CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

TOE Bestemmingsplan correctieve herziening Nieuw-Beijerland Zuid II (7-10-20)

Besluitvormende raad 16 februari 2021, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan correctieve herziening Nieuw-Beijerland II26.604 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het stimuleren en faciliteren van verdichting, herstructurering en transformatie door met andere overheden en marktpartijen te verkennen waar kennis en best practices kunnen worden gedeeld en waar belemmeringen kunnen worden weggenomen. Het bevorderen van een actuele, regionale programmering van plannen voor wonen en werken. Deze regionale programmering wordt vastgelegd in (sub-)regionale visies. De provincie wordt voor zover

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld noodzakelijk en/of gewenst betrokken bij de totstandkoming van deze visies en committeert zich aan afspraken in door haar aanvaarde regionale visies. Indien aan de orde, volgt hierna planologische borging. 4.2.1.3 Toetsing van het initiatief aan de Visie Ruimte en Mobiliteit Voorliggende ontwikkeling wordt getoetst aan de Visie Ruimte en Mobiliteit aan de hand van de regelgeving waarin de rode draden van het beleid zijn uitgewerkt. Ook in het stedenbouwkundig plan is uitgebreid ingegaan op het provinciale beleid en hoe dit is vertaald in het plan. Kortheidshalve wordt ook hiernaar verwezen. A. de ladder voor duurzame verstedelijking De rijksladder is getoetst in paragraaf 4.1.2. De aanvullingen zoals opgenomen in de provinciale ladder zijn getoetst in paragraaf 4.2.2. Voor de toetsing aan de ladder wordt naar deze paragrafen verwezen. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de Ladder voor duurzame verstedelijking. B. de integrale kwaliteitskaart De integrale kwaliteitskaart is opgebouwd uit vier lagen: de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving. De kwaliteitskaart is uitgewerkt in een aantal specifieke richtpunten per laag. Ontwikkelingen moeten rekening houden met deze richtpunten.

Laag van de ondergrond Deze laag gaat over de grondslag van de provincie en natuurlijke (landschapsvormende) processen. De laag bestaat uit de bodem, de geomorfologische kenmerken en het water. Binnen Zuid-Holland is daarbij grofweg een driedeling te maken tussen het complex van de kust (strand, duinen, strandwallen en strandvlakten), de natte veengronden en plassen ten oosten hiervan en de kleicomplexen en wateren van de delta. Op basis van deze laag is het plangebied gelegen in het rivierendeltacomplex in het jonge zeeklei. In afbeelding 4.5 is dit weergegeven.

Afbeelding 4.5

Laag van de ondergrond (Bron: Provincie Zuid-Holland)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld

‘Rivierdeltacomplex – Jonge zeeklei’ Zoals overal in Zuid-Holland heeft het water en het menselijk handelen grote invloed gehad op de geomorfologie van dit deel van de provincie. Het land in de delta is vergroot door aanleg van dijken rond droogvallende gronden. De gronden in het deltacomplex bestaan overwegend uit kleigronden. Dit zijn voedselrijke, draagkrachtige gronden. De deltawateren zijn onderdeel van het deltacomplex. De estuariene dynamiek is een belangrijk natuurlijk gegeven. Nauw verbonden met de deltawateren zijn de niet ingepolderde, buitendijkse kleigronden. Dit betreft de slikken, (bekade) gorzen, grienden, wilgenbossen en de uiterwaarden langs de rivieren. Het zijn natuurlijke landschappen waar ruimte is voor dynamische processen. Richtpunt:  Ontwikkelingen dragen bij aan behoud of vergroting van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. Toetsing van het initiatief aan de laag van de ondergrond De oorspronkelijke kenmerken van deze laag zijn ter plaatse van het plangebied nauwelijks nog waarneembaar. Dit heeft met name te maken met het feit dat het gebied in cultuur is gebracht ten behoeve van de landbouw en bomenteelt.

Bij de hoofdopzet is aansluiting gezocht bij de daar voorkomende landschapsstructuren en de stedenbouwkundige opzet van Nieuw-Beijerland, waarbij gekeken is naar een adequate inpassing van het plan in relatie tot de natuurlijke kenmerken en de geschiedenis van het gebied. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 3.2Geconcludeerd wordt dat voldoende rekening is gehouden met de gebiedskenmerken ten aanzien van de ‘Laag van de ondergrond’. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen De laag van de cultuurlandschappen is de laag van het zichtbare landschap en het (grondgebonden) nut. Het agrarisch landschap is beeldbepalend in het buitengebied van Zuid-Holland. Dicht bij de stad vinden we een veelheid aan verschillende cultuurlandschappen. Het plangebied is gelegen in het zeekleipolderlandschap. In afbeelding 4.6 is dit weergegeven.

Afbeelding 4.6

Laag van de cultuur- en natuurlandschappen (Bron: Provincie Zuid-Holland)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld

‘Zeekleipolderlandschap’ Een zeekleipolder is qua oorsprong een ronde opwaspolder (oorspronkelijk opgeslibde en daarna ingepolderde eilandjes in getijdenwater) of langgerekte aanwaspolder (aangeslibd en ingepolderd land tegen bestaande polders) en daarna omgeven door dijken. De kreken in deze polders (herkenbaar door microreliëf en een kronkelige loop) en beplante dijken zijn belangrijke structurerende elementen. Er is een grote mate van openheid met contrasten tussen buitendijkse natuur en strak verkavelde agrarische polders. De dorpen liggen als compacte kernen in het landschap, veelal op het kruispunt van een dijk en een kreek aan de rand van een polder. Overige bebouwing ligt langs de dijken en spaarzaam in de polders zelf. Kenmerkende contrasten tussen de regelmatige patronen in de polder van wegen en verkaveling en de kronkelige kreken. Havenkanalen vormen plaatselijk bijzondere elementen, waarbij ontwikkelingen langs de kanalen de ruimtelijke en recreatieve relatie tussen dorp en open water versterken. Richtpunten:  Ontwikkelingen dragen bij aan het versterken van de karakteristieke kenmerken van de eilanden en de verschillen daartussen.  Ontwikkelingen aan de rand van de eilanden passen bij de maat en schaal van de dijk en de deltawateren.

 Herkenbaar houden van het patroon van (ronde) opwas- en (langgerekte) aanwaspolders door behouden en versterken van de (beplante) dijk als herkenbare landschappelijke structuurdrager in contrast met de grootschalig, open polder.  Versterken van de kreek als herkenbare landschappelijke structuurdrager van het zeekleilandschap.  Bebouwing concentreert zich in of bij compacte kernen, niet in het open middengebied van de polders.  Behoud van het contrast tussen de binnendijkse akkerbouwpolders en buitendijkse natuur. Toetsing van het initiatief aan de laag van de cultuur- en natuurlandschappen Zoals ook bij de toetsing aan de ‘Laag van de ondergrond’ is beschreven, is de hoofdopzet gebaseerd op de bestaande landschapsstructuur en het reeds gerealiseerde deel van de nieuwbouwwijk. Het nieuwe woongebied is passend binnen de ruimtelijke- en functionele structuur van de omgeving. De buurt wordt op een adequate wijze landschappelijk ingepast. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 3.2. Laag van de stedelijke occupatie Deze laag bestaat uit het bebouwde gebied (steden en dorpen) en de doorlopende netwerken van wegen, vaarwegen, spoor en groen. Zuid-Holland is een dynamisch gebied met een veelheid aan steden en dorpen. Steden en dorpen kennen elke hun eigen karakteristiek, ontstaan door ligging in het landschap of bijvoorbeeld verschil in economisch accent.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt aandacht gevraagd voor het behouden of versterken van de identiteit en gebruikswaarde van stads en dorpsgebied. Elk dorp ontwikkelt zijn eigen identiteit en bouwt voort op haar karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap. Het dorp is deel van het omringende landschap, doordat onderliggende patronen herkenbaar zijn in de structuur van het dorp. Het plangebied is gelegen in het buitengebied, buiten de bestaande dorpskern van Nieuw-Beijerland. Op basis van deze laag heeft het plangebied dan ook geen specifieke kenmerken. Na realisatie zullen de woongebieden onderdeel uitmaken van het dorpsstructuur. Laag van de beleving De vierde laag bestaat uit de beleving van Zuid-Holland. Deze laag gaat over zorgvuldig omgaan met wat van waarde is in combinatie met het vergroten van de recreatieve gebruikswaarde van de provincie. Het betreft bijzonder plekken van cultuurhistorische waarde, maar gaat ook over het zorgdragen voor een recreatief toegankelijke provincie met een heldere groenstructuur als basis. Voorliggende ontwikkeling vormt geen belemmering voor de beleving van hetgeen waardevol is in de omgeving. Op basis van de kaart van de ‘Laag van de beleving’ bevat het plangebied namelijk geen specifieke kenmerken.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld C. het categoriseren van alle gebieden naar kwaliteiten gekoppeld met de aard en schaal van ontwikkelingen Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: 

 

De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is.

De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Voorliggende ontwikkeling kan worden aangemerkt als ‘transformatie’. Transformatie Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. Er ontstaat een nieuwe toekomst voor het gebied, een nieuwe gebiedsidentiteit, gebaseerd op nieuwe kwaliteiten, structuren en kenmerken. De impact van deze plannen op een gebied is enorm. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Bij transformatieopgaven is de rol van de provincie groot omdat bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding is. De betrokkenheid van de provincie zal gericht zijn op een actieve behartiging van die doelen en op een kwalitatief zo goed mogelijk resultaat. Gelet op de verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat.

4.2.1.4 Toetsing van het initiatief aan de Visie Ruimte en Mobiliteit Zoals in de Visie Ruimte en Mobiliteit is aangegeven, is het van belang dat er een nieuw integraal ontwerp ontstaat waarbij ruimtelijke kwaliteit centraal staat. De uitbreiding van het dorp Nieuw-Beijerland is in 2009 in de structuurvisie van de gemeente Korendijk reeds opgenomen. Het eerste deelproject ‘Wonen aan de Kreek’ is inmiddels grotendeels gerealiseerd. Onderhavig bestemmingsplan betreft de volgende stap in de uitbreiding van Nieuw-Beijerland en omvat zoals reeds genoemd, de deelfasen ‘Akkerdreven’ en ‘Damgaarde’. De laatste fase ‘Dorpsgaard’ is nog in voorbereiding. Van belang is om bij de verschillende fases te waarborgen dat de uitbreiding één stedenbouwkundig en landschappelijk geheel betreft. Hiervoor is een visiedocument ‘uitbreiding Nieuw-Beijerland’ opgesteld, die integraal is opgenomen in het stedenbouwkundig plan. Hierna wordt samengevat ingegaan op de belangrijkste aspecten van het stedenbouwkundig plan. Het volledige document is opgenomen als bijlage van de regels, waarin de uitvoering van de in onderhavig plangebied opgenomen maatregelen, middels een voorwaardelijke verplichting is geborgd. De woningbouwopgave wordt benaderd vanuit het concept landschappelijk wonen, waarbij woonwijk en landschap (met kenmerkende landschapselementen) als het ware verweven worden.

De integrale uitbreiding biedt kansen om de zuidrand van het dorp af te maken binnen de landschappelijke structuur van het landschap. De bestaande landschappelijke kwaliteiten worden benut als kwaliteitsimpuls en overgangskwaliteiten van de dorpsrand worden hersteld en versterkt.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld

De nieuwe indeling van het uitbreidingsgebied volgt de landschappelijke structuur, die hiervoor in de landschapsstructuurkaart is geanalyseerd. De voormalige dorpsrand blijft behouden en wordt publiek toegankelijk gemaakt als kwalitatief hoogwaardige wandelzone voor het dorp, waarmee de laatste ontbrekende schakel in het ‘rondje dorp’ wordt ingevuld. De dorpsrand in de nieuwe positie krijgt een groene, zachte invulling om zo de overgangskwaliteit contact (overlap) te herstellen. De bestaande landschapsvingers worden versterkt en lopen als groene vingers door in de woonwijk. Aan deze groene vingers worden gebruiksfuncties toegekend om bestaande landschappelijke kwaliteiten te benutten en beleefbaar te maken. De ontsluitingswegen van ‘Wonen aan de Kreek’ worden afgemaakt, door deze te verbinden met de Oudendijk. Doorstroming van het plangebied (ook bij calamiteiten) wordt zo gewaarborgd. De karakteristieke, maar vervallen boomgaarden blijven behouden door deze in te zetten als bijzonder woonmilieu (consolidatie). 4.2.2

Verordening ruimte 2014 (geconsolideerde versie 2018)

Om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren heeft de provincie verschillende instrumenten, waarvan een verordening er één is. De Verordening ruimte 2014 stelt regels aan gemeentelijke bestemmingsplannen. Niet alle onderwerpen zijn geschikt voor opname in een verordening. In het algemeen lenen vooral onderwerpen met heldere criteria en/of spelregels en een zwaarwegend provinciaal belang zich hiervoor. De provincie heeft in de Verordening ruimte 2014 daarom onder meer regels opgenomen over kantoren, bedrijven, detailhandel, glastuinbouw, boom- en sierteelt, bollenteelt, ruimtelijke kwaliteit, agrarische bedrijven, waterkeringen, provinciale vaarwegen, recreatieve vaarwegen, windenergie, archeologie en molen - en landgoedbiotopen. De verordening is een aantal keer partieel herzien, waarna in mei 2018 een geconsolideerde versie is opgesteld. Onderstaand wordt op de van belang zijnde artikelen nader ingegaan.

Artikel 2.1.1 Ladder voor duurzame verstedelijking Lid 1 Stedelijke ontwikkelingen Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a) de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b) indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Lid 2 Toepassing ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau Gedeputeerde Staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Lid 3 Vaststelling regionale visie door Gedeputeerde Staten Gedeputeerde Staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen.

Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale visie. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.1 De provincie Zuid-Holland beschikt over een eigen ladder. Er is besloten om de provinciale ladder grotendeels los te laten. Bestemmingsplannen zullen daarom door de provincie worden beoordeeld op de wijze van toepassing van de rijksladder. Op een aantal punten is de rijksladder echter wel toegespitst op de ZuidHollandse situatie. Zo wordt gebruik gemaakt van het begrip ‘bestaand stads- en dorpsgebied’. Daarnaast is in de provinciale ladder als voorwaarde opgenomen dat stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 hectare buiten bestaand stads- en dorpsgebied zijn opgenomen op de zogenaamde 3 hectare kaart in het programma ruimte.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld Voor een toetsing aan de rijksladder wordt verwezen naar paragraaf 4.1.2. Onderstaand wordt op de genoemde provinciale aanvullingen op deze ladder ingegaan. Op de ‘3 ha kaart’ zijn nog te ontwikkelen woningbouwlocaties, bedrijventerreinen en andere stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 ha buiten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) opgenomen. Op de bijbehorende tabellen is een overzicht opgenomen van de namen en de oppervlaktes van de locaties. De ontwikkeling is opgenomen op de provinciale 3 hectare kaart. Dit betekent dat de provincie in hoofdlijnen geen bezwaar heeft tegen de ruimtelijke ontwikkeling. In afbeelding 4.7 is dit weergegeven.

Afbeelding 4.7

3-Hectare kaart (Bron: Provincie Zuid-Holland)

Voor een nadere toetsing wordt verwezen naar paragraaf 4.1.2 waar wordt geconcludeerd dat voorliggende ontwikkeling in overeenstemming is met de Ladder voor duurzame verstedelijking. Gezien de motivering wordt gesteld dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 2.1.1 uit de Verordening Ruimte 2014. Artikel 2.2.1 Ruimtelijke kwaliteit (lid 1) Lid 1 Ruimtelijke ontwikkelingen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling qua aard of schaal niet past binnen het gebied (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: I. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en II. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld c.

als de ruimtelijke ontwikkeling qua aard en schaal niet past binnen het gebied (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: I. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied ook aandacht is besteed aan de overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en II. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.

Toetsing van het initiatief aan artikel 2.2.1 De ontwikkeling wordt geschaard onder Ad. c ‘transformeren’, aangezien de ontwikkeling een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang betreft, dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat (zie ook paragraaf 4.2.1.3). Voor de ontwikkeling is een integraal ontwerp opgesteld, waarbij de kenmerken en kwaliteiten van het landschap en de stedenbouwkundige structuur in acht worden genomen. Het voornemen past qua fasering in ruimte en tijd in het provinciale en regionale programma. Het plangebied is niet gelegen in een gebied aangeduid met ‘beschermingscategorie 1’. Het nemen van aanvullende ruimtelijke maatregelen bestaat in dit geval uit het nemen van maatregelen in de ruimtelijke kwaliteit. Dit wordt bereikt door het realiseren van een groen opgezet woongebied met veel ruimte voor water. Daarnaast wordt er een park aangelegd. Voor de ontwikkeling van beide in dit plan opgenomen deelgebieden zijn beeldkwaliteitsplannen opgesteld. Deze beeldkwaliteitsplannen (voor Akkerdreven en Damgaarde) zijn opgenomen in bijlage 1 en 2 van deze toelichting. Voor de gehele uitbreiding van Nieuw-Beijerland is tevens een integraal stedenbouwkundig plan opgesteld. Het stedenbouwkundig plan is van belang om de integraliteit tussen de twee deelgebieden binnen onderhavig bestemmingsplan en de twee andere deelgebieden te waarborgen.

Het stedenbouwkundig plan is opgenomen als bijlage 1 bij de regels van het bestemmingsplan 4.2.3

Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Visie Ruimte en Mobiliteit, die is verankerd in de Verordening Ruimte 2014 en de geconsolideerde versie uit 2018.

4.3

Regionaal beleid

4.3.1

Structuurvisie Hoeksche waard

4.3.1.1 Algemeen Met de Structuurvisie Hoeksche Waard laat de regio (bestaande uit vijf gemeenten) zien wat haar visie is op de toekomst. In de Structuurvisie wordt een visie gegeven op de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de regio tot 2030. Doel is de gelijktijdige versterking van de ruimtelijke kwaliteit, de leefbaarheid en de economische vitaliteit van het Nationaal Landschap Hoeksche Waard. Nieuwe ontwikkelingen horen bij een landschap en kunnen bijdragen aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het gaat om meer dan de openheid en de kreken en dijken, maar ook om de ruimtelijke kwaliteit van de kernen en feitelijk om de leefomgeving als geheel. De Structuurvisie is in het voorjaar van 2009 definitief vastgesteld door de vijf gemeenteraden. 4.3.2.2 Doelstelling De regio wil de leefbaarheid in de dorpen bevorderen en ruimte bieden voor ontwikkeling: de gemeenten mogen bouwen voor tenminste de eigen bevolkingsgroei (migratiesaldo nul), met respect voor de kernkwaliteiten van het landschap. Herstructurering en uitbreiding zijn nodig om te voldoen aan de veranderende woningvraag en voor het behoud van het bestaande voorzieningenniveau. Gestreefd wordt naar behoud van het dorpse karakter van de verschillende kernen en buurtschappen, want dat karakter is in hoge mate bepalend voor de kwaliteit van de woonomgeving in de Hoeksche Waard.

Het volkshuisvestingsbeleid wordt uitgewerkt in de Regionale Woonvisie. Hierin wordt bijvoorbeeld vastgelegd voor welke doelgroepen gebouwd wordt en om hoeveel woningen het gaat.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld 4.3.2.3 Visiekaart In de structuurvisie is een visiekaart opgenomen. In afbeelding 4.8 is hiervan een uitsnede opgenomen. Het plangebied is met de witte contour aangegeven.

Afbeelding 4.8

Visiekaart structuurvisie Hoeksche Waard (Bron: commissie Hoeksche Waard)

4.3.2.4 Toetsing van het initiatief aan de Structuurvisie Hoeksche Waard Op basis van de structuurvisiekaart wordt het plangebied aangeduid als ‘nieuw woongebied’ en ‘wonen in een groene setting’. Het initiatief, een nieuw woongebied in een ruime en groene setting, sluit hier op aan. Geconcludeerd wordt dat het plan past binnen de regionale structuurvisie. 4.3.2

Regionale Woonvisie 2030

4.3.2.1 Algemeen De vijf gemeenten in de Hoeksche Waard beschikken over een eigen actuele woonvisie waarin het beleid omtrent wonen is geschetst. Aan de woonvisie is een uitvoeringsprogramma gekoppeld. 4.3.2.2 Toetsing van het initiatief aan de Regionale woonvisie 2030 In het rijksbeleid is bij de toetsing van de ladder reeds uitgebreid op de Regionale woonvisie ingegaan. Uit de laddertoets is gebleken dat er sprake is van een actuele behoefte aan de woningen zoals in dit plan opgenomen. Het plan is concreet in het woningbouwprogramma opgenomen. Voor een nadere toetsing wordt dan ook verwezen naar paragraaf 4.1.2. Hier wordt geconcludeerd dat het voornemen in overeenstemming is met de Regionale Woonvisie 2030.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld

4.4.

Gemeentelijk beleid

4.4.1

Omgevingsvisie Korendijk 2030

4.4.1.1 Algemeen Op 28 maart 2017 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Korendijk 2030 vastgesteld. De Omgevingsvisie Korendijk 2030 loopt vooruit op de Omgevingswet. Tot het moment dat de Omgevingswet van kracht is en daarmee het planafbeelding omgevingsvisie wettelijk geborgd wordt, is de Omgevingsvisie Korendijk 2030 tevens aangemerkt als structuurvisie conform de Wro en als zodanig vastgesteld door de gemeenteraad. De Omgevingsvisie Korendijk 2030 is een integrale visie waarin strategische hoofdkeuzen van beleid voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn staan. 4.4.1.2 Vertrekpunt ontwikkelingen Het vertrekpunt van alle ontwikkelingen is drieledig: versterken van (ruimtelijke) kwaliteit, duurzaamheid en onderlinge samenhang. Ontwikkelingen mogen niet ten kosten gaan van de ruimtelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van het landschap en de bebouwing, maar dienen bij te dragen aan behoud of versterking ervan. Vanuit goed rentmeesterschap zijn ontwikkelingen duurzaam en toekomstbestendig, waarbij duurzaamheid wordt gezien als het zorgvuldige, integrale samenspel tussen energie, ruimtelijke inrichting, gezondheid, gebruiks- en toekomstwaarde. Hierbij is bijzondere aandacht voor klimaatadaptie, ofwel voor het nemen van maatregelen tegen effecten van klimaatverandering en het verzilveren van kansen daarin in combinatie met (de beleving van) water.

Eveneens dienen ontwikkelingen onderling met elkaar in verband te worden gebracht. 4.4.1.3 Kerngerichte aanpak – Nieuw Beijerland Nieuw-Beijerland ligt aan het Spui en heeft een veerverbinding met Hekelingen op Voorne-Putten. Ten gevolge van het Kierbesluit zal de stroomsnelheid op het Spui verminderen, waardoor deze rivierarm toeristisch recreatief aantrekkelijker wordt. Dit biedt rondom de haven kansen om oeverrecreatie hier te versterken. Daarnaast heeft Nieuw-Beijerland een verzorgende functie voor de kernen Goudswaard en Piershil. Na de zuidelijke uitbreiding van het woongebied Aan de Kreek komt revitalisering, herstructurering en inbreiding van (de oudere delen van) de kern aan de orde. 4.4.1.4 Visie wonen De grootste opgave ten aanzien van een onderscheidende woningvoorraad is het aanpassen van de bestaande (woning-)voorraad (zowel particulier als huur) richting levensloopbestendige, verduurzaamde woonmilieus in combinatie met (gelimiteerd) bouwen van nieuwe woningen. Naast de reeds ingezette uitbreidingslocaties ligt de focus op revitalisering, herstructurering en inbreiding van (de oudere delen van) de kernen.

4.4.1.5 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie Korendijk 2030 Onderhavig plan heeft betrekking op een uitbreidingslocatie die voor de kern Nieuw-Beijerland concreet is benoemd in de omgevingsvisie: De zuidelijke uitbreiding van het woongebied Aan de Kreek. Van belang is dat ontwikkelingen niet ten koste gaan van de ruimtelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van het landschap en de bebouwing, maar dienen bij te dragen aan behoud of versterking ervan. In dit geval is hier sprake van. Het woongebied wordt gebouwd met respect voor het landschap, zo komt het idee van het wonen in een boomgaard terug in het stedenbouwkundig plan. Tevens heeft het aspect water een belangrijke rol in het ontwerp. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de Omgevingsvisie Korendijk 2030.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld 4.4.2

Welstandsnota gemeente Korendijk

4.4.2.1 Algemeen De gemeente Korendijk heeft in 2016 een Welstandsnota opgesteld. Deze nota geeft voor verschillende gebieden en gebouwen welstandscriteria. Het plangebied ligt in het gebiedstype ‘polderlandschap. Qua beoordelingsniveau geldt voor het gebied het niveau ‘bijzonder’. 4.4.2.2 Polderlandschap In het karakteristieke open landschap van de Hoeksche Waard staat de ontstaanswijze van het eiland centraal. Het dijkenpatroon met haar lintbebouwing toont de inpolderingsgeschiedenis. Mede hierdoor is de bebouwing buiten de kernen over het gehele gebied op dezelfde manier te karakteriseren. Ook de aanwezigheid van slechts één overheersend landschapstype, namelijk het kleipolderlandschap, speelt hierbij een belangrijke rol. Het beleid is erop gericht de bestaande kwaliteit van het karakteristieke open landschap met daarin verspreid liggende bebouwing bestaande uit boerderijen, burgerwoningen en bedrijfsgebouwen te behouden. Belangrijk hierbij is dat nieuwbouw in het polderlandschap beperkt dient te blijven en er een goede landschappelijke inpassing plaatsvindt die de huidige open verschijningsvorm niet negatief beïnvloedt. Aandachtspunt is de overgang van de percelen naar het open landschap. Dit geldt niet alleen voor de erfafscheiding maar ook voor aan- en uitbouwen die zichtbaar zijn vanuit het open landschap.

Schuren die zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte dienen landschappelijk ingepast te worden. Extra aandacht gaat uit naar de oude karakteristieke boerderijen. Aandachtspunten voor welstandstoezicht:  Cultuurhistorische en landschappelijke herkenbaarheden  Ontsluiting en oriëntatie van het gebouw  Positionering in relatie met omliggende landschap  Ensemble van bebouwing en erf  Beslotenheid/openheid  Zichtlijnen  Zichtbaarheid van het bouwwerk vanaf de hoofdstructuren  Bouwstijl/architectuur 4.4.2.3 Welstandscriteria Onderstaande criteria vloeien voort uit de bestaande aanwezige karakteristieken en het gewenste beeld. De welstandscriteria dienen altijd in samenhang met de hiervoor behandelde beschrijving, waardebepaling en beleidsrichting van het gebied gehanteerd te worden. Uitgangspunt: Bij nieuwbouw in het polderlandschap is landschappelijke inpassing erg belangrijk. In verband met de openheid van het landschap is bijzondere aandacht vereist voor de positionering van bijgebouwen. Behouden van de cultuurhistorische waarde die met name gevormd wordt door monumentale boerderijen op beplante erven. 4.4.2.4 Toetsing van het initiatief aan de Welstandsnota Voor het bouwplan van zowel Akkerdreven als Damgaarde is een beeldkwaliteitsplan opgesteld, die worden meegenomen in de bestemmingsplanprocedure. Deze beeldkwaliteitsplannen vormen het toetsingskader voor de welstand.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld 4.4.3

Gemeentelijk Waterplan

4.4.3.1 Algemeen De gemeente Korendijk beschikt over een eigen waterplan. De hoofddoelstelling van het Waterplan is om te komen tot een duurzaam watersysteem voor de gemeente Korendijk. Dat wil zeggen, het realiseren van een veilig, schoon en aantrekkelijk watersysteem waarbij de beheer- en onderhoudsaspecten verregaand zijn geoptimaliseerd. Hierbij is rekening gehouden met de verwachte klimaatverandering, de doelstellingen die gesteld worden vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water met betrekking tot de waterkwaliteit alsmede de verbrede zorgtaak van de gemeenten inzake de grondwaterproblematiek en verzameling van overtollig hemelwater zoals opgenomen in de Wet gemeentelijke taken. 4.4.3.2 Afsprakenkader ruimtelijke ontwikkelingen Het beleid dat de basis vormt voor de toetsing voor ruimtelijke plannen is vastgelegd in waterschapsbrede documenten zoals het waterbeheersplan, de keur en beleidsregels die voor elke gemeente gelijk zijn. Onderstaand afsprakenkader geeft samengevat de belangrijke punten weer. De belangrijkste regels bij nieuwe ontwikkelingen zijn: 

Het scheiden van hemelwater en afvalwater. Het streven is om hemelwater van nieuw verhard oppervlak niet aan te koppelen (100% afkoppelen) op de riolering, maar deze gescheiden te verzamelen, te bergen in de bodem, of, zoals in Korendijk, af te voeren naar het oppervlaktewater; Indien het verhard oppervlak toeneemt, dient de versnelde afvoer die hierdoor ontstaat gecompenseerd te worden. Binnen de gemeente Korendijk dient 10% van het extra verhard oppervlak gecompenseerd te worden; Voor ontwikkelingen waarbij het bestaande watersysteem wordt aangepast of nieuwe watersystemen worden aangelegd, dient rekening te worden gehouden met: o De regelgeving uit de Keur van het waterschap. Deze regelgeving is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. Voor ingrepen hieraan dient een ontheffing te worden verkregen. De begrenzingen van objecten (watergangen, kaden en dijken) waarbinnen de Keur van toepassing is, zijn vastgelegd in zogenaamde leggers; o De NBW-normen. Bij wijziging van een functie moet een nieuw gebied zodanig worden ingericht dat voldaan wordt aan de NBW-normen. De ingreep mag geen verslechtering voor het waterbeheer betekenen. Bijvoorbeeld versnippering van het waterbeheer met nieuwe peilgebiedjes en onderbemaling is ongewenst, aansluiten bij bestaande peilgebieden geniet de voorkeur;

4.4.3.3 Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijk Waterplan Het plan zal aan het waterschap worden voorgelegd. Met de uitgangspunten zoals opgenomen in het gemeentelijk waterplan zal rekening worden gehouden. Voor een nadere toelichting op het aspect ‘water’ wordt verwezen naar hoofdstuk 6 van deze toelichting.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld

HOOFDSTUK 5

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.

5.1

Geluid

5.1.1

Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plangebied

Voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van geluidsgevoelige objecten (woningen). Hierna wordt achtereenvolgend ingegaan op de aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai als bedoeld in de Wgh. 5.1.2.1 Wegverkeerslawaai Het plangebied is gelegen binnen de geluidszone van de Dorpsgaard, de Oudendijk en de in het plangebied gelegen ontsluitingsweg. Door Buijvoets bouw- en geluidsadvisering is een akoestisch onderzoek naar he wegverkeerslawaai uitgevoerd. Op de belangrijkste resultaten wordt nader ingegaan. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 3 van deze onderbouwing. De geluidbelasting ten gevolge van de Dorpsgaard is gelijk of lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De geluidbelasting ten gevolge van de Oudendijk bedraagt maximaal 48 dB op de maatgevende hoogte van 4.5 m bij een verkeersintensiteit van 6.000 motorvoertuigen/etmaal. Het is niet realistisch dat op de Oudendijk een hogere verkeersintensiteit dan 6.000 motorvoertuigen/etmaal voorkomt. Het wegprofiel is daar ook niet geschikt voor. Voor de geplande woningen is voor het aspect wegverkeerslawaai sprake van een goed woonen leefklimaat. 5.1.2.2 Railverkeerslawaai In de nabijheid van het plangebied is geen spoorlijn gelegen. Het aspect railverkeerslawaai vormt dan ook geen belemmeringen in het kader van voorliggende ontwikkeling.

5.1.2.3 Industrielawaai In de nabijheid van het plangebied zijn geen gezoneerde industrieterreinen aanwezig. Wel is er in de nabijheid van het plangebied een windpark aanwezig. In het kader van het inpassingsplan voor dit windpark is een

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld akoestisch onderzoek uitgevoerd (kenmerk: 00285-11114-02, 29 maart 2016). Hieruit is gebleken dat ten gevolge van het windpark de normen uit het Activiteitenbesluit op het plangebied niet worden overschreden. Het aspect industrielawaai als bedoeld in de Wgh vormt dan ook geen belemmering voor de in het bestemmingsplan besloten ontwikkeling. Op de invloed van individuele bedrijvigheid op de ontwikkeling wordt in paragraaf 5.5 ingegaan. 5.1.3

Conclusie

De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

5.2

Bodem

5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 5.2.2

Situatie plangebied

Akkerdreven Door A.J. Schutter/GWW Milieu uit Oud-Beijerland is in augustus 2018 ter plaatse van het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is specifiek gericht op het woongebied ‘Akkerdreven’. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 4. Op basis van dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:  De bovengrond van het noordelijke- en het middelste gedeelte van het onderzoeksgebied is niet verontreinigd;  De bovengrond van het zuidelijke gedeelte is gemiddeld zeer licht verontreinigd met kobalt en nikkel. Het betreffen relatief zeer geringe overschrijdingen van de achtergrondwaarde, die mogelijk geheel of anders deels het gevolg zijn van natuurlijke processen;  De ondergrond is niet verontreinigd;  Het grondwater bevat, naar het zich laat aanzien, een van nature licht verhoogd gehalte aan barium, molybdeen, cadmium en zink; De aangetroffen (zeer) lichte verontreinigingen in de bovengrond en het grondwater geven geen aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek. Damgaarde Door A.J. Schutter/GWW Milieu uit Oud-Beijerland is in november 2016 ter plaatse van het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 5. De locatie is verdacht op het voorkomen van (resten van) bestrijdingsmiddelen (in de toplaag) ten gevolge van het gebruik als boomgaard.

Daarnaast zijn drie dempingen verdacht aangezien er geen gegevens zijn van de aanvulgrond. Op de verschillende aspecten wordt separaat ingegaan. Het onderzoek is specifiek gericht op het woongebied ‘Damgaard’. Op basis van dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Demping 1  Het dempingsmateriaal uit demping 1 is ter plaatse van boring 1 sterk verontreinigd met zink (bovengrond). De ondergrond is licht verontreinigd met zink;  De voormalige slootbodem is niet aantoonbaar verontreinigd;  Het grondwater is licht verontreinigd met barium en zink;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld Demping 2 en 3  Het dempingsmateriaal en de voormalige slootbodems van dempingen 2 en 4 zijn niet verontreinigd;  Het grondwater is licht verontreinigd met naftaleen; Toplaag oude boomgaard  De toplaag van de oude boomgaard is gemiddeld verontreinigd met som DDT en som DDE. Dit is het gevolg van het gebruik van de gronden als boomgaard, waarbij bestrijdingsmiddelen zijn gebruikt;  De bovengrond is (zeer) licht verontreinigd met koper; Toplaag nieuwe boomgaard  De toplaag van de nieuwe boomgaard is niet verontreinigd;  De bovengrond is licht verontreinigd met som PAK (10). Aanbevolen wordt om een nader onderzoek uit te voeren naar de sterke verontreiniging met zink ter plaatse van boring 1. Nader onderzoek Damgaard Door A.J. Schutter/GWW Milieu uit Oud-Beijerland is in juli 2018 ter plaatse van het plangebied een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 6. Het aanvullend onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de resultaten van het bodemonderzoek uit 2016/ Onderstaand wordt nader op de belangrijkste resultaten ingegaan. Demping 1  Het dempingsmateriaal uit demping 1 is ter plaatse van boring 1 sterk verontreinigd met zink en licht verontreinigd met een aantal andere stoffen (bovengrond). De ondergrond (0,5-1,0 m) is licht verontreinigd met zink.

De verontreiniging is volledig ingeperkt. Onder circa 38 m2 is de sterke zinkverontreiniging aangetroffen. Dit leidt tot een sterk met zink verontreinigd bodemvolume van circa 19 m3. Hiermee is er geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Aanbevolen wordt om een plan van aanpak voor de sanering hiervan op te stellen. Erfgedeelte  ter plaatse heeft een bovengrondse HBO/dieseltank gelegen;  De bovengrond is niet aantoonbaar verontreinigd met minerale olie;  Het grondwater ter plaatse is niet aantoonbaar verontreinigd met minerale olie en/of vluchtige aromaten;  Het erfgedeelte is voorzien van een puinverharding. Daar waar de puinverharding zich onder een asbest(verdacht) dak bevindt, is deze sterk verontreinigd met (voornamelijk hechtgebonden) asbest. Tijdens de maaiveldinspectie en bij het zeven van de uitkomende gronden zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Boven de voormalige tank is eveneens een asbest(verdacht) dak aanwezig. Hieronder wordt wel bodem (grond) aangetroffen. Deze grond is echter niet aantoonbaar verontreinigd met asbest (onder de detectielimiet).

Omdat puin niet als bodem wordt aangemerkt, is er geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging;  In het overige puin is wel asbest aangetroffen, maar ruim onder de grens voor nader onderzoek;  De grenswaarde overschrijding wordt aangetroffen onder circa 33 m2, uitgaande van een maximale dikte van de puinlaag van 0,40 meter is dit circa 13 m2, hiermee is geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Aanbevolen wordt middels het opstellen van een plan van aanpak deze grond te saneren middels verwijdering;  Het grondwater ter plaatse is zeer licht verontreinigd met barium. Dit is waarschijnlijk het gevolg van uitspoeling uit de nabijgelegen puinverharding; Akkergedeelte  Het akkergedeelte is onderzocht als onverdacht;  De boven- en ondergrond zijn gemiddeld niet aantoonbaar verontreinigd met de onderzochte stoffen;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld 

Het grondwater is formeel licht verontreinigd met barium. Tevens worden lokaal zeer licht verhoogde molybdeen en nikkelgehalten gerapporteerd. De oorzaak hiervan is onbekend. Mogelijk betreffen het van nature zeer licht verhoogde achtergrondconcentraties;

Bij eventuele werkzaamheden waarbij een grondoverschot zal ontstaan, moet rekening gehouden worden met de van overheidswegen opgelegde beperkingen ten aanzien van het toepassen van secundaire bouwstoffen (besluit- en regeling bodemkwaliteit). De in deze rapportage genoemde kwaliteiten zijn in dit kader indicatief. Het is niet toegestaan werkzaamheden te verrichten in de als sterk verontreinigd aangegeven gebieden, zonder toestemming hiervoor van het bevoegde gezag. 5.2.3

Conclusie

De grond is, na sanering van de aangetroffen verontreinigingen, geschikt voor het beoogde gebruik van wonen met tuin.

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Algemeen

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:  

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:   

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Het besluit gevoelige bestemmingen is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

Het project voorziet in de realisatie van 100 wooneenheden. Als dit wordt vergeleken met de genoemde ontwikkelingen in paragraaf 4.3.1.1 kan worden gesteld dat er sprake is van een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. De ontwikkeling leidt tot een toename van circa 770 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Het zal hierbij nagenoeg uitsluitend om personenauto’s gaan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de mate van luchtverontreiniging door invloed van het wegverkeer ingeschat met behulp van de NIBM-tool. Deze gaat uit van een worstcase situatie: bij de berekening van de concentratietoename zijn de kenmerken van het verkeer, de straat en de omgeving zo gekozen dat een situatie ontstaat met een maximale luchtverontreiniging. In de berekening is uitgegaan van 770 extra verkeersbewegingen. Aangezien het gaat om woningen is het aandeel van vrachtverkeer op 0% gezet.

Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggende ontwikkeling ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. In het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen zijn er in de directe omgeving geen rijks- of provinciale wegen aanwezig. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: 

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld    

de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgesteld in:   

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

De regelgeving omtrent buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie in en bij het plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico’s, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is dit weergegeven. Het plangebied is met de zwarte stippellijn aangegeven.

Afbeelding 5.1

Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied:   

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld 

niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Oudendijk 15: Propaantank Aan de Oudendijk 15 ligt een agrarisch bedrijf, waar een propaantank is gelegen. Het betreft een bovengrondse tank van 3.000 liter. De tank kent geen afstand voor het groepsrisico. De veiligheidsafstand voor het plaatsgebonden risico bedraagt 12 meter. De afstand van de propaantank tot het plangebied bedraagt circa 70 meter. De propaantank vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling. Windpark het Spui Nabij het plangebied ligt windpark het Spui. Hiervoor is op de risicokaart niets opgenomen. Het verdiend echter wel de aandacht dit te benoemen. De gronden rondom de windturbines zijn voorzien van de aanduiding ‘vrijwaringszone – windturbine’. Binnen deze zone mag op basis van het bestemmingsplan geen toename van het aantal beperkt kwetsbare objecten van derden plaatsvinden. Het plangebied ligt in zijn geheel buiten deze zone. De grens tussen de betreffende zone en het plangebied bedraagt circa 360 meter. het windpark vormt dan ook geen belemmering in het kader van externe veiligheid. In afbeelding 5.2 is vorenstaande weergegeven.

Afbeelding 5.2

5.4.3

Ligging van de dichtstbijzijnde windturbines ten opzichte van het plangebied (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat voorliggende ontwikkeling vanuit oogpunt van externe veiligheid verantwoord is.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

Volgens de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied is gelegen in de dorpsrand van Nieuw-Beijerland. In het gebied komen met name woningen voor. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. De richtafstanden behorende bij de te onderscheiden omgevingstypen worden in de navolgende tabel inzichtelijk gemaakt.

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld 5.5.3

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Als gevolg van de realisatie van de woningen is er geen sprake van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In de omgeving van het plangebied is een autobedrijf (Damsteeg 6a) en een agrarisch bouwperceel (Oudendijk 15) aanwezig. Damsteeg 6a (Autobedrijf) Aan de noordzijde van het plangebied is een autobedrijf gelegen. In het bedrijf is tevens een spuiterij en een plaatwerkerij aanwezig.

Op basis van de VNG-uitgave ‘bedrijven en milieuzonering’ kan de functie het beste worden vergeleken met de volgende functies: Functie Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven; Autospuitinrichtingen; Autoplaatwerkerijen

Grootste richtafstand 30 meter (geluid) 50 meter (geur) 100 meter (geluid)

Op basis van bovenstaande tabel blijkt dat de grootste afstand 100 meter voor het aspect ‘geluid’ bedraagt. Het autobedrijf ligt direct aangrenzend aan het plangebied. De daadwerkelijke afstand tussen het bouwvlak van het autobedrijf en de dichtstbijzijnde woningen bedraagt circa 95 meter. Aan de richtafstand wordt niet voldaan. Echter betreft het dit geval een zeer geringe afwijking van de richtafstand. Daarnaast gaat het om een relatief kleinschalig lokaal autobedrijf (circa 600 m2 bvo), waar uitsluitend inpandig werkzaamheden worden verricht. Tevens gaat het om slechts één woning die binnen de afstand van 100 meter ten opzichte van het bedrijf ligt. Tot slot is er de nodige afscherming in de vorm van groen aanwezig. Gezien vorenstaande kan worden verwacht dat er ter plaatse van het woongebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Overigens wordt het autobedrijf niet verder in haar werkzaamheden belemmerd, aangezien er reeds woningen (Damsteeg 4 en Damsteeg 14) op een kortere afstand van het bedrijf zijn gelegen en hiermee maatgevend voor het bedrijf. Agrarische bouwvlakken Nabij het plangebied ligt een agrarisch bouwperceel (Oudendijk 13). In dit plan wordt de bestemming van dit perceel omgezet in de bestemmingen ‘Wonen -3’ en ‘Tuin’. Hierdoor is er geen sprake meer van een belemmering vanuit dit perceel voor het plangebied.

Wel is er bij deze woning sprake van het hobbymatig houden van paarden. Op het perceel zijn ten behoeve van deze functie een stal en een paardenbak gelegen. Op basis van de VNG-uitgave wordt het hobbymatig houden van paarden niet specifiek genoemd. Wel zijn er in de VNG-uitgave richtafstanden opgenomen voor maneges en paardenfokkerijen. Voor beide functies geldt BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9692021/1