CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting - Bijlage B Archeologisch onderzoek

Thema bijeenkomst 12 mei 2026, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: RV Wijziging omgevingsplan ‘Buitenzomerlanden (beeldvorming)10.989 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

22

Tabel 1: Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel

1

Datering

2 3 4

Complextype Omvang Diepteligging

5

Gaafheid en conservering

6 7

Locatie Uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren) Mogelijke verstoringen

8

Archeologische verwachting Onbekend Paleolithicum-Mesolithicum Middelhoog- Neolithicum – Late Middeleeuwen hoog (tot aan St. Elisabethsvloed)

Reden Ligging in vlechtende rivierafzettingen Aanwezigheid stroomgordel, veen en kreken behorende tot het Maas-estuarium (Duinkerke I) Laag Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd Geen aanwijzingen voor bewoning op historisch (na St. Elisabethsvloed) kaartmateriaal. Wel een sluisje in een kade in 1811-1832 Nederzettingscomplexen, huisplaatsen, sporen van landgebruik, infrastructuur, grafvelden 500-2000 m2 (omvang huisplaats, algemeen) Top veen: -2,3 à -3,8 m NAP Top oeverafzettingen: -3 à -3,5 m NAP +/Perceel in het westen van het plangebied is afgegraven, maar waarschijnlijk alleen binnen het ophogingspakket (+). Ter plaatse van de verdieping voor de Heinenoordtunnel is het archeologische niveau waarschijnlijk al verdwenen (-). Verder geen aanwijzingen voor grootschalige afgravingen binnen het plangebied (+). De aanwezige ophoging kan eventuele archeologische resten en/of sporen al hebben verdrukt. Onbekend, op dit moment het hele plangebied Concentratie van aardewerk, vuursteen, al dan niet verbrand bot, houtkool of een vondstlaag. Veraard veen. Het is onbekend in welke mate erosie heeft opgetreden door overstromingen. Zie verder gaafheid en conservering.

23

10. Conclusie en advies Conclusie Binnen het plangebied is mogelijk sprake van meerdere archeologische niveaus waarop archeologische resten en/of sporen aanwezig zouden kunnen zijn: 1. In het westen van het plangebied wordt de Zwijndrecht stroomgordel in de ondergrond verwacht, die in het Neolithicum kortstondig actief is geweest. Op de oevers van deze voormalige rivier is theoretisch gezien bewoning uit die tijd mogelijk, waardoor ter plaatse van de stroomgordel sprake is van een hoge archeologische verwachting op nederzettingsresten en sporen van landgebruik uit die tijd (bijlage 6). In de omgeving van het plangebied zijn vooralsnog geen vondsten op de stroomgordel aangetroffen. In de rest van het plangebied zijn naar verwachting uitsluitend overstromingsafzettingen van deze rivier te verwachten, die bestaan uit slappe, zoetwatergetijdeafzettingen. Op basis van onderzoek in de omgeving ligt de top van de afzettingen van de Zwijndrecht stroomgordel rond -3 à -3,5 m NAP (vanaf circa 5,6 m –Mv, uitgaande van een maaiveldhoogte van +2,6 m NAP). 2. Indien sprake is van een intacte top van het veen, kunnen daarin theoretisch resten uit de Bronstijd/IJzertijd of Romeinse Tijd aanwezig zijn. Dit kunnen zowel sporen van nederzetting als van landgebruik zijn. In de omgeving van het plangebied zijn deze nog niet bekend.

De top van het veen in de omgeving van het plangebied is tussen -2,3 en -3,8 m NAP aangetroffen en was in alle gevallen reeds geërodeerd (vanaf circa 4,9 m –Mv, uitgaande van een maaiveldhoogte van +2,6 m NAP). Hierdoor is de archeologische verwachting voor de periode Bronstijd/IJzertijd- LateMiddeleeuwen (tot aan de St. Elisabethsvloed in 1421) middelhoog. 3. De diverse kreken vanuit het Maas-estuarium (Duinkerke I) hebben het veengebied ontwaterd waardoor het aantrekkelijk voor bewoning werd in de Bronstijd-IJzertijd, zoals hierboven beschreven. Door een afname in de transgressie slibden de geulen in het veen dicht in de IJzertijd/Romeinse Tijd. Vanaf toen trok de bewoning dan ook van het veen naar de oevers van de geulen, want zij vormden toen de hoogste delen in het landschap. Ter plaatse van de oevers van de geulen van het Maas-estuarium (Duinkerke I) kunnen dus archeologische resten en/of sporen uit de IJzertijd-Romeinse Tijd verwacht worden (hoge verwachting; gele stippen in bijlage 5). De diepteligging van de top van eventuele oevers van kreken is onbekend, maar wordt gezien de diepteligging van de top van Zwijndrecht stroomgordel binnen -3 m NAP verwacht. 4. Aangezien het plangebied pas in de 19e eeuw is ingepolderd en op historisch kaartmateriaal aanwijzingen voor bewoning ontbreken, is de archeologische verwachting op huisplaatsen uit de periode van ná de St.

Elisabethsvloed in 1421 laag. Wel was in de kade in het Kooimansland sprake van een sluisje op het Kadastrale Minuutplan (bijlage 11). Vòòr de St. Elisabethsvloed maakte het plangebied deel uit van de Groote Waard, waar in theorie nederzettingen uit de LateMiddeleeuwen aanwezig zouden kunnen zijn. Archeologische resten en/of sporen uit de LateMiddeleeuwen zouden dus mogelijk nog in de top van het veen en/of op de oevers van de kreken uit het Maas-estuarium aanwezig kunnen zijn. In welke mate nog archeologische resten en/of sporen aanwezig kunnen zijn is mede afhankelijk van de bodemopbouw en mate van intactheid van het afzettingen. Binnen het plangebied is sprake van een ophogingspakket dat op basis van het AHN en milieukundige boringen waarschijnlijk minstens 2 m dik is. De exacte diepteligging van de onderkant van het ophogingspakket is op basis van het milieukundige onderzoek niet gebiedsdekkend te bepalen. De globale maaiveldhoogte van het plangebied bedraagt echter wel +2,6 à +4 m NAP. De verschillende archeologische niveaus worden voor zover bekend vanaf ongeveer 5 m –Mv verwacht.

24

Advies De voorgenomen werkzaamheden hebben een variabele verstoringsdiepte van 0,5 à 2 m –Mv (uitgezonderd de molenvoeten), afhankelijk van het type werkzaamheden en de locatie (bijlage 3). Gezien de beschikbare milieuboringen, de maaiveldhoogte en de verwachte diepteligging van eventuele archeologische niveaus, worden de eventuele archeologische niveaus niet bereikt met de graafwerkzaamheden ten behoeve van de voorgenomen ingrepen. De voorgenomen ingrepen vormen dus geen bedreiging voor eventuele archeologische resten en/of sporen. Daarom wordt geadviseerd om geen archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren voor de werkzaamheden die tot 0,5 à 2 m –Mv reiken. Wanneer de kabel voor de windmolens binnen 2 m –Mv wordt aangelegd zal deze ook geen bedreiging voor eventuele archeologische vondsten en/of sporen vormen, en zal ook hiervoor geen vervolgonderzoek noodzakelijk zijn. Uitzondering op bovenstaande zijn de voeten van de windmolens. Voor de windmolens zullen namelijk ook heipalen geplaatst worden. Details over de plaatsing hiervan zijn niet bekend, maar de kans is aanwezig dat hierbij de archeologische niveaus worden aangetast. Ter plaatse van de molenvoeten wordt dus een archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd. Dit vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd als een verkennend, mechanisch booronderzoek.

Het doel van het booronderzoek is om de bodemopbouw en mate van intactheid van de bodem vast te stellen. Aan de hand van de resultaten van het booronderzoek kan het archeologische verwachtingsmodel worden getoetst en mogelijk worden bijgesteld. Tevens zullen ophogingen plaatsvinden. Met ophoging van het terrein kunnen archeologische resten en/of sporen in het veen worden verdrukt. Ook kunnen grondsporen tijdelijk verblauwen. Aangezien in het plangebied nu ook al sprake is van een ophogingspakket, wordt aangenomen dat het effect van een extra ophogingspakket een verwaarloosbaar effect heeft op eventueel aanwezige archeologische resten en grondsporen. Hiervoor zal dus geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk zijn. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Hoeksche Waard, om op basis van de resultaten van dit rapport te bepalen of en in welke vorm vervolgonderzoek dient te worden uitgevoerd.

25

11. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden  Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007.  Archeologisch Informatie Systeem (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2015.  Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden, 3e generatie, IKAW, Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB), Amersfoort, 2008.  www.ahn.nl  www.archieven.nl  www.ruimtelijkeplannen.nl  www.topotijdreis.nl  www.bodemloket.nl  www.dinoloket.nl  www.edugis.nl  www.pdok.nl  www.planviewer.nl  www.dans.easy.knaw.nl  www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl  https://www.nationaalarchief.nl/  www.hisgis.nl  https://www.museumhw.nl/museum/beeldbank  www.rijksmonumenten.nl Literatuur Bakker, H., de/J. Schelling, 1989. Systeem van bodemclassificatie voor Nederland, de hogere niveaus, Wageningen. Bakker, H., De 1966. De subgroepen van het systeem voor bodemclassificatie voor Nederland. In: Boor en Spade. Berendsen, H.J.A., 2005. Landschappelijk Nederland. Van Gorcum, Assen. Berendsen, H.J.A./E. Stouthamer (eds.), 2001. Palaeogeographical development of the Rhine-Meuse delta, the Netherlands, Assen. Cohen, K.M./E. Stouthamer/H.J. Pierik/A.H. Geurts, 2012. Rhine‐Meuse Delta Studies’ Digital Basemap for Delta Evolution and Palaeogeography. Dept. Physical Geography. Utrecht University.

Digital dataset: http://persistent‐identifier.nl/?identifier=urn:nbn:nl:ui:13‐nqjn‐zl. TNO-NITG, 1998, Geologische kaart 1: 50 000, blad Rotterdam Oost (37O). Hijma, M.P/K.M. Cohen/G. Hoffmann/A.J.F. Van der Spek en E. Stouthamer, 2009. From river valley to estuary: the evolution of the Rhine mouth in the early to middle Holocene (western Netherlands, RhineMeuse delta).Netherlands Journal of Geosciences — Geologie en Mijnbouw 88 – 1, p 13 – 5. Huisman, D.J./J. Bouwmeester/G. de Lange/Th. van der Linden/G. Mauro/D. Ngan-Tillard/M. Groenendijk/T. de Ridder/C. van Rooijen/I. Roorda/D. Schmutzhart e/R. Stoevelaar, 2010. De invloed van bouwwerkzaamheden op archeologische vindplaatsen, Bouwen en Archeologie, Amersfoort (RCE).

26

Huizer, J., M. Benjamins, S. van der A., 2009, Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Hoekse Waard. ADC Heritage, rapportnummer H034. Jansen of Lorkeers, L.M.C., 2019. Spijkenisse, Dorgendijk 14-14a. Gemeente Nissenwaard (ZH). Een Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek (IVO). Transect-rapport 2161. Maas, G. J./ S. P. J. van Delft/ A. H. Heidema, 2017, Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50 000 (2017). Wageningen, Wageningen Environmental Research. Mulder, E.F.J., de,/M.C. Geluk/I.L. Ritsema/W.E. Westerhof/T.E. Wong, 2003. De ondergrond van Nederland, Houten. Nales, T., 2018, Heinenoord, Gorzenweg 6E, Gemeente Binnenmaas (ZH), archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Transect-rapport 1738. Roijendijk, Y., 2019. Verkennend bodem-, waterbodem- en asbestonderzoek Windmolenpark Oude Maas. Tauw. Projectnummer 1264929. Smit, B.I., 2006. Plangebied Hoeksche Waard, gemeente Binnenmaas; archeologicsh vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek. RAAP-rapport 1425. Trierum, M.C. van 1992. Nederzettingen uit de IJzertijd en de Romeinse Tijd op Voorne Putten, IJsselmonde en in een deel van de Hoekse Waard, BOORbalans 2, 15-102, Rotterdam. Stouthamer, E./K.M. Cohen/W.Z. Hoek, 2015. De vorming van het Land, Utrecht. TNO, 2010.

Geologische Overzichtskaart van Nederland, schaal 1:600 000. Vos, P.C., 2015. Compilation of the Holocene paleogeographical maps of the Netherlands, in P.C. Vos (ed.), The origin of the Dutch coastal landscape, Groningen, 50-81. Vos, P.C./S. de Vries, 2015. 2e generatie paleogeografische kaarten van Nederland (versie 2.0). sd, www.archeologieinnederland.nl (11-30-2015) Zagwijn, W.H., Van Staalduinen, C.J., 1975. Toelichtingen bij Geologische overzichtskaarten van Nederland. Rijks Geologische Dienst, Haarlem: 134 p.p. Lijst van afbeeldingen Figuur 1. Ligging van het plangebied op een topografische kaart. Figuur 2. Uitsnede uit het civieltechnisch ontwerp voor het windpark in de omgeving van windmolen 4.

27

Bijlage 1. Periode

Archeologische periode-indeling voor Nederland (conform ABR) Deel-/subperiode

Recent

Van

Tot

1945 na Chr.

2050 na Chr.

Nieuwe Tijd

Late-Nieuwe Tijd Midden-Nieuwe Tijd Vroege-Nieuwe Tijd

1850 na Chr. 1650 na Chr. 1500 na Chr.

1945 na Chr. 1850 na Chr. 1650 na Chr.

Middeleeuwen

Late-Middeleeuwen B Late-Middeleeuwen A Vroege-Middeleeuwen D Vroege-Middeleeuwen C Vroege-Middeleeuwen B Vroege-Middeleeuwen A

1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr. 450 na Chr.

1500 na Chr. 1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr.

Romeinse Tijd

Laat-Romeinse tijd B Laat-Romeinse tijd A Midden-Romeinse tijd B Midden-Romeinse tijd A Vroeg-Romeinse tijd B Vroeg-Romeinse tijd A

350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr. 12 voor Chr.

450 na Chr. 350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr.

IJzertijd

Late-IJzertijd Midden-IJzertijd Vroege-IJzertijd

250 voor Chr. 500 voor Chr. 800 voor Chr.

12 voor Chr. 250 voor Chr. 500 voor Chr.

Bronstijd

Late-Bronstijd Midden-Bronstijd B Midden-Bronstijd A Vroege-Bronstijd

1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr. 2000 voor Chr.

800 voor Chr. 1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr.

Neolithicum

Laat-Neolithicum B Laat-Neolithicum A Midden-Neolithicum B Midden-Neolithicum A Vroeg-Neolithicum B Vroeg-Neolithicum A

2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr. 5300 voor Chr.

2000 voor Chr. 2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr.

Mesolithicum

Laat-Mesolithicum Midden-Mesolithicum Vroeg-Mesolithicum

6450 voor Chr. 7100 voor Chr. 8800 voor Chr.

4900 voor Chr. 6450 voor Chr. 7100 voor Chr.

Paleolithicum

Laat-Paleolithicum B Laat-Paleolithicum A Midden-Paleolithicum Vroeg-Paleolithicum

18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP -

8.800 voor Chr. 18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP

28

Bijlage 2.

Situatie

29

Bijlage 3.

Voorgenomen werkzaamheden

Bron: Tauw b.v.

30

Bijlage 4.

Gemeentelijk beleid

31

32

Bijlage 5.

Geologische kaart

33

34

Bijlage 6.

Stroomgordels

35

Bijlage 7.

Geomorfologie

36

Bijlage 8.

Maaiveldhoogte

37

Bijlage 9.

Bodem

38

Bijlage 10.

Archeologische waarden en onderzoeken

39

Bijlage 11.

Historische kaarten

40

41

42

43

44

45

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16798417/1