nota van beantwoording overlegreactie
Tekst van het document
Nota beantwoording overlegreactie Ontwerp bestemmingsplan N217-Polderweg (waterleiding)
Februari 2022
1. Inleiding Het ontwerpbestemmingsplan N217-Polderweg (waterleiding) lag vanaf 18 november 2021 gedurende 6 weken ter inzage. Een ieder is gedurende deze termijn in de gelegenheid gesteld om een mondelinge of schriftelijke zienswijze in te dienen. Het ontwerp was analoog raadpleegbaar in het gemeentehuis en digitaal via de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl. In het kader van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is overleg gepleegd met de diverse instanties, zoals Waterschap en diensten van provincie en rijk. Er zijn geen zienswijzen ontvangen. Wij ontvingen 1 overlegreactie van provincie Zuid-Holland. Wij ontvingen deze overlegreactie binnen de termijn, zoals geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarmee is de overlegreactie tijdig ingediend.
Ind ieners van de zienswijzen en overlegreacties Op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) worden de namen van de indieners van de zienswijzen geanonimiseerd. Anonimiseren is niet nodig voor namen van bedrijven en organisaties die een zienswijze of overlegreactie indienen.
Nr. Na am 1. Provincie Zuid-Holland
2/5
Da tum ontvangst 23 december 2021
Registratienummer Z/21/128066/DOC-21500798
2. Beantwoording van de overlegreactie Samenvatting en reactie op de overlegreactie van provincie Zuid-Holland 1. T errein met archeologische waarden van provinciaal belang Provincie Zuid-Holland geeft aan dat het bestemmingsplan de aanleg van een nieuwe waterleiding mogelijk maakt. Het beoogde tracé van de waterleiding loopt door een terrein met archeologische waarden van provinciaal belang. De provincie is van mening dat deze archeologische waarden in het ontwerp bestemmingsplan onvoldoende beschermd worden. Provincie Zuid-Holland merkt op dat de regels voor dergelijke gebieden zijn vastgelegd in artikel 6.27 Archeologie en Romeinse Limes (omgevingsverordening Zuid-Holland). In lid 2 is opgenomen: ‘De regels voorzien in elk geval in een verbod op werken of werkzaamheden waarbij de bodem tot meer dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd, tenzij: a. door middel van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast, of b. het werken of werkzaamheden betreffen die naar hun aard de archeologische waarden niet aantasten. De provincie geeft aan dat in de toelichting van het bestemmingsplan niet wordt ingegaan op deze provinciale regels. Hoewel in het bestemmingsplan een archeologische dubbelbestemming is opgenomen, is deze niet volledig in overeenstemming met artikel 6.27.
Ook wordt in het bestemmingsplan het gebied ten onrechte als AMK-terrein aangeduid, terwijl het hier een geen AMK-terrein, maar een terrein van provinciaal belang betreft. De provincie verzoekt om alsnog in te gaan op de regels omtrent archeologie uit de provinciale verordening en de archeologische dubbelbestemming hierop aan te passen.
Reactie college: In de betreffende percelen ligt al een waterleiding. Deze waterleiding moet verlegd worden in verband met het aanpassen van de kruising N217 en de Polderweg. Het vigerende bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Binnenmaas’ laat het verleggen van de waterleiding toe. Rondom de huidige ligging van de waterleiding is in het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Leiding-Water’ opgenomen. Hiermee worden de belangen van de waterleiding geborgd. Door het verleggen van de waterleiding verplaatsen wij de dubbelbestemming ‘Leiding-Water’ naar de nieuwe ligging van de waterleiding. Zo worden de belangen van de leiding ook in de toekomst geborgd. Het ontwerp bestemmingsplan ziet dan ook niet toe op het mogelijk maken van het verplaatsen van de waterleiding. Met het ontwerp bestemmingsplan brengen wij de juridischplanologische situatie in overeenstemming met de feitelijke situatie. Omdat er geen sprake is van beleidsmatige aanpassingen vormde het vigerende bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Binnenmaas’ de basis voor het opstellen van het ontwerp bestemmingsplan. Wij namen de bestaande bepalingen over archeologie over. Wij constateren dat de percelen in het provinciaal beleid de aanduiding ‘terrein provinciaal belang’ hebben. Dit is onjuist in de omschrijving van het provinciaal beleid in het ontwerp bestemmingsplan opgenomen.
Wij passen de toelichting op dit punt aan, in die zin dat het een terrein van provinciaal belang betreft en dat daar regels uit de provinciale verordening voor gelden.
3/5
Op de Rijksdienstkaart en in het vigerende bestemmingsplan hebben de betreffende percelen de aanduiding ‘AMK terrein’. Het provinciaal beleid wijkt op dit punt af van het (hogere) Rijksbeleid. Omdat de aanduiding ‘AMK terrein’ meer waarborgen omvat voor het behoud van archeologische waarden, is het gewenst om deze aanduiding op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan op te nemen. Deze regels zijn ‘strenger’ dan artikel 6.27 van de omgevingsverordening Zuid-Holland. Hierdoor worden de provinciale belangen niet geschaad. De regels uit het bestemmingsplan voldoen aan de criteria die de provincie stelt. Provincie Zuid-Holland gaf in een gesprek aan dat zij hiermee instemmen. Co nclusie: De overlegreactie geeft aanleiding om de beschrijving van het provinciaal beleid in paragraaf 4.4 (archeologie en cultuurhistorie) van de toelichting van het bestemmingsplan aan te passen. 2. Archeologische rapporten Provincie Zuid-Holland merkt op dat bij het bestemmingsplan twee archeologische rapporten zijn toegevoegd. Er heeft een bureauonderzoek en een booronderzoek plaatsgevonden. Op basis van dit onderzoek adviseert het onderzoeksbureau op één locatie na het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling.
De provincie deelt deze conclusie niet, omdat onvoldoende is aangetoond dat door het aanleggen van de waterleiding de archeologische waarden van het terrein niet worden aangetast. In het bestemmingsplan wordt gesteld dat: “In het archeologisch booronderzoek zijn archeologische resten als archeologische laag of puntvondsten ter hoogte van één boorpunt in het oosten van het plangebied te verwachten. In het overige gedeelte van het plangebied wordt de kans op archeologische resten als klein ingeschat.” Echter, de indicatoren houtskool (HKB1) en -spikkels (HKS1) zijn op drie boorpunten (respectievelijk 70 – 100 cm - en 68 - tot 60 cm en boorpunt 58 op 70 cm diepte) aangetroffen. Daarmee is het grootste deel van het tracé oostelijk van de t-splitsing naar de mening van provincie Zuid-Holland niet vrij te stellen van vervolgonderzoek, omdat onvoldoende is aangetoond dat de aanleg van de leiding de archeologische waarden niet aantasten. De provincie concludeert dat door de in het archeologisch rapport voorgestelde werkwijze de provinciale belangen voor wat betreft archeologie onvoldoende zijn beschermd. De provincie geeft aan dat zij daarover graag met de gemeente in gesprek gaan.
Reactie college: Naar aanleiding van de zienswijze heeft een gesprek plaatsgevonden tussen provincie en gemeente. De gemeente heeft een omgevingsvergunning verleend waarin voorwaarden over archeologie zijn opgenomen. Deze voorwaarden zien toe op het uitvoeren van aanvullend archeologisch onderzoek voorafgaand aan de werkzaamheden en archeologische begeleiding tijdens de werkzaamheden. Tijdens het gesprek is door de provincie aangegeven dat met de voorwaarden uit de omgevingsvergunning de provinciale belangen voldoende gewaarborgd zijn. Co nclusie: De overlegreactie geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen.
4/5
3. Ambtshalve aanpassingen Wij vroegen Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid om de milieu aspecten van het bestemmingsplan te beoordelen. Het advies van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid heeft tot gevolg dat de toelichting van het bestemmingsplan als volgt ambtshalve wordt aangepast op het punt van de Wet natuurbescherming: In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen ten aanzien van alle in het wild levende dieren en planten. De maatregelen die in het kader van deze zorgplicht worden geadviseerd zijn als volgt: • Het kraaiennest (in de invloedsfeer van de werkzaamheden) laten verwijderen voor 15 maart. Dit voorkomt mogelijk gebruik van dit nest door ransuilen of buizerd in het broedseizoen van 2022. • Bij het toepassen van grond (in kader aanbrengen voorbelasting) in de periode 1 maart to t september voorkomen dat steile wanden ontstaan of deze afdekken. Dit om vestiging van oeverzwaluw in het plangebied te voorkomen. • Werkzaamheden uitvoeren buiten het broedseizoen (15 maart tot 15 juli). In het geval dit niet mogelijk is, twee weken voor de werkzaamheden een broedvogelcheck door een deskundig ecoloog laten uitvoeren en rapporteren naar ecologie@ozhz.nl • Bij het dempen van watergangen aanwezige amfibieën, vissen en overige fauna door een deskundig ecoloog laten afvangen en verplaatsen naar geschikt habitat.
• De bouwwerkzaamheden zoveel mogelijk overdag uitvoeren (tot de avondschemer). Als het onvermijdelijk is werkzaamheden in de schemer of nachtperiode uit te voeren, gebruik maken van vleermuisvriendelijke verlichting (op bouwplaats gerichte lichtbundels, niet zijwaarts gericht, gebruik van de juiste kleur verlichting, bijv. amberkleurig).
5/5