De Gemeentewet en haar toepassing art. 36a Gemw aant. 3 - 3 Tweede lid
Tekst van het document
De Gemeentewet en haar toepassing, art. 36a Gemw, aant. 3
3 Tweede lid Drs. C.J.N. Versteden, actueel t/m 05-07-2012 Actueel t/m Tijdvak Auteur Vindplaats Vakgebied(en) Trefwoord(en)
Wetingang
05-07-2012 06-04-2007 tot: Drs. C.J.N. Versteden De Gemeentewet en haar toepassing, art. 36a Gemw, aant. 3 Staatsrecht / Decentralisatie Staatsrecht / Staatsinrichting ontheffing gemeenteraad wethouder Gemeentewet artikel 36a
De eis dat een raadslid ingezetene van de gemeente moet zijn is absoluut. Hiervan kan niet worden afgeweken. Bij onverkorte toepassing van het eerste lid van artikel 36a zou een persoon ook geen wethouder van een gemeente kunnen zijn indien hij geen ingezetene van die gemeente is. Bij het wetsvoorstel dualisering wilde de regering de ingezetenschapseis voor de wethouder in het gedualiseerde bestel, waarin een wethouder ook van buiten de raad kan worden benoemd, niet zo absoluut laten gelden. De regering hechtte wel aan het principe dat de wethouder ingezetene is van de gemeente, maar wilde een ongeclausuleerde mogelijkheid openen daarvan af te wijken. Het wetsvoorstel voorzag zonder enige beperking in de mogelijkheid van ontheffing van de ingezetenschapseis. De veranderingen in de samenleving hadden volgens de regering geleid tot een relativering van de voorheen sterke koppeling tussen feitelijke woonplaats enerzijds en binding met een lokale gemeenschap anderzijds. Bovendien had de regering oog voor de behoefte aan kwalitatief goede bestuurders, die rekrutering buiten de grenzen van de eigen gemeente kan rechtvaardigen. Daarom wilde zij de mogelijkheid openen dat de gemeenteraad ontheffing verleent van de verplichting voor de wethouder om de werkelijke woonplaats in de gemeente te hebben.
De regering wilde, zo bleek uit haar reactie op vragen vanuit de Tweede Kamer in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 27 751, nr. 6, p. 45-46) aan de raad overlaten af te wegen of onder omstandigheden aan de mogelijkheid een bekwame wethouder aan te trekken de voorkeur moest worden gegeven boven het ingezetenschap en de daardoor versterkte binding aan de gemeente. Zij zag er zelfs geen bezwaar in indien de raad iemand tot wethouder zou benoemen die niet in Nederland woont en wilde ook aan de raad overlaten of een ontheffing al dan niet aan een termijn zou worden gebonden. De Tweede Kamer kon zich blijkens de aanneming van een amendement Pitstra-Te Veldhuis (Kamerstukken II 27 751, nr. 59), waarbij de eerste zin in het onderhavige artikellid werd ingevoegd,. met deze benadering niet verenigen. De achtergrond hiervan is blijkens de toelichting bij het amendement dat de wethouder volgens de indieners ter wille van binding aan en relatie met de lokale bevolking ingezetene van de gemeente dient te zijn en dat voorkomen moet worden dat er een ‘technocratisch wethouderscircuit’ ontstaat. Op het ingezetenschapsvereiste mag slechts voor een betrekkelijk korte tijd een uitzondering worden gemaakt ter tegemoetkoming aan praktische bezwaren voor nieuwe wethouders om bij hun infunctietreding direct in de gemeente te gaan wonen.
Al spoedig na de invoering van de gedualiseerde Gemeentewet bleek deze regeling te streng te zijn. Er waren nogal wat wethouders die na de periode van een jaar waarvoor zij ontheffing hadden verkregen met goedvinden van de gemeenteraad niet naar de gemeente verhuisden,
Link: https://www.inview.nl/document/inod65055d9238fae090cfd8b262be3a33ca Alle (auteurs-)rechten op dit document berusten bij Wolters Kluwer Nederland B.V. of haar licentiegevers en worden uitdrukkelijk voorbehouden. Dit document is gegenereerd op 22.04.2024. Kijk voor meer informatie over de diensten van Wolters Kluwer op www.wolterskluwer.nl.
Page 1/4
Dit heeft geleid tot een wijziging van artikel 36a in 2007 (Stb. 2007, 124; Kamerstukken II 2005-2006, 30 480), waarbij de tweede zin van het onderhavige artikellid is ingevoegd. Deze bepaling geeft de raad de mogelijkheid om de ontheffing als bedoeld in het eerste lid te verlengen. Dat kan in bijzondere gevallen en telkens voor maximaal een jaar. Bij het besluit tot het verlenen van de ontheffing als bedoeld in het eerste lid hoeft de raad niet na te gaan of sprake is van een bijzonder geval; hij hoeft een dergelijk besluit zelfs niet te motiveren. Mocht de kandidaatwethouder verzoeken hem de ontheffing te verlenen, dan hoeft de raad voor afwijzing van dat verzoek ook geen motivering te geven; de raad zal dan echter eenvoudig niet tot benoeming overgaan, tenzij de kandidaatwethouder verklaart zich bij de afwijzing neer te leggen en toezegt dat hij op het moment van in functietreding ingezetene van de gemeente zal zijn. Voor de verlenging van de ontheffing als bedoeld in het tweede lid gelden een tweetal beperkingen: -
Er mag slechts voor maximaal een jaar toe worden besloten, met dien verstande dat daarna (steeds) voor maximaal een jaar verdere verlenging mogelijk is;
-
Er moet op het moment van besluitvorming sprake zijn van een bijzonder geval.
Het is dus niet toelaatbaar bij de benoeming van de wethouder reeds toe te zeggen dat betrokkene voor de gehele bestuursperiode ontheffing van de ingezetenschapsplicht krijgt. Van jaar tot jaar (of telkens na afloop van een kortere periode indien de raad de ontheffing voor een kortere periode verleent) moet na het eerste jaar door de raad aan de hand van de actuele omstandigheden worden nagegaan of er sprake is van een bijzonder geval dat verlenging rechtvaardigt. Dit tegen de achtergrond van het door de wetgever gehuldigde principe dat de wethouder zijn werkelijke woonplaats dient te hebben in de gemeente waarin hij bestuurder is. Dat de wetgever dit een belangrijk beginsel vindt is tijdens de behandeling van de wijzigingswet van 2007 eenen andermaal gebleken en ook daarna is gebleken dat regering en parlement op dit punt op één lijn zitten (Zie: brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal d.d. 16 maart 2011, Kamerstukken II 2011/12, 30 902, nr. 19; circulaire van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 14 maart 2011, kenmerk 2011-2000083657, aan de gemeenteraden e,a,; antwoord op Kamervragen van de minister van Binnenlandse Zaken en koninkrijksrelaties d.d. 6 juni 2011, Aanhangsel handelingen II, nr.
2733; brief van de minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 15 december 2011, Kamerstukken II 2011/12, 30 902, nr. 20; verslag van een algemeen overleg d.d. 8 februari 2012, Kamerstukken 33 000 VII, nr. 118) . Slechts in uitzonderingsgevallen kan van dit beginsel worden afgeweken. Wanneer is sprake van een bijzonder geval? Artikel 36a bevat geen omschrijving van deze term. Redelijkerwijs zal men moeten aannemen dat het feit dat men te maken heeft met een goed functionerende wethouder die men niet wil missen geen bijzonder geval is. En ook het feit dat het voor betrokkene bezwaarlijk is om te verhuizen, levert als regel geen bijzonder geval op. En zelfs het niet tegen een gewenste prijs kunnen verkopen van zijn woning betekent als regel niet dat er sprake is van een bijzonder geval. Dat geldt ook voor het argument dat de wethouder een jaar in functie is en dat de continuïteit van het bestuur in het geding zou komen indien de ontheffing op grond van het eerste lid niet zou worden verlengd. Tijdens de parlementaire behandeling zijn ernstige ziekte van een gezinslid of tussentijdse benoeming gedurende een bestuursperiode als mogelijke rechtvaardigingsgronden genoemd. Zo ook een zeer bijzondere problematiek die in een gemeente speelt en die een wethouder met zeer bijzondere kwaliteiten vereist.
Bij het beoordelen of van een bijzonder geval sprake is zal men steeds voor ogen dienen te houden dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de wethouder - met inachtneming van een coulanceperiode van een jaar ingezetene van de gemeente dient te zijn en dat daarbij is ingecalculeerd dat situaties als genoemd zich voordoen, maar geen reden zijn gevonden om af te zien van vastlegging van het principe. De regering heeft een nadere omschrijving van wanneer van een bijzonder geval als rechtvaardigingsgrond kan worden gesproken, afgewezen (Kamerstukken II 2006/07, 30 480, nr. 5, p. 5/6; zie ook de overige hiervoor
Link: https://www.inview.nl/document/inod65055d9238fae090cfd8b262be3a33ca Alle (auteurs-)rechten op dit document berusten bij Wolters Kluwer Nederland B.V. of haar licentiegevers en worden uitdrukkelijk voorbehouden. Dit document is gegenereerd op 22.04.2024. Kijk voor meer informatie over de diensten van Wolters Kluwer op www.wolterskluwer.nl.
Page 2/4
aangehaalde documenten). Zij heeft zich bovendien op het standpunt gesteld dat het uitsluitend aan de raad is zich ter zake een bindend oordeel te vormen en dat dit oordeel in wezen een politiek besluit is dat niet in rechte getoetst dient te kunnen worden. Zij is voornemens bij een volgende wijziging van de Gemeentewet beoordeling van een raadsbesluit als hier bedoeld in bezwaar en beroep op grond van de Algemene wet bestuursrecht uit te sluiten, net zoals in artikel 50 is gebeurd is ten aanzien van een besluit tot het ontslaan van een wethouder (Kamerstukken II 2010/11, 30 902, nr. 19, p. 6). Overigens zal er, zolang een dergelijke wetswijziging niet tot stand is gebracht, van moeten worden uitgegaan dat een weigering de ontheffing te verlengen een besluit in de zin van de Awb is waartegen bezwaar kan worden ingediend en beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld. Te verwachten is wel dat bij de beoordeling van besluiten in dergelijke procedures een vrijwel absolute beleidsvrijheid van de raad als uitgangspunt zal worden genomen. Het al dan niet verlengen van een ontheffing van de ingezetenschapsverplichting is in wezen dus een zuiver politiek besluit. Wil de raad tot verlenging overgaan dan dient hij volgens artikel 36a, tweede lid te motiveren dat er sprake is van een bijzonder geval dat een dergelijk besluit rechtvaardigt.
De regering heeft zich op het standpunt gesteld dat de betrokken wethouder aan artikel 36a, tweede lid, tweede volzin, geen rechten kan ontlenen (Kamerstukken I 30 480, C, p. 4/5). Besluit de raad onverkort vast te houden aan het beginsel van artikel 36a dat de wethouder ingezetene van de gemeente dient te zijn, ook al heeft hij eerder anders geoordeeld, dan hoeft hij dat verder niet te motiveren. Het is dus ook niet waarschijnlijk dat bijvoorbeeld een civiele schadevergoedingsactie bij niet verlengen van een ontheffing kans van slagen heeft. De enige weg waarlangs tegen een onjuist gebruik van de bevoegdheid tot het verlengen van ontheffingen door gemeenteraden effectief kan worden opgetreden is dus die van toepassing van het spontane schorsingsen vernietigingsrecht door de Kroon. Artikel 47 Gemeentewet bepaalt dat de wethouder onmiddellijk ontslag dient te nemen indien hij niet langer voldoet aan de vereisten voor het wethouderschap bedoeld in artikel 36a, eerste en tweede lid. Doet hij dit niet, dan dient de raad hem ingevolge artikel 47, tweede lid, juncto artikel 46, tweede tot en met vierde lid, te ontslaan. Dit zijn imperatieve bepalingen, op de niet naleving waarvan overigens geen sanctie is gesteld.
De minister van Binnenlandse Zaken en koninkrijksrelaties heeft tweemaal onderzoek verricht naar de wijze waarop in gemeenten wordt omgegaan met de mogelijkheid van (verlenging van de) ontheffing van de ingezetenschapsverplichting van wethouders. Wij verwijzen naar de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal d.d. 16 maart 2011, Kamerstukken II 2010/11, 30 902, nr. 19, alsmede naar de brief van dezelfde minister d.d. 15 december 2011, Kamerstukken II 2011/12, 30 902, nr. 20. Aan het slot van laatstgenoemde brief schreef de minister: "Uit het onderzoek is gebleken dat het woonplaatsvereiste voor wethouders iets is waar gemeenteraden in beginsel aan hechten. Het is echter ook zo dat gevallen waarin bij aanvang duidelijk is dat een wethouder gedurende zijn zittingsperiode niet aan het woonplaatsvereiste zal voldoen geen uitzondering zijn. Er lijkt een voorkeur te bestaan voor een wethouder uit de eigen gemeente, maar bestuurlijke kwaliteit wordt in voorkomende gevallen belangrijker geacht.
In de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer bij het wetsvoorstel ter verruiming van de bevoegdheid van de raad en provinciale staten om tijdelijke ontheffing te verlenen van het vereiste van ingezetenschap voor wethouders en gedeputeerden heeft mijn ambtsvoorganger gesteld dat een ontheffingsduur van telkens maximaal een jaar met zich meebrengt dat de raad steeds opnieuw aan de hand van de actuele omstandigheden moet beoordelen of sprake is van een bijzonder geval dat afwijking van het wettelijk uitgangspunt rechtvaardigt. Het is echter de vraag of dit wettelijk verplichte jaarlijks verlengingsverzoek niet haar doel voorbijschiet. Wellicht zou dit beter door de gemeenteraad zelf kunnen worden bepaald. Hierdoor kan er sprake zijn van maatwerk en wordt er meer recht gedaan aan de lokale autonomie." Kennelijk gaf de minister er de voorkeur aan in de wet wel de regel vast te leggen dat de wethouder ingezetene van de gemeente behoort te zijn, maar de raad via een minder gedetailleerde ontheffingsmogelijkheid te laten uitmaken of, voor hoe lang en onder welke voorwaarden hij hiervan wil afwijken. Temeer daar de "bijzondere gevallen" die worden aangevoerd in de meeste gevallen niet echt bijzonder blijken te zijn en er bij de verlenging van ontheffingen dus veelal sprake is van een schijnvertoning verdient een dergelijke constructie ons inzien de voorkeur.
Daarmee zou ook een einde worden gemaakt aan
Link: https://www.inview.nl/document/inod65055d9238fae090cfd8b262be3a33ca Alle (auteurs-)rechten op dit document berusten bij Wolters Kluwer Nederland B.V. of haar licentiegevers en worden uitdrukkelijk voorbehouden. Dit document is gegenereerd op 22.04.2024. Kijk voor meer informatie over de diensten van Wolters Kluwer op www.wolterskluwer.nl.
Page 3/4
praktijken waarbij de overheid jegens de burgers een slecht voorbeeld geeft van omgaan met de naleving van wettelijke regels. Tijdens een Algemeen overleg met de Tweede Kamer bleek het parlement de ministeriële gedachtegang niet te willen volgen. Zij wilde breed vasthouden aan het uitgangspunt dat de wethouder ingezetene van de gemeente dient te zijn en dat daarvan slechts zo kort mogelijk mag worden afgeweken. De (intussen nieuw aangetreden) minister Spies volgde haar daarin ( verslag van een algemeen overleg d.d. 8 februari 2012, Kamerstukken 33 000 VII, nr. 118, p. 14/15) .
Link: https://www.inview.nl/document/inod65055d9238fae090cfd8b262be3a33ca Alle (auteurs-)rechten op dit document berusten bij Wolters Kluwer Nederland B.V. of haar licentiegevers en worden uitdrukkelijk voorbehouden. Dit document is gegenereerd op 22.04.2024. Kijk voor meer informatie over de diensten van Wolters Kluwer op www.wolterskluwer.nl.
Page 4/4