Toelichting bij Huisvestingsverordening gemeente Hoeksche Waard 2026-2030
Tekst van het document
Toelichting bij Huisvestingsverordening gemeente Hoeksche Waard 2026-2030 artikelsgewijze toelichting Regelgeving rondom de verlening van huisvestingsvergunningen en/of woonruimteverdeling kan behoorlijk complex zijn. In deze bijlage beschrijven we per artikel wat de bedoeling is van het desbetreffende artikel, en wat het betekent voor de woningzoekende. Artikel 1: definities In deze huisvestingsverordening worden regelmatig begrippen aangehaald, of wordt verwezen naar andere wetgeving (zoals de Woningwet). In dit artikel wordt per begrip uitgelegd wat er onder wordt verstaan. Artikel 2: woningvoorraad In artikel 2 van deze verordening wordt duidelijk gemaakt welke woningen ‘onder’ de verordening vallen, met andere woorden voor welke woning een huisvestingsvergunning verplicht is om deze te kunnen betrekken. Het gaat hier om sociale huurwoningen van woningcorporaties. Alleen voor gevallen waarin sprake is van urgentie, zijn in de verordening nadere regels beschreven. Dat betekent dat de meeste (nieturgente) toewijzingen voortkomen uit het beleid van de woningcorporaties, en niet uit voorschriften uit deze verordening. Onzelfstandige woningen (kamers) en woonwagens/standplaatsen zijn uitgezonderd en zijn dus niet vergunningplichtig.
Artikel 3: doelgroep Artikel 3 gaat over de groepen die in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning: dit zijn óf huishoudens met minimaal één meerderjarig lid, en/óf houders van een urgentieverklaring. Dat laatste is relevant bij minderjarigen waarbij het tóch wenselijk is dat zij een zelfstandige woning betrekken. Artikel 4: aanvraag van een huisvestingsvergunning Dit artikel maakt woningzoekenden duidelijk welke informatie zij moeten aanleveren om een aanvraag voor een huisvestingsvergunning te kunnen doen. Omdat in de praktijk de corporaties zijn gemandateerd om de vergunningen namens het college van burgemeester en wethouders te verstrekken, komt het er op neer dat de vergunningverlening in één adem met het verhuurproces van de corporatie kan plaatsvinden. Er hoeft dan dus niet tweemaal dezelfde informatie te worden aangeleverd. Artikel 5: beoordeling aanvraag huisvestingsvergunning Dit artikel maakt duidelijk in welke gevallen de aanvraag om een huisvestingsvergunning zal worden afgewezen (bijvoorbeeld als iemand niet verblijfsgerechtigd is of minderjarig zonder urgentieverklaring) of kan worden afgewezen (bijvoorbeeld omdat iemand een niet bij de sociale huurpassend inkomen heeft). De huisvestingsverordening mag woningcorporaties niet in de weg staan bij haar kerntaak zoals onder andere omschreven in de Woningwet.
Als een woningzoekende niet in aanmerking komt voor een huisvestingsvergunning (bijvoorbeeld omdat een corporatie hem/haar wettelijk niet mag huisvesten), dan komt de woningzoekende ook niet in aanmerking voor urgentie: urgentie is dan – in lijn met artikel 9 – immers ook geen oplossing voor het woonprobleem van de woningzoekende. 1/5
Artikel 6: inhoud huisvestingsvergunning Artikel 6 maakt duidelijk wat er in een huisvestingsvergunning staat. In de praktijk zijn dit min of meer dezelfde gegevens die ook in een huurcontract zijn opgenomen. Artikel 7: werking urgentieverklaring Artikel 7 is het eerste artikel van het centrale hoofdstuk 3 van deze huisvestingsverordening, die gaat over urgentie. Dit is het deel waar de gemeente via de huisvestingsverordening actief stuurt. Artikel 7 bepaalt dat urgent woningzoekenden voorgaan op andere woningzoekenden, zo lang de woning past bij het zoekprofiel dat zij hebben meegekregen in hun urgentiebeschikking. Als er sprake is van meer dan één urgent woningzoekende, dan wordt de rangorde bepaald door het moment van verkrijgen van de urgentiebeschikking. Wie de oudste urgentiebeschikking heeft, krijgt dan de woning toegewezen. Artikel 8: aanvraag van een urgentieverklaring In dit artikel wordt duidelijk gemaakt welke informatie moet worden aangeleverd om een aanvraag voor een urgentieverklaring in behandeling te kunnen nemen. Naast algemene informatie gaat het hierbij ook om bij de problematiek behorende specifieke informatie, bijvoorbeeld over de aard van de medische problematiek op basis waarvan men urgentie wil aanvragen. Artikel 9: beoordeling aanvraag urgentieverklaring Artikel 9 geeft inzicht over hoe de aanvraag uit artikel 8 wordt beoordeeld.
Het artikel bestaat in feite uit drie delen. In het eerste deel wordt duidelijk gemaakt wanneer een urgentie aanvraag altijd wordt afgewezen: als er geen sprake is van een noodsituatie en/of de woningzoekende niet past binnen de in de verordening bepaalde urgentie categorieën, als een woningzoekende zelf de veroorzaker is van het urgente woonprobleem (stel: men is slecht ter been en heeft eigenhandig de aangebrachte traplift weer verwijderd) of als de woningzoekende ten tijde van het urgente woonprobleem een passende, aangeboden woning heeft geweigerd. In al deze gevallen wordt beoordeeld dat er óf geen sprake is van urgentie, óf dat de woningzoekende er niet alles aan heeft gedaan of nagelaten om het urgente woonprobleem te verhelpen. Het tweede deel van dit artikel maakt duidelijk dat op de genoemde gronden een aanvraag om urgentie kan worden afgewezen. Het gaat dan o.a.
om gevallen waarbij het urgente woonprobleem te voorzien is geweest (denk aan een fysiek beperkte woningzoekende van 85 jaar die al 40 jaar in een portiekflat zonder lift woont: er is dan geen sprake van een acuut woonprobleem), het urgente woonprobleem zelf kan worden opgelost (bijvoorbeeld omdat men 9 jaar inschrijftijd heeft, of twee ton vermogen waardoor ook buiten de sociale huur een woning betrokken kan worden), de woningzoekende geen binding heeft met de Hoeksche Waard, niet in staat is om een zelfstandige woning te bewonen of te verkrijgen of bij de aanvraag heeft laten weten niet in te stemmen met de voorwaarden die bij de aangevraagde urgentie horen (denk bijvoorbeeld aan het aanvaarden van zorg in het geval van begeleid wonen). Het derde deel betreft een bepaling waaruit blijkt voor welke categorieën geen binding aan de Hoeksche Waard noodzakelijk is. Voor statushouders geldt dat ze bijna per definitie geen binding hebben met een gemeente (want ze komen van elders en stromen een COA-instelling uit). Voor mantelzorgurgentie en 2/5
uitstromers uit instellingen voor relationeel geweld is het vanuit de wet juist de bedoeling dat geen bindingseisen worden gesteld, in het laatste geval bijvoorbeeld om een leven op te bouwen ver weg van de ex-partner. Artikel 10: advisering Artikel 10 regelt dat het college van burgemeester en wethouders zich bij de beoordeling van urgentieaanvragen kan laten bijstaan door een onafhankelijke partij. Artikel 11: inhoud urgentieverklaring In dit artikel wordt opgesomd wat er allemaal in een urgentieverklaring staat: wie betreft het, voor welke woning komt men in aanmerking (zoekprofiel), etc. Het zoekprofiel van een urgent woningzoekende gaat uit van het woningaanbod dat gezien onder andere leeftijd, inkomen, huishoudgrootte en gezinssituatie nodig is voor de betreffende woningzoekende. Een zoekprofiel is dus altijd maatwerk. De geldigheidsduur van een urgentieverklaring is 26 weken; urgentieverklaringen kunnen eenmalig worden verlengd met een zelfde termijn. Indien het niet lukt om de urgentieverklaring om te zetten in een woningtoewijzing, dan kan het zoekprofiel bij verlenging worden verbreed om alsnog een passende match te realiseren. Artikel 12: intrekken of wijzigen urgentieverklaring Dit artikel beschrijft welke omstandigheden tot gevolg kunnen hebben dat urgentieverklaringen worden ingetrokken of worden gewijzigd.
Als de noodsituatie bijvoorbeeld via een andere weg is opgelost, dan is het aanhouden van de urgentieverklaring niet langer noodzakelijk. Wanneer aangeboden passende woningen worden geweigerd, dan kan dat ook aanleiding zijn om te veronderstellen dat de nood kennelijk niet hoog is. Omstandigheden kunnen soms ook aanleiding geven tot een aangepast zoekprofiel. Artikel 13 tot en met 18: urgentie categorieën Hoofdstuk 4, bestaande uit de artikelen 13 tot en met 18, beschrijven de urgentie categorieën in deze huisvestingsverordening. Een woningzoekende komt in aanmerking voor een urgentie als deze behoort tot de volgende categorieën: • • • • • •
vergunninghouder mantelzorg ernstige en chronische medische problematiek uitstroom naar zelfstandig wonen ‘sociaal’ relatie beëindiging
In de artikelen zijn specifieke toetsingscriteria opgenomen bij de diverse categorieën. Voor mantelzorg, medische problematiek en uitstroom naar zelfstandig wonen geldt daarbij dat deze zijn ontleend aan de regeling bij de Wet versterking regie op de volkshuisvesting. Deze tekstdelen worden naar verwachting over enige tijd wettelijk verplicht en zijn om die reden al opgenomen in deze verordening. Voor mantelzorgurgentie geldt dat met name aangetoond moet worden dat er een stevige mantelzorgrelatie is tussen ontvanger en gever, ter ondersteuning van zelfstandig wonen, en dat de af te geven urgentie nodig is om deze mantelzorgrelatie nog langere tijd te ondersteunen: de woning moet dus 3/5
nadrukkelijk een oplossing zijn voor het ontstane woonprobleem. Een mantelzorgurgentie kan worden verleend aan zowel de mantelzorgverlener als de mantelzorgontvanger, maar wel altijd aan één van de twee: centrale gedachte is dat middels deze urgentie het zelfstandig wonen kan worden bevorderd / in stand gehouden en dat niet-noodzakelijke zorgkosten worden bespaard. De verordening bevat minimum eisen t.a.v. de intensiteit van de mantelzorgrelatie en bepaalt dat er sprake moet zijn van een mantelzorgrelatie die ook in de nabije toekomst (minimaal één jaar) in stand blijft. Een (via urgentie verkregen) woning in de categorie ‘medisch’ (artikel 15) moet daadwerkelijk een oplossing zijn voor het ontstane probleem: een verhuizing naar een nultredenwoning kan bijvoorbeeld een oplossing zijn voor het woonprobleem van een woningzoekende met een fysieke beperking, maar is dat niet noodzakelijkerwijs voor iemand met een psychische aandoening. In het zoekprofiel wordt opgenomen aan welke eisen een woning moet voldoen, gegeven de situatie van de urgent woningzoekende. Aan de urgentieverlening kunnen nadere voorwaarden (zoals zorgbegeleiding) worden gesteld. Voor alle urgentie categorieën – dus ook voor de categorie ‘medisch’ – gelden de algemene weigeringsgronden uit artikel 9 van de verordening.
Dat betekent dat een urgentie kan worden geweigerd als de woongerelateerde noodsituatie had kunnen worden voorzien. Artikel 16 voorziet in de uitstroom naar zelfstandig wonen van een breed scala aan instellingen, waarbij er een breed maatschappelijk belang is om instellingsplekken vrij te maken en bewoners van die instellingen uit te laten stromen. Het betreft instellingen m.b.t. relationeel geweld en mensenhandel, dakloosheid, begeleid wonen, jeugdzorg, wet langdurige zorg en detentie. De instellingen waarmee in dit kader wordt samengewerkt worden door het college van burgemeester en wethouders middels een apart besluit aangewezen. Dit besluit wordt geactualiseerd wanneer nodig. Aan de urgentieverlening kunnen nadere voorwaarden (zoals zorgbegeleiding) worden gesteld. Dit artikel sluit aan bij de aanstaande Wet versterking regie op de volkshuisvesting. Tot en met 2025 werd de bedoelde uitstroom met name op basis van convenanten tussen HW Wonen en een aantal zorgpartijen vormgegeven. Artikel 17 betreft de urgentie categorie ‘sociaal’ en voorziet enerzijds in het verkrijgen van een urgentie op grond van geweld, mishandeling of dreiging daarmee, en anderzijds in het verkrijgen van urgentie voor woonsituaties die onhoudbaar zijn in relatie tot ernstige psychische problematiek.
Het betreft bijvoorbeeld gevallen waarin veilig wonen niet meer aan de orde kan zijn en waarbij met urgentie verhuizen een noodzakelijke voorwaarde en/of oplossing is voor het ontstane woonprobleem. Tot slot beschrijft artikel 18 de bepalingen bij de urgentie categorie relatie beëindiging. Centraal in dit artikel staat dat sprake moet zijn van een relatie beëindiging waarbij voor het verkrijgen van urgentie sprake moet zijn van één of meerdere minderjarige kinderen. Uitgangspunt is dat het kind c.q. de kinderen altijd een dak boven het hoofd moeten hebben; een urgentie is enkel en alleen bedoeld als beide ouders hierin niet zelfstandig kunnen voorzien. Blijft één van de ouders achter in de voormalige woning, dan is er dus geen sprake van een te verstrekken urgentie. Uitzondering daarop zijn situaties waarbij er wel sprake is van een woning bij één van de twee ex-partners, maar waarbij er bij één van de twee ex-partners geen sprake kan zijn van toegang tot deze woning als gevolg van financiële of gerechtelijke belemmeringen. Toekenning van urgentie in gevallen dat er al een dak boven het hoofd beschikbaar is, zou leiden tot een onaanvaardbaar hoog beroep op de schaarste woningvoorraad. Het is aan ouders om – gegeven het ene dak boven het hoofd van de kinderen – naar oplossingen te zoeken t.a.v. de wijze waarop zij de opvoeding en verzorging van de kinderen vorm willen geven.
Sommige urgente woonsituaties in de sociale huurvoorraad van corporaties leiden niet tot het afgeven van een urgentieverklaring, omdat de corporatie zelf zorgdraagt voor alternatieve huisvesting. Gedacht kan worden aan situaties rondom sloop/nieuwbouw of calamiteiten zoals woningbrand. 4/5
Artikel 19 tot en met 21: overige bepalingen In de artikelen 19, 20 en 21 zijn nog enkele bepalingen opgenomen. Artikel 19 geeft het College van B&W ruimte om – samen met de woningcorporaties – onder voorwaarden te experimenteren in afwijking van de in deze verordening gestelde regel. Daarmee geeft de gemeenteraad aan corporaties en het college van burgemeester en wethouders enige ruimte om in te spelen op ontwikkelingen, zonder dat daarbij direct een uitgebreid wijzigingsproces via de raad dient plaats te vinden. Partijen worden dan wel door de raad opgedragen om het experiment te evalueren, zodat deze kan bezien of het experiment bij nieuwe vaststelling van een huisvestingsverordening structureel onderdeel van de verordening dient uit te maken. Artikel 20 draagt college en corporaties op om cijfers over de woonruimteverdeling met regelmaat met elkaar te bespreken. Artikel 21 geeft het College van B&W de bevoegdheid om in onvoorzienbare gevallen af te wijken van de regel. Artikel 22 tot en met 25: slotbepalingen In de laatste artikelen van deze verordening wordt een ordentelijke overgang tussen oude en nieuwe verordening geregeld. De oude verordening wordt bijvoorbeeld ingetrokken en er wordt geregeld dat urgentie categorieën die in de nieuwe verordening niet meer terugkomen, onder de juiste categorieën worden doorgezet (zie ook bijlage).
5/5