Ruimtelijke onderbouwing Provincialeweg 4 Mijnsheerenland - Ruimtelijke onderbouwing Provinciale
Tekst van het document
Ruimtelijke Onderbouwing Uitbreiding kinderdagverblijf Provincialeweg 4 Mijnsheerenland Gemeente Hoeksche Waard
mei 2022
1
INHOUDSOPGAVE
PAG.
1. Inleiding 1.1 Situering 1.2 Aanleiding en doelstelling 1.3 Leeswijzer 2. Beschrijving plangebied en bouwplan 2.1 Inleiding 2.2 Beschrijving plangebied en omgeving 2.3 Huidige situatie 2.4 Plan 3. Beleidskader 3.1 Inleiding 3.2 Rijksbeleid 3.3 Provinciaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid 4. Omgevingsaspecten 4.1 Inleiding 4.2 Verkeer/parkeren 4.3 Flora en fauna 4.4 Archeologische waarden en cultuurhistorie 4.5 Waterhuishouding 4.6 Milieuzonering 4.7 Geluid 4.8 Bodem 4.9 Geur 4.10 Luchtkwaliteit 4.11 Externe veiligheid 4.12 Kabels en leidingen 4.13 Vormvrije mer 5. Uitvoering 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Planschade 6. Overleg ex artikel 3.1.1. Bro 7. Zienswijzen
3 3 4 4 5 5 5 5 6 8 8 8 9 9 12 12 12 13 13 14 14 15 16 17 17 18 19 19 21 21 21 22 23
Bijlagen - akoestisch onderzoek (Kraaij akoestisch advies, 18 augustus 2021, nr. VL.2127.R01) - milieukundig historisch onderzoek (DS Milieu-Consult, 7 december 2021, nr. 21.12.193V2)
2
1. Inleiding 1.1 Situering Het plangebied betreft het perceel Provincialeweg 4 te Mijnsheerenland. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Hoeksche Waard, ten noordwesten van de bebouwde kern van Mijnsheerenland.
Figuur 1.1 luchtfoto Provincialeweg 4 Mijnsheerenland en omgeving
Op het perceel is een woning met bijgebouw waarin het kinderdagverblijf gevestigd is.
Figuur 1.2 luchtfoto plangebied
3
Het plangebied is met de bestemming ‘Wonen – Verspreide woningen’ opgenomen in het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Binnenmaas’.
1.2 Aanleiding en doelstelling Op het perceel Provincialeweg 4 te Mijnsheerenland is kinderdagverblijf ‘de Kinderhoeve’ gevestigd. Het plan is opgevat om het kinderdagverblijf uit te breiden door het plaatsen van een aanbouw aan de voorkant van het gebouw. Reden daarvoor is dat er de wens bestaat de kinderen meer ruimte aan te bieden en het mogelijk maken om meer kinderen verblijf aan te bieden. Het geldend bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Binnenmaas’ staat de vestiging van een kinderdagverblijf niet toe. Er is op 20 mei 2016 door burgemeester en wethouders van de toenmalige gemeente Binnenmaas omgevingsvergunning verleend om af te wijken van het bestemmingsplan ten einde de realisering van het huidige kinderdagverblijf mogelijk te maken. De uitbreiding van het kinderdagverblijf stemt ook niet overeen met het geldende bestemmingsplan. Ook voor dit bouwplan moet derhalve worden afgeweken van het bestemmingsplan. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) biedt daartoe de mogelijkheid. Medewerking aan het bouwplan kan worden verleend door op basis van een aanvraag omgevingsvergunning buitenplans af te wijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.1 lid 1 sub c juncto artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3˚ Wabo. Een indieningsvereiste bij deze aanvraag omgevingsvergunning is een goede ruimtelijke onderbouwing. Voorliggend document dient als deze onderbouwing.
1.3 Leeswijzer Deze onderbouwing omvat een omschrijving op hoofdlijnen van het plangebied en het plan (hoofdstuk 2). Het relevante beleid voor het plangebied (hoofdstuk 3) en een omschrijving van de verschillende omgevingsaspecten (hoofdstuk 4). In hoofdstuk 5 wordt een juridische toelichting gegeven. Hoofdstuk 6 omvat de aspecten planschade en economische uitvoerbaarheid. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 het overleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening beschreven, alsmede de uitkomst van de zienswijzenprocedure.
4
2. Beschrijving plangebied en bouwplan 2.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden het plangebied en het bouwplan beschreven.
2.2 Beschrijving plangebied en omgeving Het perceel Provincialeweg 4 te Mijnsheerenland ligt in het buitengebied van de gemeente Hoeksche Waard. Het perceel is gelegen ten noordwesten van de woonkern Mijnsheerenland en ten zuiden van het bedrijfsterrein Boonsweg te Heinenoord. Op het perceel is een burgerwoning met bijgebouw waarin het kinderdagverblijf is gevestigd aanwezig.
2.3 Huidige situatie Op het perceel is bebouwing aanwezig in de vorm van een woning en bijgebouw.
Figuur 2.1: foto met links de woning, rechts het kinderdagverblijf
Het plangebied is kadastraal bekend gemeente Mijnsheerenland, sectie F nummer 313. De oppervlakte van het perceel is 2.500 m².
5
Figuur 2.2: kadastrale tekening plangebied
2.4 Plan In de nieuwe situatie zal het ter plaatse gevestigde kinderdagverblijf worden uitgebreid door een aanbouw aan de voorkant van het gebouw te plaatsen.
Figuur 2.3 situatietekening aanbouw kinderdagverblijf
6
Figuur 2.4: tekening oostgevel (voorgevel)
Figuur 2.5 bouwtekening zuidgevel
Figuur 2.6 tekening indeling
Het bouwplan betreft het toevoegen van circa 35 m² aan het bestaande kinderdagverblijf op de begane grond en circa 24,5 m2 aan berging op de verdieping. 7
3. Beleidskader 3.1
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de hoofdlijnen beschreven van het relevante beleid van het rijk, provincie en gemeente.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Daarnaast beschrijft de NOVI nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio’s; 4. een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Relatie met voorgenomen ontwikkeling Gezien het hoge abstractieniveau van de nationale belangen uit de NOVI, heeft het NOVI geen directe implicaties voor de ontwikkeling en kan de voorgenomen ontwikkeling in algemene zin bijdragen aan de belangen uit het NOVI. Het NOVI heeft geen consequenties voor de voorgenomen ontwikkeling. 3.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de zogenaamde ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ opgenomen.
Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is pas van toepassing indien er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Uit de uitspraak d.d. 28 juni 2017 ECLI:NL:RVS:2017:1724 blijkt dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in een stedelijke voorzieningen in de vorm van een gebouw met een brutovloeroppervlakte kleiner dan 500 m², deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt. In onderhavig plan is sprake van het toevoegen van circa 35 m², terwijl het bestaande gebouw een oppervlakte heeft van 98 m² De totale oppervlakte wordt derhalve circa 133 m². De ladder hoeft daarom niet afgelopen te worden.
8
3.3
Provinciaal beleid
De omgevingsverordening en de omgevingsvisie Zuid-Holland De omgevingsverordening en de omgevingsvisie Zuid-Holland zijn op 1 april 2019 in werking getreden. Deze vervangen de Verordening Ruimte en de Visie Ruimte. Het nieuwe omgevingsbeleid bestaat uit de volgende onderdelen: De introductie op het Omgevingsbeleid, waarin opgenomen de ruimtelijke hoofdstructuur, een overzicht van de samenhangende beleidskeuzes per provinciale beleidsopgave en de ontwikkelrichting die is opgenomen onder ‘Ambities en sturing’. Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. Bij stedelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of de ontwikkeling niet in strijd is met de hiervoor al benoemde ladder van duurzame verstedelijking. Nu het hier gaat om een zeer beperkte uitbreiding van een bestaande kinderdagvoorziening is er geen strijd met het provinciaal beleid.
Klimaatadaptie In artikel 6.50 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland is bepaald dat in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, uitgewerkt in de thema’s: a. b. c. d.
wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte.
Ad a. Er wordt een beperkte uitbreiding gerealiseerd van het bestaande kinderdagverblijf. Vanwege deze beperkte omvang is er geen vergroot risico op wateroverlast door overvloedige neerslag. Bij de uitwerking van het bouwplan zal aandacht worden besteed aan de gemeentelijke- en provinciale leidraden voor klimaatadaptief bouwen. Ad b. De te realiseren bebouwing is niet in de directe omgeving van een waterkering. Ad c en d. Door de beperkte omvang van het bouwplan is er ook geen sprake van invloed op toename van hitte of droogte.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Omgevingsvisie Hoeksche Waard De Omgevingsvisie is door de gemeenteraad van Hoeksche Waard vastgesteld op 17 december 2019 vastgesteld. In de Omgevingsvisie is er voor gekozen een uitnodiging te doen aan de samenleving om bij te dragen aan de Hoeksche Waard. Het accent is gelegd op wat de Hoeksche Waard wil; niet op wat niet mag. Of in Omgevingswet termen: ‘Ja mits’, in plaats van ‘Nee, tenzij’. Het gaat dus om een gewenste koers, niet om een alomvattend beleid.
9
Het is niet nodig gevonden om nu al alle aspecten die in het Omgevingsplan worden uitgewerkt te benoemen. Alle beleidsaspecten opnemen zou ten koste gaan van het karakter van de visie: gericht op inspireren en uitnodigen. • De Omgevingsvisie richt zich op de gewenste koers van de gemeente. • De Programmaplannen richten zich er op hoe daar te komen. • Het Omgevingsplan geeft aan binnen welke regels dit gaat gebeuren. In de Omgevingsvisie is o.a. aangegeven dat er gestreefd wordt naar een krachtige en vitale participatiesamenleving waarin inwoners zelfbewust en in samenwerking met maatschappelijke organisaties en de gemeente regie zal voeren op het eigen bestaan, waarin voldoende vangnetten zijn ingericht en waarin preventie een grote rol speelt. Inzet is dat er voor alle inwoners een duurzaam veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit aanwezig is. Partijen worden uitgenodigd om vooral zelf met concrete uitwerkingen te komen. Daarbij is het van belang om de Hoeksche Werken te noemen, waaraan het initiatief een bijdrage levert. Daarnaast moet worden gekeken naar het gebied waar het initiatief aan de orde is. Hier zijn de Hoeksche Waarden van belang, die met het initiatief behouden of versterkt worden.
Hoeksche Werken Bij de Hoeksche Werken zijn er diverse enkele maatschappelijke opgaven die de aandacht vragen de komende jaren. De bijdrage van het plan tot het uitbreiden van het kinderdagverblijf aan de Hoeksche Werken is als volgt te omschrijven: - Duurzaam, energieneutraal en klimaatbestendig Het kinderdagverblijf is gasloos en zal zo veel mogelijk eigen energie opwekken middels zonnepanelen voor elektriciteit en zonnecollectoren voor warm water. De locatie zal daarmee een bijdrage leveren aan reductie van CO2 en andere broeikasgassen. - Vitale dorpen en actieve samenleving. Het toestaan van uitbreiden van het kinderdagverblijf betekent het uitbreiden van een sociale voorziening. Dit komt de leefbaarheid ten goede.
Hoeksche Waarden De Hoeksche Waard is bij het maken van de Omgevingsvisie ingedeeld in vijf gebieden. Elk deelgebied bestaat uit eigen Hoeksche Waarden, bestaand en verder te ontwikkelen. Het plangebied ligt in het gebied ‘Natuurlijk verbonden’. Een initiatief zoals hier aan de orde wordt niet genoemd voor het gebied ‘Natuurlijk verbonden’, maar het verhindert ook niet de waarde van het agrarisch buitengebied. Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie.
10
3.4.2 Bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Binnenmaas’ Voor het onderhavige perceel geldt het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Binnenmaas’. De gemeenteraad van de toenmalige gemeente Binnenmaas heeft dit bestemmingsplan op 24 december 2013 vastgesteld.
Figuur 3.1: deel verbeelding bestemmingsplan
Op het perceel ligt de bestemming ‘Wonen – Verspreide woningen’ heeft gekregen. Daarnaast is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwacht hoog 1’ en de gebiedsaanduiding ‘veiligheidszone – leidingstrook’ van toepassing. Het bestemmingsplan staat bebouwing toe in relatie tot het wonen. Zoals ook al in paragraaf 1.2 is aangegeven, stemt de uitbreiding van het kinderdagverblijf niet overeen met het geldende bestemmingsplan. Voor dit bouwplan moet derhalve worden afgeweken van het bestemmingsplan. 3.4.3 Beoordeling gemeente De gemeente Hoeksche Waard is bereid medewerking te verlenen aan het plan tot het uitbreiden van het kinderdagverblijf op het perceel Provincialeweg 4 te Mijnsheerenland. De uitbreiding heeft enerzijds een beperkte omvang, maar voorziet anderzijds in de behoefte aan kinderopvang. Het bouwplan is stedenbouwkundig en esthetisch aanvaardbaar. Daarnaast geldt de voorwaarde dat het plan in overeenstemming is met alle ter zake geldende planologische-, juridische- en milieu hygiënische eisen. Deze aspecten komen aan de orde in voorliggende toelichting van de ruimtelijke onderbouwing voor deze ontwikkeling.
11
4. Omgevingsaspecten 4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk zullen de verschillende omgevingsaspecten nader worden beschreven en toegelicht.
4.2
Verkeer/parkeren
Ontsluiting/parkeren In de wegenstructuur komt geen verandering. Het plangebied wordt ontsloten op de Provincialeweg. Initiatieven voor het realiseren van een ontwikkeling moeten in voldoende mate voorzien in parkeergelegenheid. De gemeente hanteert bij de beoordeling van het aspect ‘parkeren’ de uitgangspunten die zijn opgenomen in de ‘Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoeksche Waard houdende regels omtrent de parkeernormen’. Voor het buitengebied van Mijnsheerenland, waar het plangebied in ligt, gelden de volgende parkeernormen.
Voor een kinderdagverblijf gaat het om een norm van 1,5 parkeerplaatsen per 100 m² kinderdagverblijf. In totaal zal het kinderdagverblijf met aanbouw 135 m² bedragen. Er dienen daarom (135 x 1,5/100 =) twee parkeerplaatsen voor het kinderdagverblijf op het perceel aanwezig te zijn. Er is voldoende ruimte aanwezig op eigen terrein voor het parkeren van vijf auto’s. Daarnaast is er ook ruimte voor het tijdelijk parkeren van auto’s gedurende de ‘piekmomenten’, waardoor parkeren langs de Provincialeweg niet aan de orde zal zijn. Derhalve vormt het aspect verkeer en parkeren geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3
Flora en fauna 12
In het kader van de verscherpte natuurwetgeving dient, voordat ergens ruimtelijke ingrepen plaatsvinden, te worden onderzocht of er belangrijke natuurwaarden voorkomen op een te bebouwen locatie. Het gebied waar de gronden onderdeel van vormen, heeft geen speciale status op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied (aangewezen deel van de Oude Maas) ligt op ruim 500 m van het plangebied. Het perceel Provincialeweg 4 valt niet binnen een beschermd gebied. Daarnaast gaat het om het toevoegen van een aanbouw op een perceel dat tot op heden altijd in gebruik is als voorerf bij het kinderdagverblijf. Het is niet aannemelijk dat zich hier beschermde plant of diersoorten bevinden. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat het aspect flora en fauna de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg staat. Stikstof Op grond van de Wet natuurbescherming moet er ook aandacht worden besteed aan de vraag, of bij een ruimtelijke ontwikkeling er sprake zal zijn van een toename van stikstofdepositie in een stikstofgevoelig Natura 2000 gebied. In onderhavig geval gaat het om het toevoegen van circa 35 m² aan de bestaande bebouwing. Het gaat daarbij om een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen. Die toename is zo gering, dat er feitelijk geen merkbare invloed zal zijn op de uitstoot van stikstof.
Daarbij komt dat het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura2000 gebied, de Biesbosch, op ongeveer 11 km van het plangebied ligt. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000gebieden. Uit oogpunt van het aspect ‘natuur’ is het plan uitvoerbaar.
4.4
Archeologische waarden en cultuurhistorie
Archeologie De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ordening is het onderwerp van het Europese Verdrag van Valetta (Malta, 1992). Nederland heeft dit Verdrag ondertekend en goedgekeurd en in nationale wetgeving opgenomen (Erfgoedwet). De bescherming van het archeologische erfgoed is een taak van de gemeente geworden. Er dient in bestemmingsplannen aandacht te worden besteed aan archeologische aspecten. In het bestemmingsplan Landelijk Gebied Binnenmaas is voor het perceel Provincialeweg 4 de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachting hoog 1’ opgenomen. Als er sprake is van een nieuw te bebouwen oppervlak van meer dan 100 m², dan moet er archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. De oppervlakte van de aanbouw is 35 m², waardoor er geen onderzoeksplicht aanwezig is.
Cultuurhistorie 13
De bestaande bebouwing is niet aangewezen als rijks-, provinciaal- of gemeentelijk monument. De directe omgeving heeft ook geen bijzondere cultuurhistorische waarde.
4.5
Waterhuishouding
Op 10 november 2021 is het nieuwe Waterbeheerprogramma unaniem door het algemeen bestuur van het waterschap Hollandse Delta vastgesteld. Dat programma geldt voor de periode 2022-2027. Het waterbeheerprogramma heeft betrekking op drie kerntaken • veilige dijken en duinen; • voldoende en schoon water; • het schoonmaken van afvalwater. Om deze taken ook in de toekomst goed te kunnen blijven uitvoeren, wordt door het waterschap rekening gehouden met klimaatverandering, duurzaamheid, energietransitie en biodiversiteit. Het plan tast niet de veiligheid van enige dijk aan. De woningen worden aangesloten op het gemeentelijk rioleringsstelsel. Er wordt maar een beperkt bouwplan gerealiseerd. Daardoor hoeven geen watercompenserende maatregelen te worden getroffen. Conclusie is dat het plan voldoet aan de uitgangspunten van het Waterschap voor waterkwantiteit en waterkwaliteit.
4.6
Milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op ruimtelijke ontwikkelingen. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan, bijvoorbeeld woningen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. In beide gevallen zorgt het aspect milieuzonering ervoor dat bedrijven op een juiste afstand van een gevoelige bestemming komen te staan, met als doel het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit.
In de brochure is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstand tussen een gevoelige bestemming en bedrijven.
14
Het uitbreiden van het huidige ter plaatse gevestigde kinderdagverblijf wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een milieugevoelige bestemming. Hiertoe is in het verleden, toen het kinderdagverblijf werd opgericht, bepaald of de beoogde ontwikkeling omliggende bedrijven niet stoort in de uitvoering van de bedrijfsactiviteiten. Indien het kinderdagverblijf binnen de milieucontour van een bestaand bedrijf ligt, zal dit het betreffende bedrijf kunnen hinderen in zijn bedrijfsvoering. De bouw van het kinderdagverblijf op het perceel Provincialeweg 4 te Mijnsheerenland vormde in 2015 geen belemmering voor de in de omgeving gevestigde bedrijven. Hier zal door het uitbreiden van het kinderdagverblijf met circa 41 m² geen verandering inkomen.
Blaaksedijk 216
kdv
Figuur 4.1 perceel in verhouding tot bedrijven in de omgeving
Het dichtstbijzijnde bedrijf betreft het bedrijf op het perceel Blaaksedijk 216. Ter plaatse is een bedrijf in categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan. De richtafstand voor categorie 3.2 bedrijven is 100 m. Vanaf de gevel van het kinderdagverblijf tot het gedeelte van het bedrijfsperceel waar de bedrijfsactiviteiten plaatsvinden is de afstand groter dan 100 m. Andere bedrijven liggen op nog grotere afstand van de locatie van het kinderdagverblijf. De conclusie is dat er vanuit oogpunt van milieuzonering geen belemmeringen aanwezig zijn.
4.7
Geluid
Railweg- en/of industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen een geluidszone van een spoorlijn of een industrieterrein.
15
Wegverkeerslawaai De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Volgens de Wgh mag de geluidsbelasting op woningen in principe de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarden is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). In het kader van de uitbreiding van het kinderdagverblijf is er akoestisch onderzoek uitgevoerd (Kraaij akoestisch advies, 19 augustus 2021, nr. VL.2127.R01). Uit dit onderzoek blijkt dat de berekende geluidbelasting vanwege de Provincialeweg op de gevels van de nieuwbouw ten hoogste 48 dB bedraagt en van de N217 ten hoogste 40 dB. Daarmee wordt overal voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder en kan geconcludeerd worden dat de blootstelling aan geluid vanwege deze wegen akoestisch niet relevant is. Voortvloeiend hieruit kan nader onderzoek naar geluidreducerende maatregelen en het aanvragen van een hogere grenswaarde achterwege blijven.
Vanuit akoestisch oogpunt is er geen belemmering voor de uitbreiding van het kinderdagverblijf aan de Provincialeweg 4 in Mijnsheerenland. Conclusie Het plan kan uit oogpunt van akoestiek worden gerealiseerd.
4.8
Bodem
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient de bodemkwaliteit ter plaatse te worden onderzocht. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging, dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht. Op de locatie Provincialeweg 4 te Mijnsheerenland is in verband met de bouw van het kinderdagverblijf in 2015 een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek bleek dat de locatie geschikt werd geacht voor de huidige en toekomstige bestemming, waardoor hier met de uitbreiding van het huidige kinderdagverblijf geen verandering in zal komen.
Voor de nu aan de orde zijnde aanvulling is een milieukundig historisch onderzoek uitgevoerd (DS Milieu-Consult, 7 december 2021, nr. 21.12.193).
16
Het doel van het onderzoek was vast te stellen of er al dan niet vermoedens van bodemverontreiniging bestaan die het huidige en toekomstige gebruik in de weg staan en/of aanleiding geven tot het uitvoeren van een milieutechnisch bodemonderzoek om de kwaliteit van grond en grondwater vast te leggen om vervolgens te kunnen bepalen of de bodem geschikt is voor het toekomstige gebruik. Uit het historisch onderzoek kan de conclusie worden getrokken dat het aannemelijk is dat de bodem niet verdacht is van het voorkomen van verontreinigingen. Tijdens het verkennend bodemonderzoek (12 januari 2016) zijn geen verontreinigingen aangetoond en sedertdien hebben zich geen omstandigheden voorgedaan die de bodem op de locatie nadelig hebben kunnen beïnvloeden. Het gebruik is sinds 2016 ongewijzigd. Op basis van de verkregen informatie omtrent de kwaliteit van de bodem en gezien de beperkte uitbreiding (12% van het bebouwde oppervlak), wordt een fysiek onderzoek naar de bodemgesteldheid zinvol noch noodzakelijk geacht. Er bestaan tegen de voorgenomen uitbreiding van het kinderdagverblijf geen milieu hygiënische bezwaren.
4.9
Geur
Het aspect geur/stank vormt geen belemmeringen voor de realisering van het bouwplan.
4.10 Luchtkwaliteit In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit vastgelegd. In artikel 5.16 is vastgelegd dat bestuursorganen bevoegdheden, zoals het vaststellen van een bestemmingsplan of het nemen van een projectbesluit, mogen uitoefenen wanneer sprake is van één van de volgende gevallen: a. Er is geen sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden. b. De concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft ten minste gelijk. c. Het plan draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht. d. De ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. Voor ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven.
17
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof op het dichtstbijzijnde rekenpunt ruimschoots onder de grenswaarden van 40 μg/m³ (NO2 en PM10) en 25 μg/m³ (PM2,5) liggen, zie figuur 4.1.
Figuur 4.2: NSL-monitoringstool
Conclusie Gezien de aard en omvang van het planvoornemen, kan geconcludeerd worden dat de ruimtelijke ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, niet in betekende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaat er geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
4.11 Externe veiligheid Het wettelijk kader voor de beoordeling van veiligheidsaspecten ten aanzien van inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI), voor buisleidingen het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en voor vaarroutes het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In overeenstemming met artikel 5 van dit BEVI dient bij een besluit in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) onderzocht te worden in hoeverre er sprake is van aanwezigheid van risicovolle inrichtingen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft. Tevens dienen de risicocontour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6 contour) en het groepsrisico (GR) met de eventuele toename hiervan berekend te worden. Het GR dient in de toelichting op het besluit te worden verantwoord.
18
Uit de Risicokaart Nederland blijkt dat er zich in de nabijheid van het plangebied een transportleiding van de Rotterdam Rijn Pijpleiding (RRP) bevindt. Waardoor er op het perceel de gebiedsaanduiding ‘Veiligheidszone – Leidingstrook’ ligt. Deze leiding is relevant voor het aspect ‘externe veiligheid’.
Figuur 4.3: deel risicokaart Nederland
Het perceel ligt derhalve binnen de invloedssfeer van de leiding. Er is advies gevraagd bij de Veiligheidsregio (Veiligheidsregio ZHZ, 21 juni 2021). Hieruit blijkt dat de plaatsgebonden risicocontour is berekend op 38 meter. Binnen deze afstand mag op basis van het besluit externe veiligheid buisleiding, het kinderdagverblijf niet worden gerealiseerd. De uitbreiding van het kinderdagverblijf ligt op 44,3 meter van de buisleiding. Op deze wijze zal er gelet op het advies van de VRZHZ vanuit het oogpunt van externe veiligheid sprake zijn van een aanvaardbare situatie.
4.12 Kabels en leidingen Binnen het plangebied liggen diverse kabels en leidingen, zoals elektriciteit, telefoon en kabeltelevisie. Deze zijn planologisch gezien niet relevant.
4.13 Vormvrije M.e.r. In mei van 2017 is een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) en de Wet milieubeheer in werking getreden. Deze wijziging is een gevolg van een herziening van de Europese m.e.r.-richtlijn. Het bouwen van woningen is een activiteit die valt onder categorie D11.2 van het Besluit m.e.r. Echter hierna wordt nogmaals gemotiveerd dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen ten gevolge van het plan optreden een en ander overeenkomstig de criteria genoemd in Bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn.
19
1. Kenmerken van de projecten Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen: - De omvang van het project betreft het uitbreiden van het kinderdagverblijf dat op dit moment al op het perceel is gesitueerd. - Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreft het afvoeren van hemelwater in de nabij gelegen watergang, er worden geen uitlogende materialen gebruikt. - De productie van afvalstoffen is niet aanwezig. Huishoudelijk afvalwater wordt via de riolering afgevoerd. - Er is geen sprake van verontreiniging en hinder. Verwezen wordt naar onderdeel bedrijven en milieuzonering onder 4.6. - Er is geen onaanvaardbaar risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering. Verwezen wordt naar het onderdeel externe veiligheid zoals beschreven onder 4.11. - Er zijn geen onaanvaardbare risico's voor de menselijke gezondheid. Verwezen wordt naar het onderdeel externe veiligheid, zoals beschreven onder 4.11. 2. Plaats van het project Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: - Het bestaande grondgebruik betreft woondoeleinden. - Het gebied ligt niet in een beschermingszone, ligt binnen het bestaand stedelijk gebied en is een herontwikkeling passend in het bestaande gebied ter plaatse.
- Het gebied heeft archeologisch gezien geen hoge verwachting, de ingreep is zodanig dat geen archeologisch onderzoek behoeft te worden uitgevoerd. Verwezen wordt naar paragraaf 4.4. - Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied, te weten het desbetreffende deel van de Oude Maas ligt op ruim 500 m ten noorden van het plangebied. De herontwikkeling van het plangebied heeft geen nadelige gevolgen voor en leidt niet tot een grotere belasting van het Natura 2000 gebied. 3. Kenmerken van het potentiële effect Gezien de beperkte omvang van het project zijn er geen potentiële aanzienlijke effecten te verwachten. Dit is ook beschreven in hoofdstuk 4 van deze onderbouwing. Op basis van de bovenstaande zal de gemeenteraad voorafgaand aan de ter inzage legging van de ontwerp onderbouwing een besluit nemen omtrent het ontbreken van de noodzaak om een milieueffectrapport op te stellen.
20
5. Uitvoering 5.1
Economische uitvoerbaarheid
Het plan omvat het uitbreiden van het kinderdagverblijf op het perceel Provincialeweg 4 te Mijnsheerenland. De gronden zijn in eigendom bij de initiatiefnemer van het bouwplan. De gemeentelijke kosten worden gedekt via de voor deze afwijking te belasten bedrag aan leges. Dit betekent dat het kostenverhaal is verzekerd. De realisering van het plan wordt verzorgd door initiatiefnemers. De financiële dekking voor het plan is hiermee geregeld en de economische uitvoerbaarheid is voldoende gewaarborgd.
5.2
Planschade
Tussen de gemeente en de ontwikkelaar wordt ter afdekking van eventuele planschadeclaims een planschadeovereenkomst ex artikel 6.4a Wro afgesloten.
21
6. Overleg ex artikel 3.1.1. Bro In het kader van het wettelijke verplichte overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het ontwerpbesluit tot verlening van omgevingsvergunning voorgelegd aan de vooroverlegpartners.
22
7. Zienswijzen De gemeente Hoeksche Waard zal ten behoeve van deze ruimtelijke ontwikkeling een procedure starten die moet leiden tot het verlenen van omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, lid 1 onder c van de Wabo. Op de voorbereiding van dit besluit is de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Binnen 26 (+6 weken) dient een besluit genomen te worden. Nadat de ruimtelijk onderbouwing is opgesteld en akkoord is bevonden zal een ontwerpbesluit omgevingsvergunning en een verklaring van geen bedenkingen (van de gemeenteraad) worden opgesteld en deze zal op grond van artikel 3.10, lid 1 van de Wabo jo. afdeling 3:4 Awb, met bijbehorende stukken gedurende zes weken ter inzage worden gelegd. Gedurende deze inzagetermijn kan eenieder mondeling of schriftelijk zijn zienswijze over de ontwerpbesluiten kenbaar maken. Nadat de omgevingsvergunning is verleend kan men tegen dit besluit als men belanghebbende is en een zienswijze heeft ingediend, een beroepschrift indienen. De exacte wijze waarop en bij wie zullen in de omgevingsvergunning worden aangegeven.
23