging is een gevolg van een herziening van de Europese m.e.r.-richtlijn. Het bouwen van een woning is een activiteit die valt onder categorie D11.2 van het Besluit m.e.r., zij het dat de drempels niet worden overschreden. Het opstellen van een milieueffectrapport is voor deze beperkte ontwikkeling niet nodig, aangezien in de toelichting van dit bestemmingsplan de milieueffecten al in voldoende mate beschreven zijn. Het college van burgemeester en wethouders zal besluiten dat er in het kader van dit bestemmingsplan geen milieueffectrapport behoeft te worden opgesteld.

- 29 -

5. Juridische toetsing. 5.1 Juridische planopzet. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht bestemmingsplannen geheel digitaal op te stellen en vast te stellen. Het bestemmingsplan is opgesteld aan de hand van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012).

5.2 Bestemmingswijzer. 5.2.1 Inleidende bepalingen. De artikelen 1 en 2 bevatten de algemene regels zoals de begripsbepalingen en de wijze van meten. 5.2.2. Bestemmingsregels (hoofdstuk 2) Binnen het plangebied worden de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’ gelegd. In de regels bij die bestemming worden de bouwregels en de gebruiksmogelijkheden geregeld. Daarnaast is op het perceel de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologische verwachting middelhoog’ ter bescherming van de aanwezige archeologische waarden van toepassing. 5.2.3 Algemene bepalingen. De Anti-dubbeltelregel en de overgangsregels zijn overgenomen uit het Bro. Daarnaast is een artikel opgenomen voor de titel van het plan, voor toegelaten overschrijdingen, algemene afwijkingsbepalingen en aanvullende werking van de bouwverordening.

5.3 Plantoetsing en handhaving. De gemeente Hoeksche Waard is belast met het toezicht op de uitvoering van de bouwwerkzaamheden overeenkomstig het bepaalde in dit bestemmingsplan.

- 30 -

6. Uitvoering. 6.1 Economische uitvoerbaarheid. Het bouwplan omvat de bouw op een perceel met de huidige bestemming ‘Tuin’. Het plangebied ligt in het buitengebied van Klaaswaal. Het perceel Oud-Cromstrijensedijk WZ naast nr. 75 is in eigendom bij de initiatiefnemer. Met initiatiefnemer is een zogenaamde anterieure exploitatieovereenkomst afgesloten. Dit betekent dat het kostenverhaal is verzekerd. Er hoeft dan ook geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 van de Wro te worden vastgesteld. De realisering van het plan wordt verzorgd door initiatiefnemers. De financiële dekking voor het plan is hiermee geregeld en de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd.

6.2 Planschade. Tussen de gemeente en de ontwikkelaar zijn ex artikel 6.4a Wro in de gesloten exploitatieovereenkomst ook afspraken gemaakt over het afwentelen door de gemeente op de initiatiefnemer van eventueel toe te kennen tegemoetkomingen in planschade.

- 31 -

7. Overleg ex artikel 3.1.1. Bro/zienswijzen 7.1 Vooroverleg

In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening hebben xx een reactie gegeven. Van andere vooroverlegpartners is geen reactie ontvangen.

7.2 Zienswijzen pm

- 32 -

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10171396/1