Nota van Beantwoording zienswijzen 2
Tekst van het document
Nota van beantwoording zienswijzen, welke zijn gericht tegen de voorgenomen bestendiging van de vestiging van het voorkeursrecht in verband met de tracéstudie naar de westelijke ontsluitingsroute ten behoeve van de ontwikkeling Molenpolder te Numansdorp.
Behorend bij raadsbesluit tot vestiging van het voorkeursrecht d.d. 15 april 2025
Pagina 1 van 71
Zaaknummer Z/24/275417
2
Inleiding Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Hoeksche Waard heeft op 21 januari 2025 besloten om op basis van artikel 9.1, tweede lid Omgevingswet een voorlopig voorkeursrecht te vestigen op gronden op de locatie Numansdorp. Deze gronden zijn gelegen in het zoekgebied voor het nog vast te stellen tracé van de westelijke ontsluitingsroute Numansdorp. De betreffende gronden zijn aangegeven op de bij het collegebesluit behorende grondtekening en perceelslijst. De voorlopige voorkeursrechtbeschikking is op 23 januari 2025 ingeschreven in de openbare registers en ingegaan op het tijdstip van inschrijving. Door de vestiging van het voorkeursrecht moet een eigenaar (en beperkt gerechtigde) bij een voorgenomen verkoop de onroerende zaak eerst aan de gemeente aanbieden. De gemeente beoogt hiermee haar regierol te behouden, om ervoor te zorgen dat de beoogde ontwikkeling zoveel mogelijk tijdig en op de door de gemeente voorgestane wijze zal worden gerealiseerd. De vestiging van een gemeentelijk voorkeursrecht strekt er in de eerste plaats toe de gemeente een voorrangspositie op de lokale grondmarkt te verschaffen. Het voorkeursrecht betekent niets meer en niets minder dan dat de eigenaar, indien hij het voornemen heeft opgevat om zijn gronden – waarop een voorkeursrecht is gevestigd – te vervreemden (verkopen), dit eerst aan de gemeente te koop moet aanbieden.
Die aanbiedingsplicht vloeit voort uit het vervreemdingsvoornemen van de eigenaar zelf; het voorkeursrecht verplicht hem niet tot verkoop. De vestiging van een voorkeursrecht stelt de betrokken overheid in staat om de regie te behouden over de beoogde gebiedsontwikkeling. Ook gaat de vestiging van een voorkeursrecht, die gewoonlijk in een vroeg stadium van planologische besluitvorming plaatsvindt, prijsopdrijving en grondspeculatie tegen. De vestiging van het gemeentelijk voorkeursrecht is een discretionaire bevoegdheid van de gemeente. Een discretionaire bevoegdheid is een bevoegdheid waarbij het bestuursorgaan beleidsruimte heeft om daarvan al dan niet gebruik te maken, waarbij het bestuursorgaan moet afwegen of gebruikmaking van die bevoegdheid voor de betrokkenen geen gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat met de toepassing van die bevoegdheid wordt gediend. De wetgever heeft bij de totstandkoming van de wet het met de vestiging van een voorkeursrecht te dienen algemene belang afgewogen tegen het (individuele) (financiële) belang van de betrokken grondeigenaar, zodat dit laatste niet meer afzonderlijk in de afweging hoeft te worden betrokken. De verdere belangenafweging dient uiteraard wel plaats te vinden, maar dat heeft de gemeente, zo blijkt uit het raadsvoorstel, gedaan.
Zienswijzen op het raadsvoorstel Het besluit van het college om een voorlopig voorkeursrecht te vestigen met een looptijd van drie maanden, zorgt voor een zogenaamde voorbescherming. Daarom wordt aan de gemeenteraad voorgesteld om binnen drie maanden het voorkeursrecht te vestigen en daarmee het door het college gevestigde voorkeursrecht te bestendigen. Bij het collegebesluit hoort een ontwerp-raadsbesluit en ontwerpraadsvoorstel, waarin de raad wordt voorgesteld om het voorkeursrecht te vestigen. Belanghebbenden (lees: de eigenaren van en de
3
beperkt gerechtigden op de in het collegebesluit betrokken gronden) zijn in de gelegenheid gesteld om gedurende vier weken zienswijzen (schriftelijk of mondeling) over het ontwerp-raadsbesluit naar voren te brengen. De termijn is ingegaan op 23 januari 2025 en eindigde op 19 februari 2025 om 24:00 uur. Tegen het ontwerp-raadsbesluit zijn in totaal 21 Zienswijzen door de gemeente ontvangen. De ingediende 21 Zienswijzen worden in deze Nota nader uiteengezet en daarbij wordt per zienswijze aangegeven of de zienswijze, die vooraf zijn getoetst of deze ontvankelijk zijn, dienen te leiden tot een aanpassing van het ontwerp-raadsbesluit en zo nee, waarom dat niet het geval is. Beoordeling ontvankelijkheid Met betrekking tot de vraag of een zienswijze ontvankelijk is, dat wil zeggen of er geen belemmeringen zijn om de zienswijze inhoudelijk te behandelen, wordt het volgende onderzocht: a. Is indiener belanghebbend? Het recht om een zienswijze in te dienen is ingevolge artikel 4:8, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (‘Awb’) beperkt tot belanghebbenden. Op grond van artikel 1:2 Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. b.
In de context van het voorkeursrecht zijn uitsluitend als belanghebbenden aan te merken de eigenaren van en de eventuele beperkt gerechtigden (zoals genoemd in de Omgevingswet) tot de bij het vestigingsbesluit betrokken onroerende zaken. Dit heeft ermee te maken dat het rechtsgevolg van een vestigingsbesluit ingevolge de Omgevingswet is dat de vrije overdraagbaarheid van de desbetreffende onroerende zaak in de zin van artikel 3:83 BW wordt beperkt. Alleen de eigenaren en de beperkt gerechtigden (zoals genoemd in de Omgevingswet) worden door die beperking van de overdraagbaarheid direct in hun belangen geraakt. c. Is de zienswijze tijdig, binnen de termijn van vier weken, ingediend? In de individuele conclusie is steeds aangegeven of indiener(s) ontvankelijk zijn. Conclusie De beoordeling van alle Zienswijzen, individueel maar ook in onderlinge samenhang bezien, leiden niet tot een aanpassing van het ontwerp-raadsbesluit. Indieners van de zienswijzen Uit de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) volgt dat wij de persoonsgegevens in de stukken anonimiseren. Anonimiseren is ook niet nodig voor namen van bedrijven en organisaties die een zienswijze indienen. De onderstaande lijst correspondeert met de beantwoording van de ingediende zienswijzen.
4
Indiener Indiener 1 Indiener 2 Indiener 3 Indiener 4 Indiener 5 Indiener 6 Indiener 7 Indiener 8 Indiener 9 Indiener 10 Indiener 11 Indiener 12 Indiener 13 Indiener 14 Indiener 15 Indiener 16 Indiener 17 Indiener 18 Indiener 19 Indiener 20 Indiener 21
Datum brief 24 februari 2025 1 februari 2025 4 februari 2025 4 februari 2025 2 februari 2025 8 februari 2025 6 februari 2025 9 februari 2025 11 februari 2025 15 februari 2025 15 februari 2025 19 februari 2025 18 februari 2025 17 februari 2025 17 februari 2025 17 februari 2025 19 februari 2025 17 februari 2025 17 februari 2025 19 februari 2025
Datum ontvangst 28 januari 2025 3 februari 2025 5 februari 2025 4 februari 2025 5 februari 2025 13 februari 2025 7 februari 2025 10 februari 2025 12 februari 2025 13 februari 2025 17 februari 2025 17 februari 2025 20 februari 2025 19 februari 2025 18 februari 2025 18 februari 2025 18 februari 2025 19 februari 2025 18 februari 2025 17 februari 2025 19 februari 2025
Registratienummer Z/25/282559 Z/25/284198 Z/25/284760 Z/25/284550 Z/25/284730 Z/25/284714 Z/25/285361 Z/25/285794 Z/25/286321 Z/25/286725 Z/25/287562 Z/25/287557 Z/25/288817 Z/25/288389 Z/25/287690 Z/25/287677 Z/25/287673 Z/25/288611 Z/25/287736 Z/25/287661 Z/25/289161
5
Indiene
Inhoud zienswijze
Beantwoording zienswijze
Indiener 1 stelt dat hij meent dat hij maximaal 10 jaar zijn huis niet meer openbaar kan verkopen maar moet gaan aanbieden bij de gemeente. Over deze weg is volgens Indiener 1, jaren geleden al een heftige discussie ontstaan en zijn er toen ook voorkeuren uitgesproken door de bewoners.
Indiener 1 heeft aangevoerd dat maximaal 10 jaar de woning niet meer openbaar verkocht kan worden, maar moet worden aangeboden aan de gemeente.
r 1
Er is toen voorkeur uitgesproken over tracé 1 zoals in de bijlage staat aangegeven. Dit gezien de minste impact heeft op de leefomgeving, het houden van het open landschap, de goedkoopste oplossing etc. Waarom er nu voor de andere varianten gekozen is, is voor Indiener 1 onbegrijpelijk.
Het voorkeursrecht houdt geen aanbiedingsverplichting in, in het algemeen, maar is enkel aan de orde in het geval eigenaar op eigen initiatief over wenst te gaan tot verkoop. Slecht in dat geval is eigenaar in beginsel verplicht eerst aan de gemeente aan te bieden. Dit aspect betreft nu juist de door de wetgever – ingecalculeerde – consequentie van een voorkeursrechtvestiging. Voor wat betreft verkoop wordt voor het overige verwezen naar hetgeen is opgenomen onder het kopje algemeen. De ingebrachte zienswijze is voor het overige planologisch van aard. Dergelijke standpunten kunnen te zijner tijd naar voren worden gebracht in het kader van de ruimtelijke besluitvorming, maar hebben voor het te nemen raadsbesluit in het kader van het voorkeursrecht geen relevantie. De voorgestelde vestiging door de raad is – zoals aangegeven – een ‘vervroegd’ voorkeursrecht, vooruitlopend op planologisch besluitvorming, en geeft de mogelijkheid om in een pril stadium van planvorming een gebied onder de reikwijdte van het gemeentelijk voorkeursrecht te brengen. Het voorkeursrecht wordt gevestigd voor een (nog nader uit te werken) ontsluitingsweg op een nader te bepalen locatie met bijbehorende voorzieningen.
Na de vestiging van het voorkeursrecht door de raad zal de gemeente als eerstvolgende stap in de planvorming de functies waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, toedenken in een omgevingsvisie of
6
programma dan wel toedelen in het omgevingsplan. Tijdens het proces van (verdere) omgevingsrechtelijke besluitvorming zal bekend worden hoe en in welke mate de gronden van eigenaar waarop het voorkeursrecht is gevestigd in deze planvorming worden betrokken. Indien en voor zover het bij nader inzien geen voorkeur heeft op de aangewezen gronden (van eigenaar) een ontsluitingsweg, dan wel bijbehorende voorziening, te realiseren, zal het voorkeursrecht voor wat betreft die gronden worden ingetrokken. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. In de zienswijze worden geen gronden aangevoerd die raken aan de rechtmatigheid van het voorgenomen vestigingsbesluit. Hetgeen voor het overige is aangevoerd, geeft geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen. De zienswijze geeft derhalve geen aanleiding om het raadsvoorstel en het raadsbesluit voor de locatie Numansdorp aan te passen. 2
Zienswijze 1 - motiveringsbeginsel Het college geeft in de brief van 22 januari 2025 geen onderbouwing waarom het perceel onderdeel uitmaakt van een of meerdere varianten van het tracé. Het besluit is onvoldoende gemotiveerd. Zienswijze 2 – planologie, ontbreken noodzaak, algemeen belang Het perceel ligt zover verwijderd van het dichtstbijzijnde tracé dat zonder nadere onderbouwing niet voorstelbaar is dat het perceel nodig zou zijn voor de aanleg van de weg over tracé 3, noch voor tracé 1 of 2. Het is niet duidelijk wat de functie van ons perceel is
Zienswijze 1, 2, 4 – motiveringsbeginsel, planologie, ontbreken noodzaak, algemeen belang, misbruik van recht Binnen Numansdorp bestaat de noodzaak van de aanleg van een (nieuwe) westelijke ontsluitingsroute. De gemeente onderzoekt momenteel welke locatie binnen Numansdorp het meest geschikt is voor het te ontwikkelen tracé waarbij (net als bij de vestiging van het voorkeursrecht) een zorgvuldige belangenafweging plaatsvindt. De aanleg van het tracé hangt onder meer samen met de ontwikkeling van Molenpolder. Op dit moment verkeert de gemeente nog in een zeer pril stadium van omgevingsrechtelijke besluitvorming ten aanzien van het te ontwikkelen tracé. Later dit jaar verwacht de gemeente een besluit te nemen over het tracé en de exacte loop daarvan. Er is nu nog (slechts) sprake van een vervroegd voorkeursrecht in de zin van artikel 9.1 eerste lid, aanhef en onder c Omgevingswet; de gronden zijn nog niet ten behoeve van de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd,
7
bij de aanleg van de nieuwe weg. Zonder nadere duiding van het doel en de noodzaak van het vestigen van het voorkeursrecht op ons perceel is er geen onderbouwing van het algemeen belang waarvan het college stelt dat met het vestigen van voorkeursrecht is gediend en daarmee is het besluit onrechtmatig. Zienswijze 3 – buiten proportioneel, onrechtmatig, nadeelcompensatie Uit de toelichting bij de wet blijkt dat de in de wet opgenomen mogelijkheid tot het vestigen van een voorkeursrecht bedoeld is om grondspeculatie tegen te gaan en de gemeenten beter in staat te stellen om hun woningbouwlocaties te realiseren. Hier wordt het instrument van het voorkeursrecht echter gebruikt om een ontsluitingsweg naar een bestaande wijk, de Molenpolder, aan te leggen. Er is geen enkele aanleiding te veronderstellen dat de aanleg van een ontsluitingsweg naar de wijk zal leiden tot grondspeculatie. In tegendeel, het is eerder te verwachten dat door de nabijheid van een ontsluitingsweg het perceel in waarde zal dalen. De gemeente dient dan ook bij de keuze voor tracé 3 rekening te houden met een verzoek om nadeelcompensatie. Het vestigen van het voorkeursrecht op het perceel is door het ontbreken van een redelijk belang buitenproportioneel en dus
opgenomen in een gemeentelijke omgevingsvisie, programma dan wel omgevingsplan. Er hoeft voor een vervroegd voorkeursrecht slechts een globaal beeld te bestaan van de toekomstige functie. Niet voor elk perceel dat betrokken is in de aanwijzing hoeft duidelijk te zijn of het kan worden ingepast. Vgl. r.o. 2.5 van de uitspraak van de Afdeling van 23 november 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA5057, over de uitleg van het soortgelijke artikel 8 van de Wvg dat aan het huidige artikel 9.1 lid 1 aanhef en onder c Omgevingswet vooraf is gegaan. De reden dat ook het perceel van Indiener 2 is betrokken in de voorkeursrechtbeschikking, is dat al voor aanvang/vaststelling van de/het omgevingsplan(procedure) slagvaardig opgetreden kan worden om te voorkomen dat de verwezenlijking van de toegedachte functie wordt belemmerd, bijvoorbeeld doordat prijsopdrijvende transacties plaatsvinden (ten aanzien van het perceel van Indiener 2 die de (financiële) uitvoerbaarheid van het plan onder druk zetten. De precieze keuze voor de plek van het tracé in Numansdorp dient nog te worden gemaakt. De kennelijke veronderstelling van Indiener 2 dat het één van de drie tracé’s wordt en dat het definitieve tracé exact dezelfde loop zal hebben als één van de drie tracé’s is onjuist en misplaatst.
Mocht Indiener 2 te zijner tijd op willen komen tegen het definitieve tracé/het besluit dat daarvoor de grondslag biedt, dan kunnen zij de daartegen openstaande rechtsbeschermingsmiddelen aanwenden. Mocht in een later stadium vaststaan dat de gronden van Indiener 2 niet benodigd zijn voor het definitief vastgestelde tracé dan zal het voorkeursrecht ingetrokken worden ten aanzien van de niet benodigde percelen. De gronden zijn op grond van het vigerende omgevingsplan thans hoofdzakelijk aangewezen voor agrarische doeleinden en deels voor wonen en ook dienovereenkomstig in gebruik. Vrije vervreemding van
8
onrechtmatig. Zienswijze 4 – misbruik van recht Het voorkeursrecht is bedoeld om gemeentelijke verwerving mogelijk te maken. Dat veronderstelt volgens indieners dat de gemeente de intentie heeft om het perceel concreet te verwerven, anders zou het voorkeursrecht niet nodig zijn. Indieners kunnen zich niet voorstellen dat de gemeente c.q. de aannemer het perceel nodig heeft bij de aanleg van de weg (indien tracé 3 zou worden gekozen). Er zou sprake zijn van misbruik van recht, nu het voorkeursrecht niet wordt gebruikt voor het doel waarvoor het door de wetgever in het leven is geroepen. Zienswijze 5 – motivatie – planologie Nu het voorkeursrecht tot doel heeft grondspeculatie tegen te gaan om de gemeente beter in staat te stellen haar woningbouwlocaties te realiseren, roept dat de vraag op of de gemeente voornemens is om op het perceel nieuwbouw te realiseren? Als dat het geval zou zijn, is het besluit onvoldoende gemotiveerd, omdat dit niet als motivering wordt gebruikt voor het genomen besluit. Immers, in het besluit wordt slechts een verband gelegd met de aan te leggen ontsluitingsweg en niet met een nieuwbouwlocatie.
deze gronden zou de realisatie van de toegedachte functie(s) kunnen frustreren. De bevoegdheid om het voorkeursrecht te vestigen is een zogenoemde discretionaire bevoegdheid die terughoudend wordt getoetst. Weliswaar is vestiging van het voorkeursrecht een belastend besluit dat inbreuk maakt op het eigendomsrecht, maar daar staat tegenover dat de raad bij vestiging van het voorkeursrecht beleidsvrijheid toekomt, terwijl het gewicht van de met het besluit te dienen doelen en te dienen algemene belangen aanzienlijk is. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling heeft de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg het algemene belang dat wordt gediend met het vestigen van een voorkeursrecht afgewogen tegen het individuele belang van de grondeigenaren. De rechtspraak van de Afdeling over het evenredigheidsbeginsel geeft geen aanleiding voor een ander uitgangspunt. De wetgever heeft de nadelige effecten van het vestigen van het voorkeursrecht nadrukkelijk onder ogen gezien. De plannen voor het gebied worden op dit moment uitgewerkt, wat kan betekenen dat omvang en invulling van de beoogde ontwikkeling nog kunnen wijzigen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is dat inherent aan vestiging van het voorkeursrecht op grond van artikel 5 van de Wvg (nu artikel 9.1 lid 1 aanhef en onder c van de Omgevingswet).
Vorenstaande blijkt uit de jurisprudentie, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2445) Zienswijze 3 - buiten proportioneel, onrechtmatig Zoals hierboven reeds opgenomen onderzoekt de gemeente op dit moment welke locatie binnen Numansdorp het meest geschikt is voor het tracé. Bij dat onderzoek vindt uiteraard een behoorlijke belangenafweging plaats. De aanleg van het tracé hangt samen met/houdt sterk verband met de ontwikkeling van Molenpolder. Vestiging van het voorkeursrecht is onder meer nodig voor het behouden van regie
9
Zienswijze 6 – planologie Zienswijze 6 richt zich tegen het voorgenomen tracé 3. Dat tracé is het dichtstbij het perceel van indieners gelegen en daarmee het enige tracé dat de aanleiding zou kunnen zijn om een voorkeursrecht op hun perceel te leggen. Echter dat tracé is uit verkeerskundig oogpunt uiterst onwaarschijnlijk. Immers, het kruist de dijk vlak voor of na (afhankelijk van welke kant men aankomt) een bocht in de dijk. Dat is weliswaar op zichzelf geen argument tegen het voorkeursrecht maar tegen het tracébesluit, maar door de onwaarschijnlijkheid van de keuze voor dit tracé uit verkeerskundig oogpunt, had dit tracé geen onderdeel uit mogen maken van de plannen. In dat geval zou er ook geen voorkeursrecht op ons perceel nodig zijn geweest, voor zover die noodzaak al kan worden aangetoond. Het lijkt ons uiterst ongelukkig en onwaarschijnlijk om een kruispunt aan te leggen achter c.q. voor een onoverzichtelijke bocht in een dijk.
op het gebied Numansdorp zoals ook nader is uiteengezet in het raadsvoorstel. Uit de jurisprudentie volgt dat de uiteindelijke bestemming c.q. functie bij een vervroegde vestiging (waarvan in onderhavige casus sprake is) nog niet op perceel niveau hoeft vast te staan, omdat dit een kwestie is van nadere besluitvorming (die naar waarschijnlijkheid in de loop van dit jaar plaatsvindt). Daaraan is dus inherent dat er in dit stadium nog slechts een globaal beeld bestaat over de uiteindelijke functie van een bepaald perceel.
Verzoek: 1. Het collegevoorstel tot vestiging van het voorkeursrecht niet vast te stellen en terug te sturen naar het college met het verzoek het voorstel zodanig aan te passen dat het voorkeursrecht niet wordt gevestigd op het perceel van Indiener 2 ; dan wel 2. Het collegevoorstel zodanig te amenderen
Zienswijze 6 – vanuit verkeerskundig oogpunt had tracé 3 geen onderdeel uit mogen maken van plannen Deze zienswijze is planologisch van aard en hoort hier in beginsel niet thuis. Zie ook hetgeen hierboven is uiteengezet.
Mocht Indiener 2 zich (in een later stadium) op het standpunt stellen dat hij in aanmerking komt voor nadeelcompensatie staat het hem vrij een claim in te dienen. Zienswijze 5 – nieuwbouw op perceel Indiener 2? De gemeente is op basis van de huidige inzichten voornemens Molenpolder te (her)ontwikkelen. Met die ontwikkeling hangt de komst van een nieuwe westelijke ontsluitingsroute in Numansdorp nauw samen (het perceel van Indiener 2 valt binnen de locatie Numansdorp alwaar mogelijk de westelijke ontsluitingsroute komt te liggen). Zie voor nadere motivering/uitleg ook het raadsvoorstel. De meest geschikte locatie van het nieuwe tracé wordt op dit moment uitvoerig onderzocht. Later dit jaar wordt duidelijk waar het tracé exact komt te liggen. Voor alsnog lijkt nieuwbouw op het perceel van Indiener 2 niet aan de orde.
Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. In de zienswijze worden geen gronden aangevoerd die raken aan de rechtmatigheid van het voorgenomen
10
dat het voorkeursrecht niet wordt gevestigd op perceel van Indiener 2 .
3
Tracé 3 betekent dat in dat geval de loods op mijn perceel verwijderd zou moeten worden en deze wil ik graag houden.
vestigingsbesluit. Hetgeen voor het overige is aangevoerd, geeft geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen. De zienswijze geeft derhalve geen aanleiding om het raadsvoorstel en het raadsbesluit voor de locatie Numansdorp aan te passen. Zienswijze – tracé 3 Deze zienswijze richt zich tegen een mogelijke tracékeuze en is daarmee planologisch van aard. Zienswijzen van planologische aard horen thuis in het juridisch-planologische besluitvormingstraject omtrent (de keuze van) het tracé, en dienen volgens vaste rechtspraak, (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van State met kenmerk ECLI:NL:RVS:2009:BH4666), bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een voorkeursrechtbeschikking buiten beschouwing te worden gelaten. Daarbij wordt nog opgemerkt dat, zoals in het raadsvoorstel ook duidelijk is aangegeven, de uiteindelijke tracékeuze nog onderwerp is van nadere besluitvorming, zodat op dit moment nog geen zekerheid bestaat over de vraag, waar het uiteindelijke tracé komt te lopen. De zienswijze richt zich overigens in geen enkel opzicht tegen de rechtmatigheid van de onderhavige voorkeursrechtbeschikking en is om die reden ongegrond. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. In de zienswijze worden geen gronden aangevoerd die raken aan de rechtmatigheid van het voorgenomen vestigingsbesluit.
Hetgeen is aangevoerd, geeft geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen. De zienswijze geeft derhalve geen aanleiding om het raadsvoorstel en het raadsbesluit voor de locatie Numansdorp aan te passen.
4
Zienwijze - planologie Het perceel heeft niets met het traject te maken. Indiener wenst dat het voorkeursrecht
Binnen Numansdorp bestaat de noodzaak van de aanleg van een (nieuwe) westelijke ontsluitingsroute. De gemeente onderzoekt momenteel welke locatie binnen Numansdorp het meest geschikt is voor
11
verwijderd wordt van het perceel.
het te ontwikkelen tracé waarbij (net als bij de vestiging van het voorkeursrecht) een zorgvuldige belangenafweging plaatsvindt. De aanleg van het tracé hangt onder meer samen met de ontwikkeling van Molenpolder. Op dit moment verkeert de gemeente nog in een zeer pril stadium van omgevingsrechtelijke besluitvorming ten aanzien van het te ontwikkelen tracé. Later dit jaar verwacht de gemeente een besluit te nemen over het tracé en de exacte loop daarvan. Er is nu nog (slechts) sprake van een vervroegd voorkeursrecht in de zin van artikel 9.1 eerste lid, aanhef en onder c Omgevingswet; de gronden zijn nog niet ten behoeve van de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, opgenomen in een gemeentelijke omgevingsvisie, programma dan wel omgevingsplan. Er hoeft voor een vervroegd voorkeursrecht slechts een globaal beeld te bestaan van de toekomstige functie. Niet voor elk perceel dat betrokken is in de aanwijzing hoeft duidelijk te zijn of het kan worden ingepast. Vgl. r.o. 2.5 van de uitspraak van de Afdeling van 23 november 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA5057, over de uitleg van het soortgelijke artikel 8 van de Wvg dat aan het huidige artikel 9.1 lid 1 aanhef en onder c Omgevingswet vooraf is gegaan.
De reden dat ook dit perceel is betrokken in de voorkeursrechtbeschikking, is dat al voor aanvang/vaststelling van de/het omgevingsplan(procedure) slagvaardig opgetreden kan worden om te voorkomen dat de verwezenlijking van de toegedachte functie wordt belemmerd, bijvoorbeeld doordat er een grondtransactie plaatsvindt die tot grondversnippering of tot prijsopdrijving leidt, wat de door de gemeente gewenste regie zou kunnen frustreren of de (financiële) uitvoerbaarheid van het plan onder druk zou kunnen zetten. Bij dit alles is het van groot belang om op te merken dat de precieze keuze voor het tracé in Numansdorp nog dient te worden gemaakt. De kennelijke veronderstelling dat het één van de drie tracés wordt en dat het definitieve tracé exact dezelfde loop zal hebben als één van de
12
drie tracés is onjuist. Mocht Indiener 4 te zijner tijd op willen komen tegen het definitieve tracé/het besluit dat daarvoor de grondslag biedt, dan kan hij de daartegen openstaande rechtsbeschermingsmiddelen aanwenden. Mocht in een later stadium vaststaan dat het perceel niet benodigd is voor het definitief vastgestelde tracé dan zal het voorkeursrecht ingetrokken worden ten aanzien van het niet benodigde perceel. In de zienswijze wordt de aanname gedaan dat het perceel niets van doen heeft met een mogelijke tracékeuze. Zoals in het raadsvoorstel ook duidelijk is aangegeven, is de uiteindelijke tracékeuze nog onderwerp van nadere besluitvorming, zodat op dit moment nog geen zekerheid bestaat over de vraag, waar het uiteindelijke tracé komt te lopen. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. Hetgeen is aangevoerd, geeft geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen. De zienswijze geeft derhalve geen aanleiding om het raadsvoorstel en het raadsbesluit voor de locatie Numansdorp aan te passen. 5.
Zienswijze 1 - motiveringsbeginsel Het college geeft in de brief van 22 januari 2025 geen onderbouwing waarom de percelen onderdeel uitmaken van een of meerdere varianten van het tracé. Het besluit is onvoldoende gemotiveerd. Zienswijze 2 – planologie, ontbreken noodzaak, algemeen belang De percelen liggen zover verwijderd van het dichtstbijzijnde tracé dat zonder nadere
Zienswijze 1, 2, 4 – motiveringsbeginsel, planologie, ontbreken noodzaak, algemeen belang, misbruik van recht Binnen Numansdorp bestaat de noodzaak van de aanleg van een (nieuwe) westelijke ontsluitingsroute. De gemeente onderzoekt momenteel welke locatie binnen Numansdorp het meest geschikt is voor het te ontwikkelen tracé waarbij (net als bij de vestiging van het voorkeursrecht) een zorgvuldige belangenafweging plaatsvindt. De aanleg van het tracé hangt onder meer samen met de ontwikkeling van Molenpolder. Op dit moment verkeert de gemeente nog in een zeer pril stadium van omgevingsrechtelijke besluitvorming ten aanzien van het te ontwikkelen tracé. Later dit jaar verwacht de gemeente een besluit te
13
onderbouwing niet voorstelbaar is dat deze nodig zouden zou zijn voor de aanleg van de weg over tracé 3, noch voor tracé 1 of 2. Het is niet duidelijk wat de functie van de percelen is bij de aanleg van de nieuwe weg. Zonder nadere duiding van het doel en de noodzaak van het vestigen van het voorkeursrecht op de percelen is er geen onderbouwing van het algemeen belang waarvan het college stelt dat met het vestigen van voorkeursrecht is gediend en daarmee is het besluit onrechtmatig. Zienswijze 3 – buiten proportioneel, onrechtmatig, nadeelcompensatie Uit de toelichting bij de wet blijkt dat de in de wet opgenomen mogelijkheid tot het vestigen van een voorkeursrecht bedoeld is om grondspeculatie tegen te gaan en de gemeenten beter in staat te stellen om hun woningbouwlocaties te realiseren. Hier wordt het instrument van het voorkeursrecht echter gebruikt om een ontsluitingsweg naar een bestaande wijk, de Molenpolder, aan te leggen. Er is geen enkele aanleiding te veronderstellen dat de aanleg van een ontsluitingsweg naar de wijk zal leiden tot grondspeculatie. In tegendeel, het is eerder te verwachten dat door de nabijheid van een ontsluitingsweg de percelen in waarde zullen dalen. De gemeente dient dan ook bij de keuze voor tracé 3 rekening te houden met
nemen over het tracé en de exacte loop daarvan. Er is nu nog (slechts) sprake van een vervroegd voorkeursrecht in de zin van artikel 9.1 eerste lid, aanhef en onder c Omgevingswet. De gronden zijn nog niet ten behoeve van de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, opgenomen in een gemeentelijke omgevingsvisie, programma dan wel omgevingsplan. Voor een vervroegd voorkeursrecht is het slechts nodig dat er een globaal beeld is van de toekomstige functie. Niet voor elk perceel dat betrokken is in de aanwijzing hoeft duidelijk te zijn of het kan worden ingepast. (Vergelijk r.o. 2.5 van de uitspraak van de Afdeling van 23 november 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA5057, over de uitleg van het soortgelijke artikel 8 van de Wvg dat aan het huidige artikel 9.1 lid 1 aanhef en onder c Omgevingswet vooraf is gegaan.) De reden dat ook de percelen van indiener 5 zijn betrokken in de voorkeursrechtbeschikking, is dat al voor aanvang/vaststelling van de/het omgevingsplan(procedure) slagvaardig opgetreden kan worden om te voorkomen dat de verwezenlijking van de toegedachte functie wordt belemmerd Bijvoorbeeld doordat er een grondtransactie plaatsvindt die tot grondversnippering of tot prijsopdrijving leidt, wat de door de gemeente gewenste regie zou kunnen frustreren of de (financiële) uitvoerbaarheid van het plan onder druk zou kunnen zetten.
Bij dit alles is het van groot belang om op te merken dat de precieze keuze voor het tracé in Numansdorp nog dient te worden gemaakt. De kennelijke veronderstelling van de indiener 5 dat het één van de drie tracés wordt en dat het definitieve tracé exact dezelfde loop zal hebben als één van de drie tracés is onjuist. Dat geldt dus ook voor hun veronderstelling dat hun percelen te ver af liggen van het uiteindelijke tracé, simpelweg omdat daarover op dit moment nog niets met zekerheid kan worden gezegd. Mocht Indiener 5 te zijner tijd op willen komen tegen het definitieve
14
een verzoek om nadeelcompensatie. Het vestigen van het voorkeursrecht op de percelen is door het ontbreken van een redelijk belang buitenproportioneel en dus onrechtmatig. Zienswijze 4 – misbruik van recht Het voorkeursrecht is bedoeld om gemeentelijke verwerving mogelijk te maken. Dat veronderstelt volgens indieners dat de gemeente de intentie heeft om het perceel concreet te verwerven, anders zou het voorkeursrecht niet nodig zijn. Indieners kunnen zich niet voorstellen dat de gemeente c.q. de aannemer de percelen nodig heeft bij de aanleg van de weg (indien tracé 3 zou worden gekozen). Er zou sprake zijn van misbruik van recht, nu het voorkeursrecht niet wordt gebruikt voor het doel waarvoor het door de wetgever in het leven is geroepen. Zienswijze 5 – motivatie – planologie Nu het voorkeursrecht tot doel heeft grondspeculatie tegen te gaan om de gemeente beter in staat te stellen haar woningbouwlocaties te realiseren, roept dat de vraag op of de gemeente voornemens is om op het perceel nieuwbouw te realiseren? Als dat het geval zou zijn, is het besluit onvoldoende gemotiveerd, omdat dit niet als motivering wordt gebruikt voor het genomen besluit. Immers, in het besluit wordt slechts
tracé/het besluit dat daarvoor de grondslag biedt, dan kunnen zij de daartegen openstaande rechtsbeschermingsmiddelen aanwenden. Mocht in een later stadium vaststaan dat de gronden van Indiener 5 niet benodigd zijn voor het definitief vastgestelde tracé dan zal het voorkeursrecht ingetrokken worden ten aanzien van de niet benodigde percelen. Specifiek ten aanzien van zienswijze 4 wordt opgemerkt dat indiener ten onrechte meent dat de gemeente zich schuldig zou maken aan misbruik van recht door het voorkeursrecht te leggen op hun percelen, terwijl die percelen niet nodig zijn voor het tracé. Zoals hiervóór uiteengezet, vallen de percelen van Indiener 5 in het plangebied waar de nieuwe ontsluitingsweg zal worden aangelegd, waarvan het tracé nu nog niet bekend is. Als tijdens het juridisch-planologische besluitvormingstraject betreffende het tracé komt vast te staan dat de gronden van Indiener 5 niet nodig zijn ten behoeve van de aanleg van de weg, zal het voorkeursrecht ten aanzien van hun gronden worden ingetrokken. De gronden zijn op grond van het geldende omgevingsplan thans hoofdzakelijk aangewezen voor agrarische doeleinden en deels voor wonen en ook dienovereenkomstig in gebruik. Vrije vervreemding van deze gronden zou de realisatie van de toegedachte functie(s) kunnen frustreren.
De bevoegdheid om het voorkeursrecht te vestigen is een zogenoemde discretionaire bevoegdheid die terughoudend wordt getoetst. Weliswaar is vestiging van het voorkeursrecht een belastend besluit dat inbreuk maakt op het eigendomsrecht, maar daar staat tegenover dat de raad bij vestiging van het voorkeursrecht beleidsvrijheid toekomt, terwijl het gewicht van de met het besluit te dienen doelen en te dienen algemene belangen aanzienlijk is. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling heeft de wetgever bij de
15
een verband gelegd met de aan te leggen ontsluitingsweg en niet met een nieuwbouwlocatie. Zienswijze 6 – planologie Zienswijze 6 richt zich tegen het voorgenomen tracé 3. Dat tracé is het dichtstbij de percelen van indieners gelegen en daarmee het enige tracé dat de aanleiding zou kunnen zijn om een voorkeursrecht op hun percelen te leggen. Echter dat tracé is uit verkeerskundig oogpunt uiterst onwaarschijnlijk. Immers, het kruist de dijk vlak voor of na (afhankelijk van welke kant men aankomt) een bocht in de dijk. Dat is weliswaar op zichzelf geen argument tegen het voorkeursrecht maar tegen het tracébesluit, maar door de onwaarschijnlijkheid van de keuze voor dit tracé uit verkeerskundig oogpunt, had dit tracé geen onderdeel uit mogen maken van de plannen. In dat geval zou er ook geen voorkeursrecht op de percelen nodig zijn geweest, voor zover die noodzaak al kan worden aangetoond. Het lijkt ons uiterst ongelukkig en onwaarschijnlijk om een kruispunt aan te leggen achter c.q. voor een onoverzichtelijke bocht in een dijk. Verzoek: 1. Het collegevoorstel tot vestiging van het voorkeursrecht niet vast te stellen en terug
totstandkoming van de Wvg het algemene belang dat wordt gediend met het vestigen van een voorkeursrecht afgewogen tegen het individuele belang van de grondeigenaren. De rechtspraak van de Afdeling over het evenredigheidsbeginsel geeft geen aanleiding voor een ander uitgangspunt. De wetgever heeft de nadelige effecten van het vestigen van het voorkeursrecht nadrukkelijk onder ogen gezien. De plannen voor het gebied worden op dit moment uitgewerkt, wat kan betekenen dat omvang en invulling van de beoogde ontwikkeling nog kunnen wijzigen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is dat inherent aan vestiging van het voorkeursrecht op grond van artikel 5 van de Wvg (nu artikel 9.1 lid 1 aanhef en onder c van de Omgevingswet). Vorenstaande blijkt uit de jurisprudentie, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2445). Uit de parlementaire geschiedenis van de Omgevingswet volgt dat de wetgever geen inhoudelijke wijzigingen in de voorkeursrechtregeling ten opzichte van de Wvg heeft willen aanbrengen. De doelstellingen van de voorkeursrechtregeling in de Omgevingswet zijn inhoudelijk dezelfde als die onder de Wvg. Aangenomen mag dan ook worden dat zowel de bedoelingen c.q. afwegingen van de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg als de nadien gevormde vaste rechtspraak onder de Omgevingswet onverkort hun gelding hebben behouden.
Zienswijze 3 - buiten proportioneel, onrechtmatig In de zienswijze wordt uitvoerig geciteerd uit een passage in de memorie van toelichting op de Wvg, waarin de noodzaak dan wel wenselijkheid van de vestiging van een voorkeursrecht ten behoeve van het tijdig realiseren van toekomstige woningbouwlocaties aan de orde is. Aan dit citaat lijken de indieners van de zienswijze de conclusie te willen verbinden dat een voorkeursrecht niet kan worden ingezet ten behoeve van iets anders dan een woonfunctie. Deze veronderstelling is echter onjuist. Bij een voorkeursrechtvestiging moet voldaan worden aan de vereisten dat de vestiging plaatsvindt ten behoeve van een niet-
16
te sturen naar het college met het verzoek het voorstel zodanig aan te passen dat het voorkeursrecht niet wordt gevestigd op de percelen van Indiener 5; dan wel 2. Het collegevoorstel zodanig te amenderen dat het voorkeursrecht niet wordt gevestigd op de percelen van Indiener 5
agrarische functie, en dat het feitelijke gebruik afwijkt van die functie. Een infrastructurele functie, zoals in dit geval aan de orde, is een voorbeeld van een niet-agrarische functie. Zoals hierboven reeds opgenomen onderzoekt de gemeente op dit moment welke locatie binnen Numansdorp het meest geschikt is voor het tracé. Bij dat onderzoek vindt uiteraard een behoorlijke belangenafweging plaats. De aanleg van het tracé hangt samen met/houdt sterk verband met de ontwikkeling van Molenpolder. Vestiging van het voorkeursrecht is onder meer nodig voor het behouden van regie op het gebied Numansdorp zoals ook nader is uiteengezet in het raadsvoorstel. Uit de jurisprudentie volgt dat de uiteindelijke bestemming c.q. functie bij een vervroegde vestiging (waarvan in onderhavige casus sprake is) nog niet op perceel niveau hoeft vast te staan, omdat dit een kwestie is van nadere besluitvorming (die naar waarschijnlijkheid in de loop van dit jaar plaatsvindt). Daaraan is dus inherent dat er in dit stadium nog slechts een globaal beeld bestaat over de uiteindelijke functie van een bepaald perceel. Mocht Indiener 5 zich (in een later stadium) op het standpunt stellen dat zij in aanmerking komen voor nadeelcompensatie staat het hen vrij een claim in te dienen.
Zienswijze 5 – nieuwbouw op perceel van Indiener 5? Ook uit deze zienswijze kan worden afgeleid dat de indieners veronderstellen dat een voorkeursrecht alleen kan worden ingezet ten behoeve van toekomstige woningbouwprojecten. Hiervóór is bij de beantwoording van zienswijze 4 reeds uiteengezet dat die veronderstelling op een misvatting berust. De gemeente is op basis van de huidige inzichten voornemens Molenpolder te (her)ontwikkelen. Met die ontwikkeling hangt de komst
17
van een nieuwe westelijke ontsluitingsroute in Numansdorp nauw samen (de percelen van Indiener 5 vallen binnen de locatie Numansdorp alwaar mogelijk de westelijke ontsluitingsroute komt te liggen). Zie voor nadere motivering/uitleg ook het raadsvoorstel. De meest geschikte locatie van het nieuwe tracé wordt op dit moment uitvoerig onderzocht. Later dit jaar wordt duidelijk waar het tracé exact komt te liggen. De vestiging van het voorkeursrecht heeft niets met woningbouw te maken. Zienswijze 6 – vanuit verkeerskundig oogpunt had tracé 3 geen onderdeel uit mogen maken van plannen Deze zienswijze richt zich tegen een mogelijke tracékeuze en is daarmee planologisch van aard. Zienswijzen van planologische aard horen thuis in het juridisch-planologische besluitvormingstraject omtrent (de keuze van) het tracé, en dienen volgens vaste rechtspraak, (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van State met kenmerk ECLI:NL:RVS:2009:BH4666), bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een voorkeursrechtbeschikking buiten beschouwing te worden gelaten. Daarbij wordt nog opgemerkt dat, zoals in het raadsvoorstel ook duidelijk is aangegeven, de uiteindelijke tracékeuze nog onderwerp is van nadere besluitvorming, zodat op dit moment nog geen zekerheid bestaat over de vraag, waar het uiteindelijke tracé komt te lopen.
De zienswijze richt zich overigens in geen enkel opzicht tegen de rechtmatigheid van de onderhavige voorkeursrechtbeschikking en is om die reden ongegrond. Deze zienswijze is planologisch van aard en hoort hier in beginsel niet thuis. Zie ook hetgeen hierboven is uiteengezet. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. In de zienswijze worden geen gronden aangevoerd die raken aan de rechtmatigheid van het voorgenomen
18
vestigingsbesluit. Hetgeen voor het overige is aangevoerd, geeft geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen. De zienswijze geeft derhalve geen aanleiding om het raadsvoorstel en het raadsbesluit voor de locatie Numansdorp aan te passen. 6.
Zienswijze 1 - motiveringsbeginsel Het college geeft in de brief van 22 januari 2025 geen onderbouwing waarom ons perceel onderdeel uitmaakt van een of meerdere varianten van het tracé. Het besluit is onvoldoende gemotiveerd. Zienswijze 2 – planologie, ontbreken noodzaak, algemeen belang Ons perceel ligt zover verwijderd van het dichtstbijzijnde tracé dat zonder nadere onderbouwing niet voorstelbaar is dat deze nodig zou zijn voor de aanleg van de weg over tracé 3, noch voor tracé 1 of 2. Het is niet duidelijk wat de functie van het perceel is bij de aanleg van de nieuwe weg. Zonder nadere duiding van het doel en de noodzaak van het vestigen van het voorkeursrecht op het perceel is er geen onderbouwing van het algemeen belang waarvan het college stelt dat met het vestigen van voorkeursrecht is gediend en daarmee is het besluit onrechtmatig. Zienswijze 3 – buiten proportioneel, onrechtmatig, nadeelcompensatie Uit de toelichting bij de wet blijkt dat de in de
Zienswijze 1, 2, 4 – motiveringsbeginsel, planologie, ontbreken noodzaak, algemeen belang, misbruik van recht Binnen Numansdorp bestaat de noodzaak van de aanleg van een (nieuwe) westelijke ontsluitingsroute. De gemeente onderzoekt momenteel welke locatie binnen Numansdorp het meest geschikt is voor het te ontwikkelen tracé waarbij (net als bij de vestiging van het voorkeursrecht) een zorgvuldige belangenafweging plaatsvindt. De aanleg van het tracé hangt onder meer samen met de ontwikkeling van Molenpolder. Op dit moment verkeert de gemeente nog in een zeer pril stadium van omgevingsrechtelijke besluitvorming ten aanzien van het te ontwikkelen tracé. Later dit jaar verwacht de gemeente een besluit te nemen over het tracé en de exacte loop daarvan. Er is nu nog (slechts) sprake van een vervroegd voorkeursrecht in de zin van artikel 9.1 eerste lid, aanhef en onder c Omgevingswet; de gronden zijn nog niet ten behoeve van de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, opgenomen in een gemeentelijke omgevingsvisie, programma dan wel omgevingsplan. Er hoeft voor een vervroegd voorkeursrecht slechts een globaal beeld te bestaan van de toekomstige functie. Niet voor elk perceel dat betrokken is in de aanwijzing hoeft duidelijk te zijn of het kan worden ingepast. Vgl. r.o.
2.5 van de uitspraak van de Afdeling van 23 november 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA5057, over de uitleg van het soortgelijke artikel 8 van de Wvg dat aan het huidige artikel 9.1 lid 1 aanhef en onder c Omgevingswet vooraf is gegaan. De reden dat ook het perceel van Indiener 6 is betrokken in de voorkeursrechtbeschikking, is dat al voor aanvang/vaststelling van de/het
19
wet opgenomen mogelijkheid tot het vestigen van een voorkeursrecht bedoeld is om grondspeculatie tegen te gaan en de gemeenten beter in staat te stellen om hun woningbouwlocaties te realiseren. Hier wordt het instrument van het voorkeursrecht echter gebruikt om een ontsluitingsweg naar een bestaande wijk, de Molenpolder, aan te leggen. Er is geen enkele aanleiding te veronderstellen dat de aanleg van een ontsluitingsweg naar de wijk zal leiden tot grondspeculatie. In tegendeel, het is eerder te verwachten dat door de nabijheid van een ontsluitingsweg de percelen in waarde zullen dalen. De gemeente dient dan ook bij de keuze voor tracé 3 rekening te houden met een verzoek om nadeelcompensatie. Het vestigen van het voorkeursrecht op het perceel is door het ontbreken van een redelijk belang buitenproportioneel en dus onrechtmatig. Zienswijze 4 – misbruik van recht Het voorkeursrecht is bedoeld om gemeentelijke verwerving mogelijk te maken. Dat veronderstelt volgens indieners dat de gemeente de intentie heeft om het perceel concreet te verwerven, anders zou het voorkeursrecht niet nodig zijn. Indieners kunnen zich niet voorstellen dat de gemeente c.q. de aannemer het perceel nodig heeft bij de aanleg van de weg (indien tracé 3
omgevingsplan(procedure) slagvaardig opgetreden kan worden om te voorkomen dat de verwezenlijking van de toegedachte functie wordt belemmerd, bijvoorbeeld doordat er een grondtransactie plaatsvindt die tot grondversnippering of tot prijsopdrijving leidt, wat de door de gemeente gewenste regie zou kunnen frustreren of de (financiële) uitvoerbaarheid van het plan onder druk zou kunnen zetten. Bij dit alles is het van groot belang om op te merken dat de precieze keuze voor het tracé in Numansdorp nog dient te worden gemaakt. De kennelijke veronderstelling van Indiener 6 dat het één van de drie tracé’s wordt en dat het definitieve tracé exact dezelfde loop zal hebben als één van de drie tracé’s is onjuist. Dat geldt dus ook voor zijn/haar veronderstelling dat zijn/haar perceel te ver af ligt van het uiteindelijke tracé, simpelweg omdat daarover op dit moment nog niets met zekerheid kan worden gezegd. Mocht Indiener 6 te zijner tijd op willen komen tegen het definitieve tracé/het besluit dat daarvoor de grondslag biedt, dan kan hij/zij de daartegen openstaande rechtsbeschermingsmiddelen aanwenden. Mocht in een later stadium vaststaan dat de gronden van Indieners 6 niet benodigd zijn voor het definitief vastgestelde tracé dan zal het voorkeursrecht ingetrokken worden ten aanzien van de niet benodigde percelen.
Specifiek ten aanzien van zienswijze 4 wordt opgemerkt dat indieners ten onrechte menen dat de gemeente zich schuldig zou maken aan misbruik van recht door het voorkeursrecht te leggen op hun perceel, terwijl dat perceel niet nodig is voor het tracé. Zoals hiervóór uiteengezet, valt het perceel van Indiener 6 in het plangebied waar de nieuwe ontsluitingsweg zal worden aangelegd, waarvan het tracé nu nog niet bekend is. Als tijdens het juridisch-planologische besluitvormingstraject betreffende het tracé komt vast te staan dat de gronden van Indiener 6 niet nodig zijn ten behoeve van de aanleg van de weg, zal het
20
zou worden gekozen). Er zou sprake zijn van misbruik van recht, nu het voorkeursrecht niet wordt gebruikt voor het doel waarvoor het door de wetgever in het leven is geroepen. Zienswijze 5 – motivatie – planologie Nu het voorkeursrecht tot doel heeft grondspeculatie tegen te gaan om de gemeente beter in staat te stellen haar woningbouwlocaties te realiseren, roept dat de vraag op of de gemeente voornemens is om op het perceel nieuwbouw te realiseren? Als dat het geval zou zijn, is het besluit onvoldoende gemotiveerd, omdat dit niet als motivering wordt gebruikt voor het genomen besluit. Immers, in het besluit wordt slechts een verband gelegd met de aan te leggen ontsluitingsweg en niet met een nieuwbouwlocatie. Zienswijze 6 – planologie Zienswijze 6 richt zich tegen het voorgenomen tracé 3. Dat tracé is het dichtstbij het perceel van indieners gelegen en daarmee het enige tracé dat de aanleiding zou kunnen zijn om een voorkeursrecht op hun perceel te leggen. Echter dat tracé is uit verkeerskundig oogpunt uiterst onwaarschijnlijk. Immers, het kruist de dijk vlak voor of na (afhankelijk van welke kant men aankomt) een bocht in de dijk. Dat is weliswaar op zichzelf geen argument tegen het voorkeursrecht maar tegen het
voorkeursrecht ten aanzien van zijn/haar gronden worden ingetrokken. De gronden zijn op grond van het vigerende omgevingsplan thans hoofdzakelijk aangewezen voor agrarische doeleinden en deels voor wonen en ook dienovereenkomstig in gebruik. Vrije vervreemding van deze gronden zou de realisatie van de toegedachte functie(s) kunnen frustreren. De bevoegdheid om het voorkeursrecht te vestigen is een zogenoemde discretionaire bevoegdheid die terughoudend wordt getoetst. Weliswaar is vestiging van het voorkeursrecht een belastend besluit dat inbreuk maakt op het eigendomsrecht, maar daar staat tegenover dat de raad bij vestiging van het voorkeursrecht beleidsvrijheid toekomt, terwijl het gewicht van de met het besluit te dienen doelen en te dienen algemene belangen aanzienlijk is. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling heeft de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg het algemene belang dat wordt gediend met het vestigen van een voorkeursrecht afgewogen tegen het individuele belang van de grondeigenaren. De rechtspraak van de Afdeling over het evenredigheidsbeginsel geeft geen aanleiding voor een ander uitgangspunt. De wetgever heeft de nadelige effecten van het vestigen van het voorkeursrecht nadrukkelijk onder ogen gezien. De plannen voor het gebied worden op dit moment uitgewerkt, wat kan betekenen dat omvang en invulling van de beoogde ontwikkeling nog kunnen wijzigen.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is dat inherent aan vestiging van het voorkeursrecht op grond van artikel 5 van de Wvg (nu artikel 9.1 lid 1 aanhef en onder c van de Omgevingswet). Vorenstaande blijkt uit de jurisprudentie, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2445). Uit de parlementaire geschiedenis van de Omgevingswet volgt dat de wetgever geen inhoudelijke wijzigingen in de voorkeursrechtregeling ten opzichte van de
21
tracébesluit, maar door de onwaarschijnlijkheid van de keuze voor dit tracé uit verkeerskundig oogpunt, had dit tracé geen onderdeel uit mogen maken van de plannen. In dat geval zou er ook geen voorkeursrecht op het perceel nodig zijn geweest, voor zover die noodzaak al kan worden aangetoond. Het lijkt ons uiterst ongelukkig en onwaarschijnlijk om een kruispunt aan te leggen achter c.q. voor een onoverzichtelijke bocht in een dijk. Verzoek: 1. Het collegevoorstel tot vestiging van het voorkeursrecht niet vast te stellen en terug te sturen naar het college met het verzoek het voorstel zodanig aan te passen dat het voorkeursrecht niet wordt gevestigd op het perceel van Indiener 6,; dan wel 2. Het collegevoorstel zodanig te amenderen dat het voorkeursrecht niet wordt gevestigd op het perceel van Indiener 6
Wvg heeft willen aanbrengen. De doelstellingen van de voorkeursrechtregeling in de Omgevingswet zijn inhoudelijk dezelfde als die onder de Wvg. Aangenomen mag dan ook worden dat zowel de bedoelingen c.q. afwegingen van de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg als de nadien gevormde vaste rechtspraak onder de Omgevingswet onverkort hun gelding hebben behouden. Zienswijze 3 - buiten proportioneel, onrechtmatig In de zienswijze wordt uitvoerig geciteerd uit een passage in de memorie van toelichting op de Wvg, waarin de noodzaak dan wel wenselijkheid van de vestiging van een voorkeursrecht ten behoeve van het tijdig realiseren van toekomstige woningbouwlocaties aan de orde is. Aan dit citaat lijkt de indiener van de zienswijze de conclusie te willen verbinden dat een voorkeursrecht niet kan worden ingezet ten behoeve van iets anders dan een woonfunctie. Deze veronderstelling is echter onjuist. Bij een voorkeursrechtvestiging moet voldaan worden aan de vereisten dat de vestiging plaatsvindt ten behoeve van een niet-agrarische functie, en dat het feitelijke gebruik afwijkt van die functie. Een infrastructurele functie, zoals in dit geval aan de orde, is een voorbeeld van een nietagrarische functie. Zoals hierboven reeds opgenomen onderzoekt de gemeente op dit moment welke locatie binnen Numansdorp het meest geschikt is voor het tracé.
Bij dat onderzoek vindt uiteraard een behoorlijke belangenafweging plaats. De aanleg van het tracé hangt samen met/houdt sterk verband met de ontwikkeling van Molenpolder. Vestiging van het voorkeursrecht is onder meer nodig voor het behouden van regie op het gebied Numansdorp zoals ook nader is uiteengezet in het raadsvoorstel. Uit de jurisprudentie volgt dat de uiteindelijke bestemming c.q. functie bij een vervroegde vestiging (waarvan in onderhavige casus sprake is) nog niet op perceel niveau hoeft vast te
22
staan, omdat dit een kwestie is van nadere besluitvorming (die naar waarschijnlijkheid in de loop van dit jaar plaatsvindt). Daaraan is dus inherent dat er in dit stadium nog slechts een globaal beeld bestaat over de uiteindelijke functie van een bepaald perceel. Mocht Indiener 6 zich (in een later stadium) op het standpunt stellen dat hij in aanmerking komt voor nadeelcompensatie staat het hem vrij een claim in te dienen. Zienswijze 5 – nieuwbouw op perceel van Indiener 6? Ook uit deze zienswijze kan worden afgeleid dat de indieners veronderstellen dat een voorkeursrecht alleen kan worden ingezet ten behoeve van toekomstige woningbouwprojecten. Hiervóór is bij de beantwoording van zienswijze 4 reeds uiteengezet dat die veronderstelling op een misvatting berust. De gemeente is op basis van de huidige inzichten voornemens Molenpolder te (her)ontwikkelen. Met die ontwikkeling hangt de komst van een nieuwe westelijke ontsluitingsroute in Numansdorp nauw samen (het perceel van Indiener 6 valt binnen de locatie Numansdorp alwaar mogelijk de westelijke ontsluitingsroute komt te liggen). Zie voor nadere motivering/uitleg ook het raadsvoorstel. De meest geschikte locatie van het nieuwe tracé wordt op dit moment uitvoerig onderzocht. Later dit jaar wordt duidelijk waar het tracé exact komt te liggen. De vestiging van het voorkeursrecht heeft niets met woningbouw te maken.
Zienswijze 6 – vanuit verkeerskundig oogpunt had tracé 3 geen onderdeel uit mogen maken van plannen Deze zienswijze richt zich tegen een mogelijke tracékeuze en is daarmee planologisch van aard. Zienswijzen van planologische aard horen thuis in het juridisch-planologische besluitvormingstraject omtrent (de keuze van) het tracé, en dienen volgens vaste rechtspraak, (zie bijvoorbeeld de
23
uitspraak van de Raad van State met kenmerk ECLI:NL:RVS:2009:BH4666), bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een voorkeursrechtbeschikking buiten beschouwing te worden gelaten. Daarbij wordt nog opgemerkt dat, zoals in het raadsvoorstel ook duidelijk is aangegeven, de uiteindelijke tracékeuze nog onderwerp is van nadere besluitvorming, zodat op dit moment nog geen zekerheid bestaat over de vraag, waar het uiteindelijke tracé komt te lopen. De zienswijze richt zich overigens in geen enkel opzicht tegen de rechtmatigheid van de onderhavige voorkeursrechtbeschikking en is om die reden ongegrond. Deze zienswijze is planologisch van aard en hoort hier in beginsel niet thuis. Zie ook hetgeen hierboven is uiteengezet. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk voor zover zij is ingediend door de heer Indiener 6 als (enig) erfpachter van het aangewezen perceel. Mevrouw Indiener 6 is geen eigenaar noch beperkt gerechtigde tot het aangewezen perceel, en is om die reden niet ontvankelijk. Hetgeen is aangevoerd, geeft geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen. De zienswijze geeft derhalve geen aanleiding om het raadsvoorstel en het raadsbesluit voor de locatie Numansdorp aan te passen. 7.
Zienswijze 1 - motiveringsbeginsel Het college geeft in de brief van 22 januari 2025 geen onderbouwing waarom de percelen onderdeel uitmaken van een of meerdere varianten van het tracé. Het besluit is onvoldoende gemotiveerd. Zienswijze 2 – planologie, ontbreken
Zienswijze 1, 2, 4 – motiveringsbeginsel, planologie, ontbreken noodzaak, algemeen belang, misbruik van recht Binnen Numansdorp bestaat de noodzaak van de aanleg van een (nieuwe) westelijke ontsluitingsroute. De gemeente onderzoekt momenteel welke locatie binnen Numansdorp het meest geschikt is voor het te ontwikkelen tracé waarbij (net als bij de vestiging van het voorkeursrecht) een zorgvuldige belangenafweging plaatsvindt. De aanleg van het tracé hangt onder meer samen met de ontwikkeling van
24
noodzaak, algemeen belang De percelen liggen zover verwijderd van het dichtstbijzijnde tracé dat zonder nadere onderbouwing niet voorstelbaar is dat deze nodig zouden zou zijn voor de aanleg van de weg over tracé 3, noch voor tracé 1 of 2. Het is niet duidelijk wat de functie van de percelen is bij de aanleg van de nieuwe weg. Zonder nadere duiding van het doel en de noodzaak van het vestigen van het voorkeursrecht op de percelen is er geen onderbouwing van het algemeen belang waarvan het college stelt dat met het vestigen van voorkeursrecht is gediend en daarmee is het besluit onrechtmatig. Zienswijze 3 – buiten proportioneel, onrechtmatig, nadeelcompensatie Uit de toelichting bij de wet blijkt dat de in de wet opgenomen mogelijkheid tot het vestigen van een voorkeursrecht bedoeld is om grondspeculatie tegen te gaan en de gemeenten beter in staat te stellen om hun woningbouwlocaties te realiseren. Hier wordt het instrument van het voorkeursrecht echter gebruikt om een ontsluitingsweg naar een bestaande wijk, de Molenpolder, aan te leggen. Er is geen enkele aanleiding te veronderstellen dat de aanleg van een ontsluitingsweg naar de wijk zal leiden tot grondspeculatie. In tegendeel, het is eerder te verwachten dat door de nabijheid van een
Molenpolder. Op dit moment verkeert de gemeente nog in een zeer pril stadium van omgevingsrechtelijke besluitvorming ten aanzien van het te ontwikkelen tracé. Later dit jaar verwacht de gemeente een besluit te nemen over het tracé en de exacte loop daarvan. Er is nu nog (slechts) sprake van een vervroegd voorkeursrecht in de zin van artikel 9.1 eerste lid, aanhef en onder c Omgevingswet; de gronden zijn nog niet ten behoeve van de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, opgenomen in een gemeentelijke omgevingsvisie, programma dan wel omgevingsplan. Er hoeft voor een vervroegd voorkeursrecht slechts een globaal beeld te bestaan van de toekomstige functie. Niet voor elk perceel dat betrokken is in de aanwijzing hoeft duidelijk te zijn of het kan worden ingepast. Vgl. r.o. 2.5 van de uitspraak van de Afdeling van 23 november 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA5057, over de uitleg van het soortgelijke artikel 8 van de Wvg dat aan het huidige artikel 9.1 lid 1 aanhef en onder c Omgevingswet vooraf is gegaan.
De reden dat ook de percelen van Indiener 7 zijn betrokken in de voorkeursrechtbeschikking, is dat al voor aanvang/vaststelling van de/het omgevingsplan(procedure) slagvaardig opgetreden kan worden om te voorkomen dat de verwezenlijking van de toegedachte functie wordt belemmerd, bijvoorbeeld doordat er een grondtransactie plaatsvindt die tot grondversnippering of tot prijsopdrijving leidt, wat de door de gemeente gewenste regie zou kunnen frustreren of de (financiële) uitvoerbaarheid van het plan onder druk zou kunnen zetten. Bij dit alles is het van groot belang om op te merken dat de precieze keuze voor het tracé in Numansdorp nog dient te worden gemaakt. De kennelijke veronderstelling van Indiener 7 dat het één van de drie tracés wordt en dat het definitieve tracé exact dezelfde loop zal hebben als één van de drie tracés is onjuist. Dat geldt dus ook voor hun veronderstelling dat hun percelen te ver af liggen van het uiteindelijke tracé, simpelweg omdat daarover op dit moment nog niets met zekerheid
25
ontsluitingsweg de percelen in waarde zullen dalen. De gemeente dient dan ook bij de keuze voor tracé 3 rekening te houden met een verzoek om nadeelcompensatie. Het vestigen van het voorkeursrecht op de percelen is door het ontbreken van een redelijk belang buitenproportioneel en dus onrechtmatig.
kan worden gezegd. Mocht Indiener 7 te zijner tijd op willen komen tegen het definitieve tracé/het besluit dat daarvoor de grondslag biedt, dan kunnen zij de daartegen openstaande rechtsbeschermingsmiddelen aanwenden. Mocht in een later stadium vaststaan dat de gronden van Indiener 7 niet benodigd zijn voor het definitief vastgestelde tracé dan zal het voorkeursrecht ingetrokken worden ten aanzien van de niet benodigde percelen.