CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota van Beantwoording zienswijzen 2

Besluitvormende raad 15 april 2025, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Raadsvoorstel voorkeursrecht westelijke ontsluitingsroute Numansdorp25.755 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Zienswijze 4 – misbruik van recht Het voorkeursrecht is bedoeld om gemeentelijke verwerving mogelijk te maken. Dat veronderstelt volgens indieners dat de gemeente de intentie heeft om het perceel concreet te verwerven, anders zou het voorkeursrecht niet nodig zijn. Indieners kunnen zich niet voorstellen dat de gemeente c.q. de aannemer de percelen nodig heeft bij de aanleg van de weg (indien tracé 3 zou worden gekozen). Er zou sprake zijn van misbruik van recht, nu het voorkeursrecht niet wordt gebruikt voor het doel waarvoor het door de wetgever in het leven is geroepen.

Specifiek ten aanzien van zienswijze 4 wordt opgemerkt dat indieners ten onrechte menen dat de gemeente zich schuldig zou maken aan misbruik van recht door het voorkeursrecht te leggen op hun percelen, terwijl die percelen niet nodig zijn voor het tracé. Zoals hiervóór uiteengezet, vallen de percelen van Indiener 7 in het plangebied waar de nieuwe ontsluitingsweg zal worden aangelegd, waarvan het tracé nu nog niet bekend is. Als tijdens het juridisch-planologische besluitvormingstraject betreffende het tracé komt vast te staan dat de gronden van Indiener 7 niet nodig zijn ten behoeve van de aanleg van de weg, zal het voorkeursrecht ten aanzien van hun gronden worden ingetrokken. De gronden zijn op grond van het vigerende omgevingsplan thans hoofdzakelijk aangewezen voor agrarische doeleinden en deels voor wonen en ook dienovereenkomstig in gebruik. Vrije vervreemding van deze gronden zou de realisatie van de toegedachte functie(s) kunnen frustreren. De bevoegdheid om het voorkeursrecht te vestigen is een zogenoemde discretionaire bevoegdheid die terughoudend wordt getoetst.

Weliswaar is vestiging van het voorkeursrecht een belastend besluit dat inbreuk maakt op het eigendomsrecht, maar daar staat tegenover dat de raad bij vestiging van het voorkeursrecht beleidsvrijheid toekomt, terwijl het gewicht van de met het besluit te dienen doelen en te dienen algemene belangen aanzienlijk is. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling heeft de wetgever bij de

Zienswijze 5 – motivatie – planologie Nu het voorkeursrecht tot doel heeft grondspeculatie tegen te gaan om de gemeente beter in staat te stellen haar woningbouwlocaties te realiseren, roept dat de vraag op of de gemeente voornemens is om op het perceel nieuwbouw te realiseren? Als dat het geval zou zijn, is het

26

besluit onvoldoende gemotiveerd, omdat dit niet als motivering wordt gebruikt voor het genomen besluit. Immers, in het besluit wordt slechts een verband gelegd met de aan te leggen ontsluitingsweg en niet met een nieuwbouwlocatie. Zienswijze 6 – planologie Zienswijze 6 richt zich tegen het voorgenomen tracé 3. Dat tracé is het dichtstbij de percelen van indieners gelegen en daarmee het enige tracé dat de aanleiding zou kunnen zijn om een voorkeursrecht op hun percelen te leggen. Echter dat tracé is uit verkeerskundig oogpunt uiterst onwaarschijnlijk. Immers, het kruist de dijk vlak voor of na (afhankelijk van welke kant men aankomt) een bocht in de dijk. Dat is weliswaar op zichzelf geen argument tegen het voorkeursrecht maar tegen het tracébesluit, maar door de onwaarschijnlijkheid van de keuze voor dit tracé uit verkeerskundig oogpunt, had dit tracé geen onderdeel uit mogen maken van de plannen. In dat geval zou er ook geen voorkeursrecht op de percelen nodig zijn geweest, voor zover die noodzaak al kan worden aangetoond. Het lijkt ons uiterst ongelukkig en onwaarschijnlijk om een kruispunt aan te leggen achter c.q. voor een onoverzichtelijke bocht in een dijk. Verzoek:

totstandkoming van de Wvg het algemene belang dat wordt gediend met het vestigen van een voorkeursrecht afgewogen tegen het individuele belang van de grondeigenaren. De rechtspraak van de Afdeling over het evenredigheidsbeginsel geeft geen aanleiding voor een ander uitgangspunt. De wetgever heeft de nadelige effecten van het vestigen van het voorkeursrecht nadrukkelijk onder ogen gezien. De plannen voor het gebied worden op dit moment uitgewerkt, wat kan betekenen dat omvang en invulling van de beoogde ontwikkeling nog kunnen wijzigen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is dat inherent aan vestiging van het voorkeursrecht op grond van artikel 5 van de Wvg (nu artikel 9.1 lid 1 aanhef en onder c van de Omgevingswet). Vorenstaande blijkt uit de jurisprudentie, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2445). Uit de parlementaire geschiedenis van de Omgevingswet volgt dat de wetgever geen inhoudelijke wijzigingen in de voorkeursrechtregeling ten opzichte van de Wvg heeft willen aanbrengen. De doelstellingen van de voorkeursrechtregeling in de Omgevingswet zijn inhoudelijk dezelfde als die onder de Wvg. Aangenomen mag dan ook worden dat zowel de bedoelingen c.q. afwegingen van de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg als de nadien gevormde vaste rechtspraak onder de Omgevingswet onverkort hun gelding hebben behouden.

Zienswijze 3 - buiten proportioneel, onrechtmatig In de zienswijze wordt uitvoerig geciteerd uit een passage in de memorie van toelichting op de Wvg, waarin de noodzaak dan wel wenselijkheid van de vestiging van een voorkeursrecht ten behoeve van het tijdig realiseren van toekomstige woningbouwlocaties aan de orde is. Aan dit citaat lijken de indieners van de zienswijze de conclusie te willen verbinden dat een voorkeursrecht niet kan worden ingezet ten behoeve van iets anders dan een woonfunctie. Deze veronderstelling is echter onjuist. Bij een voorkeursrechtvestiging moet voldaan worden aan de vereisten dat de vestiging plaatsvindt ten behoeve van een niet-

27

1. Het collegevoorstel tot vestiging van het voorkeursrecht niet vast te stellen en terug te sturen naar het college met het verzoek het voorstel zodanig aan te passen dat het voorkeursrecht niet wordt gevestigd op de percelen van indiener 7,; dan wel 2. Het collegevoorstel zodanig te amenderen dat het voorkeursrecht niet wordt gevestigd op de percelen van indiener 7

agrarische functie, en dat het feitelijke gebruik afwijkt van die functie. Een infrastructurele functie, zoals in dit geval aan de orde, is een voorbeeld van een niet-agrarische functie. Zoals hierboven reeds opgenomen onderzoekt de gemeente op dit moment welke locatie binnen Numansdorp het meest geschikt is voor het tracé. Bij dat onderzoek vindt uiteraard een behoorlijke belangenafweging plaats. De aanleg van het tracé hangt samen met/houdt sterk verband met de ontwikkeling van Molenpolder. Vestiging van het voorkeursrecht is onder meer nodig voor het behouden van regie op het gebied Numansdorp zoals ook nader is uiteengezet in het raadsvoorstel. Uit de jurisprudentie volgt dat de uiteindelijke bestemming c.q. functie bij een vervroegde vestiging (waarvan in onderhavige casus sprake is) nog niet op perceel niveau hoeft vast te staan, omdat dit een kwestie is van nadere besluitvorming (die naar waarschijnlijkheid in de loop van dit jaar plaatsvindt). Daaraan is dus inherent dat er in dit stadium nog slechts een globaal beeld bestaat over de uiteindelijke functie van een bepaald perceel. Mocht Indiener 7 zich (in een later stadium) op het standpunt stellen dat hij in aanmerking komt voor nadeelcompensatie staat het hem vrij een claim in te dienen.

Zienswijze 5 – nieuwbouw op perceel Indiener 7? Ook uit deze zienswijze kan worden afgeleid dat de indieners veronderstellen dat een voorkeursrecht alleen kan worden ingezet ten behoeve van toekomstige woningbouwprojecten. Hiervóór is bij de beantwoording van zienswijze 4 reeds uiteengezet dat die veronderstelling op een misvatting berust. De gemeente is op basis van de huidige inzichten voornemens Molenpolder te (her)ontwikkelen. Met die ontwikkeling hangt de komst van een nieuwe westelijke ontsluitingsroute in Numansdorp nauw samen

28

(de percelen van vallen binnen de locatie Numansdorp alwaar mogelijk de westelijke ontsluitingsroute komt te liggen). Zie voor nadere motivering/uitleg ook het raadsvoorstel. De meest geschikte locatie van het nieuwe tracé wordt op dit moment uitvoerig onderzocht. Later dit jaar wordt duidelijk waar het tracé exact komt te liggen. De vestiging van het voorkeursrecht heeft niets met woningbouw te maken. Zienswijze 6 – vanuit verkeerskundig oogpunt had tracé 3 geen onderdeel uit mogen maken van plannen Deze zienswijze richt zich tegen een mogelijke tracékeuze en is daarmee planologisch van aard. Zienswijzen van planologische aard horen thuis in het juridisch-planologische besluitvormingstraject omtrent (de keuze van) het tracé, en dienen volgens vaste rechtspraak, (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van State met kenmerk ECLI:NL:RVS:2009:BH4666), bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een voorkeursrechtbeschikking buiten beschouwing te worden gelaten. Daarbij wordt nog opgemerkt dat, zoals in het raadsvoorstel ook duidelijk is aangegeven, de uiteindelijke tracékeuze nog onderwerp is van nadere besluitvorming, zodat op dit moment nog geen zekerheid bestaat over de vraag, waar het uiteindelijke tracé komt te lopen. De zienswijze richt zich overigens in geen enkel opzicht tegen de rechtmatigheid van de onderhavige voorkeursrechtbeschikking en is om die reden ongegrond.

Deze zienswijze is planologisch van aard en hoort hier in beginsel niet thuis. Zie ook hetgeen hierboven is uiteengezet. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk, behalve voor zover zij mede door de echtgenote is ingediend met betrekking tot één van de kadastrale percelen, waarvan zij geen eigenaar is. Voor de overige percelen zijn beide indieners ontvankelijk, aangezien zij beiden eigenaar zijn. Hetgeen is aangevoerd, geeft geen aanleiding om het voorgenomen besluit te

29

heroverwegen. De zienswijze geeft derhalve geen aanleiding om het raadsvoorstel en het raadsbesluit voor de locatie Numansdorp aan te passen. 8.

Zienswijze 1 - motiveringsbeginsel Het college geeft in de brief van 22 januari 2025 geen onderbouwing waarom het perceel onderdeel uitmaakt van een of meerdere varianten van het tracé. Het besluit is onvoldoende gemotiveerd. Zienswijze 2 – planologie, ontbreken noodzaak, algemeen belang Het perceel ligt zover verwijderd van het dichtstbijzijnde tracé dat zonder nadere onderbouwing niet voorstelbaar is dat het perceel nodig zou zijn voor de aanleg van de weg over tracé 3, noch voor tracé 1 of 2. Het is niet duidelijk wat de functie van ons perceel is bij de aanleg van de nieuwe weg. Zonder nadere duiding van het doel en de noodzaak van het vestigen van het voorkeursrecht op ons perceel is er geen onderbouwing van het algemeen belang waarvan het college stelt dat met het vestigen van voorkeursrecht is gediend en daarmee is het besluit onrechtmatig.

Zienswijze 1, 2, 4 – motiveringsbeginsel, planologie, ontbreken noodzaak, algemeen belang, misbruik van recht Binnen Numansdorp bestaat de noodzaak van de aanleg van een (nieuwe) westelijke ontsluitingsroute. De gemeente onderzoekt momenteel welke locatie binnen Numansdorp het meest geschikt is voor het te ontwikkelen tracé waarbij een zorgvuldige belangenafweging plaatsvindt. De aanleg van het tracé hangt onder meer samen met de ontwikkeling van Molenpolder. Op dit moment bevindt de gemeente zich nog in een zeer pril stadium van omgevingsrechtelijke besluitvorming ten aanzien van het te ontwikkelen tracé. Later dit jaar verwacht de gemeente een besluit te nemen over het tracé en de exacte loop daarvan. Er is nu nog (slechts) sprake van een vervroegd voorkeursrecht in de zin van artikel 9.1 eerste lid, aanhef en onder c Omgevingswet; de gronden zijn nog niet ten behoeve van de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, opgenomen in een gemeentelijke omgevingsvisie, programma dan wel omgevingsplan. Er hoeft voor een vervroegd voorkeursrecht slechts een globaal beeld te bestaan van de toekomstige functie. Niet voor elk perceel dat betrokken is in de aanwijzing hoeft thans al duidelijk te zijn of het kan worden ingepast. Vgl. r.o.

2.5 van de uitspraak van de Afdeling van 23 november 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA5057, over de uitleg van het soortgelijke artikel 8 van de Wvg dat aan het huidige artikel 9.1 lid 1 aanhef en onder c Omgevingswet vooraf is gegaan.

Zienswijze 3 – buiten proportioneel, onrechtmatig, nadeelcompensatie Uit de toelichting bij de wet blijkt dat de in de wet opgenomen mogelijkheid tot het vestigen

De reden om een (vervroegd) voorkeursrecht te vestigen is dat al vóór aanvang/vaststelling van de/het omgevingsplan(procedure) slagvaardig opgetreden kan worden om te voorkomen dat de verwezenlijking van de toegedachte functie wordt belemmerd, bijvoorbeeld doordat er een

30

van een voorkeursrecht bedoeld is om grondspeculatie tegen te gaan en de gemeente beter in staat te stellen om hun woningbouwlocaties te realiseren. Hier wordt het instrument van het voorkeursrecht echter gebruikt om een ontsluitingsweg naar een bestaande wijk, de Molenpolder, aan te leggen. Er is geen enkele aanleiding te veronderstellen dat de aanleg van een ontsluitingsweg naar de wijk zal leiden tot grondspeculatie. In tegendeel, het is eerder te verwachten dat door de nabijheid van een ontsluitingsweg het perceel in waarde zal dalen. De gemeente dient dan ook bij de keuze voor tracé 3 rekening te houden met een verzoek om nadeelcompensatie. Het vestigen van het voorkeursrecht op het perceel is door het ontbreken van een redelijk belang buitenproportioneel en dus onrechtmatig.

Zienswijze 4 – misbruik van recht Het voorkeursrecht is bedoeld om gemeentelijke verwerving mogelijk te maken. Dat veronderstelt volgens indiener dat de gemeente de intentie heeft om het perceel concreet te verwerven, anders zou het voorkeursrecht niet nodig zijn. Indiener 8 kan zich niet voorstellen dat de gemeente c.q. de aannemer het perceel nodig heeft bij de aanleg van de weg (indien tracé 3 zou worden gekozen). Er zou sprake zijn van

grondtransactie plaatsvindt die tot grondversnippering of tot prijsopdrijving leidt, wat de door de gemeente gewenste regie zou kunnen frustreren of de (financiële) uitvoerbaarheid van het plan onder druk zou kunnen zetten. Bij dit alles is het van groot belang om op te merken dat de precieze keuze voor het tracé in Numansdorp nog dient te worden gemaakt. De kennelijke veronderstelling dat het één van de drie tracés wordt en dat het definitieve tracé exact dezelfde loop zal hebben als één van de drie tracés is onjuist. Dat geldt dus ook voor hun veronderstelling dat het perceel te ver af ligt van het uiteindelijke tracé, simpelweg omdat daarover op dit moment nog niets met zekerheid kan worden gezegd. Mocht indiener 8 te zijner tijd op willen komen tegen het definitieve tracé/het besluit dat daarvoor de grondslag biedt, dan kan hij de daartegen openstaande rechtsbeschermingsmiddelen aanwenden. Mocht in een later stadium vaststaan dat het perceel niet benodigd is voor het definitief vastgestelde tracé dan zal het voorkeursrecht ingetrokken worden ten aanzien van het niet benodigde perceel. Specifiek ten aanzien van zienswijze 4 wordt opgemerkt dat indiener ten onrechte meent dat de gemeente zich schuldig zou maken aan misbruik van recht door het voorkeursrecht te leggen op hun perceel, terwijl dat perceel niet nodig is voor het tracé.

Zoals hiervóór uiteengezet, valt het perceel in het plangebied waar de nieuwe ontsluitingsweg zal worden aangelegd, waarvan het tracé nu nog niet bekend is. Als tijdens het juridisch-planologische besluitvormingstraject betreffende het tracé komt vast te staan dat het perceel niet nodig is ten behoeve van de aanleg van de weg, zal het voorkeursrecht ten aanzien van dat perceel worden ingetrokken. Het perceel is op grond van het vigerende omgevingsplan thans

31

misbruik van recht, nu het voorkeursrecht niet wordt gebruikt voor het doel waarvoor het door de wetgever in het leven is geroepen. Zienswijze 5 – motivatie – planologie Nu het voorkeursrecht tot doel heeft grondspeculatie tegen te gaan om de gemeente beter in staat te stellen haar woningbouwlocaties te realiseren, roept dat de vraag op of de gemeente voornemens is om op het perceel nieuwbouw te realiseren. Als dat het geval zou zijn, is het besluit onvoldoende gemotiveerd, omdat dit niet als motivering wordt gebruikt voor het genomen besluit. Immers, in het besluit wordt slechts een verband gelegd met de aan te leggen ontsluitingsweg en niet met een nieuwbouwlocatie. Zienswijze 6 – planologie Zienswijze 6 richt zich tegen het voorgenomen tracé 3. Dat tracé is het dichtstbij het perceel van Indiener 8 gelegen en daarmee het enige tracé dat de aanleiding zou kunnen zijn om een voorkeursrecht op het perceel te leggen. Echter dat tracé is uit verkeerskundig oogpunt uiterst onwaarschijnlijk. Immers, het kruist de dijk vlak voor of na (afhankelijk van welke kant men aankomt) een bocht in de dijk. Dat is weliswaar op zichzelf geen argument tegen het voorkeursrecht maar tegen het tracébesluit, maar door de

hoofdzakelijk aangewezen voor agrarische doeleinden en deels voor wonen en ook dienovereenkomstig in gebruik. Vrije vervreemding van (de beperkte rechten op) deze gronden zou de realisatie van de toegedachte functie(s) kunnen frustreren. De bevoegdheid om het voorkeursrecht te vestigen is een zogenoemde discretionaire bevoegdheid die terughoudend wordt getoetst. Weliswaar is vestiging van het voorkeursrecht een belastend besluit dat inbreuk maakt op het eigendomsrecht, maar daar staat tegenover dat de raad bij vestiging van het voorkeursrecht beleidsvrijheid toekomt, terwijl het gewicht van de met het besluit te dienen doelen en te dienen algemene belangen aanzienlijk is. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg het algemene belang dat wordt gediend met het vestigen van een voorkeursrecht afgewogen tegen het individuele belang van de grondeigenaren. De rechtspraak van de Afdeling over het evenredigheidsbeginsel geeft geen aanleiding voor een ander uitgangspunt. De wetgever heeft de nadelige effecten van het vestigen van het voorkeursrecht nadrukkelijk onder ogen gezien. De plannen voor het gebied worden op dit moment uitgewerkt, wat kan betekenen dat omvang en invulling van de beoogde ontwikkeling nog kunnen wijzigen.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is dat inherent aan vestiging van het voorkeursrecht op grond van artikel 5 van de Wvg (nu artikel 9.1 lid 1 aanhef en onder c van de Omgevingswet)[1]. Uit de parlementaire geschiedenis van de Omgevingswet volgt dat de wetgever geen inhoudelijke wijzigingen in de voorkeursrechtregeling ten opzichte van de Wvg heeft willen aanbrengen. De doelstellingen van de voorkeursrechtregeling in de Omgevingswet zijn inhoudelijk dezelfde als die onder de Wvg. Aangenomen mag dan ook worden dat zowel de bedoelingen c.q. afwegingen van de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg als de nadien gevormde vaste rechtspraak onder de Omgevingswet onverkort hun gelding hebben behouden.

32

onwaarschijnlijkheid van de keuze voor dit tracé uit verkeerskundig oogpunt, had dit tracé geen onderdeel uit mogen maken van de plannen. In dat geval zou er ook geen voorkeursrecht op ons perceel nodig zijn geweest, voor zover die noodzaak al kan worden aangetoond. Het is uiterst ongelukkig en onwaarschijnlijk om een kruispunt aan te leggen achter c.q. voor een onoverzichtelijke bocht in een dijk. Verzoek: 1. Het collegevoorstel tot vestiging van het voorkeursrecht niet vast te stellen en terug te sturen naar het college met het verzoek het voorstel zodanig aan te passen dat het voorkeursrecht niet wordt gevestigd op de percelen van indiener 8, dan wel 2. Het collegevoorstel zodanig te amenderen dat het voorkeursrecht niet wordt gevestigd op de percelen van indiener 8

Zienswijze 3 - buiten proportioneel, onrechtmatig In de zienswijze wordt uitvoerig geciteerd uit een passage in de memorie van toelichting op de Wvg, waarin de noodzaak dan wel wenselijkheid van de vestiging van een voorkeursrecht ten behoeve van het tijdig realiseren van toekomstige woningbouwlocaties aan de orde is. Aan dit citaat lijkt indiener 8 van de zienswijze de conclusie te willen verbinden dat een voorkeursrecht niet kan worden ingezet ten behoeve van iets anders dan een woonfunctie. Deze veronderstelling is echter onjuist. Bij een voorkeursrechtvestiging moet voldaan worden aan de vereisten dat de vestiging plaatsvindt ten behoeve van een niet-agrarische functie, en dat het feitelijke gebruik afwijkt van die functie. Een infrastructurele functie, zoals in dit geval aan de orde, is een voorbeeld van een nietagrarische functie. Zoals hierboven reeds vermeld onderzoekt de gemeente op dit moment welke locatie binnen Numansdorp het meest geschikt is voor het tracé. Bij dat onderzoek vindt uiteraard een behoorlijke belangenafweging plaats. De aanleg van het tracé hangt samen met/houdt sterk verband met de ontwikkeling van Molenpolder. Vestiging van het voorkeursrecht is onder meer nodig voor het behouden van regie op het gebied Numansdorp zoals ook nader is uiteengezet in het raadsvoorstel. Uit de jurisprudentie volgt dat de uiteindelijke bestemming c.q.

functie bij een vervroegde vestiging (waarvan in onderhavige casus sprake is) nog niet op perceel niveau hoeft vast te staan, omdat dit een kwestie is van nadere besluitvorming (die naar waarschijnlijkheid in de loop van dit jaar plaatsvindt). Daaraan is dus inherent dat er in dit stadium nog slechts een globaal beeld bestaat over de uiteindelijke functie van een bepaald perceel. Mocht indiener 8 zich (in een later stadium) op het standpunt stellen dat hij in aanmerking komt voor nadeelcompensatie staat het hem vrij daartoe een claim in te dienen.

33

Zienswijze 5 – nieuwbouw op perceel? Ook uit deze zienswijze kan worden afgeleid dat de indiener veronderstelt dat een voorkeursrecht alleen kan worden ingezet ten behoeve van toekomstige woningbouwprojecten. Hiervóór is bij de beantwoording van zienswijze 4 reeds uiteengezet dat die veronderstelling op een misvatting berust. De gemeente is op basis van de huidige inzichten voornemens Molenpolder te (her)ontwikkelen. Met die ontwikkeling hangt de komst van een nieuwe westelijke ontsluitingsroute in Numansdorp nauw samen (het perceel valt binnen de locatie Numansdorp alwaar mogelijk de westelijke ontsluitingsroute komt te liggen). Zie voor nadere motivering/uitleg ook het raadsvoorstel. De meest geschikte locatie van het nieuwe tracé wordt op dit moment uitvoerig onderzocht. Later dit jaar wordt duidelijk waar het tracé exact komt te liggen. De vestiging van het voorkeursrecht heeft niets met woningbouw te maken. Zienswijze 6 – vanuit verkeerskundig oogpunt had tracé 3 geen onderdeel uit mogen maken van plannen Deze zienswijze richt zich tegen een mogelijke tracékeuze en is daarmee planologisch van aard.

Zienswijzen van planologische aard horen thuis in het juridisch-planologische besluitvormingstraject omtrent (de keuze van) het tracé, en dienen volgens vaste rechtspraak, (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van State met kenmerk ECLI:NL:RVS:2009:BH4666), bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een voorkeursrechtbeschikking buiten beschouwing te worden gelaten. Daarbij wordt nog opgemerkt dat, zoals in het raadsvoorstel ook duidelijk is aangegeven, de uiteindelijke tracékeuze nog onderwerp is van nadere besluitvorming, zodat op dit moment nog geen zekerheid bestaat over de vraag, waar het uiteindelijke tracé komt te lopen. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. Hetgeen is aangevoerd, geeft geen

34

aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen. De zienswijze geeft derhalve geen aanleiding om het raadsvoorstel en het raadsbesluit voor de locatie Numansdorp aan te passen. [1]

9

ABRvS, 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2445

Zienswijze 1 – schade en onzekerheid Zienswijze 1 – schade en onzekerheid Het vestigen van het voorkeursrecht brengt Voor de beantwoording van deze zienswijze wordt verwezen naar (financiële) schade en onzekerheid met zich. hetgeen onder de inleiding van de Nota van beantwoording is opgemerkt: Indiener heeft renovatiekosten gemaakt. Verkoopde wetgever heeft bij de totstandkoming van de wet het met de vestiging aan derden is in beginsel niet mogelijk, van een voorkeursrecht te dienen algemene belang afgewogen tegen het pas als gemeente afziet van koop, en dan niet voor (individuele) (financiële) belang van de betrokken grondeigenaar, zodat een prijs die zou worden ontvangen/betaald dit laatste niet meer afzonderlijk in de afweging hoeft te worden zonder dat het voorkeurrecht gevestigd zou zijn. betrokken. Mocht de gemeente door indiener een aanbod worden Niet renoveren brengt voor indieners leegstands- gedaan, is de gemeente gehouden de werkelijke waarde te betalen indien kosten met zich. zij tot aankoop wenst/besluit over te gaan. Zienswijze 2 – geen vervaldatum In de voorkeursrechtbeschikking is geen eerste vervaldatum opgenomen, hetgeen in strijd is met artikel 7.1 Omgevingsbesluit.

Zienswijze 3 - opleggen voorkeursrecht voor regierol niet nodig + strijd motiveringsbeginsel Indiener 9 ziet niet in dat gronden bestemd voor de aanleg van een weg onderwerp van grondspeculatie zouden kunnen zijn en wat het voorkeursrecht toevoegt. De gemeente heeft een en ander is niet gemotiveerd. Zienswijze 4 – strijd evenredigheidsbeginsel + motiveringsbeginsel

Zienswijze 2 – geen vervaldatum, strijd met artikel 7.1 Omgevingsbesluit De stelling dat sprake is van strijd met artikel 7.1 Omgevingsbesluit is onjuist. Er is wel een vervaldatum opgenomen. In zowel het (concept)raadsvoorstel/-besluit is opgenomen: “Te concluderen dat dit voorkeursrecht van rechtswege vervalt drie jaar na het ingaan ervan, tenzij voor dat tijdstip de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, is toegedacht in een omgevingsvisie of een programma of is toegedeeld in het omgevingsplan. De eerstvolgende planologische grondslag zal naar verwachting zijn de vaststelling van een omgevingsplan.” Zienswijze 3 - opleggen voorkeursrecht voor regierol niet nodig bij aanleg weg + strijd motiveringsbeginsel Binnen Numansdorp bestaat de noodzaak van de aanleg van een (nieuwe) westelijke ontsluitingsroute. De gemeente onderzoekt

35

Uit het besluit blijkt niet dan wel onvoldoende dat een evenredigheidsafweging heeft plaatsgevonden. De voorkeursrechtbeschikking bevat daarnaast geen motivering die ingaat op de vraag of de toegedachte functie en het daarvan afwijkend gebruik ook daadwerkelijk rechtvaardigt dat wordt ingegrepen in de vrije overdraagbaarheid van de onroerende zaak/beperkte recht. Zienswijze 5 – voorkeursrecht prematuur – strijd zorgvuldigheidsbeginsel en onvoldoende belangenafweging Indiener 9 begrijpt niet waarom voor de aanleg van een weg voor veel percelen nu al een voorkeursrecht wordt gevestigd. Het ligt meer voor de hand pas een voorkeursrecht te vestigen nadat uit het nog te verrichten onderzoek blijkt waar de toekomstige weg komt te liggen. Er is sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en onvoldoende belangenafweging. Zienswijze 6 – tracékeuze – strijd met zorgvuldigheidsbeginsel Uit het bestreden besluit blijkt niet dat, nadat er een definitieve tracékeuze is gemaakt, het voorkeursrecht onmiddellijk wordt ingetrokken ten aanzien van de percelen die niet tot het tracé behoren. Dit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

momenteel welke locatie binnen Numansdorp het meest geschikt is voor het te ontwikkelen tracé waarbij een zorgvuldige belangenafweging plaatsvindt. De aanleg van het tracé hangt onder meer samen met de ontwikkeling van Molenpolder. Op dit moment bevindt de gemeente zich nog in een zeer pril stadium van omgevingsrechtelijke besluitvorming ten aanzien van het te ontwikkelen tracé. Later dit jaar verwacht de gemeente een besluit te nemen over het tracé en de exacte loop daarvan. Er is nu nog (slechts) sprake van een vervroegd voorkeursrecht in de zin van artikel 9.1 eerste lid, aanhef en onder c Omgevingswet; de gronden zijn nog niet ten behoeve van de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, opgenomen in een gemeentelijke omgevingsvisie, programma dan wel omgevingsplan. Er hoeft voor een vervroegd voorkeursrecht slechts een globaal beeld te bestaan van de toekomstige functie. Niet voor elk perceel dat betrokken is in de aanwijzing hoeft thans al duidelijk te zijn of het kan worden ingepast. Vgl. r.o. 2.5 van de uitspraak van de Afdeling van 23 november 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA5057, over de uitleg van het soortgelijke artikel 8 van de Wvg dat aan het huidige artikel 9.1 lid 1 aanhef en onder c Omgevingswet vooraf is gegaan.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg het algemene belang dat wordt gediend met het vestigen van een voorkeursrecht afgewogen tegen het individuele belang van de grondeigenaren. De rechtspraak van de Afdeling over het evenredigheidsbeginsel geeft geen aanleiding voor een ander uitgangspunt. De wetgever heeft de nadelige effecten van het vestigen van het voorkeursrecht nadrukkelijk onder ogen gezien. De plannen voor het gebied worden op dit moment uitgewerkt, wat kan betekenen dat omvang en invulling van de beoogde ontwikkeling nog kunnen wijzigen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is dat inherent aan vestiging van het voorkeursrecht op grond van artikel 5 van de Wvg (nu artikel 9.1

36

Zienswijze 7 - voorkeur Tracé variant 1 Tracévariant 1 heeft de voorkeur; is de goedkoopste, met minst negatieve impact op het landschap en minste weerstand.

lid 1 aanhef en onder c van de Omgevingswet)[1]. Uit de parlementaire geschiedenis van de Omgevingswet volgt dat de wetgever geen inhoudelijke wijzigingen in de voorkeursrechtregeling ten opzichte van de Wvg heeft willen aanbrengen. De doelstellingen van de voorkeursrechtregeling in de Omgevingswet zijn inhoudelijk dezelfde als die onder de Wvg. Aangenomen mag dan ook worden dat zowel de bedoelingen c.q. afwegingen van de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg als de nadien gevormde vaste rechtspraak onder de Omgevingswet onverkort hun gelding hebben behouden. In de fase voorafgaand aan de vaststelling van een omgevingsplan moet het qua motiveringsplicht voldoende worden geacht indien het bestuursorgaan meer in algemene zin motiveert waarom het algemeen belang de vestiging van een voorkeursrecht rechtvaardigt. Daaraan is voldaan, zo blijkt uit het raadsvoorstel behorende bij het raadsbesluit. Zienswijze 4 – strijd evenredigheidsbeginsel + motiveringsbeginsel De gronden zijn op grond van het vigerende omgevingsplan thans hoofdzakelijk aangewezen voor agrarische doeleinden en deels voor wonen en ook dienovereenkomstig in gebruik. Vrije vervreemding van (de beperkte rechten op) deze gronden zou de realisatie van de toegedachte functie(s) kunnen frustreren.

De enige manier om dat te voorkomen, is het vestigen van een gemeentelijk voorkeursrecht, omdat daarmee de vrije overdraagbaarheid van de grond wordt beperkt. De inzet van het voorkeursrechtinstrument is dan ook evenredig in relatie tot het daarmee beoogde doel. De bevoegdheid tot vestiging van een voorkeursrecht is een discretionaire bevoegdheid. Een zorgvuldige voorbereiding van het vestigingsbesluit vereist dat het bestuursorgaan de relevante, rechtstreeks bij het voorgenomen besluit betrokken belangen tegen elkaar afweegt (art. 3:4, eerste lid Awb). Daarbij dient het de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen. Indien het voorgenomen besluit voor een bepaalde belanghebbende (dwz. eigenaar van of zakelijke gerechtigde tot de grond) gevolgen zou hebben die

37

onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat met het besluit wordt gediend, moet van het nemen van dat besluit in dat geval worden afgezien (art. 3:4, tweede lid Awb). Het bestuursorgaan heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de vestiging van het voorkeursrecht jegens één of meer van de belanghebbenden onevenredig zou uitpakken. Het bestuursorgaan heeft dit beginsel in acht genomen onder andere door geen voorkeursrecht te vestigen op (andere) percelen, indien op voorhand reeds vaststond dat zodanige vestiging niet noodzakelijk was met het oog op de door de gemeente beoogde gebiedsontwikkeling. Weliswaar is vestiging van het voorkeursrecht een belastend besluit dat inbreuk maakt op het eigendomsrecht, maar daar staat tegenover dat de gemeente bij vestiging van het voorkeursrecht beleidsvrijheid toekomt, terwijl het gewicht van de met het besluit te dienen doelen en te dienen algemene belangen aanzienlijk is. Voor wat betreft de motiveringsplicht wordt verwezen naar hetgeen onder zienswijze 3 is vermeld.

Zienswijze 5 – voorkeusrecht prematuur – strijd zorgvuldigheidsbeginsel en onvoldoende belangenafweging De reden dat het voorkeursrecht al is gevestigd en ook de percelen van indiener 9 zijn betrokken in de voorkeursrechtbeschikking, is dat al vóór aanvang/vaststelling van de/het omgevingsplan(procedure) slagvaardig opgetreden kan worden om te voorkomen dat de verwezenlijking van de toegedachte functie wordt belemmerd, bijvoorbeeld doordat er een grondtransactie plaatsvindt die tot grondversnippering of tot prijsopdrijving leidt, wat de door de gemeente gewenste regie zou kunnen frustreren of de (financiële) uitvoerbaarheid van het plan onder druk zou kunnen zetten. Het is van groot belang om op te merken dat de precieze keuze voor het tracé in Numansdorp nog dient te worden gemaakt. Voor wat betreft strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en onvoldoende

38

belangenafweging wordt verwezen naar hetgeen onder zienswijze 3 en 4 genoemd. Zienswijze 6 – tracékeuze – strijd met zorgvuldigheidsbeginsel Mocht in een later stadium vaststaan dat de gronden niet benodigd zijn voor het definitief vastgestelde tracé dan zal het voorkeursrecht ingetrokken worden ten aanzien van de niet benodigde percelen. Dit betreft een wettelijke verplichting die voortvloeit uit artikel 9.5 van de Omgevingswet welke niet apart in het voorstel/besluit opgenomen behoeft te worden. Er is dan ook geen sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel vanwege het feit deze wettelijke verplichting niet is opgenomen/herhaald in het voorstel dan wel besluit. Zienswijze 7 - voorkeur Tracé variant 1 Voor zover door Indiener 9 de aanname wordt gedaan dat nadere juridisch-planologische besluitvorming uitsluitend betrekking zal hebben op de drie vermelde tracé’s en dat het definitieve tracé dezelfde loop zal hebben als één van de drie tracés is dat onjuist. Mocht indiener 9 te zijner tijd op willen komen tegen het definitieve tracé/het besluit dat daarvoor de grondslag biedt, dan kan hij de daartegen openstaande rechtsbeschermingsmiddelen aanwenden. Deze zienswijze richt zich tegen een mogelijke tracékeuze en is daarmee planologisch van aard.

Zienswijzen van planologische aard horen thuis in het juridisch-planologische besluitvormingstraject omtrent (de keuze van) het tracé, en dienen volgens vaste rechtspraak, (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van State met kenmerk ECLI:NL:RVS:2009:BH4666), bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een voorkeursrechtbeschikking buiten beschouwing te worden gelaten. Daarbij wordt nog opgemerkt dat, zoals in het raadsvoorstel ook duidelijk is aangegeven, de uiteindelijke tracékeuze nog onderwerp is van nadere besluitvorming, zodat op dit moment nog geen zekerheid bestaat over de

39

vraag, waar het uiteindelijke tracé komt te lopen. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. Hetgeen is aangevoerd, geeft geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen. De zienswijze geeft derhalve geen aanleiding om het raadsvoorstel en het raadsbesluit voor de locatie Numansdorp aan te passen. 10.

Zienswijze 1 - motiveringsbeginsel Het college geeft in de brief van 22 januari 2025 geen onderbouwing waarom de percelen onderdeel uitmaken van een of meerdere varianten van het tracé. Het besluit is onvoldoende gemotiveerd. Zienswijze 2 – planologie, ontbreken noodzaak, algemeen belang De percelen liggen zover verwijderd van het dichtstbijzijnde tracé dat zonder nadere onderbouwing niet voorstelbaar is dat deze nodig zouden zou zijn voor de aanleg van de weg over tracé 3, noch voor tracé 1 of 2. Het is niet duidelijk wat de functie van de percelen is bij de aanleg van de nieuwe weg. Zonder nadere duiding van het doel en de noodzaak van het vestigen van het voorkeursrecht op de percelen is er geen onderbouwing van het algemeen belang waarvan het college stelt dat met het vestigen van voorkeursrecht is gediend en daarmee is het besluit onrechtmatig.

Zienswijze 1, 2, 4 – motiveringsbeginsel, planologie, ontbreken noodzaak, algemeen belang, misbruik van recht Binnen Numansdorp bestaat de noodzaak van de aanleg van een (nieuwe) westelijke ontsluitingsroute. De gemeente onderzoekt momenteel welke locatie binnen Numansdorp het meest geschikt is voor het te ontwikkelen tracé waarbij (net als bij de vestiging van het voorkeursrecht) een zorgvuldige belangenafweging plaatsvindt. De aanleg van het tracé hangt onder meer samen met de ontwikkeling van Molenpolder. Op dit moment verkeert de gemeente nog in een zeer pril stadium van omgevingsrechtelijke besluitvorming ten aanzien van het te ontwikkelen tracé. Later dit jaar verwacht de gemeente een besluit te nemen over het tracé en de exacte loop daarvan. Er is nu nog (slechts) sprake van een vervroegd voorkeursrecht in de zin van artikel 9.1 eerste lid, aanhef en onder c Omgevingswet; de gronden zijn nog niet ten behoeve van de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, opgenomen in een gemeentelijke omgevingsvisie, programma dan wel omgevingsplan. Er hoeft voor een vervroegd voorkeursrecht slechts een globaal beeld te bestaan van de toekomstige functie. Niet voor elk perceel dat betrokken is in de aanwijzing hoeft duidelijk te zijn of het kan worden ingepast. Vgl. r.o.

2.5 van de uitspraak van de Afdeling van 23 november 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA5057, over de uitleg van het soortgelijke artikel 8 van de Wvg dat aan het huidige artikel 9.1 lid 1 aanhef en onder c Omgevingswet vooraf is gegaan. De reden dat ook de

40

Zienswijze 3 – buiten proportioneel, onrechtmatig, nadeelcompensatie Uit de toelichting bij de wet blijkt dat de in de wet opgenomen mogelijkheid tot het vestigen van een voorkeursrecht bedoeld is om grondspeculatie tegen te gaan en de gemeenten beter in staat te stellen om hun woningbouwlocaties te realiseren. Hier wordt het instrument van het voorkeursrecht echter gebruikt om een ontsluitingsweg naar een bestaande wijk, de Molenpolder, aan te leggen. Er is geen enkele aanleiding te veronderstellen dat de aanleg van een ontsluitingsweg naar de wijk zal leiden tot grondspeculatie. In tegendeel, het is eerder te verwachten dat door de nabijheid van een ontsluitingsweg de percelen in waarde zullen dalen. De gemeente dient dan ook bij de keuze voor tracé 3 rekening te houden met een verzoek om nadeelcompensatie. Het vestigen van het voorkeursrecht op de percelen is door het ontbreken van een redelijk belang buitenproportioneel en dus onrechtmatig.

percelen van Indiener 10 zijn betrokken in de voorkeursrechtbeschikking, is dat al voor aanvang/vaststelling van de/het omgevingsplan(procedure) slagvaardig opgetreden kan worden om te voorkomen dat de verwezenlijking van de toegedachte functie wordt belemmerd, bijvoorbeeld doordat er een grondtransactie plaatsvindt die tot grondversnippering of tot prijsopdrijving leidt, wat de door de gemeente gewenste regie zou kunnen frustreren of de (financiële) uitvoerbaarheid van het plan onder druk zou kunnen zetten. Bij dit alles is het van groot belang om op te merken dat de precieze keuze voor het tracé in Numansdorp nog dient te worden gemaakt. De kennelijke veronderstelling van Indiener 10 e dat het één van de drie tracé’s wordt en dat het definitieve tracé exact dezelfde loop zal hebben als één van de drie tracé’s is onjuist. Dat geldt dus ook voor hun veronderstelling dat hun percelen te ver af liggen van het uiteindelijke tracé, simpelweg omdat daarover op dit moment nog niets met zekerheid kan worden gezegd.

Zienswijze 4 – misbruik van recht Het voorkeursrecht is bedoeld om gemeentelijke verwerving mogelijk te maken. Dat veronderstelt volgens indieners dat de gemeente de intentie heeft om het perceel concreet te verwerven, anders zou het voorkeursrecht niet nodig zijn.

Specifiek ten aanzien van zienswijze 4 wordt opgemerkt dat indieners ten onrechte menen dat de gemeente zich schuldig zou maken aan misbruik van recht door het voorkeursrecht te leggen op hun percelen, terwijl die percelen niet nodig zijn voor het tracé. Zoals hiervóór uiteengezet, vallen de percelen van Indiener 10 in het plangebied waar de nieuwe ontsluitingsweg zal worden aangelegd, waarvan het tracé nu nog niet bekend is. Als tijdens het juridisch-planologische besluitvormingstraject

Mocht Indiener 10 te zijner tijd op willen komen tegen het definitieve tracé/het besluit dat daarvoor de grondslag biedt, dan kunnen zij de daartegen openstaande rechtsbeschermingsmiddelen aanwenden. Mocht in een later stadium vaststaan dat de gronden van e Indiener 10 niet benodigd zijn voor het definitief vastgestelde tracé dan zal het voorkeursrecht ingetrokken worden ten aanzien van de niet benodigde percelen.

41

Indieners kunnen zich niet voorstellen dat de gemeente c.q. de aannemer de percelen nodig heeft bij de aanleg van de weg (indien tracé 3 zou worden gekozen). Er zou sprake zijn van misbruik van recht, nu het voorkeursrecht niet wordt gebruikt voor het doel waarvoor het door de wetgever in het leven is geroepen. Zienswijze 5 – motivatie – planologie Nu het voorkeursrecht tot doel heeft grondspeculatie tegen te gaan om de gemeente beter in staat te stellen haar woningbouwlocaties te realiseren, roept dat de vraag op of de gemeente voornemens is om op het perceel nieuwbouw te realiseren? Als dat het geval zou zijn, is het besluit onvoldoende gemotiveerd, omdat dit niet als motivering wordt gebruikt voor het genomen besluit. Immers, in het besluit wordt slechts een verband gelegd met de aan te leggen ontsluitingsweg en niet met een nieuwbouwlocatie. Zienswijze 6 – planologie Zienswijze 6 richt zich tegen het voorgenomen tracé 3. Dat tracé is het dichtstbij de percelen van indieners gelegen en daarmee het enige tracé dat de aanleiding zou kunnen zijn om een voorkeursrecht op hun percelen te leggen. Echter dat tracé is uit verkeerskundig oogpunt uiterst onwaarschijnlijk. Immers, het kruist de dijk vlak voor of na (afhankelijk van welke kant

betreffende het tracé komt vast te staan dat de gronden van Indiener 10 niet nodig zijn ten behoeve van de aanleg van de weg, zal het voorkeursrecht ten aanzien van hun gronden worden ingetrokken. De gronden zijn op grond van het geldende omgevingsplan thans hoofdzakelijk aangewezen voor agrarische doeleinden en deels voor wonen en ook dienovereenkomstig in gebruik. Vrije vervreemding van deze gronden zou de realisatie van de toegedachte functie(s) kunnen frustreren. De bevoegdheid om het voorkeursrecht te vestigen is een zogenoemde discretionaire bevoegdheid die terughoudend wordt getoetst. Weliswaar is vestiging van het voorkeursrecht een belastend besluit dat inbreuk maakt op het eigendomsrecht, maar daar staat tegenover dat de raad bij vestiging van het voorkeursrecht beleidsvrijheid toekomt, terwijl het gewicht van de met het besluit te dienen doelen en te dienen algemene belangen aanzienlijk is. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling heeft de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg het algemene belang dat wordt gediend met het vestigen van een voorkeursrecht afgewogen tegen het individuele belang van de grondeigenaren. De rechtspraak van de Afdeling over het evenredigheidsbeginsel geeft geen aanleiding voor een ander uitgangspunt. De wetgever heeft de nadelige effecten van het vestigen van het voorkeursrecht nadrukkelijk onder ogen gezien.

De plannen voor het gebied worden op dit moment uitgewerkt, wat kan betekenen dat omvang en invulling van de beoogde ontwikkeling nog kunnen wijzigen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is dat inherent aan vestiging van het voorkeursrecht op grond van artikel 5 van de Wvg (nu artikel 9.1 lid 1 aanhef en onder c van de Omgevingswet). Vorenstaande blijkt uit de jurisprudentie, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2445). Uit de parlementaire geschiedenis van de Omgevingswet volgt dat de wetgever geen

42

men aankomt) een bocht in de dijk. Dat is weliswaar op zichzelf geen argument tegen het voorkeursrecht maar tegen het tracébesluit, maar door de onwaarschijnlijkheid van de keuze voor dit tracé uit verkeerskundig oogpunt, had dit tracé geen onderdeel uit mogen maken van de plannen. In dat geval zou er ook geen voorkeursrecht op de percelen nodig zijn geweest, voor zover die noodzaak al kan worden aangetoond. Het lijkt ons uiterst ongelukkig en onwaarschijnlijk om een kruispunt aan te leggen achter c.q. voor een onoverzichtelijke bocht in een dijk. Zienswijze 7-planologie/verkeerskundig Zienswijze 7 richt zich tegen alle drie voorgenomen tracés. Volgens de indieners kan de drukte op de centrale as in Numansdorp eenvoudig worden opgelost door de Fortlaan af te sluiten voor het autoverkeer. Hierdoor zal de bestaande infrastructuur (de eerder aangelegde ringweg) en andere bestaande wegen beter worden gebruikt en hoeven er geen nieuwe en dure tracés te worden aangelegd. Verzoek: 1. Het collegevoorstel tot vestiging van het voorkeursrecht niet vast te stellen en terug te sturen naar het college met het verzoek het voorstel zodanig aan te passen dat het

inhoudelijke wijzigingen in de voorkeursrechtregeling ten opzichte van de Wvg heeft willen aanbrengen. De doelstellingen van de voorkeursrechtregeling in de Omgevingswet zijn inhoudelijk dezelfde als die onder de Wvg. Aangenomen mag dan ook worden dat zowel de bedoelingen c.q. afwegingen van de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg als de nadien gevormde vaste rechtspraak onder de Omgevingswet onverkort hun gelding hebben behouden. Zienswijze 3 - buiten proportioneel, onrechtmatig In de zienswijze wordt uitvoerig geciteerd uit een passage in de memorie van toelichting op de Wvg, waarin de noodzaak dan wel wenselijkheid van de vestiging van een voorkeursrecht ten behoeve van het tijdig realiseren van toekomstige woningbouwlocaties aan de orde is. Aan dit citaat lijken de indieners van de zienswijze de conclusie te willen verbinden dat een voorkeursrecht niet kan worden ingezet ten behoeve van iets anders dan een woonfunctie. Deze veronderstelling is echter onjuist. Bij een voorkeursrechtvestiging moet voldaan worden aan de vereisten dat de vestiging plaatsvindt ten behoeve van een nietagrarische functie, en dat het feitelijke gebruik afwijkt van die functie. Een infrastructurele functie, zoals in dit geval aan de orde, is een voorbeeld van een niet-agrarische functie.

Zoals hierboven reeds opgenomen onderzoekt de gemeente op dit moment welke locatie binnen Numansdorp het meest geschikt is voor het tracé. Bij dat onderzoek vindt uiteraard een behoorlijke belangenafweging plaats. De aanleg van het tracé hangt samen met/houdt sterk verband met de ontwikkeling van Molenpolder. Vestiging van het voorkeursrecht is onder meer nodig voor het behouden van regie op het gebied Numansdorp zoals ook nader is uiteengezet in het raadsvoorstel. Uit de jurisprudentie volgt dat de uiteindelijke bestemming c.q. functie bij een vervroegde vestiging (waarvan in onderhavige casus sprake is) nog niet op perceel niveau hoeft vast te staan, omdat dit een kwestie is van nadere besluitvorming (die naar waarschijnlijkheid in de

43

voorkeursrecht niet wordt gevestigd op de percelen van Indiener 10; dan wel 2. Het collegevoorstel zodanig te amenderen dat het voorkeursrecht niet wordt gevestigd op de percelen van Indiener 10

loop van dit jaar plaatsvindt). Daaraan is dus inherent dat er in dit stadium nog slechts een globaal beeld bestaat over de uiteindelijke functie van een bepaald perceel. Mocht Indiener 10 zich (in een later stadium) op het standpunt stellen dat hij/zij in aanmerking komen voor nadeelcompensatie staat het hem/haar vrij een claim in te dienen. Zienswijze 5 – nieuwbouw op perceel Indiener 10? Ook uit deze zienswijze kan worden afgeleid dat de indieners veronderstellen dat een voorkeursrecht alleen kan worden ingezet ten behoeve van toekomstige woningbouwprojecten. Hiervóór is bij de beantwoording van zienswijze 4 reeds uiteengezet dat die veronderstelling op een misvatting berust. De gemeente is op basis van de huidige inzichten voornemens Molenpolder te (her)ontwikkelen. Met die ontwikkeling hangt de komst van een nieuwe westelijke ontsluitingsroute in Numansdorp nauw samen (de percelen van Indiener 10 vallen binnen de locatie Numansdorp alwaar mogelijk de westelijke ontsluitingsroute komt te liggen). Zie voor nadere motivering/uitleg ook het raadsvoorstel. De meest geschikte locatie van het nieuwe tracé wordt op dit moment uitvoerig onderzocht. Later dit jaar wordt duidelijk waar het tracé exact komt te liggen. De vestiging van het voorkeursrecht heeft niets met woningbouw te maken.

Zienswijze 6 – vanuit verkeerskundig oogpunt had tracé 3 geen onderdeel uit mogen maken van plannen en Zienswijze 7 -vanuit verkeerskundig oogpunt zijn alle drie voorgestelde tracés niet nodig (huidige, bestaande infrastructuur kan beter worden benut) Deze zienswijze richt zich tegen een mogelijke tracékeuze en is daarmee planologisch van aard. Zienswijzen van planologische aard horen thuis in het juridisch-planologische besluitvormingstraject omtrent (de keuze van) het tracé, en dienen volgens vaste rechtspraak, (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van State met kenmerk

44

ECLI:NL:RVS:2009:BH4666), bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een voorkeursrechtbeschikking buiten beschouwing te worden gelaten. Daarbij wordt nog opgemerkt dat, zoals in het raadsvoorstel ook duidelijk is aangegeven, de uiteindelijke tracékeuze nog onderwerp is van nadere besluitvorming, zodat op dit moment nog geen zekerheid bestaat over de vraag, waar het uiteindelijke tracé komt te lopen. De zienswijze richt zich overigens in geen enkel opzicht tegen de rechtmatigheid van de onderhavige voorkeursrechtbeschikking en is om die reden ongegrond. Deze zienswijze is planologisch van aard en hoort hier in beginsel niet thuis. Zie ook hetgeen hierboven is uiteengezet. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk voor zover ingediend door de heer (Indiener 10). Mevrouw (Indiener 10) is geen eigenaar noch beperkt gerechtigde tot de aangewezen percelen en is om die reden niet ontvankelijk. Hetgeen is aangevoerd, geeft geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen. De zienswijze geeft derhalve geen aanleiding om het raadsvoorstel en het raadsbesluit voor de locatie Numansdorp aan te passen. 11.

Zienswijze 1 - schade Het voorkeursrecht beperkt de mogelijkheden om verkoop voort te zetten aanzienlijk en brengt grote schade toe. Het opleggen van de verplichting om het perceel aan de gemeente aan te bieden, benadeelt indiener 11.

Zienswijze 1 - schade Voor de beantwoording van deze zienswijze wordt verwezen naar hetgeen onder de inleiding van de Nota van beantwoording is opgemerkt. Indiener 11 kan een verkoopproces ten aanzien van zijn perceel doorzetten. Indiener dient het perceel dan als eerste aan de gemeente aan te bieden conform de daarop van toepassing zijnde procedure. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. Hetgeen is aangevoerd, geeft geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen. De zienswijze geeft derhalve geen aanleiding om het raadsvoorstel en het raadsbesluit

45

voor de locatie Numansdorp aan te passen. Zoals hiervóór al opgemerkt, spreekt indiener 11 in zijn zienswijze over een bezwaar, derhalve zal de rectie van Indiener 11 zekerheidshalve door de gemeente ook als bezwaar worden opgevat en dienen te worden behandeld. Daarnaast is in de zienswijze een verzoek gedaan aan de gemeente om een bod te doen op de woning van indiener 11. Daartoe moet de woning dan wel eerst aan de gemeente te koop worden aangeboden. Binnen 6 weken na ontvangst van de uitnodiging tot onderhandeling moet het college beslissen of de gemeente in beginsel bereid is het goed onder nader overeen te komen voorwaarden aan te kopen. 12.

Zienswijze 1 - Schending zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4 Awb) ● De snelheid van besluitvorming en beperkte tijd voor participatie heeft ernstig nadelige gevolgen. Indieners verzoeken de gemeente het besluit tot vestiging van het voorkeursrecht te heroverwegen en de termijn voor het indienen van zienswijzen en het indienen van bezwaar te verlengen. ● De impact van de vestiging van het voorkeursrecht op het eigendom is onevenredig groot. ● De vestiging van het voorkeursrecht beperkt het eigendomsrecht Zienswijze 2 – Waardedrukkend effect door aankondiging voorkeursrecht ● Het voorkeursrecht heeft direct een negatief effect op de marktwaarde.

Zienswijze 1 – Algemene beginselen van behoorlijk bestuur: zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel De gronden zijn op grond van het vigerende omgevingsplan thans hoofdzakelijk aangewezen voor agrarische doeleinden en deels voor wonen en ook dienovereenkomstig in gebruik. Vrije vervreemding van deze gronden zou de realisatie van de toegedachte functie(s) kunnen frustreren. De enige manier om dat te voorkomen, is het vestigen van een gemeentelijk voorkeursrecht, omdat daarmee de vrije overdraagbaarheid van de grond wordt beperkt. De inzet van het voorkeursrechtinstrument is dan ook evenredig in relatie tot het daarmee beoogde doel. De bevoegdheid tot vestiging van een voorkeursrecht is een discretionaire bevoegdheid. Een zorgvuldige voorbereiding van het vestigingsbesluit vereist dat het bestuursorgaan de relevante, rechtstreeks bij het voorgenomen besluit betrokken belangen tegen elkaar afweegt (art. 3:4, eerste lid Awb). Daarbij dient zij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen. Indien het voorgenomen besluit voor een bepaalde belanghebbende (dat wil zeggen de eigenaar van of zakelijke gerechtigde tot de grond) gevolgen zou

46

● Door het voorkeursrecht beperkt de gemeente de onderhandelingspositie van indieners. ● Een onafhankelijke taxatie vóór vestiging van het voorkeursrecht toont aan dat de waarde nu hoger is dan na de mogelijke vaststelling van het voorkeursrecht. ● Er wordt al economisch nadeel ondervonden, voordat de gemeente overgaat tot verwerving. ● Er is strijd met het fair play-beginsel. Dit zou kunnen leiden tot een vordering tot planschadevergoeding / nadeelcompensatie. Zienswijze 3 – Impact woongenot Het voorkeursrecht heeft negatieve impact op het woongenot. De combinatie van de westelijke ontsluitingsroute en de onzekerheid omtrent de toekomstige bestemming van de percelen zorgt voor een verontrustende leefomgeving. Indieners maken zich zorgen over geluidsoverlast, lichtvervuiling, veranderingen in het landschap en de negatieve effecten op de lokale leefomgeving.

hebben die onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat met het besluit wordt gediend, moet van het nemen dat besluit in dat geval worden afgezien (art. 3:4, tweede lid Awb). Het bestuursorgaan heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de vestiging van het voorkeursrecht jegens één of meer van de belanghebbenden onevenredig zou uitpakken. Het bestuursorgaan heeft dit beginsel in acht genomen onder andere door geen voorkeursrecht te vestigen op (andere) percelen, indien op voorhand reeds vaststond dat zodanige vestiging niet strikt noodzakelijk was met het oog op de door de gemeente beoogde gebiedsontwikkeling. Weliswaar is vestiging van het voorkeursrecht een belastend besluit dat inbreuk maakt op het eigendomsrecht, maar daar staat tegenover dat de gemeente bij vestiging van het voorkeursrecht beleidsvrijheid toekomt, terwijl het gewicht van de met het besluit te dienen doelen en te dienen algemene belangen aanzienlijk is. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling heeft de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg het algemene belang dat wordt gediend met het vestigen van een voorkeursrecht afgewogen tegen het individuele belang van de grondeigenaren. De rechtspraak van de Afdeling over het evenredigheidsbeginsel geeft geen aanleiding voor een ander uitgangspunt.

De wetgever heeft de nadelige effecten van het vestigen van het voorkeursrecht nadrukkelijk onder ogen gezien. De plannen voor het gebied worden op dit moment uitgewerkt, wat kan betekenen dat omvang en invulling van de beoogde ontwikkeling nog kunnen wijzigen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is dat inherent aan vestiging van het voorkeursrecht op grond van artikel 5 van de Wvg (nu artikel 9.1 lid 1 aanhef en onder c van de Omgevingswet). Vorenstaande blijkt uit de jurisprudentie, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2445. Uit de parlementaire geschiedenis van de Omgevingswet volgt dat de wetgever geen inhoudelijke wijzigingen in de voorkeursrechtregeling ten opzichte van de Wvg heeft willen aanbrengen. De doelstellingen van de

47

voorkeursrechtregeling in de Omgevingswet zijn inhoudelijk dezelfde als die onder de Wvg. Aangenomen mag dan ook worden dat zowel de bedoelingen c.q. afwegingen van de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg als de nadien gevormde vaste rechtspraak onder de Omgevingswet onverkort hun gelding hebben behouden. Voor wat betreft de zienswijze ziet op de snelheid van besluitvorming en participatieperiode (aangenomen wordt dat hiermee bedoeld is de termijn voor het inbrengen van zienswijzen) wordt opgemerkt dat het voor wat betreft de periode tussen collegebesluit en raadsbesluit gaat om een wettelijk voorgeschreven termijn die de gemeente in acht behoort te nemen en waarvan niet van kan worden afgeweken. Voor zover indieners 12 de termijn van het indienen van zienswijzen te kort vinden, is de gemeente van oordeel dat daarvoor een termijn van vier weken in het algemeen voldoende moet worden geacht. Zienswijze 2 - Waardedrukkend effect door aankondiging voorkeursrecht Voor wat betreft het financiële gedeelte van de zienswijzen wordt verwezen naar hetgeen onder “algemeen” is opgenomen. Mochten indieners 12 zich (in een later stadium) op het standpunt stellen dat zij in aanmerking komen voor nadeelcompensatie staat het hen vrij daartoe een claim in te dienen.

Zienswijze 3 - Impact woongenot De argumenten die onder het kopje ‘Impact op ons woongenot’ naar voren worden gebracht, zijn van omgevingsrechtelijke aard. Dergelijke bezwaren kunnen indieners te zijner tijd in de juridisch-planologische procedure tot vaststelling van het wegtracé van de westelijke ontsluitingsroute inbrengen. Tevens kunnen indieners 12, zich voor wat betreft het aspect van gederfd woongenot (voor zover dit gederfde woongenot een waarde verminderend effect heeft naar mening van indieners), een verzoek om nadeelcompensatie daartoe indienen. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. Hetgeen is aangevoerd, geeft geen

48

aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen. De zienswijze geeft derhalve geen aanleiding om het raadsvoorstel en het raadsbesluit voor de locatie Numansdorp aan te passen. 13.

Zienswijze 1 – onzekerheid betreffende investeringen/renovatie woning Indiener 13 durft niet meer in woning te investeren. Vanwege onzekerheid over de ontwikkeling van Molenpolder is het nu niet reëel om op alle percelen van de routes (van de tracés) al een voorkeursrecht te vestigen. Indiener 13 verzoekt om te wachten met het vestigen van het voorkeursrecht tot de plannen van Molenpolder meer concreet zijn. Indiener 13 verkeert in onzekerheid. Zienswijze 2 – tracé 1 voorkeur Tracé 3 gaat door een bosgebied en meerdere percelen met huizen. Tracé 1 is een logischer keuze, daar ligt al een weg die kan worden door ontwikkeld.

Zienswijze 1- onzekerheid betreffende investeringen/renovatie woning Binnen Numansdorp bestaat de noodzaak van de aanleg van een (nieuwe) westelijke ontsluitingsroute. De gemeente onderzoekt momenteel welke locatie binnen Numansdorp het meest geschikt is voor het te ontwikkelen tracé waarbij een zorgvuldige belangenafweging plaatsvindt. De aanleg van het tracé hangt onder meer samen met de ontwikkeling van Molenpolder. Op dit moment bevindt de gemeente zich nog in een zeer pril stadium van omgevingsrechtelijke besluitvorming ten aanzien van het te ontwikkelen tracé. Later dit jaar verwacht de gemeente een besluit te nemen over het tracé en de exacte loop daarvan. Feit is in elk geval dat het perceel van indiener gelegen is in het gebied waar het wegtracé voor de westelijke ontsluitingsroute komt te leggen. Er is nu nog (slechts) sprake van een vervroegd voorkeursrecht in de zin van artikel 9.1 eerste lid, aanhef en onder c Omgevingswet; de gronden zijn nog niet ten behoeve van de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, opgenomen in een gemeentelijke omgevingsvisie, programma dan wel omgevingsplan. Er hoeft voor een vervroegd voorkeursrecht slechts een globaal beeld te bestaan van de toekomstige functie. Niet voor elk perceel dat betrokken is in de aanwijzing hoeft thans al duidelijk te zijn of het kan worden ingepast. Vgl. r.o.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15439964/1