Ruimtelijke onderbouwing Buijensweg 5 Mijnsheerenland - Ruimtelijke onderbouwing rijbak achter G
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Buijensweg 5 Mijnsheerenland
NL.IMRO.1963.OVBuijensweg5MHL22-ON01 15 juni 2022
1
2
Inhoud 1.
Inleiding ........................................................................................................................................... 5 1.1
Doel van de ruimtelijke onderbouwing ................................................................................... 5
1.2
Omschrijving planlocatie ......................................................................................................... 5
1.3
Leeswijzer ................................................................................................................................ 5
2.
Omschrijving project ....................................................................................................................... 6 2.1
Ruimtelijk................................................................................................................................. 6
2.2
Functioneel .............................................................................................................................. 6
2.3
Initiatiefnemer......................................................................................................................... 6
3.
Vigerend beleid ............................................................................................................................... 7 3.1
Rijksbeleid................................................................................................................................ 7
3.2
Provinciaal beleid .................................................................................................................... 8
3.3
Gemeentelijk beleid .............................................................................................................. 10
3.4
Het verzoek............................................................................................................................ 12
4.
Ruimtelijke aspecten initiatief ....................................................................................................... 14 4.1
Stedenbouw .......................................................................................................................... 14
4.2
Toerisme en recreatie ........................................................................................................... 14
4.3
Verkeer .................................................................................................................................. 14
4.4 Natuur en landschap ................................................................................................................... 15 4.4.1 Landschappelijke inpassing .................................................................................................. 15 4.4.2. Natura 2000 en Wet Natuurbescherming ........................................................................... 16 5.
Milieuaspecten initiatief................................................................................................................ 17 5.1
Geluid ..................................................................................................................................... 18
5.2
Bodem .................................................................................................................................... 18
5.3
Bedrijven en milieuzonering.................................................................................................. 18
5.4
Externe veiligheid .................................................................................................................. 19
5.5
Luchtkwaliteit ........................................................................................................................ 20
6
Cultuurhistorie en archeologie ...................................................................................................... 21
7
Waterparagraaf ............................................................................................................................. 23
8
Conclusies ...................................................................................................................................... 25
9
Uitvoerbaarheid ............................................................................................................................ 26 9.3
Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................... 26
9.4
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................... 26
10
Inspraak ..................................................................................................................................... 26
3
4
1. Inleiding 1.1 Doel van de ruimtelijke onderbouwing Initiatiefnemer is eigenaar van de woning met achterliggende landbouwperceel aan de Buyensweg 5 in Mijnsheerenland. De familie rijdt hobbymatig paard en wenst op het perceel een paardenbak te realiseren. Om hieraan planologisch medewerking te verlenen is het noodzakelijk buitenplans af te wijken van het bestemmingsplan en een uitgebreide procedure omgevingsvergunning te doorlopen. Hiervoor is een ruimtelijke onderbouwing noodzakelijk waarin de ruimtelijke aspecten van dit plan worden getoetst. Voorliggend plan dient hiertoe.
1.2 Omschrijving planlocatie De planlocatie is gelegen in het buitengebied Mijnsheerenland achter de woning aan de Buyensweg 5 in Mijnsheerenland. Dit adres maakt onderdeel uit van het Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Binnenmaas’ van de gemeente Hoekse Waard. In dit bestemmingsplan heeft de initiatieflocatie de bestemming Agrarisch met waarden, een dubbelbestemming waarde, Archeologische verwachting Middelhoog 1 en een gebiedsaanduiding openheid.
Buyensweg 5
Figuur 1: uitsnede Ruimtelijke Plannen met bij de rode bullet de gewenste locatie voor de rijbak. De bijbehorende woning ligt op de hoek van de Buyensweg en Groeneweg zoals aangegeven.
Kadastraal is de initiatieflocatie bekend: Mijnsheerenland, Sectie E, nummer 1087.
1.3 Leeswijzer In Hoofdstuk 1 wordt het initiatief globaal omschreven. Vervolgens wordt in Hoofstuk 2 het project ruimtelijk en functioneel toegelicht, evenals de initiatiefnemer. In Hoofdstuk 3 wordt het Vigerende beleid besproken en het verzoek geformuleerd. De ruimtelijke aspecten van het initiatief komen in Hoofdstuk 4 aan de orde en de milieuaspecten in Hoofdstuk 5. Cultuurhistorie en archeologie staat in Hoofstuk 6. In hoofdstuk 7 is plaats voor de Waterparagraaf. In Hoofdstuk 8 volgen de conclusies uit de voorgaande hoofdstukken. Dit wordt vervolgd in Hoofdstuk 9 met uitvoerbaarheid, Hoofdstuk 10 resultaten overleg met andere instanties en overheden en Hoofdstuk 11 met inspraak. 5
2. Omschrijving project 2.1 Ruimtelijk Het project omvat ruimtelijke gezien de aanleg van een rijbak op gronden met een bestemming Agrarisch met waarden -openheid ten behoeve van het hobbymatig gebruik door de familie.
2.2 Functioneel De locatie Buyensweg 5 wordt bewoond door de familie. Het achterliggend perceel wordt gebruikt ten behoeve van het weiden van de hobbymatig gehouden paarden (max 5). Voor een stal binnen de woonbestemming is in een eerdere procedure een vergunning verleend. Initiatiefnemer wenst nu een paardenbak van 20 x 60 m2 te realiseren. Om het perceel efficiënt te kunnen gebruiken en voldoende afstand te houden tot woningen van derden is de rijbak op aangegeven locatie geprojecteerd. Rond de rijbak wordt geen omheining aangebracht en geen verlichting.
2.3 Initiatiefnemer Initiatiefnemer is woonachtig in de woning aan de Buyensweg 5 en rijdt hobbymatig dressuurwedstrijden op hoog niveau. Om hiervoor goed te kunnen trainen is het wenselijk bij huis een rijbak te realiseren in de wedstrijdmaat 20 x 60 m.
6
3. Vigerend beleid 3.1 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie; Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving (NOVI) (september 2020) De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. De NOVI komt als structuurvisie uit onder de bestaande Wet ruimtelijke ordening (WRO). Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als een omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. De Omgevingswet geeft aan de NOVI mee dat deze ‘met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht is op het in onderlinge samenhang: (a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’.
De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen werken we aan onze prioriteiten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio’s en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Regie betekent ook dat we richting meegeven aan afwegingen door andere overheden, met zogenaamde voorkeursvolgorden. Met de NOVI geeft de Rijksoverheid zo richting aan een toekomstbestendige ontwikkeling van onze leefomgeving zonder een blauwdruk op te leggen. Conclusie Rijksbeleid Voorliggend initiatief is passend binnen de nationale omgevingsvisie
7
3.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid-Holland De omgevingsverordening en de omgevingsvisie Zuid-Holland zijn op 1 april 2019 in werking getreden. Deze vervangen de Verordening Ruimte 2014 en de Visie Ruimte. Het nieuwe omgevingsbeleid bestaat uit: *De introductie op het Omgevingsbeleid, waarin opgenomen de ruimtelijke hoofdstructuur, een overzicht van de samenhangende beleidskeuzes per provinciale beleidsopgave en de ontwikkelrichting die is opgenomen onder ‘Ambities en sturing’. *Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven.
Hierna wordt nader ingegaan op de toets van het plan aan de Omgevingsverordening. In de Omgevingsverordening wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkelingen (artikel 6.9). Inpassing In lid a is bepaald dat een ruimtelijke ontwikkeling moet passen binnen de bestaande gebiedsidentiteit, geen wijziging voorziet op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of een nieuwe woning in een lint. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Aanpassing Dit betreft een ruimtelijke ontwikkeling die past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar voorziet in een wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen). Deze ontwikkelingen worden uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid van artikel 6.9.
In dat artikel 6.9, lid 3 is bepaald, dat aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van): 1. duurzame sanering van leegstaande bebouwing, kassen en/of boom- en sierteelt; 2. wegnemen van verharding; 3. toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; 4. andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert.
8
Transformatie Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap ontstaat. Beoordeling soort ontwikkeling Het hier voorliggende plangebied valt in categorie 1. De ingreep is beperkt en de rijbak wordt ingepast in de omgeving door geen omheining en geen verlichting te plaatsen. Daarmee valt de rijbak niet op in het landschap. Hierna wordt ingegaan op de richtpunten van de provinciale kwaliteitskaart. De integrale kwaliteitskaart is opgebouwd uit vier lagen: de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving. De kwaliteitskaart is uitgewerkt in een aantal specifieke richtpunten per laag. Ontwikkelingen moeten rekening houden met deze richtpunten. De kwaliteiten zijn uitgewerkt in de gebiedsprofielen. Kwaliteitskaart Ten aanzien van de integrale kwaliteitskaart wordt het volgende opgemerkt. In artikel 6.9, lid 1, sub b 1 wordt gewezen op de richtpunten van de kwaliteitskaart. Voor het plangebied aan de Buyensweg zijn de Laag van de ondergrond en de Laag van de cultuur- en natuurlandschappen van belang.
Het gaat om de volgende richtpunten: Bij de Laag van de ondergrond is voor het plangebied het richtpunt ‘Rivierdeltacomplex’ vermeld: Rivierdeltacomplex – jonge zeeklei Zoals overal in Zuid-Holland heeft het water en het menselijk handelen grote invloed gehad op de geomorfologie van dit deel van de provincie. Het land in de delta is vergroot door aanleg van dijken rond droogvallende gronden. Jonge zeeklei De gronden in het deltacomplex bestaan overwegend uit kleigronden. Dit zijn voedselrijke, draagkrachtige gronden. De deltawateren zijn onderdeel van het deltacomplex. De estuariene dynamiek is een belangrijk natuurlijk gegeven. Nauw verbonden met de deltawateren zijn de niet ingepolderde, buitendijkse kleigronden. Dit betreft de slikken, (bekade) gorzen, grienden, wilgenbossen en de uiterwaarden langs de rivieren. Het zijn natuurlijke landschappen waar ruimte is voor dynamische processen. Richtpunt: Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. Beoordeling De ruimtelijke ontwikkeling die in plan is opgenomen legt geen groot beslag op het zeekleigebied. Aansluitend bij de bebouwing wordt een rijbak zonder hekwerk en verlichting aangelegd. De waarde van het gebied en de kleigronden worden niet nadelig beïnvloed.
9
Bij de Laag van de cultuur- en natuurlandschappen is voor het plangebied het richtpunt ‘Zeekleipolder’ vermeld: Zeekleipolderlandschap Een zeekleipolder is qua oorsprong een ronde opwaspolder (oorspronkelijk opgeslibde en daarna ingepolderde eilandjes in getijdenwater) of langgerekte aanwaspolder (aangeslibd en ingepolderd land tegen bestaande polders) en daarna omgeven door dijken. De kreken in deze polders (herkenbaar door microreliëf en een kronkelige loop) en beplante dijken zijn belangrijke structurerende elementen. Er is een grote mate van openheid met contrasten tussen buitendijkse natuur en strak verkavelde agrarische polders. De dorpen liggen als compacte kernen in het landschap, veelal op het kruispunt van een dijk en een kreek aan de rand van een polder. Overige bebouwing ligt langs de dijken en spaarzaam in de polders zelf. Kenmerkende contrasten tussen de regelmatige patronen in de polder van wegen en verkaveling en de kronkelige kreken. Havenkanalen vormen plaatselijk bijzondere elementen, waarbij ontwikkelingen langs de kanalen de ruimtelijke en recreatieve relatie tussen dorp en open water versterken. Richtpunten: -Ontwikkelingen dragen bij aan het versterken van de karakteristieke kenmerken van de eilanden en de verschillen daartussen. -Ontwikkelingen aan de rand van de eilanden passen bij de maat en schaal van de dijk en de deltawateren.
-Herkenbaar houden van het patroon van (ronde) opwas- en (langgerekte) aanwaspolders door behouden en versterken van de (beplante) dijk als herkenbare landschappelijke structuurdrager in contrast met de grootschalig, open polder. -Versterken van de kreek als herkenbare landschappelijke structuurdrager van het zeekleilandschap. -Bebouwing concentreert zich in of bij compacte kernen, niet in het open middengebied van de polders. -Behoud van het contrast tussen de binnendijkse akkerbouwpolders en buitendijkse natuur. Beoordeling: De ruimtelijke ontwikkeling die in deze procedure wordt mogelijk gemaakt: de aanleg van een rijbak zonder hekwerk en verlichting betreft een kleinschalige ingreep en tast de patronen in de polder niet aan, door de invulling wordt ook het open karakter niet aangetast.
3.3 Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie Hoekse Waard Kom Waardmaken; Omgevingsvisie Hoekse Waard is vastgesteld op 17 december 2019. Een visie van, voor en door de Hoeksche Waard. Waardmaken als eigen vorm van uitnodigingsplanologie past bij de nieuwe gemeente Hoeksche Waard. De omgevingsvisie beschrijft welke ambities we in de Hoeksche Waard hebben voor ons grondgebied. De omgevingsvisie biedt daarmee de basis voor alle ruimtelijke plannen. Ideeën voor
10
ruimtelijke projecten worden daarom niet alleen aan het bestemmingsplan getoetst. Ook wordt gekeken of een initiatief voor een ruimtelijk project bijdraagt aan de omgevingsvisie. Met betrekking tot de leefomgeving staat vermeld: We willen voor alle inwoners een duurzaam veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. De omgevingsvisie wordt verder uitgewerkt tot een Omgevingsplan.
Het initiatief Het initiatief draagt bij aan het Hoekse Werk ‘Vitale dorpen en een actieve samenleving’ doordat het bijdraagt aan een gezonde fysieke leefomgeving en ruimte biedt voor recreatie op eigen kleine schaal. Initiatieflocatie is gelegen in de Hoeksche Delta; onder andere omschreven als een groots, stoer en robuust deltalandschap. Het landschap is rationeel en doelmatig ingericht voor de agrarische sector. De openheid geeft lange zichtlijnen en vergezichten. Met het realiseren van de rijbak zonder hekwerk en verlichting blijft de openheid behouden
Bestemmingsplan Voor de initiatieflocatie is vigerend het Bestemmingsplan Landelijk Gebied Binnenmaas (vastgesteld 24-12-2013).
Figuur : uitsnede uit Ruimtelijke Plannen
Voor initiatieflocatie is opgenomen: -
een enkelbestemming - Agrarisch met Waarden een Dubbelbestemming Waarde - Archeologische verwachting middelhoog 1 een Gebiedsaanduiding - openheid
11
3.4 Het verzoek Initiatiefnemer verzoekt planologisch medewerking aan realiseren van een rijbak van 20 x 60 m ten behoeve van dressuurtraining voor eigen gebruik met een Omgevingsvergunning buitenplanse afwijking (art. 2.12 lid 1, sub a onder 3 Wabo). Deze rapportage vormt de in het artikel genoemde goede ruimtelijke onderbouwing Het buitenplans afwijken is nodig omdat in het bestemmingsplan een binnenplanse afwijking (artikel 4.6.4) is opgenomen die niet bruikbaar is voor dit initiatief: o De aangevraagde rijbak ligt niet direct aansluitend aan het bouwvlak, dan wel direct aansluitend aan de gronden met de bestemmingen Wonen - Linten en bebouwingsconcentraties en Wonen - Verspreide woningen; o De aangevraagde rijbak is groter dan 8oo m2. Op onderstaande kaartuitsnede staat de locatie van rijbak weergegeven. De rijbak is gepland op eigen grond en is behorend bij de woning op Buyensweg 5. Voor een efficiënte indeling van het perceel en in overleg met de buren is gekozen voor deze locatie achter de bebouwing van de Jehova’s getuigen, een locatie met een bestemming Maatschappelijk.
Rond de rijbak zal geen hekwerk worden gerealiseerd. Ook zal geen verlichting worden geplaatst. De rijbak wordt op het maaiveld aangelegd en heeft daarmee minimaal ruimtelijke 12
impact en de openheid, als gebiedsaanduiding opgenomen in het bestemmingsplan, blijft behouden. Voor wat betreft de aan het perceel toegekende Dubbelbestemming Waarde – Archeologische verwachting middelhoog 1 is artikel 37.4 van het bestemmingsplan opgenomen met regels voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde of van werkzaamheden. Dit aspect wordt in hoofdstuk 6 getoetst.
13
4. Ruimtelijke aspecten initiatief 4.1 Stedenbouw De Hoeksche Waard wordt gekenmerkt als een polderlandschap. De polders variëren in ouderdom. Qua beeld onderscheiden de oude polders op voormalige veenkernen, zoals de Sint Anthonypolder, zich van de rest van het grondgebied door hun karakteristieke, grillige verkaveling. De nieuwe polders zijn landaanwinningen en hebben een grootschalige, rationele verkaveling. De afzonderlijke polders worden begrensd door dijken. Dijken die inmiddels geen waterkerende functie meer hebben zijn vaak beplant. Door de beplanting en bebouwing met erfbeplanting hebben ze een belangrijke beeldbepalende functie in het landschap. Vanaf de dijken heeft men zicht op het omliggende open landschap. Op plaatsen is een dichte lintvormige bebouwing ontstaan. Initiatieflocatie betreft een perceel in het buitengebied van Mijnsheerenland, ten noorden van de A29, ten zuidoosten van Oud-Beijerland. In de omgeving liggen agrarische percelen, burgerwoningen en twee glastuinbouwbedrijven.
4.2 Toerisme en recreatie Recreatie en toerisme in de Hoeksche Waard richt zich met name op de beleving van het bijzondere polderlandschap met het kenmerkende patroon van kreken en dijken, historische dorpen en haventjes en op de ligging aan de Delta, met uitgestrekte (buitendijkse) natuurgebieden en goede watersportmogelijkheden. De noordrand van het eiland heeft een intensiever karakter, het recreatieve gebruik is vooral gericht op recreatieve uitloop vanuit de grotere kernen. De zuidrand van het eiland kent een luwer karakter, met recreatie gericht op landschap- en natuurbeleving. Een bijzondere positie wordt ingenomen door het natuureiland Tiengemeten dat jaarlijks veel bezoekers trekt. Recreatie en toerisme zijn belangrijke speerpunten voor het regionaal ruimtelijk beleid. Het beter beleefbaar maken en het toeristisch sterker profileren van het veelzijdige landschap staan centraal. Hierbij worden de kreken en de dijken gezien als de dragers van het recreatieve netwerk. Initiatief betreft het realiseren van een rijbak op een agrarisch perceel. Het levert daarmee een bijdrage aan de beleving van het polderlandschap. De paarden worden bij goed weer dagelijks geweid op de aanliggende gronden. Voor het overige wordt de omgeving van initiatieflocatie gebruikt voor extensief recreatief medegebruik zoals wandelen en fietsen.
4.3 Verkeer Initiatieflocatie is, zoals eerder vermeld, gelegen aan de Buyensweg, hoek Groeneweg in Mijnsheerenland. Ontsluiting van de locatie vindt plaats via de Groeneweg, Papeweg en Buyensweg afhankelijk van de bestemming. De rijbak is voor eigen gebruik en zal daarmee
14
weinig extra verkeersbewegingen generen. De locatie is goed ontsloten en de verkeersbewegingen zijn passend in het verkeersbeeld.
4.4 Natuur en landschap De Hoeksche Waard is een uniek agrarisch polderlandschap en als representant van de bedijkingsgeschiedenis van Nederland ook op internationale schaal bijzonder. Mede daardoor is de Hoeksche Waard aangewezen als Nationaal Landschap. De schoonheid van het landschap zit in de eenvoud: een weids en open landschap waarin dorpen, dijken, polders en kreken de ingrediënten van een leesbaar landschap zijn. De openheid van het landschap, het reliëf van dijken en kreken en het polderpatroon zijn de kernkwaliteiten van het landschap. De landschappelijke identiteit van de Hoeksche Waard wordt sterk bepaald door de ligging in het deltagebied. De Hoeksche Waard is een eiland tussen de grote wateren, al het land is gewonnen op het water. Het eilandkarakter zorgt niet alleen voor ruimtelijke maar ook voor maatschappelijke samenhang. De sociale verbanden zijn sterk en de mensen zijn trots op hun streek. De vruchtbare kleigronden hebben van de Hoeksche Waard een sterk landbouwgebied gemaakt. De landbouwsector is volop in ontwikkeling en een belangrijke drager van het landschap. Natuurontwikkeling, toerisme en watersport zijn kansrijk door de ligging aan het water. Tiengemeten en het Spuimondgebied zijn robuuste ecologische schakels tussen de Biesbosch en de Voordelta.
Het polderpatroon, het reliëf van dijken en kreken en de openheid zijn benoemd als de drie kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Hoeksche Waard. Behoud en versterking van deze kwaliteiten is het uitgangspunt. De landbouw is een belangrijke drager van het open polderlandschap en krijgt de ruimte om zich verder te ontwikkelen in de richting van schaalvergroting en/of specialisatie, mits dit bijdraagt aan behoud of versterking van de kernkwaliteiten. Daarnaast heeft de regio de ambitie om de dijken uit te bouwen tot groene zones in het landschap, met extra ruimte voor recreatieve functies, verbrede landbouw, landelijk wonen (op beperkte schaal) en langzaam verkeer. De erfbeplanting is voor de ecologische samenhang binnen de polder van groot belang als schuilplaats in de uitgestrekte en intensief agrarisch gebruikte polders.
4.4.1 Landschappelijke inpassing Voor de initiatieflocatie wordt bijzonder aandacht gevraagd voor een goede landschappelijke inpassing. Op deze plaats, waar het open karakter een kernkwaliteit is, zou een robuuste landschappelijke inpassing in de vorm van een windsingel afbreuk doen aan de kwaliteit van het landschap. Daarom wordt de landschappelijke inpassing op deze locatie op een andere manier ingevuld. De paardenbak wordt gesitueerd aan de achterzijde op het perceel, achter bebouwing van Groeneweg 2 en wordt met een klein taludje landschappelijk ingepast waarmee de openheid maximaal wordt behouden.
15
Op de tekening hieronder is een doorsnede van de paardenbak opgenomen met het talud.
De bestaande zichtlijnen blijven behouden. Er wordt om de bak ook geen hoog hekwerk geplaatst en geen lichtmasten. Hiermee wordt de ruimtelijke impact van de bak beperkt gehouden en wordt een rustig groen beeld gecreëerd.
4.4.2. Natura 2000 en Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze nieuwe wet vervangt drie voormalige wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Op basis van de Wet natuurbescherming is het van belang bij de ruimtelijke planvorming vooraf te onderzoeken of en welke dier -en plantensoorten er in en nabij het plangebied voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voortbestaan van de gevonden soorten. Natura 2000 is het grootste initiatief op het gebied van natuurbescherming in Europa. Het is een samenhangend, Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Het netwerk wordt gerealiseerd door bijdragen van alle lidstaten van de Europese Unie. Behoud en herstel van de biodiversiteit in de Europese Unie is het doel. De Natura 2000-gebieden worden aangewezen op basis van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Activiteiten die negatieve gevolgen voor de natuurwaarden kunnen hebben (zoals uitbreiding van een camping of bouwactiviteiten in of nabij een beschermd gebied), mogen bijvoorbeeld niet plaatsvinden zonder vergunning. Er wordt alleen een vergunning verleend indien: -
-
de kwaliteit van de natuurlijke habitats niet verslechtert en er geen soorten worden verstoord (met dien verstande dat het gaat om soorten en habitats waarvoor het gebied is aangewezen); indien bovenstaande wel het geval is, alleen dan wanneer er geen alternatieve oplossing is, er een groot openbaar belang in het geding is en er compensatie plaats vindt.
Voor elk plan dat significante gevolgen kan hebben op een gebied dat is aangewezen als Natura 2000, Vogel- of habitatrichtlijngebied moet een passende beoordeling worden gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen. Toestemming mag verleend worden nadat zekerheid is 16
verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet aantast of als er geen alternatieve mogelijkheden zijn en het plan om dwingende redenen van openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moeten worden gerealiseerd. In dat geval moeten alle nodige compenserende maatregelen getroffen worden om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. Situatie initiatieflocatie De Oude Maas, gelegen op ruim 2 kilometer van de initiatieflocatie, is aangewezen als Habitatrichtlijngebied. Op een afstand 3,8 km ligt het Oude land van Strijen, een Vogelrichtlijn gebied. Op ruim 10 kilometer afstand ligt het Hollands Diep. In dit Natura2000 gebied zijn diverse delen aangewezen voor vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en Beschermd Natuurmonument.
Gelet op de grote afstand tot N2000 gebieden is er als gevolg van het realiseren van een rijbak geen sprake van directe effecten (geluid, trilling, licht). Er is geen kans op significant negatieve effecten als gevolg van externe werking (stikstof als gevolg van verkeersbewegingen). Het initiatief staat het halen van de instandhoudingsdoelstellingen in de genoemde Natura2000 gebieden niet in de weg. Het initiatief leidt niet tot aantasting van de wezenlijke kenmerken van Beschermd Natuurmonument. Aangezien er geen effecten te verwachten zijn op de Natuara2000 gebieden is er geen noodzaak tot het aanvragen van een vergunning. Ter voorkoming van schade aan de natuurwaarden dienen werkzaamheden altijd buiten het broedseizoen van vogels plaats te vinden. Ten aanzien van de initiatieflocatie geldt het volgende. Aangezien hier geen sprake is van sloop of renovatie en het intitiatief gepland is op intensief gebruikt weiland is onwaarschijnlijk dat beschermde plant- en diersoorten schade zullen ondervinden van het project en dat de verbodsbepalingen overtreden worden.
5. Milieuaspecten initiatief Het initiatief betreft het realiseren van een rijbak die hobbymatig zal worden gebruikt. Dit is geen inrichting in de zin van Artikel 1.1 van de Wet Milieubeheer. Een vergunning of melding Wet Milieubeheer is hier niet aan de orde. 17
5.1 Geluid Bij het gebruik van de rijbak zal enig geluid hoorbaar zijn. Om overlast te voorkomen is in het bestemmingsplan Buitengebied Binnenmaas is opgenomen dat de afstand tot woningen van derden ten minste 30 m dient te bedragen. Het initiatief voldoet aan deze afstandseis.
5.2 Bodem In het besluit en de regeling Bodembescherming staan de verplichte maatregelen en voorzieningen om de bodemrisico's bij bodembedreigende activiteiten verwaarloosbaar te maken, voor de duur van de bedrijfsmatige activiteiten. In de directe omgeving bevinden zich geen bodembeschermingsgebieden. Op de locatie was tot 2009 een glastuinbouwbedrijf gevestigd. Dit is gesaneerd en in het kader van de Ruimte voor Ruimte regeling zijn er woningen gebouwd. In dat traject is bodemonderzoek uitgevoerd en heeft er een sanering plaatsgevonden zo staat vermeld op het bodemloket. Bij de aanleg van de rijbak zal nauwelijks grond worden verzet en er wordt geen grond afgevoerd. De werkzaamheden zijn als volgt: -
toplaag (max 10 cm) verwijderen 20 x 60 m in depot leggen tbv later gebruik betonrandje neerleggen als begrenzing rijbak waterdicht folie plaatsen drainagesysteem leggen: 2 hoofddrainage slangen, 1 niveau regelput, 1 handbediende afsluiter zandmengsel met snippers en vezels egaliseren talud maken met eerder in depot geplaatste toplaag aan buitenzijde Het initiatief vormt geen bodembedreigende activiteit.
5.3 Bedrijven en milieuzonering Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNGbrochure ‘Bedrijven en Milieuzonering 2009’ wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Het initiatief betreft het planologisch mogelijk maken van een rijbak voor eigen, hobbymatig gebruik, dus niet bedrijfsmatig. Bovengenoemde zonering is om die reden hier minder goed bruikbaar.
18
De afstand tot de Koninkrijkszaal van de Jehova’s getuigen bedraagt 15 m. De achterzijde van dit gebouw vormt een geheel dichte gevel. De afstand tot de dichtstbijzijnde burgerwoning bedraagt 30 m. Om overlast te voorkomen is in het bestemmingsplan Buitengebied Binnenmaas opgenomen dat de afstand tot woningen van derden ten minste 30 m dient te bedragen. Het initiatief voldoet aan deze afstandseis. De afstand tot het meest nabij gelegen glastuinbouwbedrijf bedraagt ruim 200 m. De afstand tot het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf is ruim 700 m. De gehanteerde afstanden zullen voorkomen dat overlast ontstaat.
5.4 Externe veiligheid Externe Veiligheid (EV) gaat over het beheersen van risico’s die mensen lopen door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Er wordt uitgegaan van de zogenaamde risicobenadering waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico: Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico: Cumulatieve kansen per jaar dat tenminste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Dit besluit moet individuele en groepen burgers een basisbeschermingsniveau garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een inrichting. Op basis van de professionele risicokaart liggen er geen inrichtingen in de buurt van het plangebied. Transport van gevaarlijke stoffen: Voor het transport van gevaarlijke stoffen is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen relevant.
Op 1 april 2015 zijn zowel het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) als de Regeling basisnet in werking getreden. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). Het Bevt schrijft voor dat voor alle ruimtelijke plannen binnen het invloedsgebied van een transportroute aandacht moet worden geschonken aan de bestrijdbaarheid van een ramp en de zelfredzaamheid van personen (beperkte verantwoording, zie artikel 7). Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 meter van een transportroute is een uitgebreide verantwoording noodzakelijk (artikel 8). Op basis van de professionele risicokaart liggen er geen transportroutes binnen 200 m van de planlocatie.
19
Een rijbak is als zodanig in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) niet gedefinieerd als een (beperkt) kwetsbaar object. Omdat er gedurende de dag ook mensen aanwezig zijn, is het mogelijk te interpreteren als een beperkt kwetsbaar object. De paardenbak is geprojecteerd op circa 150 m ten noorden van de buisleidingstraat en ligt ruim buiten de risico-contour. Gelet op het geringe aantal personen in het plangebied en de zeer beperkte risico’s kan worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid de beoogde ontwikkeling niet in de weg staat.
5.5 Luchtkwaliteit Met wet- en regelgeving wil de overheid zorgen voor een goede luchtkwaliteit en de burgers beschermen tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De verontreiniging is afkomstig van verschillende bronnen. Denk bijvoorbeeld aan het gemotoriseerde verkeer, industriële en agrarische inrichtingen en achtergrondconcentraties van verontreinigende stoffen. Voorliggend initiatief leidt niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit vormt hiermee geen belemmering voor het initiatief.
20
6 Cultuurhistorie en archeologie Vrijwel het hele grondgebied van de gemeente Binnenmaas kent een oude bewoningsgeschiedenis. In het Bestemmingsplan Landelijk gebied heeft de initiatieflocatie een Dubbelbestemming Waarde – Archeologische verwachting Middelhoog. Voor gronden met deze bestemming geldt dat: De voor 'Waarde - Archeologische verwachting middelhoog 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. 37.4.1 Omgevingsvergunningplichtige werken Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 36.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a.
het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden;
b.
het bodemverlagen of afgraven van gronden;
c.
het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,5 m vanaf maaiveld;
d.
het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
e.
het aanleggen of verharden van wegen, rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
f.
het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport- energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies.
37.4.2 Toetsingscriterium Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 37.4.1 wordt slechts verleend, indien door de werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad. 37.4.3 Uitzonderingen Het in artikel 37.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing, indien: a.
het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
b.
er sprake is van bodemingrepen kleiner dan 500 m2 en niet dieper dan 0,5 m vanaf het maaiveld;
c.
op basis van bureauonderzoek, inventariserend of aanvullend archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn;
d.
de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
e.
1.
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
2.
mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning;
de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden op aanvullend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht.
21
Het initiatief betreft het planologisch mogelijk maken van een rijbak van 20 x 60 m. De bodemverstoring is niet dieper dan 10 cm. Het perceel is voorheen in gebruik geweest voor glastuinbouw en later voor de teelt van bloemkool en als weidegrond. De bodem is daardoor tot tenminste 30 cm regelmatig bewerkt en verstoord. In de bovenste 10 cm kunnen daarom geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn. Het initiatief voldoet daarmee aan de uitzondering genoemd in artikel 37.4.3. Het is initiatief is niet is strijd met de archeologische voorwaarden zoals genoemd in het bestemmingsplan. Daarmee verzetten Archeologische waarden zich niet tegen realisering van het initiatief.
22
7 Waterparagraaf In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Hieronder de regels van het waterschap: Strategie Het watersysteem dient te voldoen aan het principe van waterneutraal bouwen, dit wil zeggen: waar het verharde oppervlak toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken en infiltratie van water mogelijk te maken. Uitgangspunt vasthouden-bergen-afvoeren Bij het oplossen van waterhuishoudkundige problemen wordt afwenteling voorkomen. Randvoorwaarden Oplossingen voor eventuele waterhuishoudkundige problemen dienen bij voorkeur in het plangebied gevonden te worden. Indien dit niet mogelijk is dient dichtbij het plangebied compensatie gezocht te worden. Compensatie dient in ieder geval binnen hetzelfde peilgebied plaats te vinden. De verbindingen tussen wateren horen daar ook bij.
De berekening van te realiseren berging is gebaseerd op de randvoorwaarde dat de afvoer maximaal 2 l/s/ha bedraagt. Bij een plan wordt gebruik gemaakt van de vuistregel dat 10% van de toename aan m2 verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden. Hierbij geldt een ondergrens van 500 m2 in het stedelijk gebied. In het landelijke gebied is de ondergrens 1500 m2.; bij een kleiner oppervlak verhard is geen compenserende waterberging nodig. Dit volume wordt bij voorkeur gerealiseerd in de vorm van open water. In het stedelijk gebied mag het waterpeil maximaal tot aan maaiveld stijgen bij een maatgevende bui waarvan de kans van voorkomen eens per 100 per jaar is. Voor land- en tuinbouw is dat eens per 50 jaar, voor akkerbouw eens per 25 jaar en voor grasland eens per 10 jaar. Hierbij mag nergens inundatie optreden. De aanwezige ruimte voor berging mag niet afnemen. De waterberging wordt altijd berekend boven het streefpeil. De berging wordt niet later gerealiseerd dan de uitvoering van de rest van het plan.
Het initiatief Het drainagesysteem in de rijbak staat los van, en heeft geen invloed op, het omliggende watersysteem op het perceel. Regenwater wordt opgevangen om de bak voldoende vochtig te houden. Overtollig regenwater wordt vertraagd afgevoerd. Onderstaand een uitsnede uit het WSHD watersysteem met de planlocatie (niet op schaal).
23
Wateraspecten staan realisering van het initiatief niet in de weg.
24
8 Conclusies Het initiatief betreft het realiseren van een rijbak van 20 x 60 m op het perceel behorende bij Buyensweg 5, kadastraal bekend Mijnsheerenland, Sectie E, nummer 1087. Het realiseren van deze rijbak is in deze ruimtelijke onderbouwing afgewogen. Het initiatief is passend binnen het ruimtelijk beleid en kan met afwijking van het bestemmingsplan worden gerealiseerd. Ruimtelijke aspecten vormen geen belemmering voor het initiatief Het initiatief voldoet ruimschoots aan gestelde Milieuaspecten. Cultuurhistorische en archeologische waarden staan de realisering van het initiatief niet in de weg. Wateraspecten staan realisering van het initiatief niet in de weg. Watercompensatie is voor dit initiatief van beperkte omvang niet noodzakelijk.
25
9 Uitvoerbaarheid 9.1Economische uitvoerbaarheid Het initiatief wordt door initiatiefnemer voor eigen rekening en risico uitgevoerd. Voor de gemeente zijn hier geen kosten aan verbonden.
9.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De omgevingsvergunning zal de procedure doorlopen en ter inzage worden gelegd. Het plan is als omgevingsdialoog afgestemd met de buren, waaronder ook de Koninkrijkszaal van de Jehova’s getuigen. De buren hebben geen bezwaren tegen de rijbak.
10 Inspraak Het ontwerpbesluit omgevingsvergunning heeft met alle bijbehorende stukken van ………………. ter inzage gelegen. Tevens is het plan voorgelegd aan een aantal (overheids)instanties in het kader van het wettelijk vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Tijdens de inzagetermijn zijn wel / geen zienswijzen ingediend en zijn er wel / geen inhoudelijke reacties in het kader van het wettelijk vooroverleg ontvangen.
26