CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting on bp Forlaan Numansdorp d.d. oktober 2018

Beeldvormende bijeenkomst 1 juni 2021, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan herziening Buitensluis - Locatie Fortlaan te Numansdorp5.818 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Toelichting Bestemmingsplan ‘herziening bestemmingsplan Buitensluis locatie Fortlaan Numansdorp’ Gemeente Cromstrijen

Ontwerp: NL.IMRO. 0611. BPNMDFortlaan-ON01

Bestemmingsplan ‘herziening bestemmingsplan Buitensluis locatie Fortlaan Numansdorp’ gemeente Cromstrijen

Toelichting Regels Verbeelding Datum: Status:

oktober 2018 ontwerp

Identificatienummer: NL.IMRO. 0611.BPNMDFortlaan-ON01

-2-

INHOUDSOPGAVE

1. Inleiding 1.1 Situering 1.2 Aanleiding en doelstelling 1.3 Het bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer 2. Beschrijving plangebied en bouwplan 2.1 Inleiding 2.2 Omgeving plangebied 2.3 Huidige situatie 2.4 Toekomstige situatie 3. Beleidskader 3.1 Inleiding 3.2 Rijksbeleid 3.3 Provinciaal beleid 3.4 Regionaal beleid 3.5 Gemeentelijk beleid 4. Omgevingsaspecten 4.1 Inleiding 4.2 Verkeer 4.3 Flora en fauna 4.4 Archeologische waarden 4.5 Waterhuishouding 4.6 Milieuzonering 4.7 Geluid 4.8 Bodem 4.9 Geur 4.10 Luchtkwaliteit 4.11 Externe veiligheid 4.12 Kabels en leidingen 5. Juridische toelichting 5.1 Juridische planopzet 5.2 Bestemmingswijzer 5.3 Plantoetsing en handhaving 6. Uitvoering 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Planschade 7. Overleg ex artikel 3.1.1. Bro/zienswijzen 7.1 Vooroverleg 7.2 Inspraak 7.3 Zienswijzen

PAG.

4 4 4 5 6 7 7 7 7 8 10 10 10 11 11 12 13 13 13 14 15 16 17 18 19 20 20 21 23 24 24 24 24 25 25 25 26 26 26 26

Bijlagen: -verkennend bodemonderzoek (Geofoxx, 11 januari 2018, nr. 20171661/TBUR) -archeologisch onderzoek (RAAP, d.d. 23 augustus 2018, nr. 6189) -natuurtoets (bureau Schenkeveld, d.d. 10 december 2017) -aanvullend vleermuisonderzoek (Bureau Schenkeveld, 22 september 2018) -historisch vooronderzoek explosieven (T&A Survey, d.d. 13 december 2017, nr. GPR6961) -verkeersonderzoek (Megaborn, 20 oktober 2017, kenmerk DKi1701)

-3-

1. Inleiding 1.1 Situering. Het plangebied ligt aan de zuidelijke rand van de bebouwde kom van Numansdorp aan de Fortlaan. Het plangebied wordt omsloten door de bebouwing aan de zuidzijde van de Schuringsedijk, de Fortlaan en de toekomstige bebouwing in het gebied Torensteepolder.

plangebied

Figuur 1.1: luchtfoto plangebied met omgeving

1.2 Aanleiding en doelstelling Het perceel Fortlaan is thans onbebouwd. Op het perceel is natuurlijke begroeiing aanwezig. De eigenaar van de grond (hierna: initiatiefnemer) heeft het plan opgevat ter plaatse een appartementengebouw te bouwen. In eerste aanleg betreft dit 23 appartementen, met de mogelijkheid om eventueel later nog eens 17 appartementen te realiseren. Het perceel is kadastraal bekend gemeente Numansdorp, sectie D nummer 1075, ter grootte van 9.984 m².

-4-

Figuur 1.2: kadastrale tekening

Het plan tot het bouwen van een appartementengebouw stemt niet overeen met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen ‘Buitensluis’ en ‘Torensteepolder 2015’, waardoor een herziening van die bestemmingsplannen vereist is.

1.3 Het bestemmingsplan Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisering van een appartementengebouw met 23 woningen mogelijk. Daarnaast is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, op grond waarvan 17 extra appartementen gebouwd mogen worden. Dit bestemmingsplan is gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het bestemmingsplan bestaat uit de volgende stukken: - Verbeelding (plankaart) - Regels. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van deze toelichting.

-5-

1.4 Leeswijzer Deze toelichting omvat een omschrijving op hoofdlijnen van het plangebied en het plan (hoofdstuk 2). Het relevante beleid voor het plangebied (hoofdstuk 3) en een omschrijving van de verschillende omgevingsaspecten (hoofdstuk 4). In hoofdstuk 5 wordt een juridische toelichting gegeven. Hoofdstuk 6 omvat de aspecten planschade en economische uitvoerbaarheid. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 het overleg ex artikel 3.1.1 Bro beschreven, alsmede de uitkomst van het vooroverleg en de zienswijzenprocedure.

-6-

2. Beschrijving plangebied en gebruiksplan. 2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt het plangebied en het aangepaste plan beschreven. 2.2 Omgeving plangebied

Numansdorp is de meest zuidelijke hoofdkern van de Hoeksche Waard. De kern is ontstaan in 1642 nabij een uitwateringsluis. Bepalend voor de structuur van Numansdorp zijn de binnenhaven, het parallel hieraan gelegen lint Voorstraat en parallelstraten, met loodrecht hierop georiënteerd de dijk. De eerste groei heeft zich beperkt tot de oostkant van de binnenhaven. Ondanks latere inpolderingen heeft Numansdorp zijn havenfunctie behouden. Door deze inpolderingen is de dijk aan twee zijden bebouwd. Aan de polderkant betreft dit met name benedendijkse bebouwing, terwijl aan de vroegere zeezijde de bebouwing boven op de dijk ligt. Op de kop van de Voorstraat/hoek Schuringsedijk staat het “Hoge Huys”. Dit monumentale gebouw is beeldbepalend doordat het op een kruispunt van een groot aantal zichtlijnen is gelegen.1 Het plangebied ligt ten zuiden van de het “Hoge Huys” en naastgelegen bebouwing aan de Schuringsedijk en ten oosten van de haven. 2.3 Huidige situatie

Op dit moment is het perceel aan de Fortlaan begroeid met bomen en struiken. In de loop der jaren is de natuur verwilderd. Hierna zijn enige foto’s van het gebied opgenomen.

Figuur 2.1 luchtfoto perceel Fortlaan

1

Welstandsnota Cromstrijen, 1e herziening oktober 2014

-7-

Figuur 2.2 foto perceel Fortlaan vanuit zuiden bezien

Figuur 2.3 foto perceel Fortlaan vanuit noordwesten bezien

2.4 Toekomstige situatie Het voorliggende bestemmingsplan geeft aan het plangebied de bestemming ‘Wonen’ en ‘Tuin’ met als doel om de realisering van een appartementengebouw mogelijk te maken. De bebouwing aan de Schuringsedijk bestaat uit een aaneenschakeling van individuele woningen en panden. De tuinen achter de nabijgelegen woningen aan de Schuringsedijk zijn groot van opzet en rijk aan groen en bomen. Het bouwplan betreft primair de bouw van een gebouw met ten hoogste 23 appartementen. Het gebouw bestaat uit vier bouwlagen met parkeergelegenheid. De maximale bouwhoogte bedraagt 14 m. De hoofdentree van het appartementengebouw is aan de zuidtzijde van het gebouw gesitueerd. De toegang tot het perceel is aan de westzijde via de Fortlaan.

-8-

Hierna zijn impressies opgenomen van het appartementengebouw en de vormgeving ervan. De situering op het bouwperceel alsmede de vormgeving kan nog wijzigen.

Figuur 2.4 impressies nieuwe bebouwing

Het plan omvat de aanleg van een parkachtige ‘voortuin’. De bebouwing wordt op het middengedeelte en de zuidoost hoek van het plangebied gerealiseerd. Om voldoende afstand te houden tot de achtergevels van de woningen aan de Schuringsedijk is het bouwvlak op circa 23 m van de perceelsgrens gelegd. Tot de achtergevel van de meeste woningen aan de Schuringsedijk zal de afstand tot het appartementengebouw circa 50 m bedragen. Het parkeren geschiedt op eigen terrein naast de appartementen. De gedachte bestaat om de woningen te realiseren als zogenaamde CCC-woningen. De volgende uitgangspunten zijn daarbij van toepassing: -Wonen op zelfstandige basis -Zorg op afroep Care -Medische zorg op afroep Cure -Voeding kan worden verzorgd Catering

-9-

3. Beleidskader 3.1

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de hoofdlijnen beschreven van het relevante beleid van het rijk, provincie en gemeente. 3.2

Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) De SVIR vervangt de Nota Ruimte uit 2006. In de SVIR kiest het Rijk drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; • Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. In de SVIR wordt ten aanzien van het onderwerp ‘Verstedelijkings- en landschapsbeleid’ aangegeven, dat het Rijk dit overlaat aan de provincies en gemeenten. Dit bestemmingsplan heeft tot doel om de bestaande horeca- en tuinbestemming van het perceel Fortlaan te wijzigen in een woonbestemming met tuin. Het plan is niet in strijd met de uitgangspunten van de SVIR. Ladder voor duurzame verstedelijking (SER-ladder) Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ daaraan toegevoegd. De ladder voor duurzame verstedelijking is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd.

Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie van de ladder vraaggerichte programmering bevorderen. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro bepaalt ten aanzien van de werking van de ladder dat de ladder toegepast moet worden bij bestemmingsplannen, die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Het plan wordt gerealiseerd in stedelijk gebied. De woningen zijn opgenomen in het gemeentelijk woningbouwprogramma, dat ook regionaal is afgestemd. Het plan voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

- 10 -

3.3

Provinciaal beleid

Visie Ruimte en Mobiliteit en Verordening Ruimte 2014 Op 9 juli 2014 hebben Provinciale Staten de Visie Ruimte en Mobiliteit en de Verordening Ruimte 2014 vastgesteld. Sindsdien zijn deze documenten enige malen geactualiseerd, in 2018 vindt een verdere actualisering plaats. Uitgangspunt hierin zijn vier zogenaamde rode draden: 1. Het beter benutten en opwaarderen van bestaande netwerken en bebouwde gebieden; 2. Het vergroten van de agglomeratiekracht; 3. Het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; 4. Het bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. Stedelijke ontwikkelingen moeten binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) plaatsvinden. Het appartementengebouw wordt gerealiseerd binnen BSD-gebied tussen de bestaande bebouwde kern van Numansdorp en de te ontwikkelen Torensteepolder. Voor de toets aan de ladder voor duurzame verstedelijk wordt verwezen naar paragraaf 3.2 van deze toelichting. Conclusie De conclusie is dan ook dat de voorgestane ontwikkeling in overeenstemming is met het provinciale beleid. 3.4

Regionaal beleid

Structuurvisie Hoeksche Waard Dit betreft het op initiatief van de Commissie Hoeksche Waard (thans Samenwerkingsorgaan Hoeksche Waard) opgestelde Ruimtelijk Plan voor de Hoeksche Waard. De Commissie Hoeksche Waard heeft het Ruimtelijk Plan op 12 mei 2009 goedgekeurd. Vervolgens hebben de gemeenteraden van Strijen, Oud-Beijerland, Korendijk, Cromstrijen en Binnenmaas het Ruimtelijk Plan vastgesteld, respectievelijk op 30 juni en 6, 7 en 9 juli 2009. Het plangebied heeft in het Ruimtelijk Plan de aanduiding ‘nieuw woongebied’ gekregen. Het bouwplan stemt daarmee overeen. plangebied

Figuur 3.2 deel plankaart Ruimtelijk Plan voor de Hoeksche Waard

Regionale woonvisie Hoeksche Waard (26-09-2017) Het provinciale beleid is kwantitatief en kwalitatief op regionaal niveau uitgewerkt in de Regionale Woonvisie Hoeksche Waard.

- 11 -

Deze woonvisie beantwoordt ook aan de vraag van de provincie Zuid-Holland om een regionale woonvisie op te stellen. De vijf gemeenten in de Hoeksche Waard hebben gezamenlijk een nieuwe woonvisie en bijbehorend woningbouwprogramma opgesteld. De visie kwam op interactieve wijze tot stand met bijdragen van diverse partijen die vervolgens bij elkaar kwamen tijdens een woonconferentie in maart. De nieuwe visie speelt in op veranderingen in de woningmarkt en kansen die er liggen om toekomstige krimp tegen te gaan. Het plan is opgenomen in het regionaal afgestemde en door de provincie aanvaarde regionale woningbouwprogramma. Het bouwplan voldoet aan de regionale woonvisie. In het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om maximaal 17 gestapelde woningen toe te voegen op het perceel, onder voorwaarde dat het woningbouwprogramma dit toestaat. 3.5

Gemeentelijk beleid

Bestemmingsplan Buitensluis

Ter plaatse van het plangebied geldt op dit moment grotendeels het bestemmingsplan ‘Buitensluis’. Dit bestemmingsplan is op 15 juli 2008 vastgesteld door de gemeenteraad van Cromstrijen en op 10 maart 2009 goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van ZuidHolland. 2009-124925. Het plangebied heeft de bestemming Horeca. Op het perceel is een bouwvlak aanwezig waar horecabebouwing met een hoogte van 6 m mag worden gebouwd. Op het meest oostelijke deel van het perceel geldt het bestemmingsplan ‘Torensteepolder 2015’, vastgesteld door de gemeenteraad van Cromstrijen op 15 december 2015. Het desbetreffende perceelsgedeelte heeft de bestemming ‘Tuin’.

Figuur 3.2 deel verbeeldingen bp Buitensluis en Torensteepolder 2015

De bouw van een appartementengebouw stemt niet overeen met de geldende bestemmingsplannen. Om die reden is dit nieuwe bestemmingsplan gemaakt.

- 12 -

4. Omgevingsaspecten. 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk zullen de verschillende omgevingsaspecten nader worden beschreven en toegelicht.

4.2 Verkeer/parkeren Initiatiefnemer heeft verkeersdeskundig bureau Megaborn opdracht gegeven om een verkeersadvies te geven over verkeerskundige aspecten verband houdende met het bouwplan. In het advies (Megaborn, 20 oktober 2017, rapport DKi1701) wordt aangegeven dat de ontsluiting van het plangebied op de Fortlaan zo zuidelijk mogelijk op het perceel dient plaats te vinden. Dit in verband met de niet overzichtelijke bocht in de Fortlaan meer noordelijk.

Figuur 4.1: advies situaring ontsluiting

De Fortlaan zelf zal ter plaatse van het plangebied niet druk bereden worden. Wellicht komt er nabij het plangebied een afsluiting van de weg met bussluis. Het enige doorgaande gemotoriseerde verkeer zal in dat geval de bus en incidenteel de hulpdiensten zijn, geen auto’s. Vooralsnog is besloten om éénrichtingverkeer in te stellen voor de Fortlaan. Op basis van de uitgangspunten ‘niet stedelijk’, ‘rest bebouwde kom’ en 23 woningen ‘koop, etage, midden’ en de kencijfers zoals opgenomen in CROW ‐publicatie 256 ‘Verkeersgeneratie woon- en werkgebieden’ bedraagt het verwachte verkeersaanbod volgens het verkeersadvies van Megaborn ca. 150 motorvoertuigen per werkdag. De eventuele toevoeging van 17 appartementen zou het aantal motorvoertuigen op 260 per werkdag brengen. Met dergelijke aantallen is één toegang voldoende.

- 13 -

Parkeren Voor de berekening van het vereist aantal parkeerplaatsen voor onderhavig bouwplan is uitgegaan van het vigerend parkeerbeleid van de gemeente Cromstrijen. De gemeente hanteert een parkeernorm van 2,5 parkeerplaatsen per appartement. Dit komt bij 23 appartementen uit op een vereist aantal parkeerplaatsen van 57,5. Op eigen terrein worden 58 parkeerplaatsen aangelegd. Als gebruik wordt gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid dan zullen er volgens dezelfde normering voldoende extra parkeerplaatsen moeten worden aangebracht.

4.3. Flora en fauna In het kader van de verscherpte natuurwetgeving dient, voordat ergens ruimtelijke ingrepen plaatsvinden te worden onderzocht of er belangrijke natuurwaarden voorkomen op een te bebouwen locatie. Dit vloeit voort uit de Wet natuurbescherming (Wnb). Het plangebied is geen onderdeel van of ligt niet in de directe omgeving van een Natura 2000-gebied. Er is een natuurtoets uitgevoerd (Bureau Schenkeveld, 10 december 2017). De volgende conclusies zijn in het onderzoeksrapport getrokken: -Bij de bouw van het appartementencomplex en het herstel van het parkbos achter het Hoge Huys worden geen verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden. Voorwaarde is dat de kap van de bomen buiten de broedperiode (15 maart tot 1 juli) plaatsvindt. -Verder dient er in het kader van de omgevingsvergunning een kaplijst opgesteld te worden waarbij de bomen niet alleen zijn beoordeeld op hun vitaliteit, veiligheid en toekomstverwachting maar ook op hun ecologische waarden. Ten behoeve daarvan worden de broedvogels, planten en vleermuizen geïnventariseerd. De uitkomsten hiervan wegen mee bij het opstellen van de lijst. Tenslotte wordt aanbevolen bij het terugplanten inheemse soorten te gebruiken (zie hierboven).

Er is een nader vleermuisonderzoek uitgevoerd, het laatste in september 2018 (Bureau Schenkeveld, 22 september 2018) met de volgende uitkomst: Het parkbos is voor de populatie Gewone dwergvleermuis in Numansdorp op momenten een belangrijk foerageergebied. Dit betekent niet dat door het verdwijnen van het bos de gunstige staat van instandhouding van de populatie in Numansdorp in het geding is. Er worden daarom door het kappen van de bomen geen verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (soortbescherming) overtreden. Wel wordt aanbevolen zoveel mogelijk van de bomen met enige toekomstwaarde te laten staan en in de bouwfase gedurende het zomerhalfjaar geen verlichting te gebruiken (ook niet als bewakingslicht). Met deze aanbevelingen wordt rekening gehouden.

- 14 -

Uit de natuurtoets blijkt ook dat het plan geen strijd oplevert met de uitgangspunten van de zogenaamde Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Volgens deze aanpak is een project niet toestemmingsplichtig als het gaat om autonome ontwikkelingen, zoals toename van bevolking of wegverkeer, of de ingreep maximaal 1 mol per hectare per jaar stikstofdepositie in een Natura 2000-gebied (zoals het nabijgelegen Hollands Diep) veroorzaakt. Volgens de uitgevoerde AERIUS-berekening, die als bijlage bij de natuurtoets is gevoegd, worden er geen grenswaarden overschreden. Het plan is uit ecologisch oogpunt gezien uitvoerbaar.

4.4 Archeologische waarden en cultuurhistorie. Archeologie De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ordening is het onderwerp van het Europese Verdrag van Valetta (Malta, 1992). Nederland heeft dit Verdrag ondertekend en goedgekeurd. Sinds 1 september 2007 is de Wet Archeologische Monumentenzorg als onderdeel van de Monumentenwet van kracht. De bescherming van het archeologische erfgoed is een taak van de gemeente geworden. Er dient binnen bestemmingsplannen en bij ruimtelijke onderbouwingen als de onderhavige, aandacht te worden besteed aan archeologische aspecten. Uit de Erfgoedverordening 2014 met bijbehorende archeologische verwachtingskaart van de gemeente Cromstrijen blijkt, dat er sprake is van een gebied met middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Bij bodemingrepen dieper dan 50 centimeter en groter dan 500 m2 dient een inventariserend archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Om deze reden is archeologisch onderzoek ingesteld (Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek, RAAP, 23 augustus 2018, nr. 6189). Uit het onderzoek blijkt, dat de kans dat er binnen het plangebied een intacte vindplaats uit de Late middeleeuwen of de Nieuwe tijd aanwezig is, klein geacht wordt. De middelhoge verwachting voor deze periode kan daarom naar laag worden bijgesteld.

Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geen vervolgstap in het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. In het voorliggende bestemmingsplan behoeft om deze reden geen archeologische dubbelbestemming te worden opgenomen. Cultuurhistorie Er zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig op het perceel. Het perceel valt ook niet binnen een molenbiotoop.

- 15 -

4.5 Waterhuishouding De watertoets ten behoeve de voorgestane ontwikkeling wordt uitgevoerd om inzicht te krijgen in de waterhuishoudkundige consequenties van het plan en het vaststellen van eventuele mitigerende of compenserende maatregelen. Waterbeheerprogramma 2016-2021 Vanaf 2016 is er een nieuw waterbeheer programma van kracht. Het programma bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren. Het plan bevat doelen en maatregelen voor de thema’s Calamiteitenzorg, Water en Ruimte, Waterveiligheid, Voldoende Water, Schoon water en Waterketen. Voor het thema water en ruimte is de nadere uitwerking van de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie de belangrijkste ontwikkeling. Hierbij wordt uitgegaan van meerlaagse veiligheid: preventie (laag 1), ruimtelijke inrichting (laag 2) en crisisbeheersing (laag 3). Voor Hollandse Delta ligt de nadruk op de eerste laag: een overstroming voorkomen door middel van (primaire) waterkeringen. Voor de tweede laag is als doel geformuleerd dat de ruimtelijke inrichting bijdraagt aan het beperken van de gevolgen van een overstroming.

Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de hydraulische belasting van de afvalwaterzuivering. Watergang Het plangebied grenst aan enkele watergangen. Voor het onderhoud van deze sloten blijft voldoende vrije ruimte beschikbaar. De gedachte bestaat om de oostelijke watergang te dempen en om via een stuw aan de noordrand van het plangebied een verbinding te maken met de rest van het watersysteem. Dit wordt nog afgestemd met het Waterschap.

Figuur 4.2 watersysteem bij plangebied

- 16 -

Waterveiligheid Het bouwplan wordt niet gerealiseerd binnen de beschermingszone van een waterkering. Voldoende water - wateroverlast Het watersysteem van het Waterschap wordt niet aangetast door het bouwplan. Er is ter plaatse ook geen sprake van wateroverlast. Uit de ‘Nota toetsingskaders en beleidsregels voor het watersysteem 2014’van het Waterschap blijkt dat 10 % van de toename van het verhard oppervlak moet worden gecompenseerd in open water. In buitenstedelijk gebied geldt die eis pas bij een toename van verharding van 1.500 m2, in stedelijk gebied bij een toename van 500 m2. De nieuwe bebouwing en terreinverharding betreft een grotere toename. Er is om deze reden een watervergunning nodig van het Waterschap Hollandse Delta. Met het waterschap wordt overleg gevoerd over de wateraspecten en de vereiste maatregelen. Schoon water Het appartementengebouw wordt aangesloten op de bestaande riolering. Het hemelwater zal worden afgekoppeld en worden geloosd op aanwezig open water. Met het oog op de waterkwaliteit van het te lozen hemelwater geldt dat het dak van het appartementengebouw wordt uitgevoerd in niet-uitlogende materialen.

Conclusie Het bouwplan is in overeenstemming met de geldende normen en beleidsuitgangspunten van het aspect ‘water’. Over de vereiste watercompensatie en de uitvoering van de omliggende watergangen c.q. stuw zal overleg worden gevoerd met het Waterschap. De daarvoor vereiste vergunningen worden aansluitend aangevraagd.

4.6 Milieuzonering Ter bepaling van de mogelijkheid om milieubelastende bestemmingen te realiseren in de nabijheid van milieugevoelige bestemmingen, zoals woningen, wordt gebruik gemaakt van de systematiek van milieuzonering. In de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is één en ander nader beschreven en uitgewerkt. In deze VNGpublicatie is ook een Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen, waarbij per type bedrijf wordt aangegeven welke afstanden tussen milieugevoelige en milieubelastende bestemmingen moet worden aangehouden. Zo ontstaat een zone rond een perceel met een bedrijfsbestemming waar in principe geen milieugevoelige bestemmingen zijn toegestaan. Op deze wijze wordt geborgd dat er geen onaanvaardbare milieuoverlast voor milieugevoelige bestemmingen aan de orde zal zijn.

- 17 -

Woningen zijn milieugevoelige objecten. Uit dien hoofde wordt bij de voorbereiding van het bestemmingsplan bezien of de woningen worden gesitueerd in de milieuzone van omliggende milieubelastende functies. Onderzoek In de nabijheid van het plangebied zijn op de percelen Schuringsedijk 18 en 20 bedrijven aanwezig dan wel kunnen zich daar op grond van het geldende bestemmingsplan ‘Buitensluis’ vestigen. Volgens dat vigerende bestemmingsplan is op deze gronden de vestiging mogelijk van bedrijven uit de categorieën 2. Bij dat type bedrijven hoort een richtafstand van 30 meter. Het appartementengebouw aan de Fortlaan wordt op grotere afstand dan deze 30 m van de grens met de bedrijfsbestemming gebouwd. Overigens zijn er geen bedrijven wiens milieuzone zich uitstrekt tot het plangebied. Uit oogpunt van milieuzonering voldoet het plan aan de daarvoor geldende uitgangspunten.

4.7 Geluid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet inzicht worden geboden in de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling vanuit akoestisch oogpunt. Het geluidsaspect is relevant in relatie tot industrielawaai, wegverkeerslawaai en/of spoorweglawaai. Toetsingskader is de Wet geluidhinder en enkele uitvoeringsbesluiten. Industrie en/of spoorweglawaai Het plangebied valt niet binnen een zone voor industrie- en/of spoorweglawaai.

Wegverkeerslawaai Wettelijk kader: Voor woningen binnen de zone van een weg dient een akoestisch onderzoek te worden overgelegd. In artikel 74 van de Wet geluidhinder wordt de breedte van de zone van een weg in stedelijk gebied, bestaande uit 1 of 2 rijstroken bepaald op 200 meter. Wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt hebben niet een dergelijke geluidszone. Conform artikel 82, lid 1 van de Wet geluidhinder geldt voor de geluidbelasting op de gevel van een woning binnen de zone van een weg een voorkeursgrenswaarde Lden van 48dB. Bij de totstandkoming van het bestemmingsplan Torensteepolder 2015, dat direct grenst aan het plangebied, is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai. De woningen in de Torensteepolder komen o.a. in de zone van de Voorstraat/Molendijk. Uit de daarvoor uitgevoerde berekeningen blijkt dat de voorkeurswaarde niet wordt overschreden door het verkeer op de onderzoeksplichtige wegen. Het vaststellen van hogere waarden bleek daarom niet nodig.

- 18 -

Zo bedroeg de geluidbelasting op het perceel direct ten zuiden het in het bestemmingsplan Fortlaan opgenomen plangebied 38 dB ten gevolge van verkeer in de zone Voorstraat/Molendijk. De belasting op het plangebied Fortlaan zal om die reden in ieder geval niet hoger zijn dan 48 dB. Het appartementengebouw komt aan de Fortlaan, waar op dit moment een verkeersregime met éénrichtingsverkeer geldt. Mogelijk dat later besloten wordt om een afsluiting aan te brengen, waardoor er -behoudens lijnbussen- geen sprake zal zijn van doorgaand verkeer. Dit besluit is nog niet officieel genomen en de gevolgen ervan kunnen formeel gezien pas na het vaststellen van het verkeersbesluit worden meegenomen in een akoestisch onderzoek. Door de relatief grote afstand ten opzichte van de lage (jaargemiddelde) weekdagintensiteit is ook geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde te verwachten, ook zonder het verkeersluw maken van de Fortlaan. Voor wat betreft de Schuringsedijk is er sprake van een verkeersintensiteit van circa 1.200 motorvoertuigen per etmaal en een rijsnelheid ter hoogte van het plan van 30 km/h.

Op grond van de afstand en de aanwezige afschermende bebouwing ten zuiden van de Schuringsedijk is het ook aannemelijk te maken dat de voorkeursgrenswaarde niet zal worden overschreden Om deze redenen kan worden geconcludeerd, dat de geluidbelasting op de gevels van het appartementengebouw niet hoger zal zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Conclusie Het bouwplan is uit oogpunt van het aspect geluid uitvoerbaar.

4.8 Bodem In de woningbouwwet is bepaald dat door de gemeenteraad in de bouwverordening regels moeten worden opgenomen om het bouwen op verontreinigde bodem te voorkomen. Deze regels hebben onder andere betrekking op het uitvoeren van een (bodem)onderzoek naar de aard en schaal van de verontreiniging van de bodem. Ook is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders (B en W) een beslissing op een aanvraag om omgevingsvergunning moeten aanhouden als blijkt dat de bodem is verontreinigd dan wel het vermoeden bestaat dat er sprake is van ernstige verontreiniging. Uit artikel 3.1.6, lid 1 sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vloeit voort dat bij ruimtelijke besluiten inzicht verkregen moet worden over de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat er onder andere inzicht verkregen moet worden in de noodzakelijke financiële investering van een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering. In het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek (Geofoxx, 11 januari 2018, nr. 20171661/TBUR) wordt geconcludeerd dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen

- 19 -

belemmeringen aanwezig zijn voor het toekomstig gebruik van de locatie voor woondoeleinden. De conclusie is dat de grond geschikt is om te worden gebruikt overeenkomstig de woonbestemming.

4.9 Geur. Het perceel bevindt zich niet binnen een geur- en/of stankcirkel. Er zou enige geurhinder op kunnen treden als gevolg van landbouwactiviteiten op de agrarische percelen in de omgeving. Dit is echter verder niet direct te vertalen naar een afwegingskader. Daarbij is dergelijke geurhinder inherent aan het landelijk wonen en meestal naar aard tijdelijk. Tevens is het zo dat het dichtst bijgelegen agrarische perceel op meer dan 200 m van het plangebied ligt. Het aspect geur/stank levert om die reden dan ook geen belemmeringen op voor de realisering van het bouwplan.

4.10 Luchtkwaliteit In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit vastgelegd. In artikel 5.16 is vastgelegd dat bestuursorganen bevoegdheden, zoals het vaststellen van een bestemmingsplan of het nemen van een projectbesluit, mogen uitoefenen wanneer sprake is van één van de volgende gevallen: a. b.

Er is geen sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden. De concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft ten minste gelijk. c. Het plan draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht. d. De ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. Voor ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’.

- 20 -

De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisering van in totaal 23wooneenheden. De uitkomst van de hierna opgenomen berekening van de toename van het aantal verkeersbewegingen, op basis van de zogenaamde Nibm-tool wordt voldaan aan de hiervoor geldende norm. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit worden geen belemmeringen ondervonden.

Figuur 4.3: Nibm tool.

Voor de volledigheid is uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening ook de heersende luchtkwaliteit in ogenschouw te nemen. Op basis van de landelijk beschikbare GCNwaarden (Grootschalige Concentratiekaarten Nederland) kan gesteld worden dat de jaargemiddelde achtergrondconcentratie voor stikstofdioxide 16,5 (2016 gebaseerd op gegevens gcn 2016) microgram per kubieke meter lucht bedraagt en voor fijn stof pm 10 is dit 17,4 en fijnstof pm 2,5 is dit 9,5 (2016, gebaseerd op gcn 2016) microgram per kubieke meter. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 μg/m3) en PM2,5 (25 μg/m3) wordt niet overschreden. Als in de toekomst gebruik wordt gemaakt van de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid wordt op dat moment opnieuw aandacht besteed aan het aspect luchtkwaliteit. Conclusie De algehele conclusie is dat vanuit het aspect luchtkwaliteit er geen belemmering bestaat voor de geplande ontwikkeling.

4.11 Externe veiligheid In 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI) van kracht geworden. In overeenstemming met artikel 5 van dit BEVI dient bij een besluit in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) onderzocht te worden in hoeverre er sprake

- 21 -

is van aanwezigheid van risicovolle inrichtingen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft. Tevens dienen de risicocontour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6 contour) en het groepsrisico (GR) met de eventuele toename hiervan berekend te worden. Het GR dient in de toelichting op het besluit te worden verantwoord. Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. In het Bevt staan regels voor de ruimtelijke inrichting rond wegen, waterwegen en spoorwegen met vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Bevt hanteert een vaste grens van 200 meter, vanaf de buitenrand van de transportroute, waarbuiten in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buiten de 200 meter is een verantwoording niet noodzakelijk. Wel geldt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen die nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maken buiten de 200 m dient in de toelichting aandacht moet worden gegeven aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid voor zover het binnen het invloedsgebied van de transportroute is gelegen. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen.

De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarmee zijn nieuwe kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour niet toegestaan. Ook is vastgesteld dat wanneer binnen het invloedsgebied van een buisleiding een ruimtelijk besluit wordt genomen, de verantwoordingsplicht van toepassing is. Het Bevb gaat uit van een belemmerde strook van 4 of 5 meter, afhankelijk van de werkdruk. Voor deze strook geldt een bouwverbod en een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden.

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicobronnen aanwezig. Het Hollands Diep ligt op ruim 1 km afstand, waardoor risicobronnen c.q. veiligheidsrisico’s vanwege deze watergang niet relevant zijn. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het groepsrisico van Shell Chemie (Moerdijk), de afstand tot het plangebied bedraagt meer dan 8 km. Het plangebied ligt aan de rand van bestaand bebouwd gebied en er wordt een nieuwe woonwijk aansluitend gerealiseerd. Het plangebied kent vluchtmogelijkheden en de bewoners zijn zelfredzaam c.q. kunnen vanuit zorgoogpunt geholpen worden bij eventuele evacuatie. Hierbij wordt nog opgemerkt dat het enkel om toxische scenario's gaat waarbij zelfredzaamheid ook behaald kan worden door deuren en ramen te sluiten en de mechanische ventilatie af te schakelen. Om deze reden is er geen strijd met veiligheidsrisico’s ten gevolge van Shell Chemie. Uit de risicokaart Nederland blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen of -leidingen aanwezig zijn in ieder geval niet binnen een straal van 800 m vanaf het plangebied.

- 22 -

plangebied

Figuur 4.4: deel risicokaart Nederland

Explosievenonderzoek Er is een historisch vooronderzoek gedaan om te bepalen of er indicaties zijn dat binnen het onderzoeksgebied explosieven in de ondergrond aanwezig zijn, en zo ja, om het verdachte gebied in horizontale en verticale dimensies af te bakenen (T&A Survey, 13 december 2017, nr. GPR6961). Uit het onderzoek blijkt dat er feitelijk materiaal is aangetroffen, waaruit blijkt dat er mogelijk verschillende typen explosieven in het onderzoeksgebied zijn achtergebleven tijdens WOII. Hierdoor geldt dat het onderzoeksgebied deels verdacht is op de aanwezigheid van explosieven. Er is daarbij geadviseerd om voor aanvang van of tijdens de reguliere werkzaamheden ter plaatse van de diverse verdachte gebieden opsporingswerkzaamheden te laten uitvoeren. Met in achtneming van die aantekening, kan het bestemmingsplan uit oogpunt van externe veiligheid als aanvaardbaar worden bestempeld.

4.12 Kabels en leidingen Binnen of langs het plangebied liggen diverse kabels en leidingen, zoals elektriciteit, telefoon en kabeltelevisie. Er zijn geen kabels of leidingen aanwezig die een specifieke bescherming hebben in het bestemmingsplan, het gaat om ‘gewone’ leidingen waar bij de uitvoering van een eventueel bouwplan rekening mee wordt gehouden.

- 23 -

5. Juridische toetsing. 5.1 Juridische planopzet. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht bestemmingsplannen geheel digitaal op te stellen en vast te stellen. Het bestemmingsplan is opgesteld aan de hand van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012).

5.2 Bestemmingswijzer. 5.2.1 Inleidende bepalingen. De artikelen 1 en 2 bevatten de algemene regels zoals de begripsbepalingen en de wijze van meten. 5.2.2. Bestemmingsregels (hoofdstuk 2) Binnen het plangebied worden de bestemmingen ‘Wonen’ ‘Water’ en ‘Tuin’ gelegd. In de regels bij die bestemming worden de bouwregels en de gebruiksmogelijkheden geregeld. Bij de bestemming Wonen is het maximum aantal te realiseren woningen gesteld op 23. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om maximaal 17 woningen daaraan toe te voegen. 5.2.3 Algemene bepalingen. De Anti-dubbeltelregel en de overgangsregels zijn overgenomen uit het Bro. Daarnaast is een artikel opgenomen voor de titel van het plan, voor toegelaten overschrijdingen, algemene afwijkingsbepalingen en aanvullende werking van de bouwverordening.

5.3 Plantoetsing en handhaving. De gemeente Cromstrijen is belast met het toezicht op de uitvoering van de bouwwerkzaamheden overeenkomstig het bepaalde in dit bestemmingsplan.

- 24 -

6. Uitvoering. 6.1 Economische uitvoerbaarheid. Het bouwplan omvat de bouw van een appartementengebouw met wooneenheden aan de Fortlaan te Numansdorp. Het perceel Fortlaan is in eigendom bij initiatiefnemer. Met initiatiefnemer is een zogenaamde anterieure exploitatieovereenkomst afgesloten. Dit betekent dat het kostenverhaal is verzekerd. Er hoeft dan ook geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 van de Wro te worden vastgesteld. De realisering van het plan wordt verzorgd door initiatiefnemer. De financiële dekking voor het plan is hiermee geregeld en de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd.

6.2 Planschade. Tussen de gemeente en initiatiefnemer zijn ex artikel 6.4a Wro in de gesloten exploitatieovereenkomst ook afspraken gemaakt over het afwentelen door de gemeente op de initiatiefnemer van eventueel toe te kennen tegemoetkomingen in planschade en bijbehorende advieskosten ter beoordeling hiervan.

- 25 -

7. Overleg ex artikel 3.1.1. Bro/zienswijzen 7.1 Vooroverleg

In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening hebben de volgende vooroverlegpartners een overlegreactie gegeven: - xx Van andere vooroverlegpartners is geen reactie ontvangen.

7.2 Zienswijzen pm

- 26 -

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10136390/1