CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

ontwerp bestemmingsplan Land van Essche III

Besluitvormende raad 7 maart 2023, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Land van Esse III23.858 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

34/114

Hoofdstuk 4

Onderzoek

4.1

Verkeer en parkeren

4.1.1

Verkeersontsluiting

Auto Land van Essche III ligt aan de zuidzijde van de kern Strijen en zal primair worden ontsloten via de Randweg van Strijen. De Randweg ligt aan de zuidzijde van Strijen, waardoor de kern en het centrum ontlast worden van doorgaand verkeer. De Randweg vervult een belangrijke ontsluitende functie voor het Land van Essche III. Het tracé van de Randweg voert vanaf de Weelsedijk ten westen van de kern Strijen in oostelijke richting en kruist de Wielweg, Schenkeldijk en Schelpweg en voert dan in noordelijke richting, via de Edisonweg, naar de N491. Ter hoogte van Land van Essche III is een aansluiting op de Randweg voorzien middels een rotonde. De Hilsondusstraat wordt op dit punt op de Randweg aangesloten. Het zuidelijke gedeelte van de Randweg is uitgevoerd als erftoegangsweg buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 60 km/h. Het oostelijke gedeelte is uitgevoerd als gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 80 km/h. De ontsluiting van het Land van Essche III vindt plaats via de Randweg. In westelijke richting wordt de Weelsedijk bereikt. De Weelsedijk biedt toegang tot de kern Numansdorp en tot de autosnelweg A29. De A29 verbindt de regio in noordelijke richting met Rotterdam. In zuidelijke richting vormt de A29 een verbinding met de regio's West‐Brabant, Goeree‐Overflakkee en Zeeland.

In oostelijke en noordelijke richting geeft de Randweg verbinding op de N491. De N491 voert in noordelijke richting naar de N217. De N217 verbindt de regio in westelijke richting met Puttershoek, Oud‐Beijerland en vormt een tweede verbinding naar de A29. In oostelijke richting wordt met 's‐Gravendeel, Dordrecht en de A16 verbonden. Om te beoordelen of de verkeersafwikkeling van Land van Essche III gewaarborgd is via de bestaande wegenstructuur, zijn de verkeersintensiteiten van de ontsluitende wegen en de toename als gevolg van de nieuwe ontwikkeling van belang. De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van kencijfers van het CROW (publicatie 381). Omdat het woningbouwprogramma nog flexibel is wordt de verkeersgeneratie aan de hand van woonmilieutypes berekend. In Strijen staan minder dan 10.000 woningen en daarbij wordt uitgegaan van de indeling woonmilieutypes uit tabel A5 (CROW 381) landelijk wonen. Hierbij hoort een kencijfer wat opgezocht is in tabel A6 (CROW 381) van 7,4 mvt/woning voor een weekdag. De weekdag kan worden omgerekend naar werkdag door het kencijfer te vermenigvuldigen met 1,11 (CROW 381). Tabel 4.1 toont de verkeersgeneratie voor de gemiddelde week‐ en werkdag. Tabel 4.1 Berekening verkeersgeneratie functie Woonmilieutype landelijk wonen

35/114

aantal

kencijfer

VI 155 woningen 7,4 mvt/woning

Verkeersgeneratie gem. Verkeersgeneratie weekdag gem. werkdag 1.147 mvt/etmaal

1.274 mvt/etmaal

De ontwikkeling van 155 woningen leidt tot een verkeersgeneratie van 1.274 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag. De intensiteit op de Randweg bedraagt circa 1.900 mvt/werkdagetmaal. De Randweg heeft voldoende capaciteit om de verkeersgeneratie als gevolg van het Land van Essche III te verwerken. Er worden dan ook geen problemen verwacht op het gebied van doorstroming en verkeersafwikkeling als gevolg van de planontwikkeling. Ook op de overige ontsluitende wegen worden geen problemen verwacht. Conclusie De ontwikkeling van de woningen leidt tot een verkeersgeneratie van 1.247 mvt/etmaal. Het plangebied wordt ontsloten op de Randweg die voldoende capaciteit heeft om het verkeer te verwerken. Er zijn dan ook geen problemen te verwachten op het gebied van doorstroming en verkeersafwikkeling. Fiets Het fietsverkeer wordt primair afgewikkeld via de kern Strijen. Vanuit het woongebied worden twee aansluitingen voorzien. Via de Hilsondusstraat bereikt het fietsverkeer het westelijk deel van de kern Strijen. Verder wordt er een fietsontsluiting gerealiseerd op de Schenkeldijk. Fietsverkeer kan via de Schenkeldijk het centrum van Strijen bereiken. Tevens wordt via de Schenkeldijk in zuidelijke richting de kern Mookhoek bereikt.

In het kader van de Randweg is een vrijliggend tweerichtingsfietspad als oeververbinding over de Strijense Haven gerealiseerd, waardoor er goede fietsverbindingen richting Mookhoek en 's‐Gravendeel zijn. Fietsers vanuit Land van Essche III richting Numansdorp maken gebruik van de Hilsondusstraat en fietspad Kleine Loo. Daarbij wordt opgemerkt dat er, behalve de fietsontsluiting op de Schenkeldijk, geen zelfstandig ontsluitende fietspaden rondom de ontwikkeling aanwezig zijn of gerealiseerd zullen worden. Openbaar vervoer Er is een bushalte gesitueerd aan de Leeuwerikstraat op een loopafstand van minimaal 500 meter en maximaal 800 meter van de locatie. Deze halte wordt 1x per uur per richting bediend door bussen richting Heinenoord Busstation en 1x per uur per richting door bussen richting Strijen Julianastraat. Verder is er gedurende de spitsperioden een busdienst naar Rotterdam Zuidplein 2x per uur. 4.1.2 Parkeren De parkeerbehoefte dient bepaald te worden aan de hand van CROW‐kencijfers (Publicatie 381). Hierbij dient uitgegaan te worden van de stedelijkheidsgraad "weinig stedelijk", de ligging "rest bebouwde kom" en de gemiddelde kencijfers. Dit conform de beleidsregel Parkeernormering Hoeksche waard. Hieronder staan de parkeernormen opgenomen in tabel 4.2.

36/114

Tabel 4.2. Parkeernormen Land van Essche III Functie

Norm

Koop, vrijstaand

2,3 per woning

Koop, twee‐onder‐een‐kap

2,2 per woning

Koop, tussen/hoek

2,0 per woning

Huur, vrije sector

2,0 per woning

Koop appartement goedkoop

1,6 per woning

Koop, appartement, midden

1,9 per woning

Koop, appartement duur

2,1 per woning

Huur appartement, goedkoop

1,4 per woning

Huur, appartement vrije sector

1,9 per woning

Sociale huurwoning

1,6 per woning

Omdat er nog sprake is van een proefverkaveling en geen definitief stedenbouwkundig plan, is relevant dat definitieve inrichting dient te voldoen aan bovenstaande parkeernormen. Een en ander is geborgd in de planregels. Voor de bezoekers van de woningen dienen parkeerplaatsen gerealiseerd te worden in de openbare ruimte. Voor bezoekersparkeren geldt een norm van 0,3 parkeerplaatsen per woning. De overige parkeerplaatsen kunnen zowel op eigen terrein als in de openbare ruimte gerealiseerd worden. Omdat er nog sprake is van een proefverkaveling en geen definitief stedenbouwkundig plan, is relevant dat de definitieve plannen dienen te voldoen aan bovenstaande parkeernormen. Een en ander is geborgd in de planregels. Voor de bezoekers van de woningen dienen parkeerplaatsen gerealiseerd te worden in de openbare ruimte. Voor bezoekersparkeren geldt een norm van 0,3 parkeerplaatsen per woning. De overige parkeerplaatsen kunnen zowel op eigen terrein als in de openbare ruimte gerealiseerd worden. 4.1.3

Verkeersveiligheid

De wegen rondom het plangebied zijn gecategoriseerd als erftoegangsweg binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 30 km/h. Ook de wegen binnen het plangebied zullen als zodanig gecategoriseerd worden. Fietsverkeer wordt gemengd met gemotoriseerd verkeer afgewikkeld. Gezien de relatief lage verkeersintensiteiten zal dit niet leiden tot problemen. De Randweg zal een nieuwe route voor gemotoriseerd verkeer bieden, waardoor er in de kern Strijen meer ruimte ontstaat voor fietsverkeer. Op de Randweg worden in principe geen fietsvoorzieningen gerealiseerd. Ook is er geen noodzaak de Randweg over te steken. Wel wordt ten behoeve van het oversteken van de Strijense Haven tussen de Schenkeldijk en de Schelpweg fietsvoorzieningen langs de Randweg gerealiseerd. Vanuit het plangebied wordt verder een solitaire fietsontsluiting op de Schenkeldijk voorzien. Van belang is dat de aansluiting op de Schenkeldijk op een verkeersveilige wijze wordt uitgevoerd. Gedacht kan worden aan snelheidsremmende maatregelen op de Schenkeldijk om zo de fietsoversteek te accentueren.

37/114

4.2

Milieu

4.2.1 Bedrijven en milieuhinder Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om een belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt gebruik gemaakt van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie‐indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Onderzoek en conclusie Het plangebied maakt deel uit van een rustige woonwijk en wordt dan ook omringd met woonfuncties. De omgeving van het plangebied kan derhalve getypeerd worden als 'rustige woonwijk'.

In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijfs‐ of activiteiten die relevante hinder ter plaatse van het plangebied kunnen veroorzaken. Er kan derhalve worden geconcludeerd dat het aspect bedrijven en milieuhinder de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg staat. Het agrarisch bedrijf aan de Schenkeldijk 48a zal overigens worden beëindigd. 4.2.2

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden.

38/114

Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10‐6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet‐ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.

Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden.

Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Beleidsvisie Externe Veiligheid Gemeenten Hoeksche Waard De ambitie is er om inwoners een veilige omgeving te bieden. In de kadernota Integraal Veiligheidsbeleid 2012‐2015 is dit geformuleerd als 'Het handhaven en waar mogelijk verbeteren van de objectieve en subjectieve veiligheid in de gemeente van de Hoeksche Waard'. De beleidsvisie is een invulling hieraan. Er wordt ernaar gestreefd om op een verantwoorde wijze om te gaan met externe veiligheid. Concreet betekent dit dat ze zich richten op de structurele beheersing en beperking van risico’s die voortvloeien uit de opslag, productie, het gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. De risico’s moeten worden beperkt tot een wettelijk vereist niveau en een aanvaardbaar niveau.

39/114

Onderzoek Overeenkomstig de professionele risicokaart (https://nederlandprof.risicokaart.nl) waarin relevante risicobronnen worden getoond, worden in de directe omgeving van het plangebied geen gevaarlijke stoffen vervoerd over de weg, het spoor, het water of door leidingen. Voor de bevoorrading van LPG‐station wordt de Randweg gebruikt, dit wordt niet weergegeven op de professionele risicokaart. De Randweg loopt langs het plangebied. Gelet op het beperkt aantal transporten vormt dit verder geen extern veiligheidsrisico. Wel is een beknopte verantwoording van het groepsrisico gegeven. Op een afstand van 6,1 kilometer ligt een risicovolle inrichting van Shell Nederland Chemie B.V. in Moerdijk. Het plangebied valt buiten de PR 10‐6 contour maar binnen het invloedsgebied van circa 10,6 kilometer. De oriëntatiewaarde wordt in de huidige situatie overschreden. Hiervoor geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR. Een toename van het GR door de ontwikkeling wordt niet verwacht door de volgende redenen:  De afstand van 6,1 km tot de risicovolle inrichting.  De zeer beperkte toename van personen (312) door de ontwikkeling ten opzichte van de hoeveelheid mensen dat al aanwezig is in het invloedsgebied (meerdere woonkernen). De risicovolle inrichting Afvalstoffen Terminal Moerdijk (ATM) is gelegen op circa 5,2 kilometer van het plangebied.

Het invloedsgebied van ATM bedraagt 9,5 kilometer. Het plangebied bevindt zich in het invloedsgebied waardoor een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is. Omdat de afstand tot ATM 5,2 kilometer is en de toename van het aantal mensen zeer beperkt te noemen is (312) ten opzichte van de hoeveelheid mensen dat al aanwezig in het invloedsgebied, is de verwachting niet dat het groepsrisico van ATM zal toenemen. Een berekening om de hoogte van het groepsrisico te bepalen is derhalve niet noodzakelijk. Er kan worden volstaan met een beknopte verantwoording. Verantwoording van het groepsrisico In het kader van het wettelijk vooroverleg is voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd worden aan de veiligheidsregio. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van en incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen.

Tevens speelt een snelle alarmering ten allen tijde een belangrijke rol. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt in het zuiden ontsloten op de Randweg. Ten noorden wordt het plangebied aangesloten op de Schenkeldijk. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zo kan bijvoorbeeld via meerdere aanvalswegen een mogelijke brand geblust worden. Daarnaast kan via de ontsluiting op de Schenkeldijk van de bron af worden gevlucht.

40/114

Zelfredzaamheid De aanwezige personen zullen over het algemeen zelfredzaam zijn gelet op het feit dat het plangebied voornamelijk uit woningen bestaat. Aanwezige kinderen en ouderen worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de kinderen en ouderen kunnen begeleiden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg en risicovolle inrichting geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings‐ en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd.

Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaalpakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL‐Alert en het gebruik van sociale media. Advies Veiligheidsregio Zuid‐Holland Zuid (VRZHZ): De VRZHZ heeft op advies uitgebracht en is akkoord met de voorgaande paragraaf. Aanvullend adviseert de VRZHZ de woningen te voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). Beleidsvisie Externe Veiligheid Gemeenten Hoeksche Waard Het is noodzakelijk om gebruik te maken van een tweetal risicomaten voor de visie op externe veiligheid: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hiermee kan het ambitieniveau geconcretiseerd worden en wordt een praktische richtsnoer geboden voor toekomstige afwegingen op het gebied van externe veiligheid (risico’s).

Deze risicomaten zijn hierbij geen doel op zich, maar een middel om de aanwezige risico’s te kwantificeren en vervolgens te beheersen en te accepteren. Daarnaast is het van belang of er sprake is van een bestaand object of een nog op te richten object. Het plangebied is niet in een PR‐contour gelegen. Wel is het risicomaat het groepsrisico vanwege de ligging in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen relevant. Volgens de beleidsvisie moet elke verandering van het groepsrisico, feitelijk elke verandering van de risicobron en/of het aantal personen / kwetsbare objecten binnen het invloedsgebied, moet worden verantwoord. Het doel hierbij is transparantie en inzichtelijkheid te verkrijgen. Ook wanneer risico’s afnemen. De essentie van de verantwoordingsplicht is dat het de gemeente aanzet tot een discussie over de omvang en verandering van het lokale groepsrisico in relatie tot de oriëntatiewaarde. Maar ook over de veiligheid van de risicovolle situatie, de gevolgen voor de omgeving, de hulpverlening en de zelfredzaamheid van omwonenden. Het verantwoorden is een wettelijke verplichting en geldt in het bijzonder wanneer het groepsrisico toeneemt.

Uitgangspunt is dat er altijd een beoordeling van het groepsrisico moet plaatsvinden indien er een besluit wordt genomen, waarbij (beperkt) kwetsbare objecten zijn gelegen binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen of transportroutes.

41/114

De verantwoording van het groepsrisico heeft plaatsgevonden en is akkoord bevonden door de VRZHZ. Uit de toelichting wordt tevens al geconcludeerd dat het groepsrisico van de risicovolle bedrijven Shell Nederland Chemie B.V. en ATM niet zullen toenemen door de beoogde ontwikkeling. De externe veiligheidsrisico's zijn hiermee vroeg in het planproces inzichtelijk gemaakt, is er een bewuste keuze gemaakt, is er sprake van een integrale afweging van nut en noodzaak en is gekeken of er eventueel maatregelen op de agenda moesten komen om risico's te beperken. Hiermee past het plan binnen de Beleidsvisie Externe Veiligheid van de gemeente Hoeksche Waard. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van Shell Nederland Chemie B.V. en ATM. Vanwege de afstand van het plangebied tot de risicovolle inrichtingen is geen sprake van een relevante toename van het groepsrisico. Uit de verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.2.3

Kabels en leidingen

Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. 4.2.4

Bodem‐ en grondwaterkwaliteit

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Normstelling en beleid Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient de bodemkwaliteit ter plaatse te worden onderzocht. Bij functiewijzigingen dient te worden afgewogen of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

42/114

De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht. Onderzoek en conclusie Door Buro Antares is in maart 2018 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek (zie bijlage 2) blijkt dat de aangetroffen concentraties niet of slechts licht verhoogd zijn. Er wordt geconcludeerd dat het aspect bodem de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg staat. De locatie van de voormalige boerderij met schuur is echter niet onderzocht in het voormelde onderzoek door Buro Antares. Uit onderzoeken die in 1996 zijn uitgevoerd blijkt dat er ter plaatse sprake is van een matig tot sterke verontreiniging met minerale olie in de grond en sterke verontreinigingen met PAK, lood en zink in de verhardingslaag. Tevens is in het grondwater een sterke verontreiniging met zink aangetoond. De onderzoeken zijn echter verouderd. Indien een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw wordt ingediend, dient aanvullend onderzoek conform de NEN 5707 uitgevoerd te worden.

De locatie is in ieder geval wel geschikt te maken voor het toekomstige gebruik, zodat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in het geding is. 4.2.5 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.2 weergegeven. Tabel 4.2. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof

Toetsing van

Grenswaarde

stikstofdioxide (NO2)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijn stof (PM10)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

24‐uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³

jaargemiddelde concentratie

25 µg /m³

fijn stof (PM2,5)

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

43/114

Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Ter plaatse van het plangebied worden 155 woningen gebouwd. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven.

Dit is gedaan aan de hand van de NSL‐monitoringstool 2020 (http://www.nsl‐monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Randweg, direct ten zuiden van het plangebied. Uit de NSL‐monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 16,3 µg/m³ voor NO2, 17,2 µg/m³ voor PM10 en 10,4 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24‐uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,1 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse is sprake van een acceptabel woon‐ en leefklimaat. 4.2.6

Wegverkeerslawaai

Beleid en normstelling Geluidszones langs wegen Langs alle wegen bevinden zich ingevolge de Wet geluidhinder geluidszones, met uitzondering van woonerven en 30 km/uur‐gebieden. Binnen en rond het plangebied zijn 30 km/uur‐wegen aanwezig die op basis van hun snelheidsregime niet gezoneerd zijn. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. De breedte van een geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (binnen‐ of buitenstedelijk). De geluidszone ligt aan weerszijden van de weg, gemeten vanuit de kant van de weg. Onder stedelijk gebied wordt verstaan: 'het gebied binnen de bebouwde kom, doch met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone van een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens' (artikel 1 Wgh). De ontwikkeling is gelegen binnen de geluidszones van de Randweg, de Schenkeldijk, de Schelpweg en de Moricaanseweg. Deze wegen zijn buitenstedelijk gelegen, hebben twee rijstroken en derhalve een geluidszone van 250 m.

44/114

Normstelling De voorkeursgrenswaarde mag in principe niet worden overschreden. Indien uit het akoestisch onderzoek blijkt dat deze voorkeursgrenswaarde wel wordt overschreden, zijn maatregelen noodzakelijk, gericht op het verminderen van de geluidsbelasting aan de gevel. Onderscheid wordt gemaakt in maatregelen aan de bron (bijvoorbeeld geluidsreducerend asfalt) en maatregelen in het overdrachtsgebied (bijvoorbeeld geluidsschermen, vliesgevels of het vergroten van de afstand tussen de geluidsbron en de ontvanger). Zijn deze maatregelen onvoldoende doeltreffend, dan wel ontmoeten deze maatregelen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard, dan kan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoeksche waard onder bepaalde voorwaarden hogere waarden vaststellen. Deze hogere waarde mag, afhankelijk van de situatie, een bepaalde waarde niet te boven gaan (uiterste grenswaarde). Indien de uiterste grenswaarde wordt overschreden en maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting aan de bron of in het overdrachtsgebied niet mogelijk of doeltreffend zijn, dienen maatregelen aan de zijde van de geluidsontvanger te worden genomen, zoals het toepassen van een dove gevel. Daarnaast dient altijd de wettelijke binnenwaarde te worden gegarandeerd.

Het kan daarvoor noodzakelijk zijn dat geluidsisolerende gevelmaatregelen worden genomen. In het kader van de ruimtelijke procedures komen echter alleen de maatregelen aan de bron of in het overdrachtsgebied aan de orde. De gevelmaatregelen komen pas aan de orde in het kader van de daadwerkelijke realisatie van de ontwikkeling. Hieraan wordt bijvoorbeeld getoetst bij een bouwaanvraag. Voor de woningen binnen dit plan geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Verder geldt voor de bestaande wegen een uiterste grenswaarde van 63 dB (bestaande weg, nieuwe woning). 30 km/uur‐wegen Zoals uit het voorgaande kan worden geconcludeerd geldt voor wegen die zijn ondergebracht in een 30 km/uur‐gebied geen wettelijke geluidszone en is langs deze wegen akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai in nieuwe situaties op grond van de Wgh niet verplicht. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening echter aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau. Indien dit niet aannemelijk is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidsbelasting aan de gevels noodzakelijk, mogelijk en doelmatig zijn. Ter onderbouwing van de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting wordt bij gebrek aan wettelijke normen aangesloten bij de benaderingswijze die de Wet geluidhinder hanteert voor gezoneerde wegen.

Vanuit dat oogpunt worden de eerder vermelde voorkeursgrenswaarde en de uiterste grenswaarde uit de Wgh als referentiekader gehanteerd. Daarnaast is van belang dat zodanige gevelmaatregelen worden genomen dat de maximaal aanvaarde binnenwaarde op grond van het Bouwbesluit ten hoogste 33 dB bedraagt. Aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Conform artikel 3.6 uit het Reken‐ en Meetvoorschrift geluidhinder 2006 geldt voor wegen met een snelheid lager dan 70 km/h een aftrek van 5 dB. Voor wegen met een maximumsnelheid van 70 km/h of meer geldt een aftrek van 2 dB. Op alle in deze rapportage genoemde geluidsbelastingen is deze aftrek toegepast, tenzij anders vermeld.

45/114

Onderzoek en conclusie De geluidbelasting is berekend ten gevolge van het wegverkeer op de Randweg, Schenkeldijk en de Hilsondusstraat (zie bijlage 4). Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van de gezoneerde Schenkeldijk lager of gelijk is aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximale berekende geluidbelasting bedraagt 48 dB, inclusief 5 dB aftrek op basis van artikel 110g wgh. Verder wordt ten gevolge van het wegverkeer op de niet‐gezoneerde Hilsondusstraat de richtwaarde van 48 dB niet overschreden. Hier bedraagt de maximale berekende geluidbelasting 31 dB, inclusief 5 dB aftrek op basis van artikel 110g wgh. Als gevolg van het wegverkeer op de Randweg wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op enkele toetspunten overschreden. De maximale berekende geluidbelasting bedraagt 50 dB inclusief 5 dB aftrek op basis van artikel 110g Wgh, zie figuur 4.1. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Wel dienen hogere waarden te worden vastgesteld. Alvorens hogere waarden aan de orde zijn, dient beoordeeld te worden of maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting te reduceren. Hierbij geldt de voorkeursvolgorde bronmaatregelen‐en overdrachtsmaatregelen.

Omdat niet wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van het wegverkeer op de Randweg dient beoordeeld te worden of doelmatige maatregelen mogelijk zijn.

Figuur 4.1. Resultaten akoestisch onderzoek

46/114

Bronmaatregelen Allereerst is gekeken naar mogelijkheden om maatregelen aan de bron te nemen. Er zijn een aantal maatregelen aan de bron denkbaar. De eerste mogelijkheid zou het beperken van de verkeeromvang, het wijzigen van de snelheid of van de samenstelling van het verkeer kunnen zijn. Het beperken van de verkeersomvang of de samenstelling van het verkeer is niet mogelijk. Het gaat hier reeds om een omleidingsweg, om zo het verkeer buiten het dorpskern te Leiden. Deze is cruciaal voor de doorstroom van het verkeer door Strijen. Deze maatregel stuit op overwegende bezwaren van verkeers‐ en vervoerskundige aard. Verder is het verlagen van de maximum snelheid op de Randweg niet mogelijk. Dit belemmert de verkeersdoorstroom op de Randweg en zorgt voor verkeersopstoppingen Een andere mogelijkheid is het aanbrengen van een ander soort wegdekverharding, dit stuit op bezwaren van financiële aard (de geluidbelasting wordt overschreden op een gering aantal woningen). Verder bestaat de wegdek van de Randweg reeds uit geluidreducerend wegdek. Overdrachtsmaatregelen Het vergroten van de afstand tussen de bron en de ontvanger is niet gewenst. Het bestemmingsplan kent een globale bestemmingslegging met flexibiliteit voor de uitwerking, maar waarbij bebouwing aan de zijde van de randweg uitgangspunt is. De overschrijding van de voorkeursgrenswaarde is bovendien beperkt.

Verder is het ook niet doelmatig gebleken om een scherm of wal te plaatsen langs de Randweg. Bovendien is het om landschappelijke redenen niet gewenst om een scherm of wal te plaatsen langs de Randweg. Het zicht op de landelijke omgeving wordt hierdoor beperkt. Gemeentelijk geluidsbeleid Het geluidsbeleid van de Hoeksche waard bepaalt dat bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarde, sprake moet zijn van een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte. Gelet op de proefverkaveling kan hieraan voldaan worden omdat de woningen ‐ daar waar sprake is van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde ‐ een van de weg afgekeerde gevel hebben en geen achtertuinen hebben die naar de weg gekeerd zijn. Bovendien wordt in de planregels bepaald dat er sprake dient te zijn van een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte. Beoordeling Geconcludeerd kan worden dat maatregelen om de geluidbelasting vanwege de Randweg te reduceren redelijkerwijs niet mogelijk en/of gewenst zijn vanwege overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige of vervoerskundige en financiële aard. Aangezien de maximale ontheffingswaarde van 63 dB ten gevolge van het wegverkeerslawaai niet wordt overschreden, kan gesteld worden dat aanvraag van een hogere grenswaarde mogelijk is. Aan het gemeentelijk geluidbeleid kan voldaan worden. Bovendien wordt dit geborgd in de juridische regeling.

Het ontwerpbesluit hogere waarden is opgenomen in bijlage 11.

47/114

4.3

Ecologie

In deze paragraaf is de bestaande situatie vanuit ecologisch oogpunt beschreven en is vermeld welke ontwikkelingen het bestemmingsplan mogelijk maakt. Vervolgens is aangegeven waaraan deze ontwikkelingen – wat ecologie betreft – moeten worden getoetst. 4.3.1 Bestaande situatie Het plangebied bestaat uit grootschalige open polder met akkers, watergangen, opgaand groen en enkele gebouwen. Tussen de akkers liggen brede watergangen met steile oevers. Het plangebied grenst aan de reeds gerealiseerde nieuwbouwwijken Land van Essche I en II (Strijen). De omgeving van het plangebied bestaat uit het bebouwd gebied van Strijen in het noorden en grootschalige polders met het kreekrestant Kleine Loo ten zuiden van het plangebied. 4.3.2

Beoogde ontwikkelingen

Het plangebied zal heringericht worden als een nieuwe woonwijk. De ontwikkeling van de nieuwe woonwijk Land van Essche lll is een vervolg op de eerdere uitbreidingen van Land van Essche l en ll. De voorgenomen ontwikkelingen kunnen als volgt worden omschreven:  kappen van het opgaand groen;  sloop van (bij)gebouwen;  bouwrijp maken van het terrein;  mogelijk dempen van de watergang;  aanleggen watergangen;  bouw van woningen;  nieuwe groeninrichting. 4.3.3

Toetsingskader

Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000‐gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura‐2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

48/114

Een bestemmingsplan die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000‐gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling of voortoets de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:  alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;  het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en  de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000‐netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb.

De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

49/114

Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid‐Holland In de provincie Zuid‐Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. 4.3.4

Onderzoek

Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 (figuur 4.1). Het plangebied maakt ook geen deel uit van het NNN. Het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied Oudeland van Strijen ligt op een afstand van circa 700 meter en het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000‐gebied Biesbosch bevindt zich op circa 5,1 kilometer. Het dichtstbijzijnde NNN gebied is tevens Oudeland van Strijen (zie figuur 4.2).

Figuur 4.2 Natura 2000 gebieden t.o.v. het plangebied (rode cirkel). Bron: AERIUS Calculator.

50/114

Figuur 4.3 NNN gebieden t.o.v. het plangebied (rode cirkel). Bron: Provincie Zuid‐Holland. Het plangebied is niet gelegen in beschermde natuurgebieden. Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen derhalve worden uitgesloten. Het dichtstbijzijnde Natura‐2000 gebied is het Oudeland van Strijen op een afstand van 700 meter is gelegen. Gezien de afstand en door de bestaande bebouwing en wegen van het gebied van Strijen, dat werkt als een buffer, kunnen tevens effecten als verstoring en effecten op de waterhuishouding worden uitgesloten. De instandhoudingsdoelen voor het Oudeland van Strijen kennen geen stikstofgevoelige habitats of soorten. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige gebied is de Biesbosch op een afstand van 5,1 kilometer. Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Voor de realisatiefase geldt een vrijstelling vanuit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. Een berekening voor deze fase is niet nodig. Deze vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase. Voor het onderzoeken van de mogelijke effecten op het nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000‐gebied Biesbosch voor de gebruiksfase is er een AERIUS‐berekening uitgevoerd (zie bijlage 8 voor de memo en bijlage 9 voor de berekening).

Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de gebruiksfase van de ontwikkeling. Soortenbescherming Om de ecologische gevolgen van de beoogde ontwikkeling in kaart te brengen is een quick scan flora‐ en fauna uitgevoerd (zie bijlage 3) en een veldonderzoek naar vleermuizen en broedvogels in 2018 (zie bijlage 5). Uit dit onderzoek blijkt dat slechts kleine aantallen foeragerende vleermuizen aanwezig zijn. Het plan heeft geen negatieve invloed op deze foerageerfunctie. Vanwege de aanleg van nieuw gevarieerd groen en water is zelfs een positief effect denkbaar. Vogels met vaste nestplaatsen zijn bij het veldonderzoek niet aangetroffen. Ook voor vogels geldt dat het toekomstige woongebied geschikter is als leefgebied voor meer soorten en grotere aantallen dan de agrarische uitgangsituatie. In verband met de aanwezigheid van broedende broedvogels is het noodzakelijk om groen te rooien en opstallen te slopen buiten het broedseizoen. Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wnb worden overtreden. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig. Voor deze soorten bestaat een algemene vrijstelling in provincie Zuid‐Holland.

51/114

In het veldonderzoek naar vleermuizen en broedvogels uit 2018 was het perceel Schenkeldijk 48 niet opgenomen. Dit perceel is alsnog onderzocht (zie bijlage 10). Uit het onderzoek blijkt dat een nestlocatie van de buizerd en een nestlocatie van de kerkuil zijn vastgesteld. Deze nestlocaties zijn jaarrond beschermd. Als gevolg van de werkzaamheden kunnen de nestlocaties verloren gaan of ongeschikt raken. Hiermee worden verbodsbepalingen in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming overtreden. Het is noodzakelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen voor verbodsbepalingen uit artikel 3.1. Aan een ontheffing kunnen bepaalde voorwaarden verbonden zijn, zoals het treffen van mitigerende maatregelen. Verder zijn zomerverblijfplaatsen, paarverblijfplaatsen en winterverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en de gewone grootoorvleermuis vastgesteld. Als gevolg van de werkzaamheden kunnen de verblijfplaatsen verloren gaan of ongeschikt raken. Hiermee worden verbodsbepalingen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming overtreden. Het is noodzakelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen voor verbodsbepalingen uit artikel 3.5. Aan een ontheffing kunnen bepaalde voorwaarden verbonden zijn, zoals het treffen van mitigerende maatregelen.

Om de algemene broedvogels in het gebied niet te verstoren is het aan te raden om buiten de broedperiode van maart ‐ augustus te werken. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden, dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. De benodigde ontheffingen van de Wet natuurbescherming zoals hierboven vermeld worden aangevraagd. In het plangebied worden voorzieningen getroffen, gedacht wordt onder andere aan een zogenaamde faunatoren, die voorkomen dat er sprake is van onevenredige aantasting van beschermde soorten. Het is dan ook aannemelijk dat de benodigde ontheffingen verleend worden en het bestemmingsplan uitvoerbaar is. 4.3.5 Conclusie Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals een Natura 2000‐gebied en NNN. Het plangebied ligt op circa 700 m afstand van een Natura 2000 gebied Oudeland van Strijen en NNN. Het plangebied wordt van de beschermde natuurgebieden gescheiden door de bestaande bebouwde kom van Strijen, die werkt als een buffer voor verstoring. Daarnaast blijkt uit de stikstofberekeningen dat er geen sprake is van depositie.

In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om groen te rooien en opstallen te slopen buiten het broedseizoen. Voorts worden de benodigde ontheffingen aangevraagd en worden voorzieningen getroffen om onevenredige aantasting van beschermde soorten te voorkomen. In de regels van het bestemmingsplan wordt een zogenaamde faunatoren mogelijk gemaakt. Het is derhalve aannemelijk dat de benodigde ontheffingen verleend worden. Met inachtneming van het bovenstaande staat de Wet natuurbescherming de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

52/114

4.4

Waterhuishouding

4.4.1 Watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. In het kader van de verplichte watertoets is over deze ruimtelijke ontwikkeling overleg gevoerd met de waterbeheerder, waarna de opmerkingen van de waterbeheerder zijn verwerkt in deze waterparagraaf. 4.4.2 Beleidskader duurzaam waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld.

Europa:  Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal:  Nationaal Waterplan (NW)  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)  Waterwet Provinciaal:  Provinciaal Waterplan  Provinciale omgevingsvisie  Provinciale Omgevingsverordening Waterschapsbeleid In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2016‐2021) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater). Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplicht gesteld.

Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1.500 m2 of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding.

53/114

Gemeentelijk beleid Op 25 november 2008 heeft de raad van de gemeente Strijen het Waterplan Strijen voor het gehele grondgebied vastgesteld. Hierin is een inventarisatie gemaakt van knelpunten, kansen, een waterstructuurvisie wordt uitgewerkt waarin een ideaalbeeld wordt geschetst voor het jaar 2027 en maatregelen worden geselecteerd voor de komende vijf jaar. De hoofddoelstelling van het Waterplan Strijen is om te komen tot een duurzaam watersysteem. Dat wil zeggen, het realiseren van een veilig, schoon en aantrekkelijk watersysteem waarbij de beheer‐ en onderhoudsaspecten verregaand zijn geoptimaliseerd. Hierbij is rekening gehouden met de verwachte klimaatverandering, de doelstellingen die gesteld worden vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) met betrekking tot de waterkwaliteit alsmede de verbrede zorgtaak van de gemeenten inzake de grondwaterproblematiek en verzameling van overtollig hemelwater zoals opgenomen in de Wet gemeentelijke watertaken. 4.4.3

Huidige situatie

Het plangebied ligt direct ten zuiden van de bebouwde kern Strijen. Bodem en grondwater De locatie bestaat momenteel uit akkerland en is daarmee onverhard en ongerioleerd. De maaiveldhoogte bedraagt circa NAP ‐0,6 m en de bodem bestaat uit lichte klei tot meer dan 10 m diep. Volgens de Bodemkaart van Nederland is sprake van grondwatertrap V. Dat wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand hier van nature minder dan 0,4 m beneden het maaiveld ligt, terwijl de gemiddeld laagste grondwaterstand meer dan 1,2 m beneden het maaiveld ligt. In het plangebied treedt licht brakke kwel op. Het plangebied ligt in peilvak 15‐2 van het bemalingsgebied Land van Essche, ter plaatse wordt een vast peil van NAP ‐2,0 m gehandhaafd. In dit peilvak bestaat momenteel geen waterbergingstekort. Waterkwantiteit Het plangebied wordt aan alle zijden begrensd door watergangen, dit zijn allen geen hoofdwatergangen. Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen De Schenkeldijk is een boezemkering van de Nieuwe Haven (KRW‐waterlichaam).

De noordoostelijke rand van het plangebied valt binnen de keurzone van deze waterkering. Het boezempeil in de Nieuwe Haven wordt gehandhaafd op NAP ‐0,8 m. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is momenteel aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. 4.4.4 Toekomstige situatie Binnen het plangebied worden 155 woningen gerealiseerd, uiteraard met de bijbehorende infrastructuur.

54/114

Bodem en grondwater De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit Als gevolg van de ontwikkeling neemt het verhard oppervlak toe met circa 3 ha. Daartoe wordt de watergang langs de zuidzijde van het plangebied verbreed. Ook aan de overzijde van de entree naar de nieuwe woonwijk worden (bij Doornbos en Strienemonde) ten behoeve van het plan twee waterpartijen gerealiseerd. De waterpartij aan de kant van Strienemonde is reeds gerealiseerd. De gezamenlijke waterpartijen hebben een totale oppervlakte van eveneens minimaal 2.600 m². Hiermee wordt ruim voldaan aan de norm van het waterschap en resulteert de ontwikkeling in een ruime overcompensatie. Van belang is dat alle watergangen met elkaar in verbinding dienen te staan (voorkomen van doodlopende watergangen). De nieuwe waterpartijen worden voorzien van natuurvriendelijke oevers. Het plangebied ligt aan de noordzijde tegen een peilscheiding aan, de waterafvoer vanuit het plangebied naar het naastgelegen peilgebied (15‐ST) dient via het bestaande waterstelsel te gebeuren. Als dit ontoereikend is qua capaciteit, dan zal dit aangepast moeten worden. Watersysteemkwaliteit en ecologie Bij de bouw wordt gebruikgemaakt van duurzame bouwmaterialen (dus geen zink, koper, lood en PAK's‐houdende materialen) die niet uitlogen.

Indien noodzakelijk worden de bouwmaterialen voorzien van een coating om uitloging tegen te gaan. Veiligheid en waterkeringen Bij werkzaamheden in de beschermingszones van de waterkering dient een watervergunning aangevraagd te worden. Afvalwaterketen en riolering De nieuwe bebouwing wordt voorzien van een gescheiden rioolstelsel. Dit betekent dat schoon hemelwater van schone oppervlakken wordt afgevoerd naar de watergangen die het plangebied begrenzen. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater afgevoerd wordt naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie. Het rioleringsplan dient afzonderlijk te worden beoordeeld door het waterschap Hollandse Delta. Beheer en onderhoud In zijn algemeenheid geldt dat voor aanpassingen aan bestaande waterstaatswerken bij het waterschap vergunning dient te worden aangevraagd op grond van de Keur (ex artikel 77 en 80 van de Waterschapswet). Dit geldt dus bijvoorbeeld de aanleg van nieuw oppervlaktewater en het werken in de kern‐ of beschermingszone van de waterkeringen. In de Keur is ook geregeld dat 'beschermingszones' voor watergangen in acht dienen te worden genomen. Het komt erop neer dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd en opgeslagen mag worden.

De beschermingszones zijn van toepassing aan weerszijden van watergangen, waarbij voor hoofdwatergangen en wegsloten een zone geldt van 5 m en voor overige watergangen een zone van 3 m.

55/114

Bestemmingslegging De watergangen zijn bestemd als 'Water'. De waterkering is voorzien van een dubbelbestemming, namelijk 'Waterstaat ‐ Waterkering'. 4.4.5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12459535/1