CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota van Beantwoording zienswijzen 2

Beeldvormende bijeenkomst 1 april 2025, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Raadsvoorstel voorkeursrecht westelijke ontsluitingsroute Numansdorp25.755 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

2.5 van de uitspraak van de Afdeling van 23 november 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA5057, over de uitleg van het soortgelijke artikel 8 van de Wvg dat aan het huidige artikel 9.1 lid 1 aanhef en onder c Omgevingswet vooraf is gegaan. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg het algemene belang dat wordt gediend met het vestigen van een

49

voorkeursrecht afgewogen tegen het individuele (financiële) belang van de grondeigenaren. De rechtspraak van de Afdeling over het evenredigheidsbeginsel geeft geen aanleiding voor een ander uitgangspunt. De wetgever heeft de nadelige effecten van het vestigen van het voorkeursrecht nadrukkelijk onder ogen gezien. De plannen voor het gebied worden op dit moment uitgewerkt, wat kan betekenen dat omvang en invulling van de beoogde ontwikkeling nog kunnen wijzigen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is dat inherent aan vestiging van het voorkeursrecht op grond van artikel 5 van de Wvg (nu artikel 9.1 lid 1 aanhef en onder c van de Omgevingswet) . Uit de parlementaire geschiedenis van de Omgevingswet volgt dat de wetgever geen inhoudelijke wijzigingen in de voorkeursrechtregeling ten opzichte van de Wvg heeft willen aanbrengen. De doelstellingen van de voorkeursrechtregeling in de Omgevingswet zijn inhoudelijk dezelfde als die onder de Wvg. Aangenomen mag dan ook worden dat zowel de bedoelingen c.q. afwegingen van de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg als de nadien gevormde vaste rechtspraak onder de Omgevingswet onverkort hun gelding hebben behouden. De gronden zijn op grond van het vigerende omgevingsplan thans hoofdzakelijk aangewezen voor agrarische doeleinden en deels voor wonen en ook dienovereenkomstig in gebruik.

Vrije vervreemding van (de beperkte rechten op) deze gronden zou de realisatie van de toegedachte functie(s) kunnen frustreren. De bevoegdheid tot vestiging van een voorkeursrecht is een discretionaire bevoegdheid. Een zorgvuldige voorbereiding van het vestigingsbesluit vereist dat het bestuursorgaan de relevante, rechtstreeks bij het voorgenomen besluit betrokken belangen tegen elkaar afweegt (art. 3:4, eerste lid Awb). Daarbij dient het de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen. Indien het voorgenomen besluit voor een bepaalde belanghebbende (dwz. eigenaar van of zakelijke gerechtigde tot de grond) gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat met het besluit wordt

50

gediend, moet van het nemen van dat besluit in dat geval worden afgezien (art. 3:4, tweede lid Awb). Het bestuursorgaan heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de vestiging van het voorkeursrecht jegens één of meer van de belanghebbenden onevenredig zou uitpakken. Het bestuursorgaan heeft dit beginsel in acht genomen onder andere door geen voorkeursrecht te vestigen op (andere) percelen, indien op voorhand reeds vaststond dat zodanige vestiging niet noodzakelijk was met het oog op de door de gemeente beoogde gebiedsontwikkeling. Weliswaar is vestiging van het voorkeursrecht een belastend besluit dat inbreuk maakt op het eigendomsrecht, maar daar staat tegenover dat de gemeente bij vestiging van het voorkeursrecht beleidsvrijheid toekomt, terwijl het gewicht van de met het besluit te dienen doelen en te dienen algemene belangen aanzienlijk is. Zienswijze 2 - tracékeuze Deze zienswijze richt zich tegen een mogelijke tracékeuze en is daarmee planologisch van aard. Zienswijzen van planologische aard horen thuis in het juridisch-planologische besluitvormingstraject omtrent (de keuze van) het tracé, en dienen volgens vaste rechtspraak, (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van State met kenmerk ECLI:NL:RVS:2009:BH4666), bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een voorkeursrechtbeschikking buiten beschouwing te worden gelaten.

Daarbij wordt nog opgemerkt dat, zoals in het raadsvoorstel ook duidelijk is aangegeven, de uiteindelijke tracékeuze nog onderwerp is van nadere besluitvorming, zodat op dit moment nog geen zekerheid bestaat over de vraag, waar het uiteindelijke tracé komt te lopen. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. Hetgeen is aangevoerd, geeft geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen. De zienswijze geeft derhalve geen aanleiding om het raadsvoorstel en het raadsbesluit voor de locatie Numansdorp aan te passen.

51

14.

Zienswijze 1 – financiële schade Door de vestiging van dit voorkeursrecht zal bij verkoop in deze markt niet de prijs kunnen worden gerealiseerd die gerealiseerd zou kunnen worden in de situatie dat er geen sprake is van een voorkeursrecht, ofwel in de situatie dat er sprake is van verkoop onder normale omstandigheden in het economische verkeer, waarbij er tevens sprake is van een bereidwillige koper en een bereidwillige verkoper in een zakelijke transactie, na behoorlijke marketing en waarbij de partijen zouden hebben gehandeld met kennis van zaken, prudent en niet onder dwang.

Zienswijze 1 – financiële schade De vestiging van een gemeentelijk voorkeursrecht strekt er in de eerste plaats toe de gemeente een voorrangspositie op de lokale grondmarkt te verschaffen. Het voorkeursrecht betekent niets meer en niets minder dan dat de eigenaar, indien hij het voornemen heeft opgevat om zijn gronden – waarop een voorkeursrecht is gevestigd – te vervreemden (verkopen), dit eerst aan de gemeente te koop moet aanbieden. Die aanbiedingsplicht vloeit voort uit het vervreemdingsvoornemen van de eigenaar zelf; het voorkeursrecht verplicht hem niet tot verkoop. De vestiging van een voorkeursrecht stelt de betrokken overheid in staat om de regie te behouden over de beoogde gebiedsontwikkeling. Ook gaat de vestiging van een voorkeursrecht, die gewoonlijk in een vroeg stadium van planologische besluitvorming plaatsvindt, prijsopdrijving en grondspeculatie tegen. De vestiging van het gemeentelijk voorkeursrecht is een discretionaire bevoegdheid van de gemeente. Een discretionaire bevoegdheid is een bevoegdheid waarbij het bestuursorgaan beleidsruimte heeft om daarvan al dan niet gebruik te maken, waarbij het bestuursorgaan moet afwegen of gebruikmaking van die bevoegdheid voor de betrokkenen geen gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat met de toepassing van die bevoegdheid wordt gediend.

De wetgever heeft bij de totstandkoming van de wet het met de vestiging van een voorkeursrecht te dienen algemene belang afgewogen tegen het (individuele) (financiële) belang van de betrokken grondeigenaar, zodat dit laatste niet meer afzonderlijk in de afweging hoeft te worden betrokken. De verdere belangenafweging dient uiteraard wel plaats te vinden, maar dat heeft de gemeente, zo blijkt uit het raadsvoorstel, gedaan.

Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. Hetgeen is aangevoerd, geeft geen

52

aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen. De zienswijze geeft derhalve geen aanleiding om het raadsvoorstel en het raadsbesluit voor de locatie Numansdorp aan te passen. 15.

Zienswijze 1 - Schending zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4 Awb) ● De snelheid van besluitvorming en beperkte tijd voor participatie heeft ernstig nadelige gevolgen. Indieners verzoeken de gemeente het besluit tot vestiging van het voorkeursrecht te heroverwegen en termijn voor het indienen van zienswijzen en het indienen van bezwaar te verlengen. ● De impact van de vestiging van het voorkeursrecht op het eigendom is onevenredig groot. ● De vestiging van het voorkeursrecht beperkt het eigendomsrecht. Zienswijze 2 – Waardedrukkend effect door aankondiging voorkeursrecht ● Het voorkeursrecht heeft direct een negatief effect op de marktwaarde. ● Door het voorkeursrecht beperkt de gemeente de onderhandelingspositie van indieners. ● Een onafhankelijke taxatie vóór vestiging van het voorkeursrecht toont aan dat de waarde nu hoger is dan na de mogelijke vaststelling van het voorkeursrecht. ● Er wordt al economisch nadeel ondervonden, voordat de gemeente overgaat tot verwerving. ● Er is strijd met het fair play-beginsel. Dit

Zienswijze 1 – Algemene beginselen van behoorlijk bestuur: zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel De gronden zijn op grond van het vigerende omgevingsplan thans hoofdzakelijk aangewezen voor agrarische doeleinden en deels voor wonen en ook dienovereenkomstig in gebruik. Vrije vervreemding van deze gronden zou de realisatie van de toegedachte functie(s) kunnen frustreren. De enige manier om dat te voorkomen, is het vestigen van een gemeentelijk voorkeursrecht, omdat daarmee de vrije overdraagbaarheid van de grond wordt beperkt. De inzet van het voorkeursrechtinstrument is dan ook evenredig in relatie tot het daarmee beoogde doel. De bevoegdheid tot vestiging van een voorkeursrecht is een discretionaire bevoegdheid. Een zorgvuldige voorbereiding van het vestigingsbesluit vereist dat het bestuursorgaan de relevante, rechtstreeks bij het voorgenomen besluit betrokken belangen tegen elkaar afweegt (art. 3:4, eerste lid Awb). Daarbij dient zij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen. Indien het voorgenomen besluit voor een bepaalde belanghebbende (dwz. eigenaar van of zakelijke gerechtigde tot de grond) gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat met het besluit wordt gediend, moet van het nemen dat besluit in dat geval worden afgezien (art. 3:4, tweede lid Awb).

Het bestuursorgaan heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de vestiging van het voorkeursrecht jegens één of meer van de belanghebbenden onevenredig zou uitpakken. Het bestuursorgaan heeft dit beginsel in acht genomen onder andere door geen voorkeursrecht te vestigen op (andere) percelen, indien op voorhand reeds vaststond dat zodanige vestiging niet strikt noodzakelijk was met het oog op de door de gemeente beoogde gebiedsontwikkeling. Weliswaar is vestiging van het voorkeursrecht een belastend besluit dat

53

zou kunnen leiden tot een vordering tot planschadevergoeding / nadeelcompensatie. Zienswijze 3 – Impact woongenot Het voorkeursrecht heeft negatieve impact op het welzijn. De combinatie van de westelijke ontsluitingsroute en de onzekerheid omtrent de toekomstige bestemming van de percelen zorgt voor een verontrustende leefomgeving. Indieners maken zich zorgen over de waarde van de woning, de persoonlijke financiële situatie en toekomst. Zienswijze 4 – onderbouwing noodzakelijkheid voorkeursrecht Indieners wensen een nadere onderbouwing van de noodzakelijkheid van het voorkeursrecht en wensen te begrijpen waarop minder ingrijpende alternatieven niet zijn overwogen.

inbreuk maakt op het eigendomsrecht, maar daar staat tegenover dat de gemeente bij vestiging van het voorkeursrecht beleidsvrijheid toekomt, terwijl het gewicht van de met het besluit te dienen doelen en te dienen algemene belangen aanzienlijk is. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling heeft de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg het algemene belang dat wordt gediend met het vestigen van een voorkeursrecht afgewogen tegen het individuele belang van de grondeigenaren. De rechtspraak van de Afdeling over het evenredigheidsbeginsel geeft geen aanleiding voor een ander uitgangspunt. De wetgever heeft de nadelige effecten van het vestigen van het voorkeursrecht nadrukkelijk onder ogen gezien. De plannen voor het gebied worden op dit moment uitgewerkt, wat kan betekenen dat omvang en invulling van de beoogde ontwikkeling nog kunnen wijzigen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is dat inherent aan vestiging van het voorkeursrecht op grond van artikel 5 van de Wvg (nu artikel 9.1 lid 1 aanhef en onder c van de Omgevingswet). Vorenstaande blijkt uit de jurisprudentie, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2445. Uit de parlementaire geschiedenis van de Omgevingswet volgt dat de wetgever geen inhoudelijke wijzigingen in de voorkeursrechtregeling ten opzichte van de Wvg heeft willen aanbrengen.

De doelstellingen van de voorkeursrechtregeling in de Omgevingswet zijn inhoudelijk dezelfde als die onder de Wvg. Aangenomen mag dan ook worden dat zowel de bedoelingen c.q. afwegingen van de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg als de nadien gevormde vaste rechtspraak onder de Omgevingswet onverkort hun gelding hebben behouden. Voor wat betreft de zienswijze ziet op de snelheid van besluitvorming en participatieperiode (aangenomen wordt dat hiermee bedoeld is de termijn voor het inbrengen van zienswijzen) wordt opgemerkt dat het voor wat betreft de periode tussen collegebesluit en raadsbesluit gaat om een wettelijk voorgeschreven termijn die de gemeente in acht behoort te nemen en waarvan niet van kan worden afgeweken. Voor zover Indiener

54

15 de termijn van het indienen van zienswijzen te kort vinden, is de gemeente van oordeel dat daarvoor een termijn van vier weken in het algemeen voldoende moet worden geacht.

Zienswijze 2 - Waardedrukkend effect door aankondiging voorkeursrecht Voor wat betreft het financiële gedeelte van de zienswijzen wordt verwezen naar hetgeen onder de inleiding van deze Nota van beantwoording is opgenomen. Mochten indieners 15 zich (in een later stadium) op het standpunt stellen dat zij in aanmerking komen voor nadeelcompensatie staat het hen vrij daartoe een claim in te dienen. Zienswijze 3 - Impact welzijn/verontrustende leefomgeving De argumenten die onder het kopje ‘Impact welzijn/verontrustende leefomgeving’ naar voren worden gebracht, zijn van omgevingsrechtelijke aard. Dergelijke bezwaren kunnen indieners te zijner tijd in de juridisch-planologische procedure tot vaststelling van het wegtracé van de westelijke ontsluitingsroute inbrengen. Tevens kunnen indieners, zich voor wat betreft het aspect van gederfd woongenot (voor zover dit gederfde woongenot een waarde verminderend effect heeft naar mening van indiener 15), een verzoek om nadeelcompensatie daartoe indienen. Zienswijze 4 – onderbouwing noodzakelijkheid voorkeursrecht Hiervoor wordt verwezen naar hetgeen onder zienswijze 1 is genoemd. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. Hetgeen is aangevoerd, geeft geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen. De zienswijze geeft derhalve geen aanleiding om het raadsvoorstel en het raadsbesluit voor de locatie Numansdorp aan te passen. 16.

Zienswijze 1 - Schending zorgvuldigheids- en

Zienswijze 1 – Algemene beginselen van behoorlijk bestuur:

55

evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4 Awb) ● De snelheid van besluitvorming en beperkte tijd voor participatie heeft ernstig nadelige gevolgen. Indieners verzoeken de gemeente het besluit tot vestiging van het voorkeursrecht te heroverwegen en termijn voor het indienen van zienswijzen en het indienen van bezwaar te verlengen. ● De impact van de vestiging van het voorkeursrecht op het eigendom is onevenredig groot. ● De vestiging van het voorkeursrecht beperkt het eigendomsrecht. Zienswijze 2 – Waardedrukkend effect door aankondiging voorkeursrecht ● Het voorkeursrecht heeft direct een negatief effect op de marktwaarde. ● Door het voorkeursrecht beperkt de gemeente de onderhandelingspositie van indieners. ● Een onafhankelijke taxatie vóór vestiging van het voorkeursrecht toont aan dat de waarde nu hoger is dan na de mogelijke vaststelling van het voorkeursrecht. ● Er wordt al economisch nadeel ondervonden, voordat de gemeente overgaat tot verwerving. ● Er is strijd met het fair play-beginsel. Dit zou kunnen leiden tot een vordering tot planschadevergoeding / nadeelcompensatie. Zienswijze 3 – Impact woongenot

zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel De gronden zijn op grond van het vigerende omgevingsplan thans hoofdzakelijk aangewezen voor agrarische doeleinden en deels voor wonen en ook dienovereenkomstig in gebruik. Vrije vervreemding van deze gronden zou de realisatie van de toegedachte functie(s) kunnen frustreren. De enige manier om dat te voorkomen, is het vestigen van een gemeentelijk voorkeursrecht, omdat daarmee de vrije overdraagbaarheid van de grond wordt beperkt. De inzet van het voorkeursrechtinstrument is dan ook evenredig in relatie tot het daarmee beoogde doel. De bevoegdheid tot vestiging van een voorkeursrecht is een discretionaire bevoegdheid die terughoudend wordt getoetst. Een zorgvuldige voorbereiding van het vestigingsbesluit vereist dat het bestuursorgaan de relevante, rechtstreeks bij het voorgenomen besluit betrokken belangen tegen elkaar afweegt (art. 3:4, eerste lid Awb). Daarbij dient zij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen. Indien het voorgenomen besluit voor een bepaalde belanghebbende (dwz. eigenaar van of zakelijke gerechtigde tot de grond) gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat met het besluit wordt gediend, moet van het nemen dat besluit in dat geval worden afgezien (art. 3:4, tweede lid Awb).

Het bestuursorgaan heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de vestiging van het voorkeursrecht jegens één of meer van de belanghebbenden onevenredig zou uitpakken. Het bestuursorgaan heeft dit beginsel in acht genomen onder andere door geen voorkeursrecht te vestigen op (andere) percelen, indien op voorhand reeds vaststond dat zodanige vestiging niet strikt noodzakelijk was met het oog op de door de gemeente beoogde gebiedsontwikkeling. Weliswaar is vestiging van het voorkeursrecht een belastend besluit dat inbreuk maakt op het eigendomsrecht, maar daar staat tegenover dat de gemeente bij vestiging van het voorkeursrecht beleidsvrijheid toekomt, terwijl het gewicht van de met het besluit te dienen doelen en te dienen algemene belangen aanzienlijk is.

56

Het voorkeursrecht heeft negatieve impact op het welzijn. De combinatie van de westelijke ontsluitingsroute en de onzekerheid omtrent de toekomstige bestemming van de percelen zorgt voor een verontrustende leefomgeving. Indieners maken zich zorgen over de waarde van de woning, de persoonlijke financiële situatie en toekomst. Zienswijze 4 – onderbouwing noodzakelijkheid voorkeursrecht Indieners wensen een nadere onderbouwing van de noodzakelijkheid van het voorkeursrecht en wensen te begrijpen waarop minder ingrijpende alternatieven niet zijn overwogen.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling heeft de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg het algemene belang dat wordt gediend met het vestigen van een voorkeursrecht afgewogen tegen het individuele belang van de grondeigenaren. De rechtspraak van de Afdeling over het evenredigheidsbeginsel geeft geen aanleiding voor een ander uitgangspunt. De wetgever heeft de nadelige effecten van het vestigen van het voorkeursrecht nadrukkelijk onder ogen gezien. De plannen voor het gebied worden op dit moment uitgewerkt, wat kan betekenen dat omvang en invulling van de beoogde ontwikkeling nog kunnen wijzigen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is dat inherent aan vestiging van het voorkeursrecht op grond van artikel 5 van de Wvg (nu artikel 9.1 lid 1 aanhef en onder c van de Omgevingswet). Vorenstaande blijkt uit de jurisprudentie, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2445. Uit de parlementaire geschiedenis van de Omgevingswet volgt dat de wetgever geen inhoudelijke wijzigingen in de voorkeursrechtregeling ten opzichte van de Wvg heeft willen aanbrengen. De doelstellingen van de voorkeursrechtregeling in de Omgevingswet zijn inhoudelijk dezelfde als die onder de Wvg. Aangenomen mag dan ook worden dat zowel de bedoelingen c.q.

afwegingen van de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg als de nadien gevormde vaste rechtspraak onder de Omgevingswet onverkort hun gelding hebben behouden. Voor wat betreft de zienswijze ziet op de snelheid van besluitvorming en participatieperiode (aangenomen wordt dat hiermee bedoeld is de termijn voor het inbrengen van zienswijzen) wordt opgemerkt dat het voor wat betreft de periode tussen collegebesluit en raadsbesluit gaat om een wettelijk voorgeschreven termijn die de gemeente in acht behoort te nemen en waarvan niet van kan worden afgeweken. Voor zover de indieners de termijn van het indienen van zienswijzen te kort vinden, is de gemeente van oordeel dat daarvoor een termijn van vier weken in het algemeen voldoende moet worden geacht.

57

Zienswijze 2 - Waardedrukkend effect door aankondiging voorkeursrecht Voor wat betreft het financiële gedeelte van de zienswijzen wordt verwezen naar hetgeen onder de inleiding van deze Nota van beantwoording is opgenomen. Mochten indieners 16 zich (in een later stadium) op het standpunt stellen dat zij in aanmerking komen voor nadeelcompensatie staat het hen vrij daartoe een claim in te dienen. Zienswijze 3 - Impact welzijn/verontrustende leefomgeving De argumenten die onder het kopje ‘Impact welzijn/verontrustende leefomgeving’ naar voren worden gebracht, zijn van omgevingsrechtelijke aard. Dergelijke bezwaren kunnen indieners 16 te zijner tijd in de juridisch-planologische procedure tot vaststelling van het wegtracé van de westelijke ontsluitingsroute inbrengen. Tevens kunnen indieners 16, zich voor wat betreft het aspect van gederfd woongenot (voor zover dit gederfde woongenot een waarde verminderend effect heeft naar mening van indieners), een verzoek om nadeelcompensatie daartoe indienen. Zienswijze 4 – onderbouwing noodzakelijkheid voorkeursrecht Hiervoor wordt verwezen naar hetgeen onder algemeen en onder zienswijze 1 is genoemd. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. Hetgeen is aangevoerd, geeft geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen.

De zienswijze geeft derhalve geen aanleiding om het raadsvoorstel en het raadsbesluit voor de locatie Numansdorp aan te passen. 17.

Zienswijze 1 – Tracévarianten Tracévarianten lopen geen van alle over of dichtbij perceel van indieners 17, dus vestiging

Zienswijze 1 - Tracévarianten Binnen Numansdorp bestaat de noodzaak van de aanleg van een (nieuwe) westelijke ontsluitingsroute. De gemeente onderzoekt

58

is onterecht.

momenteel welke locatie binnen Numansdorp het meest geschikt is voor het te ontwikkelen tracé waarbij een zorgvuldige belangenafweging plaatsvindt. De aanleg van het tracé hangt onder meer samen met de ontwikkeling van Molenpolder. Op dit moment bevindt de gemeente zich nog in een zeer pril stadium van omgevingsrechtelijke besluitvorming ten aanzien van het te ontwikkelen tracé. Later dit jaar verwacht de gemeente een besluit te nemen over het tracé en de exacte loop daarvan. Feit is in elk geval dat het perceel van indieners gelegen is in het gebied waar het wegtracé voor de westelijke ontsluitingsroute komt te liggen. Er is nu nog (slechts) sprake van een vervroegd voorkeursrecht in de zin van artikel 9.1 eerste lid, aanhef en onder c Omgevingswet; de gronden zijn nog niet ten behoeve van de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, opgenomen in een gemeentelijke omgevingsvisie, programma dan wel omgevingsplan. Er hoeft voor een vervroegd voorkeursrecht slechts een globaal beeld te bestaan van de toekomstige functie. Niet voor elk perceel dat betrokken is in de aanwijzing hoeft thans al duidelijk te zijn of het kan worden ingepast. Vgl. r.o. 2.5 van de uitspraak van de Afdeling van 23 november 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA5057, over de uitleg van het soortgelijke artikel 8 van de Wvg dat aan het huidige artikel 9.1 lid 1 aanhef en onder c Omgevingswet vooraf is gegaan.

De reden dat het perceel van Indieners 17 is betrokken in de voorkeursrechtbeschikking, is dat al vóór aanvang/vaststelling van de/het omgevingsplan(procedure) slagvaardig opgetreden kan worden om te voorkomen dat de verwezenlijking van de toegedachte functie wordt belemmerd, bijvoorbeeld doordat er een grondtransactie plaatsvindt die tot grondversnippering of tot prijsopdrijving leidt, wat de door de gemeente gewenste regie zou kunnen frustreren of de (financiële) uitvoerbaarheid van het plan onder druk zou kunnen zetten. Bij dit alles is het van groot belang om op te merken dat de precieze keuze voor het tracé in Numansdorp nog dient te worden gemaakt. De

59

kennelijke veronderstelling dat het één van de drie tracés wordt en dat het definitieve tracé exact dezelfde loop zal hebben als één van de drie verkende tracés is onjuist. Mochten indieners 17 te zijner tijd op willen komen tegen het definitieve tracé/het besluit dat daarvoor de grondslag biedt, dan kunnen zij de daartegen openstaande rechtsbeschermingsmiddelen aanwenden. Mocht in een later stadium vaststaan dat het perceel niet benodigd is voor het definitief vastgestelde tracé dan zal het voorkeursrecht ingetrokken worden ten aanzien van het niet benodigde perceel. Het perceel is op grond van het vigerende omgevingsplan thans hoofdzakelijk aangewezen voor agrarische doeleinden en deels voor wonen en ook dienovereenkomstig in gebruik. Vrije vervreemding van (de beperkte rechten op) deze gronden zou de realisatie van de toegedachte functie(s) kunnen frustreren. De bevoegdheid om het voorkeursrecht te vestigen is een zogenoemde discretionaire bevoegdheid die terughoudend wordt getoetst.

18.

Zienswijze 1 - Voorkeursrecht niet nodig Het voorkeursrecht is niet nodig omdat speculatie met de grond voor de aanleg van een weg niet waarschijnlijk is en er tevens nog geen tracé voor de weg bekend is. Volgens indieners is er op grond van de Wijziging van het Omgevingsprogramma ZuidHolland nog geen toestemming van de provincie voor de aanleg van een westelijke ontsluitingsroute.

Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. Hetgeen is aangevoerd, geeft geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen. De zienswijze geeft derhalve geen aanleiding om het raadsvoorstel en het raadsbesluit voor de locatie Numansdorp aan te passen. Zienswijze 1 - Voorkeursrecht niet nodig Binnen Numansdorp bestaat de noodzaak van de aanleg van een (nieuwe) westelijke ontsluitingsroute. De gemeente onderzoekt momenteel welke locatie binnen Numansdorp het meest geschikt is voor het te ontwikkelen tracé waarbij een zorgvuldige belangenafweging plaatsvindt. De aanleg van het tracé hangt onder meer samen met de ontwikkeling van Molenpolder. Op dit moment bevindt de gemeente zich nog in een zeer pril stadium van omgevingsrechtelijke besluitvorming ten aanzien van het te ontwikkelen tracé. Later dit jaar verwacht de gemeente een besluit te nemen over het tracé en de exacte loop

60

Voorkeurstracé 3 geeft in ieder geval een grote maatschappelijke impact. Verder zal dit de aanleg van een geheel nieuwe weg omvatten, wat in die zin al de meest dure optie betreft. Verder zal er een nieuwe aansluiting op de provinciale weg moeten worden gerealiseerd waar de provincie geen voorstander van is en geen akkoord op heeft gegeven. Indieners betwijfelen of er bij het bedenken van de plannen iemand fysiek is komen kijken, dan wel de plannen/het te ontwikkelen tracé slechts vanaf een kaart heeft beoordeeld.

daarvan. Er is nu nog (slechts) sprake van een vervroegd voorkeursrecht in de zin van artikel 9.1 eerste lid, aanhef en onder c Omgevingswet; de gronden zijn nog niet ten behoeve van de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, opgenomen in een gemeentelijke omgevingsvisie, programma dan wel omgevingsplan. Er hoeft voor een vervroegd voorkeursrecht slechts een globaal beeld te bestaan van de toekomstige functie. Niet voor elk perceel dat betrokken is in de aanwijzing hoeft thans al duidelijk te zijn of het kan worden ingepast. Vgl. r.o. 2.5 van de uitspraak van de Afdeling van 23 november 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA5057, over de uitleg van het soortgelijke artikel 8 van de Wvg dat aan het huidige artikel 9.1 lid 1 aanhef en onder c Omgevingswet vooraf is gegaan. De vestiging van een voorkeursrecht, die gewoonlijk in een vroeg stadium van planologische besluitvorming plaatsvindt – zoals ook in dit geval-, gaat prijsopdrijving en grondspeculatie tegen. Zie ook hetgeen daarover onder de inleiding van deze Nota van beantwoording is vermeld. Op dit moment is er geen expliciete toestemming van de provincie voor de aanleg van een westelijke ontsluitingsroute. Maar het ontwerpbestemmingsplan Molenpolder is in december 2023 ter inzage gelegd, hierin is ook opgenomen dat een ontsluitingsweg noodzakelijk is om te wijk te ontsluiting.

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland heeft het aantal woningen dat in de Molenpolder gerealiseerd gaat worden toegevoegd aan het woningbouwprogramma en hiermee impliciet ingestemd met een nieuwe ontsluitingsroute. De locatie voor het uiteindelijke tracé wordt momenteel onderzocht. Echter betreft dit een aspect van planologische aard dat hier niet thuishoort. Zie ook hetgeen onder zienswijze 3 uitvoerig is uiteengezet.

Zienswijze 4 – voortraject tracé Indieners stellen dat niet is voldaan aan de

Zienswijze 2 – strijd met algemene beginselen behoorlijk bestuur/de wet Indiener 18 stelt dat het voorkeursrecht in strijd is met de algemene

Zienswijze 2 – algemene beginselen van behoorlijk bestuur Het besluit is genomen in strijd met beginselen van behoorlijk bestuur en de wet. Zienswijze 3 – tracé voorkeur Directe aansluiting van de Molendijk op de A29 is de gunstigste oplossing. Voor wat betreft de voorkeurstracés die er nu liggen is tracé 1 de beste optie; goedkoopst, heeft de minst negatieve impact op het landschap en geeft de minste maatschappelijk weerstand.

61

wettelijke toetsingsvereisten:  Afgelopen 10 jaren hebben indieners niets (meer) vernomen van een randweg. Indieners stellen dat zij daarover (vooraf) geïnformeerd behoren te worden.  Indieners vragen zich af of er wel vooronderzoek heeft plaatsgevonden naar de consequenties ten aanzien van de fysieke leefomgeving?  Indieners vragen zich af of vooraf is bekeken welk tracé financieel economisch de beste oplossing is.  Indieners voelen zich door de voorkeursrechtbeschikking met hun rug tegen de muur gezet.  Zienswijze 5 – BKL, BAL en MER Indieners vragen zich af of wel is voldaan aan de eisen voor de aanleg van wegen, zoals die onder meer voortvloeien uit het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL), het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL) en de Milieu Effect Rapportage (MER). Ook vragen zij zich af, of wel is onderzocht welke oplossing financieel/economisch de voorkeur heeft en de minste overlast voor omwonende geeft.

beginselen van behoorlijk bestuur en de wet. Echter benoemt indiener 18 niet welke beginselen geschonden zouden zijn. Desondanks wordt op hoofdlijnen hieronder uitgelegd dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht zijn genomen en gehandeld is conform regelgeving. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg het algemene belang dat wordt gediend met het vestigen van een voorkeursrecht afgewogen tegen het individuele belang van de grondeigenaren. De wetgever heeft de nadelige effecten van het vestigen van het voorkeursrecht nadrukkelijk onder ogen gezien. De plannen voor het gebied worden op dit moment uitgewerkt, wat kan betekenen dat omvang en invulling van de beoogde ontwikkeling nog kunnen wijzigen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is dat inherent aan vestiging van het voorkeursrecht op grond van artikel 5 van de Wvg (nu artikel 9.1 lid 1 aanhef en onder c van de Omgevingswet) [1]. Uit de parlementaire geschiedenis van de Omgevingswet volgt dat de wetgever geen inhoudelijke wijzigingen in de voorkeursrechtregeling ten opzichte van de Wvg heeft willen aanbrengen. De doelstellingen van de voorkeursrechtregeling in de Omgevingswet zijn inhoudelijk dezelfde als die onder de Wvg. Aangenomen mag dan ook worden dat zowel de bedoelingen c.q.

afwegingen van de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg als de nadien gevormde vaste rechtspraak onder de Omgevingswet onverkort hun gelding hebben behouden. In de fase voorafgaand aan de vaststelling van een omgevingsplan moet het qua motiveringsplicht voldoende worden geacht indien het bestuursorgaan meer in algemene zin motiveert waarom het algemeen belang de vestiging van een voorkeursrecht rechtvaardigt. Daaraan is voldaan zo blijkt uit het raadsvoorstel behorende bij het raadsbesluit.

62

De gronden zijn op grond van het vigerende omgevingsplan thans hoofdzakelijk aangewezen voor agrarische doeleinden en deels voor wonen en ook dienovereenkomstig in gebruik. Vrije vervreemding van (de beperkte rechten op) deze gronden zou de realisatie van de toegedachte functie(s) kunnen frustreren. Het vestigen van een voorkeursrecht is dan ook de enige manier om die vrije overdraagbaarheid te beperken. De bevoegdheid tot vestiging van een voorkeursrecht is een discretionaire bevoegdheid. Een zorgvuldige voorbereiding van het vestigingsbesluit vereist dat het bestuursorgaan de relevante, rechtstreeks bij het voorgenomen besluit betrokken belangen tegen elkaar afweegt (art. 3:4, eerste lid Awb). Daarbij dient het de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen. Indien het voorgenomen besluit voor een bepaalde belanghebbende (dwz. eigenaar van of zakelijke gerechtigde tot de grond) gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat met het besluit wordt gediend, moet van het nemen van dat besluit in dat geval worden afgezien (art. 3:4, tweede lid Awb). Het bestuursorgaan heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de vestiging van het voorkeursrecht jegens één of meer van de belanghebbenden onevenredig zou uitpakken.

Het bestuursorgaan heeft dit beginsel in acht genomen onder andere door geen voorkeursrecht te vestigen op (andere) percelen, indien op voorhand reeds vaststond dat zodanige vestiging niet noodzakelijk was met het oog op de door de gemeente beoogde gebiedsontwikkeling. Weliswaar is vestiging van het voorkeursrecht een belastend besluit dat inbreuk maakt op het eigendomsrecht, maar daar staat tegenover dat de gemeente bij vestiging van het voorkeursrecht beleidsvrijheid toekomt, terwijl het gewicht van de met het besluit te dienen doelen en te dienen algemene belangen aanzienlijk is. De conclusie ten aanzien van deze zienswijze is dat naar de overtuiging

63

van de gemeente bij de voorbereiding van het voorliggende ontwerpbesluit is gehandeld in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en conform de wet (Omgevingswet). Zienswijze 3 - tracékeuze Deze zienswijze richt zich tegen een mogelijke tracékeuze en is daarmee planologisch van aard. Zienswijzen van planologische aard horen thuis in het juridisch-planologische besluitvormingstraject omtrent (de keuze van) het tracé, en dienen volgens vaste rechtspraak, (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van State met kenmerk ECLI:NL:RVS:2009:BH4666), bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een voorkeursrechtbeschikking buiten beschouwing te worden gelaten. Daarbij wordt nog opgemerkt dat, zoals in het raadsvoorstel ook duidelijk is aangegeven, de uiteindelijke tracékeuze nog onderwerp is van nadere besluitvorming, zodat op dit moment nog geen zekerheid bestaat over de vraag, waar het uiteindelijke tracé komt te lopen. Zienswijze 4 Zie in de eerste plaats hetgeen hierover is vermeld onder zienswijze 3. Voor wat betreft de klacht van indieners 18 dat zij zich door de voorkeursrechtbeschikking met de rug tegen de muur gezet voelen, zij opgemerkt dat het voorstelbaar is dat een belanghebbende de vestiging van een voorkeursrecht op zijn grond zo ervaart, maar dat dat nu eenmaal inherent is aan de inzet van dit instrument.

Daaraan kan worden toegevoegd dat het voorkeursrecht pas wordt geactiveerd op het moment dat de belanghebbende zelf het voornemen opvat om zijn onroerende zaak (of het beperkte recht daarop) te vervreemden, en dat hij als gevolg van het voorkeursrecht in geen enkel opzicht in het normale gebruik van die zaak wordt gehinderd. Zienswijze 5 De opmerkingen die indieners 18 maken zien op het planologisch proces

64

ten aanzien van (de totstandkoming van) het tracé en horen hier niet thuis. Zie hierover hetgeen is vermeld onder zienswijze 3. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. Hetgeen is aangevoerd, geeft geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen. De zienswijze geeft derhalve geen aanleiding om het raadsvoorstel en het raadsbesluit voor de locatie Numansdorp aan te passen. 19.

Zienswijze 1 – Ontbreken nut en noodzaak De nut en noodzaak voor het vestigen van het voorkeursrecht voor een ontsluitingsweg ontbreekt. Er zijn andere methoden om grond voor het tracé te verkrijgen. Zienswijze 2 – Variant 1 en 2 slechts gedeeltelijk op perceel indiener – onrechtmatig gevoel Indiener 19 wenst dat de omgang van het perceelgedeelte waarop het voorkeursrecht is gevestigd wordt beperkt tot het deel dat nodig is voor het tracé. Het voorkeusrecht op het gehele perceel voelt onrechtmatig. Zienswijze 3 – Bestemmingswijziging Indiener 19 stelt bestemmingswijziging (anders dan agrarisch) voor binnen drie jaar indien het voorkeursrecht op het gehele perceel gevestigd blijft.

Zienswijze 1 – Ontbreken nut en noodzaak Binnen Numansdorp bestaat de noodzaak van de aanleg van een (nieuwe) westelijke ontsluitingsroute. De gemeente onderzoekt momenteel welke locatie binnen Numansdorp het meest geschikt is voor het te ontwikkelen tracé waarbij een zorgvuldige belangenafweging plaatsvindt. De aanleg van het tracé hangt onder meer samen met de ontwikkeling van Molenpolder. Op dit moment bevindt de gemeente zich nog in een zeer pril stadium van omgevingsrechtelijke besluitvorming ten aanzien van het te ontwikkelen tracé. Later dit jaar verwacht de gemeente een besluit te nemen over het tracé en de exacte loop daarvan. Er is nu nog (slechts) sprake van een vervroegd voorkeursrecht in de zin van artikel 9.1 eerste lid, aanhef en onder c Omgevingswet; de gronden zijn nog niet ten behoeve van de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, opgenomen in een gemeentelijke omgevingsvisie, programma dan wel omgevingsplan. Er hoeft voor een vervroegd voorkeursrecht slechts een globaal beeld te bestaan van de toekomstige functie. Niet voor elk perceel dat betrokken is in de aanwijzing hoeft thans al duidelijk te zijn of het kan worden ingepast. Vgl. r.o.

2.5 van de uitspraak van de Afdeling van 23 november 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA5057, over de uitleg van het soortgelijke artikel 8 van de Wvg dat aan het huidige artikel 9.1 lid 1 aanhef en onder c Omgevingswet vooraf is gegaan.

65

De reden dat ook het perceel van indiener 19 is betrokken in de voorkeursrechtbeschikking, is dat al vóór aanvang/vaststelling van de/het omgevingsplan(procedure) slagvaardig opgetreden kan worden om te voorkomen dat de verwezenlijking van de toegedachte functie wordt belemmerd, bijvoorbeeld doordat er een grondtransactie plaatsvindt die tot grondversnippering of tot prijsopdrijving leidt, wat de door de gemeente gewenste regie zou kunnen frustreren of de (financiële) uitvoerbaarheid van het plan onder druk zou kunnen zetten. Zienswijze 2 – Variant 1 en 2 slechts gedeeltelijk op perceel indiener – onrechtmatig gevoel Zoals hiervóór uiteengezet, valt het perceel in het plangebied waar de nieuwe ontsluitingsweg zal worden aangelegd, waarvan het tracé nu nog niet bekend is. Het is van groot belang om op te merken dat de precieze keuze voor het tracé in Numansdorp nog dient te worden gemaakt. De aanname dat het één van de drie tracés wordt en dat het definitieve tracé exact dezelfde loop zal hebben als één van de drie verkende tracés is onjuist. Mocht indiener 19 te zijner tijd op willen komen tegen het definitieve tracé/het besluit dat daarvoor de grondslag biedt, dan kan indiener de daartegen openstaande rechtsbeschermingsmiddelen aanwenden.

Mocht in een later stadium vaststaan dat het perceel niet benodigd is voor het definitief vastgestelde tracé dan zal het voorkeursrecht ingetrokken worden ten aanzien van het niet benodigde perceel(gedeelte). Vrije vervreemding van (de beperkte rechten op) deze gronden zou de realisatie van de toegedachte functie(s) kunnen frustreren. De bevoegdheid om het voorkeursrecht te vestigen is een zogenoemde discretionaire bevoegdheid die terughoudend wordt getoetst. Weliswaar is vestiging van het voorkeursrecht een belastend besluit dat inbreuk maakt op het eigendomsrecht, maar daar staat tegenover dat de raad bij vestiging van het voorkeursrecht beleidsvrijheid toekomt, terwijl het gewicht van de met het besluit te dienen doelen en te dienen

66

algemene belangen aanzienlijk is. Zienswijze 3 – Bestemmingswijziging Het door indiener 19 gedane voorstel om het voorkeursrecht op het perceel te bestendigen onder de voorwaarde dat binnen drie jaar aan dat perceel een andere dan een agrarische bestemming wordt toegedacht/toegedeeld, is niet aan te merken als een zienswijze, althans niet als een zienswijze die tot heroverweging van het voorgenomen besluit zou kunnen of moeten leiden aangezien dit voorstel van omgevingsrechtelijke aard is. Bezwaren/opmerkingen van planologische aard horen thuis in het juridisch-planologische besluitvormingstraject omtrent (de keuze van) het tracé, en dienen volgens vaste rechtspraak, (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van State met kenmerk ECLI:NL:RVS:2009:BH4666), bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een voorkeursrechtbeschikking buiten beschouwing te worden gelaten. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. Hetgeen is aangevoerd, geeft geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen. De zienswijze geeft derhalve geen aanleiding om het raadsvoorstel en het raadsbesluit voor de locatie Numansdorp aan te passen. 20.

Zienswijze 1 – Gebied waarop voorkeursrecht

gevestigd is kan kleiner Het is opvallend dat het voorkeursrecht is gevestigd op een groot gebied. Er zijn nog drie tracés in beeld. Het gebied waarop het voorkeursrecht is gevestigd had kleiner gekund. Zienswijze 2 – Duidelijkheid benodigde gronden, opheffen voorkeursrecht,

Zienswijze 1 - Gebied waarop voorkeursrecht gevestigd is kan kleiner Binnen Numansdorp bestaat de noodzaak van de aanleg van een (nieuwe) westelijke ontsluitingsroute. De gemeente onderzoekt momenteel welke locatie binnen Numansdorp het meest geschikt is voor het te ontwikkelen tracé waarbij een zorgvuldige belangenafweging plaatsvindt. De aanleg van het tracé hangt onder meer samen met de ontwikkeling van Molenpolder. Op dit moment bevindt de gemeente zich nog in een zeer pril stadium van omgevingsrechtelijke besluitvorming ten aanzien van het te ontwikkelen tracé. Later dit jaar verwacht de gemeente een besluit te nemen over het tracé en de exacte loop

67

transparantie Bij vaststelling van het tracé moet duidelijk zijn welke gronden nodig zijn zodat ten aanzien van niet benodigde percelen het voorkeursrecht kan worden opgeheven. Transparantie is noodzakelijk.

daarvan. Feit is in elk geval dat het perceel van Indiener 20 gelegen is in het gebied, waar het toekomstige wegtracé voor de westelijke ontsluitingsroute komt te liggen. Er is nu nog (slechts) sprake van een vervroegd voorkeursrecht in de zin van artikel 9.1 eerste lid, aanhef en onder c Omgevingswet; de gronden zijn nog niet ten behoeve van de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, opgenomen in een gemeentelijke omgevingsvisie, programma dan wel omgevingsplan. Er hoeft voor een vervroegd voorkeursrecht slechts een globaal beeld te bestaan van de toekomstige functie. Niet voor elk perceel dat betrokken is in de aanwijzing hoeft thans al duidelijk te zijn of het kan worden ingepast. Vgl. r.o. 2.5 van de uitspraak van de Afdeling van 23 november 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA5057, over de uitleg van het soortgelijke artikel 8 van de Wvg dat aan het huidige artikel 9.1 lid 1 aanhef en onder c Omgevingswet vooraf is gegaan.

De reden dat ook het perceel van indiener 20 is betrokken in de voorkeursrechtbeschikking, is dat al vóór aanvang/vaststelling van de/het omgevingsplan(procedure) slagvaardig opgetreden kan worden om te voorkomen dat de verwezenlijking van de toegedachte functie wordt belemmerd, bijvoorbeeld doordat er een grondtransactie plaatsvindt die tot grondversnippering of tot prijsopdrijving leidt, wat de door de gemeente gewenste regie zou kunnen frustreren of de (financiële) uitvoerbaarheid van het plan onder druk zou kunnen zetten. Bij dit alles is het van groot belang om op te merken dat de precieze keuze voor het tracé in Numansdorp nog dient te worden gemaakt. De kennelijke veronderstelling van indiener dat het één van de drie verkende tracés wordt en dat het definitieve tracé exact dezelfde loop zal hebben als één van de drie tracés is onjuist. Mocht indiener 20 te zijner tijd op willen komen tegen het definitieve tracé/het besluit dat daarvoor de grondslag biedt, dan kan zij de daartegen openstaande rechtsbeschermingsmiddelen aanwenden.

68

Zienswijze 2 – Duidelijkheid benodigde gronden, opheffen voorkeursrecht, transparantie Zie hiervoor ook hetgeen onder zienswijze 1 is genoemd ten aanzien van het tracé en de exacte ligging daarvan. Mocht in een later stadium vaststaan dat het perceel niet benodigd is voor het definitief vastgestelde tracé dan zal het voorkeursrecht ingetrokken worden ten aanzien van het niet benodigde perceel. Voor wat betreft de juridisch planologische procedure ten aanzien van het tracé inclusief de exacte locatie daarvan en de transparantie daaromtrent zal ook op basis van wet- en regelgeving een verplichte participatieprocedure voor belanghebbenden gehouden worden. Conclusie

De zienswijze is ontvankelijk. Hetgeen is aangevoerd, geeft geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen. De zienswijze geeft derhalve geen aanleiding om het raadsvoorstel en het raadsbesluit voor de locatie Numansdorp aan te passen. 21.

Zienswijze 1 – tracé voorkeur Van de 3 opties is het tracé door perceel indiener 21 de meest logische, gezien er dan maar 1 particulier perceel betrokken is, het de minste overlast bezorgt en de Volgerlandse Weg een perfect uitgangspunt is om door te trekken. Gesprek Indiener 21 wenst een gesprek ter bespreking van de mogelijkheden. Met een goed voorstel en voldoende tijd, is indiener 21 bereid het perceel te verlaten en een nieuw huis te vinden.

Zienswijze 1 – tracé voorkeur Deze zienswijze gaat over een mogelijke tracékeuze met de nadruk op mogelijk, omdat op dit moment omtrent het definitieve tracé nog niets vaststaat. In zoverre is de zienswijze planologisch van aard. Zienswijzen van planologische aard horen thuis in het juridisch-planologische besluitvormingstraject omtrent (de keuze van) het tracé, en dienen volgens vaste rechtspraak, (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van State met kenmerk ECLI:NL:RVS:2009:BH4666), bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een voorkeursrechtbeschikking buiten beschouwing te worden gelaten. Daarbij wordt nog opgemerkt dat, zoals in het raadsvoorstel ook duidelijk is aangegeven, de uiteindelijke tracékeuze nog onderwerp is van nadere besluitvorming, zodat op dit moment nog geen zekerheid bestaat over de vraag, waar het uiteindelijke tracé komt te lopen.

69

Maar uit de zienswijze volgt dat indiener 21 zich op voorhand ermee kan verenigen, indien het definitieve wegtracé over zijn perceel zou komen te lopen. In die zin behelst de zienswijze geen bezwaar tegen het voorgenomen besluit van de raad om op het perceel van indiener 21 een voorkeursrecht te vestigen. De kern van de zienswijze is dan ook van geheel andere aard: indiener 21 wil graag met de gemeente in gesprek komen om in overleg de mogelijkheden van een eventuele verkoop van het perceel te bespreken. De gemeente is in beginsel bereid aan het verzoek om een gesprek gehoor te geven. Volledigheidshalve wordt daarbij opgemerkt dat de zienswijze nog geen formele uitnodiging is aan de gemeente om met indiener 21 over mogelijke aankoop door de gemeente in onderhandeling te treden, zoals bedoeld in 9.12 van de Omgevingswet. Zo nodig kan dit worden toegelicht door de gemeente in een gesprek. De zienswijze richt zich overigens in geen enkel opzicht tegen de rechtmatigheid van de onderhavige voorkeursrechtbeschikking en geeft om die reden geen aanleiding om het voorgenomen besluit in heroverweging te nemen. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. Hetgeen is aangevoerd, geeft geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen. De zienswijze geeft derhalve geen aanleiding om het raadsvoorstel en het raadsbesluit voor de locatie Numansdorp aan te passen.

70

[1]

ABRvS 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2445.

71

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15290149/2