Quick scan Wet natuurbescherming
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming
Hofstraat 5-10 te Westmaas
Rapportnummer: Status rapport: Datum rapport:
20190117/rap01 versie 1 13 februari 2019
Auteur: Projectleider: Kwaliteitscontrole:
Bastiaan van de Wetering Pim Godschalk Pim Godschalk
Opdrachtgever:
Fam. Plomp T.a.v. de heer C. Plomp Hofstraat 10A 3273 AH Westmaas
Dit rapport is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud van de rapportage is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven.
INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING ........................................................................................................................................... 1 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 1 1.2 Wet natuurbescherming ................................................................................................................. 1 1.2.1 Soortenbescherming ................................................................................................................ 1 1.2.2 Gebiedenbescherming ............................................................................................................. 2 1.2.3 Houtopstanden ......................................................................................................................... 2 1.3 Overige gebiedenbescherming ...................................................................................................... 2 1.4 Doel ................................................................................................................................................ 2 1.5 Kwaliteitsborging ............................................................................................................................
3 1.6 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 3 2 HUIDIGE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE ........................................................................................... 4 2.1 Beschrijving huidige situatie .......................................................................................................... 4 2.2 Werkzaamheden en toekomstige situatie ...................................................................................... 6 3 METHODE ............................................................................................................................................ 9 3.1 Opzet onderzoek ............................................................................................................................ 9 3.2 Literatuuronderzoek ....................................................................................................................... 9 3.3 Veldonderzoek ............................................................................................................................... 9 4 RESULTATEN LITERATUUR- EN VELDONDERZOEK ..................................................................
12 4.1 Flora ............................................................................................................................................. 12 4.2 Broedvogels met jaarrond beschermde nesten (cat.1 t/m 4) ...................................................... 12 4.3 Broedvogels met niet jaarrond beschermde nesten, inventarisatie gewenst (cat. 5) .................. 12 4.4 Algemene broedvogels ................................................................................................................ 12 4.5 Vleermuizen ................................................................................................................................. 13 4.6 Grondgebonden zoogdieren ........................................................................................................ 13 4.7 Amfibieën, reptielen en vissen ..................................................................................................... 13 4.8 Vlinders, libellen en overige ongewervelden ............................................................................... 14 4.9 Samenvatting resultaten .............................................................................................................. 14 5 EFFECTENANALYSE EN MAATREGELEN ....................................................................................
15 5.1 Inleiding ........................................................................................................................................ 15 5.2 Vogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 1 t/m 4)............................................................... 15 5.2.1 Effecten .................................................................................................................................. 15 5.2.2 Maatregelen ........................................................................................................................... 15 5.3 Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (categorie 5) ........................................................ 15 5.4 Algemene broedvogels ................................................................................................................ 15 5.4.1 Effecten .................................................................................................................................. 15 5.4.2 Maatregelen ........................................................................................................................... 16 5.5 Vleermuizen .................................................................................................................................
16 5.5.1 Effecten .................................................................................................................................. 16 5.5.2 Effecten .................................................................................................................................. 16 5.5.3 Maatregelen ........................................................................................................................... 16 5.6 Aanvullende maatregelen (t.a.v. zorgplicht en pioniersoorten) ................................................... 17 5.7 Potentiële beschermde soorten per element ............................................................................... 17 6 GEBIEDENBESCHERMING .............................................................................................................. 18 6.1 Natura 2000 ................................................................................................................................. 18 6.2 Planologische gebiedenbescherming .......................................................................................... 18 7 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN.............................................................................................. 20 7.1 Soortenbescherming ....................................................................................................................
20 7.2 Gebiedenbescherming ................................................................................................................. 20
1 INLEIDING 1.1 Aanleiding De familie Plomp heeft het voornemen om hun terrein aan de Hofstraat te Westmaas her in te richten, hiervoor worden alle groenstructuren en bouwelementen verwijderd. Om te bepalen of de voorgenomen plannen (mogelijk) leiden tot een overtreding van de vigerende natuurwetgeving, is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. 1.2 Wet natuurbescherming 1.2.1 Soortenbescherming Algemeen Via de Wet natuurbescherming (Wnb) is de bescherming van diverse inheemse planten en dieren in Nederland vastgelegd. Naast de algemeen geldende zorgplicht voor alle in het wild levende planten en dieren (artikel 1.11 van de Wnb), geldt voor een aantal soorten een aanvullend beschermingsregime. Deze aanvullend beschermde soorten zijn onderverdeeld in drie groepen, namelijk: - vogels (artikel 3.1, alle soorten uit de Europese Vogelrichtlijn); - overige strikt beschermde soorten, waaronder soorten uit de Europese Habitatrichtlijn (artikel 3.5, dit betreffen o.a. vleermuizen); - nationaal beschermde soorten, waaronder soorten uit de Rode Lijst (artikel 3.10). Het is volgens de Wnb niet toegestaan om (het leefgebied van) beschermde soorten aan te tasten. Dit is vastgelegd middels verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden1.
Vrijstelling binnen provincie Zuid-Holland Provincies hebben de bevoegdheid om middels een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten in het kader van bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke ontwikkeling. In het geval van de provincie Zuid-Holland worden de volgende nationaal beschermde soorten vrijgesteld: Bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker, bastaardkikker, aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel, woelrat. (bron: Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland, d.d. 9 november 2016. Voorzorgsmaatregelen Een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb is soms te voorkomen door (voorafgaand aan de werkzaamheden) voorzorgsmaatregelen te treffen. Deze voorzorgsmaatregelen zijn gericht op het behoud van de functionaliteit van de groeiplaats van flora en de voortplanting- en/of vaste rust- en verblijfplaats van fauna. Daarnaast voorkomen de voorzorgsmaatregelen de negatieve gevolgen van een activiteit op individuen (o.a. doding en verwonding). Ontheffingsplicht Een ontheffingsplicht (artikel 3.3, 3.8 en 3.10 uit de Wnb) is van toepassing als een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb niet kan worden voorkomen door het nemen van voorzorgsmaatregelen.
1
In artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming wordt meerdere malen gesproken over het verbod tot opzettelijke handelingen (o.a. opzettelijke doding, verstoring en vernieling). Binnen de Wet natuurbescherming omvat de term ‘opzettelijk’ tevens voorwaardelijk opzet, waardoor (evenals onder de voormalige Flora- en faunawet) een groot aantal handelingen onder de verbodsbepalingen vallen. In verband met de leesbaarheid wordt de term ‘opzettelijk’ in voorliggende rapportage niet meer aangehaald. Uiteraard wordt dit (in de situaties waarvoor dit van toepassing is) wel bedoeld.
Quickscan Wet natuurbescherming Hofstraat 5-10 te Westmaas Kenmerk: 20190117/rap01, versie 1, d.d. 13 februari 2019
Blz. 1 van 20
Het is mogelijk om met een goed onderbouwd projectplan een ontheffing aan te vragen bij de desbetreffende provincie (in deze de provincie Zuid-Holland, de uitvoerende instantie is Omgevingsdienst Haaglanden). De provincie (het bevoegd gezag) toetst de aanvraag vervolgens aan drie criteria: • Dient het planvoornemen in één van de in de wet genoemde belangen (bijv.in het belang van de instandhouding van natuurlijke habitats)? • Is er een ‘andere bevredigende oplossing’ mogelijk? • Doet de ontheffing afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort? 1.2.2 Gebiedenbescherming Via de Wnb is tevens de bescherming van gebieden vastgelegd. De gebiedenbescherming houdt samengevat in dat een ingreep geen significant negatieve effecten op kwalificerende habitats en/of soorten van Natura 2000-gebieden mag hebben. Indien significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, is een vergunningaanvraag noodzakelijk. Naast plannen in of nabij Natura 2000-gebieden, kunnen ook plannen op grotere afstand van Natura 2000-gebieden significant negatieve effecten op kwalificerende habitats en/of soorten tot gevolg hebben: •
Bij plannen op relatief grote afstand van Natura 2000-gebieden kunnen nadelige effecten optreden door toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Een toename van 0,05 mol/ha/jr is meldings- of vergunningplichtig.
•
Plannen kunnen een negatief effect hebben op (leefgebied van) kwalificerende soorten buiten een Natura 2000-gebied, waardoor nadelige effecten optreden op de doelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied. Dit kan het geval zijn wanneer het foerageergebied van een kwalificerende soort van een Natura 2000-gebied binnen het plangebied ligt. Effecten op het foerageergebied kunnen leiden tot afname van aantallen binnen het Natura 2000-gebied (bijvoorbeeld bij bruine kiekendief, kleine zwanen, ganzen).
1.2.3 Houtopstanden Volgens artikel 4.2 Wnb is het verboden een houtopstand buiten de bebouwde kom geheel of gedeeltelijk te vellen zonder melding bij het bevoegd gezag. Bovendien geldt een herplantplicht. Een houtopstand beslaat 10 are of meer of is een rijbeplanting van meer dan 20 rijen en moet aan een aantal voorwaarden voldoen. Voor een aantal gevallen geldt een uitzondering, bijvoorbeeld voor houtopstanden op erven, fruitbomen voor productie of grienden en hakhout (zie voor de volledige lijst art. 4.1 van de Wnb). Voor houtopstanden binnen de bebouwde kom is de Wnb niet van toepassing, maar geldt het beleid van de gemeente waarbinnen de projectlocatie gelegen is. Voor dit project is toetsing aan het onderdeel Houtopstanden niet van toepassing. 1.3 Overige gebiedenbescherming Binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen was dit de EHS) geldt het ‘Nee, tenzij’beschermingsregime. Significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN (per saldo) is niet toegestaan, tenzij sprake is van een groot openbaar belang en er geen alternatieven zijn. De wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN zijn onder andere bodemkenmerken, landschappelijke waarden en natuurwaarden. Eventuele schade moet worden gemitigeerd, of (indien mitigatie niet mogelijk is) worden gecompenseerd.
1.4 Doel De quickscan is een verkennende toets om na te gaan of door uitvoering van de voorgenomen plannen mogelijk overtreding van de Wnb optreedt. Het doel van de quickscan is geformuleerd in enkele onderzoeksvragen: Quickscan Wet natuurbescherming Hofstraat 5-10 te Westmaas Kenmerk: 20190117/rap01, versie 1, d.d. 13 februari 2019
Blz. 2 van 20
Onderzoeksvragen t.a.v. soortenbescherming: S1. Welke Wnb-beschermde soorten maken (mogelijk) gebruik van de planlocatie? S2. Wat zijn de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op deze beschermde soorten? S3. Is aanvullend ecologisch onderzoek naar één of meerdere soorten noodzakelijk2? S4. Welke voorzorgsmaatregelen dienen te worden uitgevoerd om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen? S5. Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen werkzaamheden een ontheffing van de Wnb aan te vragen? Onderzoeksvragen t.a.v. gebiedenbescherming: G1. Ligt het plangebied in of nabij een Natura 2000-gebied of binnen het NNN? G2. Kunnen negatieve effecten op beschermde gebieden bij voorbaat worden uitgesloten? G3. Is een toetsing aan de gebiedenbescherming (voortoets, verslechteringstoets, passende beoordeling en/of Nee, tenzij-toets) noodzakelijk? 1.5 Kwaliteitsborging De quickscan is uitgevoerd door een ervaren ecoloog van ATKB. De ecoloog voldoet aan de definitie die Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) hanteert van een ter zake kundige voor het opstellen van toetsingen aan de Wnb. Daarnaast is ATKB aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); een brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. 1.6 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is een beschrijving van het plangebied weergegeven en de uit te voeren werkzaamheden zijn hier benoemd.
In hoofdstuk 3 wordt de methode beschreven. Hoofdstuk 4 gaat in op de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten. In hoofdstuk 5 worden globaal de effecten bepaald van het plan op de soorten die (mogelijk) gebruik maken van het plangebied. Hier worden ook beknopt maatregelen voorgesteld om zorgvuldig te handelen ten aanzien van beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt kort beargumenteerd of een toetsing aan de gebiedenbescherming noodzakelijk is. In hoofdstuk 7 worden (middels beantwoording van de onderzoeksvragen uit paragraaf 1.3) de conclusies en aanbevelingen uit voorliggend rapport op een rij gezet.
2
In sommige gevallen kan de aanwezigheid van beschermde soorten op basis van een quickscan niet worden uitgesloten. Dit aangezien sommige beschermde soorten met een eenmalig veldbezoek lastig zijn waar te nemen of enkel in een bepaalde periode van het jaar waarneembaar zijn. Als met de quickscan de aanwezigheid van deze soorten niet valt uit te sluiten, kan een aanvullend ecologisch onderzoek noodzakelijk zijn.
Quickscan Wet natuurbescherming Hofstraat 5-10 te Westmaas Kenmerk: 20190117/rap01, versie 1, d.d. 13 februari 2019
Blz. 3 van 20
2 HUIDIGE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE 2.1 Beschrijving huidige situatie De te onderzoeken locatie gelegen aan de Hofstraat bestaat uit de huisnummers 5, 6, 7, 9, 10 en 10A en is voor ca. 40% verhard en voor ca. 60% onverhard. Het verharde oppervlakte is gelegen aan de Hofstraat en beslaat het westelijke deel van het perceel. Het westelijke perceel is in gebruik door een transportbedrijf.. Het oostelijke gelegen deel van het perceel is omringd door de Binnenbedijkte maas en wordt tot op heden gebruikt als camping (zie figuur 2-1). De verlichting binnen het plangebied bestaat uit enkele bouwlampen en buitenlampen. De bebouwing is in figuur 2-3 weergegeven met een eigen nummering. De bebouwing binnen het plangebied bestaat uit een groot woonhuis (1) met een dak met dakpannen en in de dakgoten gaas als broedvogelwering. Aan de Hofstraat staat een kleine loods (2) met een dakpannen dak, enkele kapotte nokpannen en een bakstenen muur. Hiernaast staat een klein woonhuis (3) met een steil dak met dakpannen, waarvan er enkele scheef zitten (en ruimte bieden tot het dak). Aan het kleine woonhuis staat een enkelwandige, grote loods inclusief opstal (4) met golfplaten. Achter de opstal is een doucheruimte (5) aanwezig. De dakbedekking en dakgoot van deze ruimte zijn zonder kieren.
Als laatste de uitgebouwde caravans en chalets op het campingterrein (6), deze zijn allen enkelwandig, hebben een dak van dakleer of golfplaten en zijn naadloos afgewerkt. In alle bebouwing zijn geen toegangsgaten of kieren naar de spouwmuur aanwezig (indien van toepassing). De groenstructuren binnen het plangebied bestaan uit verschillende bomen (zonder holten), dichte struiken, een grasveld, een coniferenhaag en aan de noordzijde van het plangebied een rietkraag van ca. 2 meter breed. De noordwestelijke oever van het omliggende water bestaat uit riet en gras en de oostelijke oever bestaat uit een betonnen kademuur, welke als aanlegplaats dient voor kleine boten. Een foto-impressie van het plangebied is weergegeven is figuur 2-2.
Figuur 2-1. Globale ligging plangebied (rood omlijnd) t.o.v. de omgeving (bron ondergrond: PDOK).
Quickscan Wet natuurbescherming Hofstraat 5-10 te Westmaas Kenmerk: 20190117/rap01, versie 1, d.d. 13 februari 2019
Blz. 4 van 20
Overzicht van de camping met de houten chalets en uitgebouwde stacaravans (6) en aan de rechtse zijde een deel van de verharde oever met het haventje.
De foto’s tonen de groenstructuren binnen het plangebied met links de rietkraag en boompjes en rechts de dichte coniferenhaag.
Het grote woonhuis (1) met dakpannen.
Quickscan Wet natuurbescherming Hofstraat 5-10 te Westmaas Kenmerk: 20190117/rap01, versie 1, d.d. 13 februari 2019
De kleine loods (2) met dakpannen.
Blz. 5 van 20
Het kleine woonhuis (3) met steil dak
Het douchegebouw (5)
De grote loods (4) op de linkse foto met de aangebouwde opstal op de rechtse foto Figuur 2-2. Huidige situatie plangebied, de nummers achter de bouwelementen verwijzen naar figuur 2-3.
2.2 Werkzaamheden en toekomstige situatie De werkzaamheden bestaan uit de volgende fasen: De verharding binnen het plangebied wordt verwijderd, bomen en struiken worden gekapt en grasland wordt afgegraven. Alle woningen, loodsen, chalets en stacaravans worden verplaatst of geamoveerd. Hierna wordt het terrein opgeleverd voor de geplande herinrichting (zie figuur 2-4).
Quickscan Wet natuurbescherming Hofstraat 5-10 te Westmaas Kenmerk: 20190117/rap01, versie 1, d.d. 13 februari 2019
Blz. 6 van 20
6
5
4
3 2 1
Figuur 2-3. Nummering bouwelementen binnen het plangebied. Het grote woonhuis (1), de kleine loods (2), het kleine woonhuis (3), de grote loods inclusief opstal (4), het douchegebouw (5) en de houten chalets en uitgebouwde stacaravans (6) (bron ondergrond: bagviewer.nl)
Quickscan Wet natuurbescherming Hofstraat 5-10 te Westmaas Kenmerk: 20190117/rap01, versie 1, d.d. 13 februari 2019
Blz. 7 van 20
Figuur 2-4: De toekomstige inrichting van het plangebied (rood omlijnd)
Quickscan Wet natuurbescherming Hofstraat 5-10 te Westmaas Kenmerk: 20190117/rap01, versie 1, d.d. 13 februari 2019
Blz. 8 van 20
3 METHODE 3.1 Opzet onderzoek Een quickscan Wet natuurbescherming is een eenmalige beoordeling van het plangebied, waarin globaal wordt gekeken naar aanwezige en te verwachten (beschermde) soorten. Hiertoe worden een literatuur- en veldonderzoek uitgevoerd. Er wordt tijdens de quickscan een volledige beoordeling van het plangebied als leefgebied voor beschermde soorten uitgevoerd. Een quickscan is echter geen volledig ecologisch onderzoek naar alle mogelijk voorkomende soorten, in de daarvoor geschikte perioden van het jaar. Hierdoor is een quickscan vaak niet voldoende als onderbouwing van een eventuele aanvraag voor een ontheffing op de Wet natuurbescherming. Indien uit de quickscan echter blijkt dat geen noodzaak bestaat tot nader onderzoek of een ontheffing, is een quickscan een afdoende ecologische onderbouwing voor het bevoegd gezag. Dit geldt ook als de quickscan onderdeel vormt van de ruimtelijke onderbouwing van een bestemmingsplan. De bevindingen uit de quickscan Wet natuurbescherming zijn in de regel 5 jaar geldig, tenzij het gebied in de tussentijd dermate is gewijzigd dat er ander biotoop is ontstaan. Een (nader) onderzoek naar beschermde soorten uit de Habitatrichtlijn is 3 jaar geldig. 3.2 Literatuuronderzoek Het literatuuronderzoek heeft tot doel een beeld te krijgen van (eventueel) aanwezige Wnbbeschermde soorten in (de omgeving van) het plangebied.
Voor het literatuuronderzoek is een straal van 2 kilometer rondom het plangebied als zoekgebied gebruikt. Voor het literatuuronderzoek is gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF); dit is de meest complete databank in Nederland met verspreidingsinformatie van flora en fauna. De NDFF is geraadpleegd op 4 februari 2019. Aangezien ook de NDFF niet volledig is, is tevens gebruik gemaakt van eigen soort- en gebiedskennis (expert judgement). 3.3 Veldonderzoek Het veldonderzoek heeft tot doel te bepalen of de beschermde soorten die in de omgeving van het plangebied (kunnen) voorkomen (deze volgen uit het literatuuronderzoek) tevens in het plangebied (kunnen) voorkomen. Op 7 februari 2019 is het veldbezoek uitgevoerd; hierbij was sprake van droge en vrij koude weersomstandigheden. Tijdens het veldbezoek is gekeken naar de geschiktheid van het plangebied als groeiplaats/verblijfplaats voor (in de omgeving aanwezige) beschermde soorten. Tevens is tijdens het veldbezoek gelet op de aanwezigheid van beschermde soorten en sporen hiervan (zoals uitwerpselen, pootafdrukken, vraatsporen en aanwezige (oude) nesten / verblijfplaatsen). De bepaling van de geschiktheid van het plangebied voor beschermde soorten is op onderstaande manier uitgevoerd: Flora Het plangebied wordt beoordeeld op geschiktheid als habitat voor beschermde plantensoorten.
Tevens wordt gelet op eventuele groeiplaatsen van beschermde plantensoorten (deze zijn echter niet jaarrond zichtbaar). Broedvogels met jaarrond beschermde nesten (cat.1 t/m 4) De nesten van vogelsoorten binnen categorie 1 t/m 4 zijn jaarrond beschermd. Dit geldt ook voor de directe omgeving die nodig is om de jongen succesvol groot te brengen (rust- en foerageergebied).
Quickscan Wet natuurbescherming Hofstraat 5-10 te Westmaas Kenmerk: 20190117/rap01, versie 1, d.d. 13 februari 2019
Blz. 9 van 20
Jaarrond beschermde nesten kunnen aanwezig zijn in bomen (bijv. roofvogelhorsten) of gebouwen (bijv. gierzwaluw en huismus). Tijdens het veldbezoek bepalen we of in het plangebied vaste nesten aanwezig (kunnen) zijn. Daarnaast wordt gezocht naar sporen van jaarrond beschermde nesten, bijvoorbeeld braakballen van uilen en roofvogels, uitwerpselen op de grond/muren en territoriale aanwezigheid van vogels met jaarrond beschermde nesten. Tenslotte wordt beoordeeld of het plangebied mogelijk essentieel rust- en foerageergebied voor vogels van categorie 1 t/m 4 vormt. Broedvogels met niet jaarrond beschermde nesten, inventarisatie gewenst (cat. 5) Vogels met niet-jaarrond beschermde nesten (categorie 5-broedvogels) betreffen broedvogels die in principe niet jaarrond beschermd zijn, maar waarvan het ministerie van EZ wel een inventarisatie verlangt. Deze soorten zijn enkel jaarrond beschermd als de ecologische omstandigheden dit rechtvaardigen, oftewel als verwacht wordt dat uitvoering van de plannen grote nadelige effecten zouden kunnen hebben op de lokale populatie van een soort. Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of in het plangebied nesten van categorie 5 aanwezig (kunnen) zijn. Daarnaast zoeken we ook naar sporen van deze nesten, bijvoorbeeld braakballen, uitwerpselen op de grond of muren, territoriale aanwezigheid van vogels met jaarrond beschermde nesten.
Algemene broedvogels Nesten van algemene broedvogels zijn enkel tijdens het broedseizoen beschermd. Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of binnen het plangebied broedgelegenheid is voor algemene broedvogels zoals winterkoning, heggenmus en vink. Tevens letten we op aanwijzingen voor broedgevallen, zoals territoriale en/of zingende vogels, oude nesten en uitwerpselen. Vleermuizen Van alle van nature in Nederland voorkomende vleermuizen worden zowel de verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes en essentiële foerageerroutes beschermd. Voor vleermuizen wordt bepaald of gebouwen en/of bomen in het plangebied geschikt (kunnen) zijn als vleermuisverblijfplaats: Gebouwbewonende vleermuizen (o.a. gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis) gebruiken vaak spouwruimten als verblijfplaats, welke zij bijvoorbeeld via een open stootvoeg of via kieren in de buitenmuur kunnen bereiken. Ook gebruiken ze regelmatig ruimtes achter daklijsten of betimmeringen als verblijfplaats. De geschiktheid van gebouwen wordt beoordeeld op basis van de aanwezigheid van dergelijke structuren. Tijdens het veldbezoek zijn de meeste gebouwen zelf niet betreden, maar van buiten geïnspecteerd. Het douchegebouw en de opstal zijn ook aan de binnenzijde geïnspecteerd; Boombewonende vleermuizen (o.a.
ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis) verblijven in holtes, spleten of onder loshangend schors van bomen. Bomen worden met een verrekijker vanaf de grond beoordeeld op aanwezigheid van dergelijke kenmerken. Tevens wordt tijdens het veldonderzoek bepaald of sprake is van lijnvormige landschapsstructuren die van belang kunnen zijn als vliegroute. Hierbij wordt bepaald of sprake is van doorgaande watergangen en aaneengesloten bomenrijen. Tevens wordt (om de essentie van de vliegroute te bepalen) gelet op vergelijkbare structuren in de directe omgeving van het plangebied die als alternatief kunnen fungeren. Tenslotte wordt bepaald of sprake is van landschapsstructuren (bijvoorbeeld opgaand groen) die van belang kunnen zijn als foerageergebied. Om de essentie van het foerageergebied te bepalen, wordt tijdens het veldbezoek gelet op vergelijkbare structuren in de directe omgeving van het plangebied die als alternatief kunnen fungeren.
Quickscan Wet natuurbescherming Hofstraat 5-10 te Westmaas Kenmerk: 20190117/rap01, versie 1, d.d. 13 februari 2019
Blz. 10 van 20
Grondgebonden zoogdieren Het gebied wordt beoordeeld op geschiktheid als leefgebied voor beschermde grondgebonden zoogdieren (o.a. eekhoorn, das, kleine marterachtigen), waarbij wordt gelet op sporen, zoals uitwerpselen, pootafdrukken, vraatsporen, wissels, looppaadjes) en aanwezige (oude) nesten / verblijfplaatsen. Tevens worden eventuele zichtwaarnemingen genoteerd. Amfibieën Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of het plangebied geschikt voortplantingshabitat, zomerhabitat en/of overwinteringsplekken voor beschermde amfibieën biedt. Bij aanwezigheid van een potentieel geschikt voortplantingswater voor beschermde soorten, wordt het water steekproefsgewijs met een (RAVON-)schepnet bemonsterd. Bij aanwezigheid van potentieel geschikt landhabitat wordt direct (steekproefsgewijs) gecontroleerd op de mogelijke aanwezigheid van beschermde amfibieën tussen de vegetatie en op donkere, vochtige plekken (onder stukken hout e.d.). Reptielen Tijdens het veldbezoek wordt gelet op de mogelijke aanwezigheid van geschikt habitat voor reptielen, zoals zanderige, structuurrijke plekken en schuilmogelijkheden. Indien sprake is van geschikt habitat wordt (bij uitvoering van het veldbezoek in de geschikte periode) direct (steekproefsgewijs) gecontroleerd op eventueel aanwezige individuen (onder takkenhopen e.d.).
Vissen Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of oppervlaktewater (indien aanwezig) geschikt is voor beschermde vissoorten. Hierbij wordt gelet op o.a. bodemsubstraat, helderheid, voedselrijkdom en de aanwezigheid van onderwater- en oevervegetatie. Bij ogenschijnlijke geschiktheid van de watergang voor beschermde soorten, wordt het water steekproefsgewijs met een (RAVON-)schepnet bemonsterd. Vlinders, libellen en overige ongewervelden Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of het plangebied geschikt is als habitat voor beschermde soorten vlinders, libellen en overige ongewervelden (o.a. kevers en tweekleppigen). Hierbij wordt o.a. gelet op de aanwezigheid van waardplanten (voor vlinders), water met geschikte ei-afzetplaatsen (voor libellen) en helder water met een rijke waterbeplanting (voor platte schijfhoren). Tijdens het veldbezoek wordt direct gelet op aanwijzingen van gebruik van het plangebied door beschermde ongewervelden (o.a. poppen, vervellingshuidjes, larven, nimfen). Bij aanwezigheid van potentieel geschikte watergang/poel (voor beschermde libellen, waterkevers en platte schijfhoren) wordt het water steekproefsgewijs met een (RAVON-)schepnet bemonsterd.
Quickscan Wet natuurbescherming Hofstraat 5-10 te Westmaas Kenmerk: 20190117/rap01, versie 1, d.d. 13 februari 2019
Blz. 11 van 20
4 RESULTATEN LITERATUUR- EN VELDONDERZOEK 4.1 Flora Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen beschermde soorten voor komen. In lijn hiermee is het plangebied ongeschikt geacht als groeiplaats voor beschermde soorten vaatplanten door het ontbreken van open grond en door het intensieve maaibeheer van het grasveld. 4.2 Broedvogels met jaarrond beschermde nesten (cat.1 t/m 4) Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende broedvogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4 broedvogels) voorkomen: buizerd, huismus, gierzwaluw, ooievaar en sperwer. Niet alleen de nesten van deze vogels zijn jaarrond beschermd, maar ook de directe omgeving die nodig is om de jongen succesvol groot te brengen (rust- en foerageergebied). Derhalve is bij het veldbezoek zowel op de geschiktheid als broedlocatie als de geschiktheid als rust- en foerageergebied gelet. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied door het ontbreken van grote nesten in bomen en op gebouwen ongeschikt is als broedplaats voor buizerd, sperwer en ooievaar. In de omgeving en binnen het plangebied zijn geen waarnemingen gedaan van huismus. De bebouwing binnen het plangebied is ongeschikt als broedplaats voor huismus. Het grote woonhuis (1)3 is door het aangebrachte gaas in de dakgoot ongeschikt als broedplaats voor huismus.
De kleine loods (2) met dakpannen is ongeschikt doordat het een hoge loods is en omgeven door verhard terrein zonder dichte groenstructuren. Het kleine woonhuis (3) biedt door het steile dak geen plaats aan huismussen. De overige gebouwen zijn door het ontbreken van dakpannen en andere gaten in de wand of het dak ongeschikt als broedplaats voor huismus. De grote woning (1), de kleine loods (2) en de kleine woning (3) zijn door de losliggende dakpannen/nokpannen/kantpannen wel geschikt als potentiële broedplaats voor de gierzwaluw. 4.3 Broedvogels met niet jaarrond beschermde nesten, inventarisatie gewenst (cat. 5) Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten (categorie 5-broedvogels) voor (kunnen) komen: ekster, grote bonte specht, huiszwaluw, koolmees, pimpelmees en zwarte kraai. Vogels uit deze categorie betreffen broedvogels waarvan de nesten in principe niet jaarrond beschermd zijn, maar waarvan het ministerie van EZ wel een inventarisatie verlangt en waarvan de soorten jaarrond beschermd zijn als de ecologische omstandigheden dit rechtvaardigen. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied door het ontbreken van holtes in bomen en gebouwen ongeschikt is als broedplaats voor holtebroeders als: pimpelmees en koolmees.
De hoge bomen zijn geschikt als broedplaats voor ekster en zwarte kraai. 4.4 Algemene broedvogels Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied diverse algemene broedvogels voor (kunnen) komen, waaronder: boerenzwaluw, putter, roodborst, merel en houtduif. Nesten van algemene broedvogels zijn enkel tijdens het broedseizoen beschermd. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende soorten algemene broedvogels waargenomen: meerkoet, waterhoen, fuut, wilde eend, putter en groenling. Uit het veldonderzoek blijkt dat de rietkraag geschikt is als broedplaats voor meerkoet en fuut. De haag en struiken langs het water zijn geschikt als broedplaats voor wilde eend en waterhoen. Verder kunnen in de haag en andere struiken algemene broedvogels als houtduif, roodborst, merel en putter tot broeden komen. 3 Nummering achter bouwelementen verwijst naar figuur 2-3
Quickscan Wet natuurbescherming Hofstraat 5-10 te Westmaas Kenmerk: 20190117/rap01, versie 1, d.d. 13 februari 2019
Blz. 12 van 20
4.5 Vleermuizen Binnen het plangebied zijn de volgende bouwelementen geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen: van het grote woonhuis (1) zijn de kantpannen en rand onder de dakgoot geschikt als verblijfplaats. Tevens hebben de kantpannen en nokpannen van de kleine loods (2) en het steile dak van het kleine woonhuis (3) potentie als verblijfplaats. Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende vleermuizen voor (kunnen) komen: Gewone en ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied geschikt is als potentieel foerageergebied voor vleermuizen. Het betreft echter niet-essentieel foerageergebied, tevens is het plangebied in de nachtelijke uren verlicht door grote lampen. Wanneer de struiken en bomen binnen het plangebied verdwijnen, blijft voldoende alternatief foerageergebied in de omgeving aanwezig in de vorm van water en groenstructuren in tuinen (figuur 4-1). Het plangebied is geen (onderdeel van) een lijnvormig element, waardoor een vliegroute van vleermuizen uitgesloten is.
Figuur 4-1: De omgeving biedt voldoende alternatieve groenstructuren (rood gearceerd) ook het water (donker vlak rechtsboven) blijft geschikt als foerageergebied ten opzichte van het plangebied (geel omlijnd). (bron ondergrond: pdokviewer.pdok.nl)
4.6 Grondgebonden zoogdieren Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de Noordse woelmuis voor (kan) komen. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied door het ontbreken van structuurrijke rietlanden met een wisselend waterpeil ongeschikt is als functioneel leefgebied voor de Noordse woelmuis. 4.7 Amfibieën, reptielen en vissen Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen beschermde amfibieën en reptielen voor (kunnen) komen. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied door het ontbreken
Quickscan Wet natuurbescherming Hofstraat 5-10 te Westmaas Kenmerk: 20190117/rap01, versie 1, d.d. 13 februari 2019
Blz. 13 van 20
van (kleine) waterpartijen ongeschikt is functioneel leefgebied van beschermde vissen en als voortplantingsplaats voor beschermde amfibieën. Door het ontbreken van zandige bodem en structuurrijke ondergrond is het plangebied ongeschikt als landhabitat voor beschermde amfibieën en reptielen. Ten slotte komen beschermde amfibieën, reptielen en vissen niet in de directe omgeving van het plangebied voor. 4.8 Vlinders, libellen en overige ongewervelden Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen beschermde ongewervelden voor komen. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied ongeschikt is als leefgebied voor beschermde ongewervelden. Deze soortgroep stelt zeer specifieke eisen aan het habitat waarin zij leven, deze bijzondere habitats komen vrijwel alleen voor in natuurgebieden. 4.9 Samenvatting resultaten In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de beschermde soorten die op basis van het literatuur- en veldonderzoek (mogelijk) aanwezig zijn binnen het plangebied. Tabel 4-1. Mogelijk aanwezige beschermde soorten. (Kans op) aanwezigheid beschermde soorten? Soortgroep Ja Flora
Nee x
Broedvogels jaarrond beschermd (cat. 1 t/m 4)
x
Broedvogels niet jaarrond, inventarisatie gewenst beschermd (cat. 5)
x
Algemene broedvogels
x
Vleermuizen
x
Zoogdieren (grondgebonden)
x
Amfibieën
x
Reptielen
x
Vissen
x
Vlinders, libellen en overige ongewervelden
x
Bij het planvoornemen dient men rekening te houden met de (potentieel) aanwezige beschermde soorten (tabel 4-1, soorten uit kolom ‘ja’). Daarnaast dient men (in het kader van de zorgplicht) tevens rekening te houden met de (binnen de provincie Zuid-Holland) van bescherming vrijgestelde soorten (o.a. bruine rat en bosmuis). Doordat reeds duidelijk is dat de beschermde soorten uit de soortgroepen flora, grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden niet aanwezig zijn binnen het plangebied, worden deze in het vervolg van voorliggende rapportage verder niet behandeld.
Quickscan Wet natuurbescherming Hofstraat 5-10 te Westmaas Kenmerk: 20190117/rap01, versie 1, d.d. 13 februari 2019
Blz. 14 van 20
5 EFFECTENANALYSE EN MAATREGELEN 5.1 Inleiding De onderstaande effectenanalyse en de beschrijving van de maatregelen richten zich op de verbodsbepalingen ten aanzien van de beschermde soorten (Wnb-artikelen, 3.1, 3.5 en 3.10) die mogelijk hun leefgebied hebben binnen het plangebied en de algemeen geldende zorgplicht voor alle in het wild levende planten en dieren (Wnb-artikel 1.11) die mogelijk binnen het plangebied voorkomen. In paragrafen 5.2 t/m 5.5 worden per (mogelijk) aanwezige soortgroep (zie paragraaf 4.11) de mogelijke effecten op beschermde soorten en benodigde maatregelen besproken. In paragraaf 5.6 worden enkele aanvullende maatregelen (ten aanzien van de zorgplicht én het voorkomen van tussentijdse vestiging van beschermde soorten) beschreven. 5.2 Vogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 1 t/m 4) 5.2.1 Effecten De bouwelementen groot woonhuis (1), kleine loods (2) en het kleine woonhuis (3) binnen het plangebied zijn geschikt als potentiële broedplaats voor gierzwaluw. Als gevolg van de sloop van de bouwelementen worden mogelijk nestlocaties van deze soorten vernield. Hierdoor is sprake van overtreding van de Wnb (artikel 3.1). 5.2.2 Maatregelen De voorgenomen sloop heeft mogelijk tot gevolg dat nesten van gierzwaluw worden verstoord en vernield. Dit betekent dat de Wnb wordt overtreden als de sloop plaatsvindt.
Het is van belang om eerst nader onderzoek uit te voeren naar gierzwaluw om te beoordelen of nestgelegenheid voor de soort aanwezig is. Als blijkt dat jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn, dan is compensatie van de nestplaatsen nodig en dient een ontheffingsaanvraag op de Wnb te worden gedaan. Tevens is het van belang de werkzaamheden buiten het broedseizoen te laten plaatsvinden. 5.3 Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (categorie 5) Het plangebied is geschikt voor ekster en zwarte kraai in de hoge bomen. Het plangebied is voor de (mogelijk) aanwezige categorie 5-vogels niet van ecologisch hoog belang, omdat het hooguit om enkele broedparen gaat. Bovendien zijn in de omgeving voldoende alternatieve nestlocaties te vinden in tuinen en bos in omgeving. De te verwachten soorten zijn daarnaast algemeen in Nederland. Als gevolg hiervan zijn de nesten van categorie 5-broedvogels binnen het plangebied niet jaarrond beschermd. De nesten van deze broedvogels zijn beschermd tijdens het broedseizoen. De mogelijke effecten en benodigde maatregelen ten aanzien van categorie 5broedvogels worden derhalve (tezamen met de algemene broedvogels) besproken in paragraaf 5.3. 5.4 Algemene broedvogels 5.4.1 Effecten Het plangebied is rietkraag geschikt is als broedplaats voor meerkoet en fuut. De haag en struiken langs het water zijn geschikt als broedplaats voor wilde eend en waterhoen.
Verder kunnen in de haag en andere struiken algemene broedvogels als houtduif, roodborst, merel en putter tot broeden komen. Zonder voldoende voorzorg kunnen nesten van bovengenoemde soorten worden verstoord en/of vernield. De verstoring die als gevolg van de werkzaamheden kan optreden, is niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding. Dit aangezien de te verwachten soorten algemeen in Nederland voorkomen en de verstoring slechts van tijdelijke aard is. Verstoring van nesten
Quickscan Wet natuurbescherming Hofstraat 5-10 te Westmaas Kenmerk: 20190117/rap01, versie 1, d.d. 13 februari 2019
Blz. 15 van 20
veroorzaakt derhalve geen overtreding van de Wnb. Door vernieling van nesten wordt de Wnb echter wel overtreden. 5.4.2 Maatregelen Middels onderstaande voorzorgsmaatregelen kan overtreding van de Wnb (als gevolg van vernieling van vogelnesten) worden voorkomen en kunnen de werkzaamheden doorgang vinden: -
Werkzaamheden buiten het reguliere broedseizoen (15 maart t/m 15 juli) uitvoeren. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode 15 maart t/m 15 juli (dit wordt wel gezien als het reguliere broedseizoen). Het is mede afhankelijk van weersomstandigheden of ook buiten deze periode wordt gebroed door vogels. Derhalve dient men voorafgaande aan het werk contact op te nemen met een ecoloog om te bepalen of er kans is op broedgevallen.
-
Indien de werkzaamheden in het reguliere broedseizoen uitgevoerd dienen te worden: o
voorafgaand aan de werkzaamheden en buiten het broedseizoen de bomen, struiken en andere beplanting rooien. Voorafgaand aan het rooien dient men contact op te nemen met een ecoloog om te bepalen of er kans is op broedgevallen;
o
als de bomen, struiken en andere beplanting niet kunnen worden gerooid buiten het broedseizoen: voorafgaande aan het werk een broedvogelcontrole uitvoeren. Broedgevallen worden tijdens deze controle gemarkeerd en tijdens de werkzaamheden ontzien. Het kan noodzakelijk zijn om gedurende de werkzaamheden periodiek controles uit te voeren op broedgevallen van vogels in plaats van een éénmalige controle. Dit is vooral van toepassing als langdurig werkzaamheden in het reguliere broedseizoen worden uitgevoerd.
5.5 Vleermuizen 5.5.1 Effecten De bouwelementen groot woonhuis (1), kleine loods (2) en het kleine woonhuis (3) binnen het plangebied zijn geschikt als verblijfplaats voor de gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en gewone grootoorvleermuis.
5.5.2 Effecten Door de voorgenomen sloop van de gebouwen zijn negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen niet uitgesloten. Onder de dak- kant- en nokpannen, houten betimmeringen en achter de dakgoot kunnen de vleermuizen hun verblijfplaats hebben. Als gevolg van de sloopwerkzaamheden treedt er mogelijk verstoring van vleermuizen en vernietiging van verblijfplaatsen op, ook kunnen vleermuizen gedood worden indien niet zorgvuldig wordt gewerkt (overtreding art 3.5 Wnb). 5.5.3 Maatregelen Om het gebruik van de bouwelementen door vleermuizen in kaart te brengen moet een aanvullend vleermuisonderzoek uitgevoerd worden. Op basis van de uitkomsten worden evt. mitigerende maatregelen voorgesteld zoals werken buiten de meest kwetsbare periode en wordt de noodzaak tot ontheffingsaanvraag beschreven. Het onderzoek dient zich te richten op de functies zomerverblijf, kraamverblijf, paarverblijf en kleinschalige winterverblijven. Grootschalige winterverblijven zijn gezien de beperkte massa van de gebouwen uit te sluiten.
Quickscan Wet natuurbescherming Hofstraat 5-10 te Westmaas Kenmerk: 20190117/rap01, versie 1, d.d. 13 februari 2019
Blz. 16 van 20
5.6 Aanvullende maatregelen (t.a.v. zorgplicht en pioniersoorten) Om een zorgvuldige omgang met alle in het wild levende soorten (zorgplicht) te garanderen, zijn de volgende maatregelen geformuleerd: • • •
Aanwezige beplanting binnen het plangebied (met name bomen en struiken) zoveel mogelijk behouden; Werken vanaf het water naar het land om fauna de kans te geven zelfstandig te vluchten, of op andere wijze zorgen dat er altijd voldoende vluchtmogelijkheden zijn voor dieren; Enkel bij daglicht werken om verstoring van nacht-actieve soorten (zoals vleermuizen) te voorkomen.
Om tussentijdse vestiging van beschermde (pionier)soorten te voorkomen, zijn nog enkele aanvullende voorzorgsmaatregelen geformuleerd: •
Vorming van grote zandhopen voorkomen; dit vormt geschikt landhabitat voor de rugstreeppad en (bij aanwezigheid van steile kanten) een geschikte broedlocatie voor oeverzwaluwen, zeker bij het water;
5.7 Potentiële beschermde soorten per element In tabel 1 worden per element de voorkomende soorten of soortgroepen vermeld. De aanbevelingen, conclusies en vervolgstappen per soortgroep zijn in bovenstaande paragrafen beschreven. Tabel 1: Potentiële soortgroep per element. Element Gebouwnummer uit figuur 2-3 Grote woonhuis 1 Kleine loods 2 Kleine woonhuis 3 Opstal grenzend aan 4 loods Douchehok 5 Chalets en stacaravans 6 Bomen en struiken
-
Potentiële soort(groep) Vleermuizen en gierzwaluw Vleermuizen, gierzwaluw Vleermuizen en gierzwaluw Geen Geen Algemene broedvogels en niet-jaarrond beschermde broedvogels
Quickscan Wet natuurbescherming Hofstraat 5-10 te Westmaas Kenmerk: 20190117/rap01, versie 1, d.d. 13 februari 2019
Blz. 17 van 20
6 GEBIEDENBESCHERMING 6.1 Natura 2000 Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied (bronnen: https://pzh.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=fcb2770793e2411baa4ce65dff16710d ), waardoor bij voorbaat kan worden uitgesloten dat sprake is van een direct negatief effect op beschermde natuurgebieden. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling daarnaast kleinschalig is en op enige afstand (circa 1500 meter) van beschermde natuurgebieden plaatsvindt worden tevens geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht. De kans op negatieve effecten als gevolg van de extra stikstof die als gevolg van het project vrijkomt, wordt (gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling en korte duur van de werkzaamheden) tevens als verwaarloosbaar gezien4. Op basis van bovenstaande is toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel gebieden niet van toepassing.
Figuur 6-1. Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van beschermde natuurgebieden. Bron: https://pzh.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=fcb2770793e2411baa4ce65dff16710d.asp x
6.2 Planologische gebiedenbescherming Het plangebied ligt niet in het NNN en valt ook niet onder gebieden die zijn aangewezen als belangrijk weidevogelgebied. Direct negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling daarnaast kleinschalig is en op enige afstand (circa 200 meter) van beschermde natuurgebieden plaatsvindt worden tevens geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht.
4
Recente ervaring leert echter dat de provincies in toenemende mate een aanvullende onderbouwing van de afwezigheid van stikstofeffecten (op stikstofgevoelige habitats en/of soorten in beschermde natuurgebieden) willen. Het oordeel over het al dan niet noodzakelijk zijn van een stikstofberekening (middels gebruik van het programma AERIUS) ligt bij de provincie.
Quickscan Wet natuurbescherming Hofstraat 5-10 te Westmaas Kenmerk: 20190117/rap01, versie 1, d.d. 13 februari 2019
Blz. 18 van 20
Figuur 6-2. Ligging plangebied (rode stip) ten opzichte van het NNN (paars en groen) Bron: http://pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN
Quickscan Wet natuurbescherming Hofstraat 5-10 te Westmaas Kenmerk: 20190117/rap01, versie 1, d.d. 13 februari 2019
Blz. 19 van 20
7 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 7.1 Soortenbescherming Op basis van de uitgevoerde quickscan kunnen de onderzoeksvragen t.a.v. soortenbescherming worden beantwoord: S1. Welke Wnb-beschermde soorten maken (mogelijk) gebruik van de planlocatie? Broedvogels met jaarrond beschermde nesten (gierzwaluw), algemene broedvogels (en cat. 5) en vleermuizen. S2. Wat zijn de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op deze beschermde soorten? Vernietiging van nesten, vernietiging jaarrond beschermde nesten van gierzwaluw en vernietiging van verblijfplaatsen en doding van vleermuizen. S3. Is aanvullend ecologisch onderzoek naar één of meerdere soorten noodzakelijk? Ja, naar gierzwaluw en vleermuizen. S4. Welke voorzorgsmaatregelen dienen te worden uitgevoerd om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen? Tabel 7-1. Overzicht benodigde voorzorgsmaatregelen. (Mogelijk) aanwezige soort(groep)en
Benodigde voorzorgsmaatregelen t.a.v. soorten met aanvullend beschermingsregime (art. 3.1, 3.5 en 3.10)
Vogels
-
Werken buiten het broedseizoen (half maart t/m half juli)
Vleermuizen en gierzwaluw
-
Te bepalen aan de hand van de uitkomsten van het nader onderzoek
Aanvullende voorzorgsmaatregelen (t.a.v. zorgplicht en pioniersoorten) • • • •
Aanwezige beplanting binnen het plangebied (met name bomen en struiken) zoveel mogelijk behouden; Werken vanaf het water naar het land om fauna de kans te geven zelfstandig te vluchten; Enkel bij daglicht werken om verstoring van nacht-actieve soorten (zoals vleermuizen) te voorkomen. Vorming van grote zandhopen voorkomen; dit vormt geschikt landhabitat voor de rugstreeppad en (bij aanwezigheid van steile kanten) een geschikte broedlocatie voor oeverzwaluwen, zeker bij het water;
S5. Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen werkzaamheden een ontheffing van de Wnb aan te vragen? Een aanvullend onderzoek naar gierzwaluw en vleermuizen moet uitwijzen of een ontheffing aangevraagd moet worden of niet. 7.2 Gebiedenbescherming Op basis van de uitgevoerde quickscan kunnen de onderzoeksvragen t.a.v. gebiedenbescherming worden beantwoord: G1. Ligt het plangebied in of nabij een Natura 2000-gebied, binnen het NNN of binnen een belangrijk weidevogelgebied? Nee. G2. Kunnen negatieve effecten op beschermde gebieden bij voorbaat worden uitgesloten? Ja, negatieve (externe) effecten zijn uitgesloten G3. Is een toetsing aan de gebiedenbescherming noodzakelijk? Nee.
Quickscan Wet natuurbescherming Hofstraat 5-10 te Westmaas Kenmerk: 20190117/rap01, versie 1, d.d. 13 februari 2019
Blz. 20 van 20
ATKB - van meetwerk tot maatwerk voor uw milieuvraagstuk
ATKB is een adviesbureau voor bodem, water en ecologie
ATKB beschikt over een Veiligheids- en Kwaliteitsmanagementsysteem en is gecertificeerd volgens NEN-ENISO9001:2015 en VCA**. Daarnaast beschikken we over diverse kwaliteitscertificaten (zie website) en hebben we een vergunning in het kader van de Wet op de Dierproeven. ATKB houdt zich aan een eigen beleidsplan ten aanzien van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Om onze CO2-uitstoot in kaart te brengen en te reduceren zijn we gecertificeerd volgens de CO2-prestatieladder.
Vo di or e en e st n c e o Z.O nov mp .Z erz lee . ich t t
Praktisch, deskundig en nuchter. Dat is de kracht waarmee wij, als onafhankelijk adviesbureau, overheden en bedrijfsleven helpen bij het oplossen van complexe milieuvraagstukken. Dat we daarbij geregeld met onze voeten in de klei staan maakt ons deskundige aanpakkers, die u begeleiden in het uitvoeren van projecten en het ondersteunen van processen. Met oog en respect voor onze leefomgeving. Met heldere adviezen van hoge kwaliteit en een duurzaam karakter. Zodat u ook morgen iets aan onze adviezen van vandaag heeft. Wij werken in heel Nederland, en daarbuiten. Op de achterzijde van deze flyer vindt u een overzicht van de werkzaamheden die wij graag voor u uitvoeren.
· Verkennend en nader bodemonderzoek · Partijkeuringen grond, baggerspecie en niet vormgegeven bouwstof · Opstellen saneringsplannen en bestekken conventionele, in-situ landbodemsaneringen · Begeleiding en evaluatie van conventionele en in-situ landbodemsanering · (3D)-grondradaronderzoek · Arbitrage en juridisch advies bodemzaken · Civieltechnisch onderzoek naar asfalt, zand en klei · Coördinatie archeologisch onderzoek
· Soortgericht onderzoek (o.a. vleermuizen, amfibieën, kleine marterachtigen) · Toetsingen aan natuurwetgeving · Ecologisch werkprotocol en begeleiding · Vegetatiekarteringen · Hydrobiologisch onderzoek · Waterplantenonderzoek en Ecoscans · Visstandbemonstering · Vismigratieonderzoek (vistelemetrie, pit-tag) · Actief Biologisch Beheer · Visserijmanagement · Visbeheerplannen · Schouw en kwaliteitsbeoordeling nieuwe natuur · SNL-monitoring en gebiedsanalyses
· Monitoring grondwater/oppervlaktewater (meetstrategie, inrichting/beheer meetnet, kwaliteit & kwantiteit) · Waterbodemonderzoek (NEN 5717, NEN 5720) · Kwantitatief waterbodemonderzoek · Voorbereiding en begeleiding van baggerwerken, inclusief waterbodemsaneringen · Baggerplan en werkplan · Bemalingsadvies · Ondersteuning en advies bij (stedelijk) waterbeheer · Ondersteuning en advies bij wettelijke procedures, inclusief vergunningen en meldingen
· Asbestinventarisatie gebouwen en objecten · Risicobeoordeling asbest in gebouwen NEN2991 · Opstellen en onderhouden asbestbeheersplan · Begeleiding, directievoering, saneringsonderzoek bij asbestverwijdering · Bewijsmateriaal duurzaamheidscertificering onder BREEAM-NL (diverse milieukundige credits onder Nieuwbouw en renovatie, In Use, Gebiedsontwikkeling en Sloop) · Beleidsondersteuning · Beleidsstudies, beheerplannen en adviezen · Second opinions · Monitoring en nazorg · Directievoering & toezicht · Uitvoeringsbegeleiding · Coördinatie · Detachering
Hoe doen we dat? Dit doen wij door de inzet van een projectteam, dat met zorg wordt samengesteld voor uw opdracht. Zodat onze kennis optimaal voor u wordt ingezet. Het projectteam weet daarbij onze moderne vloot en meetapparatuur doelmatig in te zetten. Hiertoe behoren onder andere de (3D-) grondradar, drone, warmtebeeldcamera en daarnaast nauwkeurige plaatsbepalingsapparatuur ((d)GPS/GNNS), waterniveaumeters, elektrovisapparatuur, visnetten, fuiken en verschillende vaartuigen en de machinale boorstellingen Geoprobe en Vibrocore. Al deze apparatuur heeft ATKB in eigen beheer. Detachering van onze specialisten bij uw organisatie is bespreekbaar. T 088 115 32 00 www.at-kb.nl info@at-kb.nl