CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1 concept Bijlagen bij toelichting

Besluitvormende raad 5 juli 2022, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan Prins Bernardlaan 1 Puttershoek14.804 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1 Gemeente Hoeksche Waard Bijlagen bij toelichting

Bestemmingsplan Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1 Gemeente Hoeksche Waard Bijlagen bij toelichting

GEGEVENS VAN DE AANVRAGER Maasrand Puttershoek B.V. Prins Bernhardlaan 1 3297 CB Puttershoek

Kerkewijk 156 3904 JJ Veenendaal T. 0318 – 50 56 37 I. www.kubiek.nu E. info@kubiek.nu

PLANGEGEVENS: IDN: Projectnummer: Titel:

NL.IMRO.1963.BPPrBernhl1PTH21-ON01 K20137 Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1

Status Concept: Voorontwerp: Ontwerp: Vastgesteld:

Datum 08-09-2021 n.v.t.

Projectleider:

ir. R. den Heijer

Auteur:

R.M. Hoekstra MA

Inhoudsopgave

Bijlagen bij toelichting

4

Bijlage 1

Stedenbouwkundig plan

4

Bijlage 2

Quickscan flora en fauna

13

Bijlage 3

Stikstofdepositieberekening - begeleidende rapportage

54

Bijlage 4

Stikstofdepositieberekening - nieuwe gebruikersfase

66

Bijlage 5

Stikstofdepositieberekening - realisatiefase

72

Bijlage 6

Verkennend en aanvullend bodemonderzoek

79

Bijlage 7

Archeologisch bureauonderzoek

261

Bijlage 8

Archeologisch booronderzoek

289

Bijlage 9

Programma van Eisen

313

Bijlage 10

Akoestisch onderzoek

344

Bijlage 11

Onderzoek externe veiligheid - aardgasbuisleiding

387

Bijlage 12

Watertoets - Toetsresultaat

435

Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1

3

Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Stedenbouwkundig plan

Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1

4

5.400

5.400

5.400

5.400

5.400

5.650 2.000

1.500 4.000

17-19 145 m2

10.760

21 241 m2

2.000 2.000

9.800

3.000

11.360

4.200

4PP (+3x1,5)

3.810

7.500

20 400 m2

11.360

2.000 6.000

600 3.000 1.400 3.000 2.000 3.000 5.650

11.000

10.760

4.800

13 RIJWON.+ 6 STARTERS APP.

6.250

5.400

22 241 m2

9.500

10 186 m2

4.750

09 131 m2

7.100

08 123 m2

7.500

23 130 m2

10.000

1.500

1.500 9.000

07 123 m2

12.360

06 123 m2

5.400

5.400

5.400

5.400

5.400

5.650 1.931

16 126 m2

15 128 m2

14 130 m2

13 133 m2

12 135 m2

11 179 m2

12.451

27.100

7.019

3.300

05 123 m2

10.760

2.700

17.450

13 APP. 15PP inpandig

23.200 900 2.894

5.000

5.650

5.3171.000

24-35

12PP

2.000

04 123 m2

2.000 1.400

6.000 2.750 5.550

5.550

1.000

5.000

Prins Bernhardlaan

26PP

01-03 174 m2

Arent van Lierstraat

1.260 5.000

aat Wilhelminastr

Schoolstraat

N

opdrachtgever:

Maasrand Puttershoek b.v.

PrinsBernhardlaan BernhardlaanPuttershoek Prins Puttershoek

situatiesituatie variant 1:500 schaal:

werknr:

datum:

4560 07-07-2021 06-07-2021

bladnr:

SO-01 SCHIPPERS WS-01

opdrachtgever:

Maasrand Puttershoek b.v.

Prins Bernhardlaan Puttershoek

massastudie

schaal:

werknr:

datum:

4560 07-07-2021

bladnr:

SO-02

SCHIPPERS

opdrachtgever:

Maasrand Puttershoek b.v.

Prins Bernhardlaan Puttershoek

massastudie

schaal:

werknr:

datum:

4560 07-07-2021

bladnr:

SO-03

SCHIPPERS

opdrachtgever:

Maasrand Puttershoek b.v.

Prins Bernhardlaan Puttershoek

massastudie

schaal:

werknr:

datum:

4560 07-07-2021

bladnr:

SO-04

SCHIPPERS

opdrachtgever:

Maasrand Puttershoek b.v.

Prins Bernhardlaan Puttershoek

massastudie

schaal:

werknr:

datum:

4560 07-07-2021

bladnr:

SO-05

SCHIPPERS

opdrachtgever:

Maasrand Puttershoek b.v.

Prins Bernhardlaan Puttershoek

massastudie

schaal:

werknr:

datum:

4560 07-07-2021

bladnr:

SO-06

SCHIPPERS

11.699 10.900

0

5.400

0

5.400

as

as

opdrachtgever:

Maasrand Puttershoek b.v.

5.400

as

Prins Bernhardlaan Puttershoek

as

10.200

as

as

as

voorgevels 1:100 schaal:

werknr:

datum:

4560 07-07-2021

bladnr:

SO-07

SCHIPPERS

opdrachtgever:

Maasrand Puttershoek b.v.

Prins Bernhardlaan Puttershoek

perspectief

schaal:

werknr:

datum:

4560 07-07-2021

bladnr:

SO-08

SCHIPPERS

Bijlage 2 Quickscan flora en fauna

Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1

13

Quickscan In het kader van de Wet natuurbescherming en Omgevingsverordening Zuid-Holland Plangebied: Prins Bernhardlaan 1, Puttershoek Opsteller(s): M.M. Bouwmeester

Quickscan In het kader van de Wet natuurbescherming en Omgevingsverordening Zuid-Holland Ondertitel Opsteller(s)

Plangebied: Prins Bernhardlaan 1, Puttershoek M.M. Bouwmeester

Datum

24-07-2020

Versienummer

01

Rapportkenmerk

ER20200714v01

Aantal pagina's

43

Opdrachtgever

Kubiek Ruimtelijke Plannen

Contactpersoon

R. de Jong

Collegiale toets

L. Boon

Wijze van citeren

Bouwmeester, M.M., 2020. Quickscan. In het kader van de Wet natuurbescherming en Omgevingsverordening Zuid-Holland. Plangebied: Prins Bernhardlaan 1, Puttershoek. Rapportkenmerk: ER20200714v01. Ecoresult B.V., Dordrecht.

Ecoresult B.V. Van Ravesteyn-erf 156 3315 DK Dordrecht 078 75 184 12 info@ecoresult.nl www.ecoresult.nl

© copyright Ecoresult B.V. 2020 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteursrechthebbende. Ecoresult B.V. kan door opdrachtgever niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortvloeit uit gebruik van data of gegevens of door toepassing van aanbevelingen en conclusies, die zijn opgenomen in deze rapportage.

INHOUDSOPGAVE

1 Inleiding........................................................................................................................................ 5 1.1 Aanleiding............................................................................................................................... 5 1.2 Doel........................................................................................................................................ 5 1.3 Onderzoeksmethodiek............................................................................................................ 5 1.4 Leeswijzer............................................................................................................................... 6 2 Toelichting onderzoekskader........................................................................................................7 2.1 Wet natuurbescherming.........................................................................................................

7 2.1.1 Bescherming van gebieden..............................................................................................7 2.1.2 Bescherming van soorten.................................................................................................7 2.1.3 Bescherming van houtopstanden.....................................................................................8 2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland.....................................................................................9 3 Omschrijving plangebied........................................................................................................... 11 3.1 Algemeen............................................................................................................................. 11 3.2 Beschrijving.......................................................................................................................... 11 3.3 Voorgenomen ontwikkelingen...............................................................................................13 3.4 Planning................................................................................................................................

13 4 Onderzoeksresultaten beschermde gebieden...........................................................................15 4.1 Wet natuurbescherming.......................................................................................................15 4.1.1 Natura 2000.................................................................................................................... 15 4.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland...................................................................................16 4.2.1 Natuurnetwerk Nederland...............................................................................................16 4.2.2 Belangrijk weidevogelgebied..........................................................................................17 4.2.3 Strategische reservering natuur......................................................................................17 5 Beschermde houtopstanden......................................................................................................19 6 Onderzoeksresultaten beschermde soorten..............................................................................21 6.1 Soorten Vogelrichtlijn............................................................................................................

21 6.1.1 Bronnenonderzoek..........................................................................................................21 6.1.2 Verkennend veldonderzoek............................................................................................21 6.1.3 Effectbeoordeling en toetsing.........................................................................................24 6.2 Soorten Habitatrichtlijn..........................................................................................................26 6.2.1 Bronnenonderzoek..........................................................................................................26 6.2.2 Verkennend veldonderzoek............................................................................................26 6.2.3 Effectbeoordeling en toetsing.........................................................................................30 6.3 Nationaal beschermde soorten............................................................................................32 6.3.1 Bronnenonderzoek..........................................................................................................32 6.3.2 Verkennend veldonderzoek............................................................................................33 6.3.3 Effectbeoordeling en

toetsing.........................................................................................33 7 Conclusies en aanbevelingen....................................................................................................35 7.1 Algemeen............................................................................................................................. 35 7.2 Beschermde gebieden.........................................................................................................35 7.2.1 Wet natuurbescherming..................................................................................................35 7.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland.............................................................................35 7.3 Beschermde houtopstanden................................................................................................35 7.4 Beschermde soorten............................................................................................................

36 7.4.1 Soorten Vogelrichtlijn......................................................................................................36 7.4.2 Soorten Habitatrichtlijn....................................................................................................37 7.4.3 Nationaal beschermde soorten.......................................................................................37 7.5 Samenvatting benodigd onderzoek......................................................................................37 7.6 Aanbevelingen...................................................................................................................... 38 8 Geraadpleegde bronnen............................................................................................................ 39 8.1 Literatuur.............................................................................................................................. 39 8.2 Internet................................................................................................................................. 39 Bijlage 1 Foto-impressie plangebied.............................................................................................41

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

In opdracht van Kubiek Ruimtelijk Plannen heeft Ecoresult B.V. een quickscan uitgevoerd voor het plangebied genaamd: Prins Bernhardlaan 1, Puttershoek. De aanleiding voor dit verzoek is de voorgenomen herontwikkeling binnen het plangebied, waarvoor de bestaande bebouwing wordt gesloopt en beplanting wordt verwijderd (zie verder hoofdstuk 3.3). Deze voorgenomen ontwikkelingen kunnen schadelijke effecten hebben op beschermde soorten en natuurgebieden. Wet- en regelgeving voor flora, fauna en natuurgebieden kan hierdoor worden overtreden. Deze quickscan zoomt in op de (mogelijke) effecten door de activiteiten en op welke wijze gehandeld kan worden. Mochten de voorgenomen ontwikkelingen wijzigen dient voorliggend ecologisch onderzoek te worden geactualiseerd. De resultaten in voorliggende quickscan zijn drie jaar geldig.

1.2

Doel

Door middel van een oriënterend bronnen- en veldonderzoek zal worden onderzocht of de voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot: • Overtreding van verbodsbepalingen voor (potentieel) aanwezige soorten flora en fauna. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). • Een (significant) negatief effect op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). • Overtreding van verbodsbepalingen voor (potentieel) aanwezige houtopstanden. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). • Een (significant) negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Of negatief effect op anderzijds beschermde natuurgebieden op provinciaal niveau (o.a. bijzondere provinciale natuurgebieden, bijzondere provinciale landschappen, belangrijke weidevogelgebieden en strategische reservering natuur). In het kader van de Omgevingsverordening ZuidHolland.

1.3

Onderzoeksmethodiek

De quickscan komt tot stand door middel van een verkennend veldonderzoek en bureaustudie. 5

•

•

•

Het verkennend veldonderzoek is uitgevoerd op 01-07-2020 door M.M. Bouwmeester, ecologisch deskundige1 bij Ecoresult B.V. Het complete plangebied alsmede een zone rondom het plangebied is – daar waar nodig met hulp van een zaklamp en verrekijker – onderzocht. Ten behoeve van de bureaustudie is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd om een indruk te krijgen van de aanwezigheid van beschermde soorten rondom het plangebied tot een afstand van 5 kilometer tot het plangebied. De tabellen in hoofdstuk 6 zijn gebaseerd op waarnemingen uit de NDFF database van de afgelopen 5 jaar in het weergeven grid (zie Afbeelding 1). Op basis van het bronnenonderzoek en de aanwezige habitats was een goede inschatting van de potenties en aan- of afwezigheid van de beschermde soorten te maken. Voor het onderzoek naar beschermde natuurgebieden en houtopstanden is gebruik gemaakt van de online viewers die de provincie en/of gemeente ter beschikking heeft gesteld. Hierdoor zal in deze quickscan altijd aan actueel beeld worden weergegeven van gebiedsgrenzen, doelstelling etc.

Afbeelding 1: Grid waarbinnen NDFF-waarnemingen zijn gezocht. De rode cirkel geeft het plangebied weer. Bron: NDFF.

1.4

Leeswijzer

In deze rapportage wordt allereerst het kader beschreven waar aan getoetst wordt. Vervolgens wordt het plangebied en de geplande activiteiten beschreven. Hierna worden per beschermingsregime de voor het plangebied relevante beschermde gebieden en beschermde soorten en houtopstanden beschreven en beoordeelt. In de conclusie worden de resultaten van dit oriënterend onderzoek samen gevat en wordt (indien van toepassing) geadviseerd welk aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Afgesloten wordt met een bronvermelding en een fotobijlage van het oriënterend veldbezoek.

1

6

Voor een definitie van ecologisch deskundige wordt verwezen naar https://mijn.rvo.nl/ecologischdeskundige?inheritRedirect=true

2

Toelichting onderzoekskader

2.1

Wet natuurbescherming

De Wet Natuurbescherming (Wnb) regelt de bescherming van beschermde natuurgebieden (Natura 2000) en regelt de soortbescherming. De provincies zijn voor de Wet Natuurbescherming het bevoegd gezag en regelt tevens de vergunning en ontheffingen. De bescherming van de Wet Natuurbescherming is grofweg op te delen in 3 categorieën.

2.1.1

Bescherming van gebieden

De Wnb richt zich met de bescherming van natuurgebieden uitsluitend op de Natura 2000gebieden. De verschillende Natura 2000 gebieden zijn deels aangewezen voor specifieke Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en/of habitattypen. Invloeden (ook van buiten het Natura 2000 gebied) mogen deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen. Daarnaast mag het oppervlakte van het Natura 2000 gebied niet worden aangetast.

2.1.2

Bescherming van soorten

De Wnb onderscheidt drie verschillende beschermingsregimes, met elk hun eigen verbodsbepalingen (zie tabel 1). De eerste twee categorieën zijn gebaseerd op de door de Europese Unie opgestelde Vogelrichtlijn (uit 1979) en de Habitatrichtlijn (uit 1992). Het derde beschermingsregime betreft soorten die niet op Europees niveau beschermd zijn, maar wel op landelijk niveau: de Nationaal beschermde soorten (in de wet aangeduid als “andere soorten”). Voor de soorten binnen dit beschermingsregime geldt een onderzoeksplicht, en bij negatieve effecten een ontheffingsplicht. De provincies kunnen aangeven of zij soorten uit deze lijst willen vrijstellen van ontheffingsplicht. Naar deze soorten is aanvullend onderzoek of een ontheffing niet nodig, wel geldt ten alle tijde de zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat men bij werkzaamheden met mogelijk negatief effect op planten en dieren, maatregelen dient te nemen (binnen wat redelijkerwijs van men verwacht kan worden) om onnodige schade aan planten of dieren te voorkomen2. 2

Ministerie van Economische zaken (2016) Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen

7

Be sc he rm ingsre gim e soort e n V oge lric ht lijn § 3 .1 Wnb Art 3.1lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.1lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

Be sc he rm ingsre gim e Be sc he rm ingsre gim e soort e n H a bit a t ric ht lijn § N a t iona a l be sc he rm de 3 .2 Wnb soort e n (a nde re soort e n) § 3 .3 Wnb Art 3.5 lid 1 Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten in hun Het is verboden soorten natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.

Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Art 3.1lid 3 Art 3.5 lid 3 Niet van toepassing Het is verboden eieren te rapen Het is verboden eieren van en deze onder zich te hebben. dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

Art 3.1lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Tabel 1: Soortenbescherming en verbodsbepalingen volgens de Wnb

2.1.3

Bescherming van houtopstanden

De bescherming van houtopstanden betreft voornamelijk een voortzetting van Boswet en richt zich op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Deze voorwaarden zijn tevens van kracht als het slechts een deel van de houtopstand groter dan 10 are of 20 bomen in een rij betreft. Het onderdeel beschermde houtopstanden heeft geen betrekking op: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van 8

• • • • •

• •

de bebouwde kom; houtopstanden op erven of in tuinen; fruitbomen en windschermen om boomgaarden; naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; kweekgoed; uit populieren of wilgen bestaande: • wegbeplantingen; • beplantingen langs waterwegen, en • eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; het dunnen van een houtopstand; uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: • ten minste eens per tien jaar worden geoogst; • bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en zijn aangelegd na 1 januari 2013.

2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

In de provinciale Omgevingsverordening is vastgelegd welke gebieden vanuit Nederlandse wetgeving worden beschermd. Onderdeel van de beschermd gebieden in de Omgevingsverordening is het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het Natuurnetwerk Nederland betreft een netwerk aan gebieden en verbindingszones die tezamen één geheel vormen en de Nederlandse natuurgebieden verbinden. Het NNN is verankerd in de bestemmingsplannen waarin de regels uit de provinciale Omgevingsverordening ZuidHolland zijn verwerkt. Het ruimtelijke beleid voor het NNN kent het “nee, tenzij” principe wat inhoud dat ruimtelijke ontwikkelingen binnen het NNN niet zijn toegestaan tenzij deze geen schadelijke effecten op de aanwezige (natuur)waarden hebben. Deze waarden zijn vastgelegd als de “wezenlijke kenmerken en waarden” van het NNN. Elke provincie heeft zelf de regie over de invulling van deze kenmerken en waarden. In tegenstelling tot Natura 2000 is toetsing van externe effecten op de aanwezige kenmerken en waarden in de provincie Zuid- Holland niet van toepassing. Provincies zijn vrij dit nader in te vullen. Naast het NNN kunnen provincies gebieden planologisch beschermen. In de provincie Zuid- Holland betreft dit Belangrijk weidevogelgebieden en de Strategische Reservering Natuur. In sommige provincies zijn deze gebieden vervlochten binnen het kader van het NNN en geldt hiervoor eenzelfde toetsingskader. 9

3

Omschrijving plangebied

3.1

Algemeen

Het plangebied voor deze quickscan omvat een bedrijfsperceel met een kantoorpand en twee loodsen gelegen aan de Prins Bernhardlaan 1, Puttershoek, gemeente Hoeksche Waard, provincie Zuid-Holland. Het plangebied is gelegen in Puttershoek (Afbeelding 2).

Afbeelding 2: Ligging plangebied en het onderzochte gebied, voor regionale ligging zie kaartinzet rechtsboven (Bron: PDOK)

Beschrijving

3.2 • •

3

Het plangebied bestaat uit een bedrijfsperceel met een kantoorpand en twee loodsen in het noordoostelijk deel van de bebouwde kom van Puttershoek. Het kantoorpand en de loods in het plangebied aan de zijde van de Prins Bernhardlaan stammen uit bouwjaar 1970, de loods aan de zijde van de Schoolstraat stamt uit bouwjaar 19973.

https://bagviewer.kadaster.nl/

11

Afbeelding 3: Het plangebied, gezien vanuit het noorden. Foto: M.M. Bouwmeester| Ecoresult B.V. •

• •

• • • •

• • •

De bebouwing in het plangebied met bouwjaar 1970 is opgetrokken uit baksteen en heeft platte daken met bitumen dakbedekking. Zowel aan de voor-, achter- en zijgevels zijn geen open stootvoegen aanwezig die toegang bieden tot een eventuele luchtspouw. De loods uit 1997 is opgetrokken uit stalen en houten balken bedekt met metalen golfplaten. De dakranden van het kantoorpand zijn afgewerkt met metalen dakstrips. Deze zijn strak langs de gevel afgewerkt. In het lager gelegen gedeelte van het kantoorpand bevinden zich openingen in het dakoverstek bij kunststof regenpijpen en langs de gevel. De dakrand van de loods met bouwjaar 1970 is afgewerkt met houten boeiboorden, waarachter zich ruimte van circa 4 – 5 cm bevindt. De oostgevel van deze loods is volledig overwoekerd door klimop. Het terrein is volledig verhard met asfalt en wordt gebruikt als opslag voor diverse bouwmaterialen. Langs de randen van het plangebied bevinden zich aan de noordzijde coniferenhagen en aan de oostzijde bosschages met diverse bomen en struiken, o.a. Zweedse lijsterbes, eik en populier. Open water (watergangen, poelen etc.) en vochtige tot natte terreinen (natuurvriendelijke oevers etc.) zijn in het plangebied afwezig. De ondergrond bestaat uit zeeklei. Straatverlichting is aanwezig in en rondom het plangebied door middel van een lichtmast en lantaarnpalen.

Aan de westzijde is een oude boerderij en enkele schuurtjes met pannendaken aanwezig, alsmede een loods van metalen golfplaten met een golfplatendak. Verder naar het westen zijn langs de Wilhelminastraat vrijstaande woonhuizen aanwezig. Ten zuiden bevinden zich appartementenblokken met twee verdiepingen. Ten westen zijn een- tot tweelaags woningen 12

aanwezig, merendeel met dakpannen bedekt. Zie Afbeelding 3 en Bijlage 1 voor een algehele foto-impressie van het plangebied.

3.3

Voorgenomen ontwikkelingen

De voorgenomen ontwikkelingen betreffen4: • Sloop van alle bebouwing. Hiertoe wordt alle bebouwing en beplanting verwijderd. • In het plangebied wordt nieuwbouw gerealiseerd in de vorm van een appartementencomplex en woonhuizen, zie Afbeelding 4 Voor een impressie van de beoogde nieuwe situatie. In deze quickscan wordt er van uit gegaan dat alle beplanting wordt verwijderd, inclusief de bomen en het struweel rondom het terrein.

Afbeelding 4: Ontwerp nieuwe situatie. Bron: Schippers Architecten BNA

3.4

Planning

De planning van de werkzaamheden is ons op dit moment niet bekend. 4

Bron: opdrachtgever.

13

4

Onderzoeksresultaten beschermde gebieden

4.1

Wet natuurbescherming

4.1.1

Natura 2000

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Oude Maas op 2,28 km ten noordwesten van het plangebied (zie Afbeelding 5). Op grotere afstand liggen Oudeland van Strijen (4 km) en de Bieschbosch (8,6 km). De laatste bevat stikstofgevoelige habitattypen. De werkzaamheden binnen het plangebied behelzen de sloop van een kantoorpand en twee loodsen en nieuwbouw van 15 grondgebonden woningen en een appartementencomplex met 14 appartementen. Bij de bouw van 15 grondgebonden woningen en 14 appartementen in buitengebied is de effectafstand 6,5 km5 (als ontwikkeling plaatsvindt op een afstand groter dan 6,5 km tot een Natura 2000-gebied, is de stikstofdepositie kleiner dan 0,00 mol/ha/jaar). In de aanlegfase (sloop en nieuwbouw) kan de effectafstand groter zijn. Ook de gebruiksfase kan een negatief effect hebben als gevolg van stikstofdepositie. Stikstofgevoelige habitats bevinden zich dus mogelijk binnen de effectafstand voor stikstofdepositie van de werkzaamheden. Negatieve effecten in het kader van stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden kunnen derhalve niet op voorhand worden uitgesloten. Aanvullend onderzoek in de vorm van een AERIUS berekening is noodzakelijk. Doelsoorten binnen het beheerplan van de Oude Maas zijn de bever en de Noordse woelmuis6.

Dit zijn soorten die geen negatieve effecten ondervinden van trilling, geluid of optische verstoring. Ook is de afstand tussen het plangebied en het natura 2000 gebied te groot om negatieve effecten te veroorzaken. De instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden worden derhalve op deze vlakken niet aangetast (zie ook Afbeelding 6).

5 6

Cardinaals et al, 2019. Natura 2000 Deltawateren; Beheerplan 2016 – 2022, Ministerie van Infrastructuur en Milieu | Rijkswaterstaat, 2016

15

Afbeelding 5: Plangebied (rood omcirkeld) en de nabijgelegen Natura 2000 gebieden (geel, blauw en groen) en stikstofgevoelige habitats (paars). Bron: AERIUS 2020

Afbeelding 6: Habitattypen en habitatrichtlijnsoorten incl. de doelstellingen, waarvoor Natura 2000-gebied Oude Maas is aangewezen. Bron: https://www.natura2000.nl/gebieden/zuid-holland/oude-maas/oude-maasdoelstelling

4.2 4.2.1

Omgevingsverordening Zuid-Holland Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied is niet gelegen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), zie Afbeelding 7. Het meest dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de Oude Maas op circa 84 meter ten noorden van het plangebied7. 7

16

https://pzh.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?

Dichtstbijzijnde Ecologische verbindingszone bevindt zich op 275 meter ten zuidoosten van het plangebied. Dit betreft het Lorregat. Op basis van de afstand van deze gebieden tot het plangebied en de aard van de activiteiten die hier zullen plaatsvinden valt op voorhand uit te sluiten dat er sprake is van (tijdelijke) negatieve impact op de wezenlijke waarden en kenmerken van bovengenoemde gebieden. Aanvullend (veld)onderzoek is niet noodzakelijk. De Omgevingsverordening ZuidHolland wordt niet overtreden.

Afbeelding 7: Ligging plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland. Bron: https://pzh.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html? id=698b578f8bf34f5ab624e1f2ae687199&extent=33428.9852%2C41502 6.1883%2C131473.1813%2C477053.1124%2C28992

4.2.2

Belangrijk weidevogelgebied

Het plangebied is niet gelegen in een Belangrijk weidevogelgebied8. Diverse polders in de Alblasserwaard, op een afstand van ca. 9 km ten noordoosten van het plangebied, zijn bestemd als Belangrijk weidevogelgebied. Op basis van de afstand van deze gebieden tot het plangebied en de aard van de activiteiten die hier zullen plaatsvinden valt uit te sluiten dat er sprake is van (tijdelijke) negatieve impact op bovengenoemd gebied. Aanvullend (veld)onderzoek is niet noodzakelijk.

4.2.3

Strategische reservering natuur

Dichtstbijzijnde gebieden die aangewezen zijn voor Strategische reservering natuur betreft de zuidelijke oever van de Groote- of Achterwaterschap, tussen de Nederwaard en de N481, op een afstand van circa 9,9 kilometer ten noordoosten van het plangebied. Op basis van de afstand van deze gebieden tot het plangebied en de aard van de activiteiten die hier

8

id=698b578f8bf34f5ab624e1f2ae687199&extent=33428.9852%2C415026.1883%2C131473.1813 %2C477053.1124%2C28992 Vanwege de grote afstand niet op Afbeelding 7 weergegeven.

17

zullen plaatsvinden valt uit te sluiten dat er sprake is van (tijdelijke) negatieve impact op bovengenoemd gebied. Aanvullend (veld)onderzoek is niet noodzakelijk. De Omgevingsverordening Zuid-Holland wordt niet overtreden.

18

5

Beschermde houtopstanden

Er zijn geen voor zover bekend werkzaamheden gepland waarbij houtopstanden groter dan 10 are of 20 bomen in een rij (of een deel ervan) verwijderd worden. Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom van Puttershoek (zie Afbeelding 8). In dit geval wordt de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden niet overtreden. Zodra bekend is of en welke bomen dienen te worden verwijderd, dient er een herbeoordeling plaats te vinden.

Afbeelding 8: Het plangebied gelegen binnen de bebouwde kom van Puttershoek

19

6

Onderzoeksresultaten beschermde soorten

6.1

Soorten Vogelrichtlijn

6.1.1

Bronnenonderzoek

6.1.1.1

Nationale Databank Flora en Fauna

Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstraat Havik Huismus Kerkuil Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte Wouw

Beschermingsregime Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest

Tabel 2: Waargenomen vogels met vaste rustof verblijfplaatsen binnen een afstand van 5 km van het plangebied. Bron: NDFF geraadpleegd op 30-06-2020.

6.1.2

Verkennend veldonderzoek

6.1.2.1

Jaarrond beschermde nesten

Het plangebied is geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten in gebouwen. Voor huismus zijn mogelijkheden in de coniferenhagen en klimop langs de randen van het plangebied om vaste rust- en verblijfplaatsen te herbergen. Deze groenstructuren kunnen dienen als slaapplaatsen voor huismussen welke mogelijk tot 21

broeden komen onder de pannendaken van de omliggende woningen. Uit de NDFF kwamen recente waarnemen van huismus in de directe omgeving (binnen enkele tientallen meters) van het plangebied naar voren. Direct aangrenzend aan het plangebied, aan de westzijde, bevinden zich twee kleine schuurtjes met pannendaken behorende bij de naastgelegen boerderij, welke geschikt zijn voor nestplaatsen van huismus. Voor gierzwaluw is het plangebied ongeschikt, er zijn geen geschikte nestplaatsen aanwezig. Mogelijke invliegopeningen bevinden zich te laag of hebben geen vrije aanvliegroute. Het dak van de oude boerderij ten westen van het plangebied is wel geschikt voor nestplaatsen van zowel huismus als gierzwaluw. Deze kunnen tot broeden komen onder het pannendak. Ook omliggende woningen met dakpannen daken zijn geschikt voor deze soorten.

Afbeelding 9: De groenstructuren langs de randen van het plangebied, zoals de klimop aan de oostgevel van de loods uit 1970, kunnen dienen als (mogelijk essentieel) leefgebied van huismus. Foto: M.M. Bouwmeester | Ecoresult B.V. Voor uilensoorten zoals kerkuil en steenuil herbergt het plangebied geen geschikte broedplaatsen (geen steenuil- en kerkuilnestkasten aanwezig, ligging in bebouwde kom). Voor oehoe en ooievaar zijn geen geschikte plekken in het plangebied aanwezig. Ooievaarsnesten zijn afwezig. Voor slechtvalk is het plangebied ongeschikt. De bebouwing is voor deze soort te laag en er bevinden zich in het plangebied geen nestkasten gericht op deze soort. Binnen de begrenzing van het plangebied zijn geen grote bomen, of bosschages aanwezig. Daarnaast betreft het plangebied een een bedrijventerrein (veel verstoring) en bevindt het zich binnen de bebouwde kom. Op basis van deze redenen kan de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen als boomvalk, buizerd, havik, sperwer, wespendief en zwarte wouw uitgesloten worden. Tijdens het verkennend veldonderzoek zijn in de bomen direct rondom het plangebied twee grote oude eksternesten waargenomen die kunnen dienen als vaste rust- en verblijfplaats van ransuil. In tegenstelling tot eerder genoemde soorten wordt ransuil wel regelmatig 22

aangetroffen in sterk urbane omgeving, waardoor aanwezigheid van deze soort niet met zekerheid uitgesloten kan worden. Roek is een echte koloniebroeder die in groten getale bij elkaar broedt. Er zijn onvoldoende nesten aangetroffen om geschikt te zijn voor een kolonie roeken.

Afbeelding 10: Een van de oude eksternesten langs de oostelijke rand van het plangebied, welke geschikt is als mogelijke nestplaats van ransuil. Foto: M.M. Bouwmeester | Ecoresult B.V. 6.1.2.2 Niet jaarrond beschermde nesten Het plangebied is geschikt voor vogels met niet jaarrond beschermde nesten, zoals de ekster, zwarte kraai en eventueel boomkruiper, koolmees en pimpelmees. Er zijn geschikte invliegmogelijkheden achter boeiboorden, maar net buiten het plangebied ook nestkasten aan gevels en bomen voor deze soorten (zogenaamde categorie 5-soorten). De bebouwing is daarmee geschikt voor vogels met niet-jaarrond beschermde nesten. De directe omgeving van het plangebied is ook geschikt voor vogels met niet jaarrond beschermde nesten zoals ekster en zwarte kraai.

6.1.2.3

Algemene broedvogels

Het plangebied en directe omgeving is geschikt als voortplantingsplaats voor andere algemene broedvogels, te weten kauw, houtduif, Turkse tortel en merel. Algemene vogels kunnen tevens tot broeden komen in bijvoorbeeld de hagen en bomen aangrenzend aan het plangebied. 23

6.1.3

Effectbeoordeling en toetsing

6.1.3.1

Jaarrond beschermde nesten

Potentieel essentieel leefgebied behorende bij voortplantingsplaatsen of vaste rust- en verblijfplaatsen van soorten met jaarrond beschermde nesten in bebouwing zijn in het plangebied aanwezig. De coniferenhagen en klimop in- en rondom het plangebied zijn geschikt als slaapplaatsen van de huismus. Direct aangrenzend aan het plangebied zijn geschikte nestplaatsen voor huismus aanwezig onder de pannen van de kleine boerenschuurtjes ten westen van het plangebied. Geschikte nestplaatsen van gierzwaluw bevinden zich op ten minste 12 meter van het plangebied. In de beoogde herontwikkeling blijft de vrije aanvliegroute behouden, waardoor geen schadelijke effecten op eventueel aanwezige vaste rust- en verblijfplaatsen van gierzwaluw worden verwacht. Tegen de oostelijke grens van het plangebied zijn geschikte nestplaatsen van ransuil aanwezig in de vorm van oude eksternesten in twee Zweedse lijsterbessen. Ten minste een van deze bomen zal worden verwijderd om plaats te maken voor een straat met parkeerplaatsen voor de nieuwbouw. Ook hangen er nestkasten in deze bomen die mogelijk als nestplaats gebruikt worden door huismus. Door de voorgenomen sloop, bouwrijp maken en herontwikkeling van het plangebied kunnen daarom permanente schadelijke effecten optreden op eventueel aanwezige vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van huismus en ransuil. Verbodsbepalingen Art.

3.1 lid 2 (zie Tabel 1) van de Wnb kunnen worden overtreden. Aanvullend veldonderzoek is daardoor nodig om te bepalen of: • Voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van huismus in- en direct rondom het plangebied aanwezig zijn. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd in de periode 1 april – 15 mei (2 veldonderzoeken) of 4 bezoeken tussen 20 maart en 20 juni. De tussenliggende tijd tussen de veldonderzoeken is minimaal 10 dagen. De aanpak voor het aanvullend veldonderzoek is conform de eisen9 die het bevoegd gezag hieraan stelt. Indien vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met verbodsbepaling overtredende werkzaamheden kan worden gestart. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is ca. maximaal 7 maanden. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van tijdelijke voorzieningen. Deze dienen aanwezig te zijn tenminste 3 maanden voor de start van het werk. • Voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van ransuil in- en direct rondom het plangebied aanwezig zijn. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd in de periode 20 februari – 20 juli (3 veldonderzoeken) De aanpak voor het aanvullend veldonderzoek is conform richtlijnen van SOVON.

Indien vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn dient een ontheffing of vergunning in bezit te 9

24

https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009-Kennisdocument-Huismus-1.0.pdf

zijn voordat met verbodsbepaling overtredende werkzaamheden kan worden gestart. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is ca. maximaal 7 maanden. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van tijdelijke voorzieningen. Een ontheffingsaanvraag wordt op hoofdlijn getoetst aan de volgende criteria: • Afwezigheid van reële alternatieven (planning, werkwijze, locatie). • Wettelijk belang van de werkzaamheden (verschilt per beschermingscategorie). • Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Dit is onder andere afhankelijk van de ruimtelijke spreiding van de soort in de directe omgeving. Dit kan worden voorkomen door het treffen van voldoende mitigerende/compenserende maatregelen.

6.1.3.2

Niet jaarrond beschermde nesten

Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen vogels met nietjaarrond beschermde nesten. Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor categorie 5 soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft een lokaal en regionaal algemene vogels. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden. • Tijdelijke schadelijke effecten op Categorie 5 soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord.

Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk.

6.1.3.3

Algemene vogels

Het plangebied en de directe omgeving van het plangebied is potentieel geschikt als voortplantingsplaats voor algemene vogels. Nesten van algemene vogels vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van de wet. Tijdelijke schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van algemene vogels zijn onder andere te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden 25

verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 15 augustus), of een inspectie te laten uitvoeren door een ecologisch deskundige.

6.2

Soorten Habitatrichtlijn

6.2.1

Bronnenonderzoek

6.2.1.1

Nationale Databank Flora en Fauna

Soort Bever Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Gewone/grijze grootoorvleermuis Laatvlieger Meervleermuis

Soortgroep Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren

Soort Muurhagedis Noordse woelmuis Platte Schijfhoren Rivierrombout Ruige dwergvleermuis Watervleermuis

Soortgroep Reptielen Zoogdieren Weekdieren Libellen Zoogdieren Zoogdieren

Tabel 3: Waargenomen Habitatrichtlijnsoorten binnen een afstand van 5 km van het plangebied. Bron: NDFF, geraadpleegd 30-06-2020

6.2.2

Verkennend veldonderzoek

6.2.2.1

Vleermuizen

De bebouwing binnen het plangebied biedt potentie voor vaste rust- en verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen. De bebouwing uit 1970 in het plangebied bevat meerdere gaten en kieren zoals openingen tussen gevels en dakoverstek, ruimtes achter boeiboorden waar vleermuizen gebruik van kunnen maken. De loods uit 1997 is vanwege het gebruikte bouwmateriaal in zijn geheel ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van vleermuizen. Het bouwmateriaal (metalen golfplaten) is te glad voor vleermuizen om aan vast te klampen en er is geen luchtspouw aanwezig. De bebouwing rondom het plangebied is eveneens potentieel geschikt voor de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen in ruimtes onder dakpannen daken en open stootvoegen die toegang bieden tot de luchtspouw. De verwachte soorten zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis. Het plangebied kan voor deze soorten derhalve een functie hebben als zomer-, kraam- en paar- en winterverblijfplaatsen (zie Tabel 4). Het laatste verblijftype (winterblijfplaats) geldt voor enkele solitaire dieren. Massawinterverblijfplaatsen zijn in het 26

plangebied uitgesloten door beperkte omvang, geringe hoogte en laag temperatuurregulerend vermogen van de bebouwing. Tweekleurige vleermuis wordt op basis van verspreidingsgegevens en zijn zeldzame karakter redelijkerwijs niet verwacht in het plangebied. De soort wordt in Nederland voornamelijk in het late najaar (oktoberdecember), dat is het paar- en overwinteringsseizoen, aangetroffen. Deze soort lijkt een voorkeur te hebben voor hoogbouw als paarverblijfplaats. Dergelijke bebouwing is in het plangebied niet aanwezig.

27

Massawinterverblijfplaats

Winterverblijfplaats

Paarverblijfplaats

Kraamverblijfplaats

Zomerverblijfplaats

Soort Gewone dwergvleermuis

Gewone grootoorvleermuis Ruige dwergvleermuis Rosse vleermuis Laatvlieger Meervleermuis Watervleermuis Tabel 4: Soorten welke verwacht worden en bijbehorende verblijfplaatsen

De bomen binnen het plangebied zijn ongeschikt voor boombewonende vleermuizen zoals ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis en rosse vleermuis. In een Zweedse lijsterbes net buiten het plangebied, langs de Schoolstraat, bevindt zich een grote holte, waardoor deze geschikt is als vaste rust- en verblijfplaats van boombewonende vleermuizen. Ook hangen hier enkele houten vogelnestkasten die door boombewonende vleermuizen gebruikt kunnen worden. De verwachte soorten zijn ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis en rosse vleermuis en de boom en kasten kunnen door deze soorten gebruikt worden als zomer- en/of paarverblijfplaats. Het plangebied en de directe omgeving kan functioneren als leefgebied bestaande uit vliegroutes (met name de bomenrij langs de Schoolstraat ten oosten van het plangebied) en foerageergebied voor vleermuizen. In de omgeving van het plangebied zijn alternatieve mogelijkheden van een vergelijkbare kwaliteit aanwezig.

28

Afbeelding 11: Voor vleermuizen geschikte ruimte achter een boeiboord in het plangebied. Foto: M.M. Bouwmeester | Ecoresult B.V.

6.2.2.2

Amfibieën en reptielen

Het plangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van rugstreeppad en muurhagedis. Rugstreeppad is minimaal de afgelopen 20 jaar niet waargenomen in de Hoeksche Waard, bovendien ontbreken geschikte voortplantingswateren als ondiepe poelen en slootjes in de omgeving, waardoor redelijkerwijs kan worden uitgesloten dat de soort in het plangebied voorkomt. Muurhagedis komt in Nederland van nature alleen voor op de oude stadsmuren en langs spoorwegen in en nabij Maastricht. De waarnemingen uit de NDFF betreffen een geïsoleerde geïntroduceerde populatie in het Dordtse zeehavengebied, circa 4 kilometer ten oosten van het plangebied. De brede watergangen Dordtse Kil en Oude Maas vormen een voor muurhagedis onoverbrugbare barrière tussen deze populatie en het plangebied, waarmee de aanwezigheid van de soort in het plangebied redelijkerwijs kan worden uitgesloten..

29

6.2.2.3

Overige Habitatrichtlijn soorten

Open water, rivieren en poelen zijn in het plangebied afwezig. Hierdoor kan de aanwezigheid van watergebonden zoogdieren als bever, libellen als rivierrombout en weekdieren als platte schijfhoren worden uitgesloten. De noordse woelmuis leeft in hoge vegetaties met vooral grasachtige planten. Dit habitat is in het plangebied afwezig waardoor de aanwezigheid van deze soort kan worden uitgesloten.

6.2.3

Effectbeoordeling en toetsing

Aanwezigheid van vleermuizen in gebouwen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis) is in de bebouwing binnen het plangebied niet uit te sluiten. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen (gewone grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis) zijn in de bomen langs de oostelijke rand van het plangebied niet uit te sluiten. Met de voorgenomen verharding van de Schoolstraat zullen de bomen mogelijk gekapt worden of zal er een toename in lichtintensiteit zijn door het plaatsen van straatlantaarns. De werkzaamheden (sloop en nieuwbouw) kunnen invloed hebben op mogelijk aanwezige verblijfplaatsen. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb worden overtreden. Verblijfplaatsen kunnen aanwezig zijn in ruimtes tussen de gevel en dakoverstek, achter boeiboorden en in holle bomen of vogelnestkasten. Aanvullend onderzoek is nodig in de periode 15 mei tot 15 juli middels 3 bezoeken en tussen 15 augustus en 15 september middels 2 bezoeken om te bepalen of: • voortplantingsplaatsen en/of vaste rust- en verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis en/of meervleermuis aanwezig zijn binnen en grenzend aan het plangebied.

Hierbij dient niet alleen het plangebied te worden beoordeeld maar ook de aangrenzende bomenrijen langs de Schoolstraat. De tussenliggende tijd tussen de veldonderzoeken is minimaal 20 dagen. De aanpak voor het aanvullend veldonderzoek is conform de eisen10 die het bevoegd gezag hieraan stelt. Indien vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn en de verblijfplaatsen door de werkzaamheden niet kunnen worden ontzien dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met verstorende werkzaamheden kan worden gestart. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van tijdelijke voorzieningen. Per vleermuissoort en per functie functie kunnen andere gewenningsperioden gelden. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is ca. maximaal 7 maanden. Een ontheffingsaanvraag wordt op hoofdlijn getoetst aan de volgende criteria: • Afwezigheid van reële alternatieven (planning, werkwijze, locatie). 10 Vleermuisprotocol 2017

30

gewone dwergvleermuis gewone grootoorvleermuis ruige dwergvleermuis laatvlieger meervleermuis rosse vleermuis watervleermuis

2 bezoeken 2 bezoeken 2 bezoeken 2 bezoeken 2 bezoeken 2 bezoeken 2 bezoeken

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

Wettelijk belang van de werkzaamheden (verschilt per beschermingscategorie). Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Dit is onder andere afhankelijk van de ruimtelijke spreiding van de soort in de directe omgeving. Dit kan worden voorkomen door het treffen van voldoende mitigerende/compenserende maatregelen.

januari

• •

2 bezoeken 2 bezoeken 2 bezoeken 2 bezoeken 2 bezoe 2 bezoeken 2 bezoe

zomerverblijfplaatsen zomer-/ kraamverblijfplaatsen paarverblijfplaatsen/zwermplaatsen

Tabel 5: Onderzoeksperiode en bezoekfrequentie vleermuizen. Voor overige habitatrichtlijnsoorten is het plangebied redelijkerwijs ongeschikt.

31

6.3

Nationaal beschermde soorten

6.3.1

Bronnenonderzoek

6.3.1.1

Nationale Databank Flora en Fauna

Soort Aardmuis Bastaardkikker Bruine kikker Bosmuis Bunzing Dwergmuis Egel Gewone pad Grote vos Grote weerschijnvlinder Haas Hermelijn Huisspitsmuis Kartuizer anjer Kleine watersalamander Konijn Meerkikker Ree Rosse woelmuis Ruw Parelzaad Steenmarter Veldmuis Vos Wezel

Soortgroep Zoogdieren Amfibieën Amfibieën Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Amfibieën Dagvlinders Dagvlinders Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Vaatplanten Amfibieën Zoogdieren Amfibieën Zoogdieren Zoogdieren Vaatplanten Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren

Vrijstelling Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Nee Nee Ja Ja Ja Nee Ja Ja Ja Ja Ja Nee Nee Ja Ja Ja

Tabel 6: Waargenomen niet vrijgestelde Nationaal beschermde soorten (Andere soorten § 3.3 Wnb) binnen een afstand van 5 km van het plangebied. Bron: NDFF, geraadpleegd 30-06-2020

32

6.3.2

Verkennend veldonderzoek

6.3.2.1

Vaatplanten

Tijdens het verkennend veldonderzoek zijn geen beschermde planten aangetroffen. Ruw parelzaad groeit op open, zonnige, matig vochtige, matig voedselrijke, basische en kalkrijke mergel, leem, zand en zavel. Bekende groeiplaatsen zijn akkers, op omgewerkte en braakliggende grond, in bermen en op spoorwegterreinen, op oeverwallen en stroomruggen langs rivieren. Karthuizer anjer staat op zonnige, warme en droge, matig voedselarme en uitgesproken stikstofarme, basenrijke en vaak kalkhoudende grond. Bekende groeiplaatsen zijn schrale- en kalkgraslanden, in bossages langs bermen en dijken en op leisteenhellingen en zandsteenrotsen. Deze habitats zijn in het plangebied afwezig, waardoor de aanwezigheid van beide soorten kan worden uitgesloten.

6.3.2.2

Zoogdieren

Het plangebied en de directe omgeving zijn potentieel geschikt voor algemene soorten waarvoor in Zuid-Holland een provinciale vrijstelling geldt. Dit betreffen o.a. de egel en verschillende soorten (spits-) muizen. De gebouwen in het plangebied zijn door het ontbreken van grotere openingen in de gevels ongeschikt voor steenmarter. Het tussenliggende terrein wordt gebruikt als opslag van verschillende bouwmaterialen, waardoor er mogelijke schuilplaatsen zijn tussen bijvoorbeeld opgestapelde betonblokken en stapels pallets. Tijdens het veldbezoek zijn van deze soort tijdens het veldbezoek echter geen sporen aangetroffen. Hierdoor kan de aanwezigheid van steenmarter redelijkerwijs worden uitgesloten.

6.3.2.3

Overige soorten

Het plangebied is enkel geschikt voor Nationaal beschermde soorten amfibieën waarvoor in Zuid-Holland een vrijstelling geldt, zoals gewone pad en bruine kikker. Het plangebied herbergt geen geschikt habitat voor beschermde dagvlinders, zoals grote vos. Deze soort komt voor in de nabijheid van grote solitaire bomen welke ontbreken in het plangebied. Grote weerschijnvlinder komt voor in en nabij oudere, vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of groepen samenhangende bosjes in beekdalen. Op basis van het ontbreken van geschikt habitat komen deze vlindersoorten hier niet voor.

6.3.3

Effectbeoordeling en toetsing

Het plangebied is geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt, zoals algemene (spits)muizen, egel, gewone pad en bruine kikker. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijke effecten op soorten 33

zoals gewone pad, bruine kikker, egel en muizen zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden, of daar direct aan voorafgaand. Voor overige niet-vrijgestelde Nationaal beschermde soorten is het plangebied ongeschikt.

34

7

Conclusies en aanbevelingen

7.1

Algemeen

In opdracht van Kubiek Ruimtelijk Plannen heeft Ecoresult B.V. een quickscan uitgevoerd voor het plangebied genaamd: Prins Bernhardlaan 1, Puttershoek. De aanleiding betreft de voorgenomen herontwikkeling (sloop en nieuwbouw) binnen het plangebied. Deze voorgenomen ontwikkelingen kunnen schadelijke effecten hebben op beschermde soorten en natuurgebieden.

7.2

Beschermde gebieden

7.2.1

Wet natuurbescherming

7.2.1.1

Natura 2000

Significante negatieve effecten van stikstofemissie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden kunnen niet worden uitgesloten als gevolg van de aard van de werkzaamheden (sloop en nieuwbouw). Het nabij gelegen Natura2000-gebied De Bieschbosch heeft voor stikstof gevoelige habitattypen. Passend aanvullend onderzoek naar stikstofemissies (van de aanlegfase en gebruiksfase) – middels de Aerius Calculator – is noodzakelijk. Het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming met betrekking tot gebiedsbescherming kan van toepassing zijn.

7.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

Op basis van de afstand tot het plangebied en de aard van de werkzaamheden valt voorhand uit te sluiten dat de activiteiten negatieve effecten hebben op het Natuurnetwerk Nederland (NNN), Belangrijke weidevogelgebied en Strategische reservering natuur. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een vergunning is niet nodig.

7.3

Beschermde houtopstanden

Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom en er zijn voor zover bekend geen 35

werkzaamheden gepland waarbij houtopstanden groter dan 10 are of 20 bomen in een rij of een deel ervan verwijderd worden. In dit geval is de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden niet van toepassing Zodra bekend is of en welke bomen dienen te worden verwijderd, dient er een herbeoordeling plaats te vinden.

7.4

Beschermde soorten

7.4.1

Soorten Vogelrichtlijn

7.4.1.1

Jaarrond beschermde nesten

De voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot schadelijke effecten op potentieel aanwezige verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van huismus Aanvullend veldonderzoek is nodig. Indien huismus aanwezig is en een overtreding van een verbodsbepaling niet kan worden voorkomen, dient een ontheffing of vergunning te worden aangevraagd. De voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot schadelijke effecten op potentieel aanwezige verblijfplaatsen van de ransuil. Aanvullend veldonderzoek is nodig. Indien ransuil aanwezig is en een overtreding van een verbodsbepaling niet kan worden voorkomen, dient een ontheffing of vergunning te worden aangevraagd. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal 6 maanden. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van voorzieningen. Deze dienen voor huismus aanwezig te zijn tenminste 3 maanden voor de start van het werk. Voor ransuil is geen standaard gewenningsperiode voor mitigerende maatregelen, dit betreft maatwerk. Overige Vogelrichtlijnsoorten met jaarrond beschermde nesten worden niet verwacht.

7.4.1.2

Algemene vogels en niet jaarrond beschermde nesten

Tijdelijke schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van vogels met niet jaarrond beschermde nesten en algemene vogels zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk. 36

7.4.2

Soorten Habitatrichtlijn

7.4.2.1

Vleermuizen

De voorgenomen ontwikkelingen leiden tot een negatief effect op potentieel aanwezige voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouw- en boombewonende vleermuizen (gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis). Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb worden overtreden. Aanvullend onderzoek is nodig. Indien voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn én door de werkzaamheden een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming wordt overtreden dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met de werkzaamheden kan worden gestart. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal 6 maanden. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van tijdelijke voorzieningen. Deze dienen aanwezig te zijn tenminste 3 maanden voor de start van het werk, maar hier zijn striktere uitzonderingen op mogelijk. Overige Habitatrichtlijnsoorten worden niet verwacht.

7.4.3

Nationaal beschermde soorten

Het plangebied is potentieel geschikt voor Nationaal beschermde faunasoorten welke vrijgesteld zijn van een ontheffing in de provincie Zuid-Holland. Voor deze soorten is er geen ontheffing vereist en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Wel geldt voor deze soorten de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect op soorten zoals gewone pad, bruine kikker, egel en muizen zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden.

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

Samenvatting benodigd onderzoek januari

7.5

Vleermuizen Huismus Ransuil Natura 2000

Tabel 7: Samenvatting benodigd aanvullend onderzoek.

37

7.6

Aanbevelingen

Los van de onderzoeksresultaten, maar als duurzame inrichtingsmaatregel “inclusief bouwen voor vleermuizen en vogels, heeft het de ecologische voorkeur om rekening te houden met de wensen van vleermuizen en vogels in het nieuwe ontwerp. Gebruik bijvoorbeeld inbouwkasten voor vleermuizen en broedvogels binnen het plangebied. Tevens kan worden ingespeeld op te verwachten ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied.

38

8

Geraadpleegde bronnen

8.1

Literatuur •

•

Cardinaals J.T.B., J. Daamen, G.F.J. Smit & H. van Ziel, 2019. Woningbouw en Natura 2000. Vuistregels bij het beoordelen van stikstofdepositie. Bureau Waardenburg Rapportnr. 19-246. Bureau Waardenburg, Culemborg. Ministerie van Infrastructuur en Milieu | Rijkswaterstaat, 2016. Oude Maas, Natura 2000 Deltawatere, Beheerplan 2016 – 2022. Ministerie van Infrastructuur en Milieu | Rijkswaterstaat, Den Haag.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11561383/1