Bijlagen toelichting Bijlage 9 Memo weidevogelcompensatie fietspad Oudeland 8-5-2019
Tekst van het document
memo
Aan:
Postbus 150, 3000 AD Rotterdam Telefoon: 010-2018555 Fax: 010-4121039 E-mail: info@rho.nl
Gemeente Hoeksche Waard
T.a.v.: Onderwerp:
Weidevogelcompensatie a.g.v. fietspad Oudeland
Datum:
8 mei 2019
Referte:
Ir H.G. van der Aa
Aanleiding De aanleg en het gebruik van het beoogde fietspad door het Oudeland van Strijen zal leiden tot een blijvend verlies aan weidevogelleefgebied. Conform het provinciale natuurbeleid dient dit verlies gecompenseerd te worden in de vorm van nieuw weidevogelleefgebied. In de voorliggende memo wordt deze compensatietaakstelling zo goed mogelijk gekwantificeerd en wordt een voorstel geformuleerd voor mogelijke compensatie. Voor de effecten op het Natura 2000-gebied Oudeland van Strijen wordt een afzonderlijk vergunningenspoor doorlopen. Dit aspect komt in de voorliggende memo daarom niet aan de orde. Beleidskader De provinciale Verordening Ruimte (2017) geeft aan: Voor zover een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid een significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad, of karakteristieke landschapselementen, is het provinciale compensatiebeleid van toepassing zoals vastgelegd in de beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland (2013). De toelichting bij het bestemmingsplan bevat een verantwoording over de wijze van compensatie. Beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland (2013). Relevante bepalingen uit deze beleidsregel zijn hieronder weergegeven. Artikel 5.
Voorwaarden aan compensatie De volgende bepalingen zijn relevant voor de onderhavige compensatietaakstelling:
De compensatie mag niet leiden tot een netto verlies van areaal, kwaliteit en/of samenhang van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. Onverminderd het bepaalde in het zevende lid, vindt de compensatie plaats (voorkeursladder): a) door fysieke compensatie met dezelfde natuur-, recreatie- of landschapswaarden als die door de ingreep verloren zijn gegaan aansluitend aan of nabij het gebied van de ingreep met dien verstande dat een duurzame situatie ontstaat; b) indien fysieke compensatie met dezelfde natuur-, recreatie- of landschapswaarden als in het vorige onderdeel bedoeld redelijkerwijs onmogelijk is, door fysieke compensatie met kwalitatief vergelijkbare waarden aan of nabij het gebied van de ingreep dan wel door fysieke compensatie elders, of, c) indien ook dat redelijkerwijs onmogelijk is. door financiële compensatie
In samenhang met het gestelde in het vierde lid, sub a geldt dat als de ontwikkeltijd van de vervangende natuur-, recreatie- en/of landschapswaarden meer dan 5 jaar bedraagt, de fysieke compensatie wordt vermeerderd met een kwaliteitstoeslag in hectares. Deze kwaliteitstoeslag bedraagt 1/3 bij een ontwikkeltijd tussen 5 en 25 jaar en 2/3 bij een ontwikkeltijd tussen 25 en 100 jaar.
Artikel 6. Compensatieplan 1. Indien deze beleidsregel van toepassing is, wordt door de initiatiefnemer een compensatieplan opgesteld. 2. Het plan voor de ingreep en het compensatieplan worden gelijktijdig voorafgaand aan de ingreep aan het bevoegd gezag ter accordering voorgelegd. 3. Aan het compensatieplan worden de volgende voorwaarden voor instemming gesteld: d) het compensatieplan geeft aan hoe de compensatieopgave is berekend en hoe het verlies aan waarden zal worden gecompenseerd; e) het compensatieplan bevat een kaart met de ligging van het compensatiegebied ten opzichte van aangrenzende en nabijgelegen natuur- en recreatiegebieden, belangrijke weidevogelgebieden en/of karakteristieke landschapselementen, en; f) bij fysieke of kwalitatieve compensatie voldoen de plaats, de oppervlakte en de kwaliteit van het compensatiegebied aan het gestelde in artikel 5: g) Bij financiële compensatie wordt de raming eveneens ter accordering aan Gedeputeerde Staten voorgelegd. Indien noodzakelijk kunnen hieraan door Gedeputeerde Staten nadere voorwaarden worden gesteld. Aanwezige weidevogels op en rond tracé Langs het beoogde fietspadtracé broeden volgens gegevens van het Hoekschewaards landschap weinig weidevogels. Gegevens van www.waarneming.nl bevestigen deze inschatting, met uitzondering van een concentratie van waarnemingen rond het punt waar het tracé de Waleweg kruist.
Hier is sprake van een structuur- en bloemrijk grasland dat rijk is aan weidevogels. Deze waarden worden deels verklaard doordat op de percelen tussen Bovenweg en Waleweg met de betreffende grondeigenaren beheerovereenkomsten zijn afgesloten (zie figuur 1). Meer dan 90% van het beheer heeft betrekking op zgn. ‘ zwaar beheer’: beheer met rustperiode of inundatie (plas-dras). Percelen met weidevogelbeheer 2018 (bron: CCHW)
Gedetailleerde gegevens uit 2018 wijzen op broedgevallen van grutto, scholekster, kievit en tureluur op en rond het tracé; Broedgevallen weidevogels 2018 nabij buisleidingenstraat (bron: D. van Houwelingen)
Effecten fietspad Areaalverlies en verstoring leiden gezamenlijk tot het verlies van het broedgebied van meerdere paren weidevogels. Het fietspad ligt op zeer korte afstand van de broedlocaties in 2018 (zie ook figuur 2). Op grond van de Wet natuurbescherming dient de aanleg van het fietspad buiten het broedseizoen plaats te vinden, conform de beoogde planning (sept-dec). Voor verstoring van broedende vogels wordt
immers geen ontheffing verleend indien er alternatieven zijn, zoals uitvoering buiten het broedseizoen. Effecten op de vogels van grasland en ruigte zijn derhalve beperkt tot de gebruiksfase. In de huidige situatie is al een toegangsweg aanwezig, die gebruikt wordt door fietsers en wandelaars (al dan niet met een hond). Met de aanleg van het fietspad gaat het gebruik/intensiteit wel omhoog. Omtrent de verstoringsgevoeligheid van weidevogels ten opzichte van fietspaden bestaan geen eenduidige gegevens. Fietsen geldt wel als één van de minst verstorende recreatievormen, waarschijnlijk omdat fietsers zich geruisloos, voorspelbaar en nooit buiten de paden voortbewegen en relatief snel een locatie gepasseerd zijn. (bron: Krijgsveld, 2009). Fietsende scholieren wijken echter af van fietsende recreanten, bewegen zich vaak niet voorspelbaar en geruisloos voort (stoppen, op elkaar wachten, muziek) en kunnen derhalve een relevante bron van verstoring vormen Het fietspad zal verder waarschijnlijk ook gebruikt worden door wandelaars, al dan niet met (loslopende) honden. De literatuur spreekt in dat geval over een verstoringsafstand van “enige honderden meters”. Voor de onderhavige situatie wordt uitgegaan van een verstoringsafstand van 200 meter in de gebruiksfase; in de broedtijd zal er daarom sprake zijn van een verstoring van alle broedlocaties van figuur 2.
Compensatietaakstelling Effecten op de grutto kunnen als maatgevend worden beschouwd voor de effecten op alle weidevogels. Gebieden met veel grutto’s herbergen altijd veel andere weidevogels en andersom1. Uitgaande van figuur 2 worden minimaal vier nestlocaties van de grutto blijvend verstoord door het toekomstige fietspad. Voor zover bekend op basis van www.waarneming.nl zijn er weinig tot geen grutto’s aan de oostzijde binnen de 200 meter-zone van het tracé (zie figuur 3; kaartbeelden voor kievit, scholekster en tureluur laten een vergelijkbaar beeld zien). Bij wijze van worst-casebenadering wordt uitgegaan van 5 broedparen grutto’s die blijvend worden verstoord (Dick van H.: mee eens? Wat broedt er precies aan grutto’s binnen 200 m ten oosten van het tracé?) Waarnemingen grutto’s 2014-2019 (bron: www.waarneming.
1
A.J. Beintema, O. Moedt & D. Ellinger (1995): “Ecologische Atlas van de Nederlandse Weidevogels”.
Om nieuw grutto-leefgebied te ontwikkelen binnen het Oudeland van Strijen is het noodzakelijk om de “zwakste schakels” qua weidevogelkwaliteit te versterken. BIJ122 geeft aan dat de belangrijkste verklarende factor in de negatieve populatieontwikkeling de productie van vliegvlugge jongen is. Het intensieve grondgebruik speelt hierbij een belangrijke rol. Andere factoren die in sommige gebieden een rol spelen, zoals stadsuitbreiding, afname openheid en predatie zijn in het Oudeland niet of veel minder aan de orde. Predatie vormt alleen een probleem als het nest- en opgroeihabitat van onvoldoende kwaliteit is3. BIJ12 benoemt de volgende doelsoortspecifieke terreinkenmerken met betrekking tot de overleving van jonge grutto’s: Aanwezigheid jongen (half april-half juli): Aanwezigheid van een kruidenrijke en in hoogte en dichtheid gevarieerde graslandvegetatie is essentieel voor de kuikens. Ze vinden hier schuilgelegenheid en voedsel. Het ideale kuikenland bestaat uit laagproductieve en weinig bemeste hooi- en weilanden. Het hooitijdstip ligt hier na half juni. Afstand tussen nest en voedselgebied van kuikens varieert tussen 0 en 5 km, maar is (in geschikte habitat) meestal minder dan 400 m. kunnen ze ook grotere afstanden overbruggen tussen geschikte percelen. De maximale afstand per leeftijdsklasse bedraagt: o 0-10 dagen 225 m; o 10-20 dagen 385 m; o 20 dagen 500 m.
In aanvulling op min. één aaneengesloten, extensief gebruikt brongebied van 250 ha moet het opgroeigebied voor kuikens(‘kuikenland’) zoveel mogelijk aaneengesloten liggen. Tenminste 10 ha moet aaneengesloten zijn om voldoende kuikens per broedpaar vliegvlug te krijgen. Grote, aaneengesloten oppervlaktes kuikenland leiden tot een betere overleving van gruttokuikens dan kleine. Gruttokuikens verkiezen grasland dat: o Niet beweid wordt/beweid is geweest; o Niet recent gemaaid is; o Grashoogte van tenminste 15cm heeft. Op ongemaaid grasland lopen kuikens een veel kleinere kans om gepredeerd te worden dan op gemaaid grasland In optimale weidevogelgebieden zijn grutto-dichtheden mogelijk van 20 broedparen per 100 hectare4. Voor het compenseren van het verlies van 5 broedparen grutto’s is dus 25 hectare optimaal beheer grasland noodzakelijk. Geschikte compensatiemogelijkheden Wanneer de waarnemingen van grutto’s worden vergeleken met de ligging van de beheerspakketten en het reservaatsgebied van Staatsbosbeheer (figuur 4) dan valt op dat de lengte van de rustperiode slechts gedeeltelijk bepalend is voor de aantallen grutto’s. In het reservaatsgebied zijn lokaal aanzienlijk grotere aantallen grutto’s aanwezig, onder meer als gevolg van een hoger waterpeil, een gevarieerdere grasmat en daardoor meer voedsel voor de jonge grutto’s.
Ook plas-drassituaties zijn succesvol indien deze gecombineerd worden met naastgelegen graslanden met een uitgestelde maaidatum tot minimaal 1 juni. Dit zijn allen relevante sturingsvariabelen voor een succesvol weidevogelbeheer.
https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/subsidiestelsel-natuur-enlandschap/agrarisch-natuurbeheer-anlb/kennisbank/doelsoorten/grutto/ 3 SOVON (2018): “Vogelatlas van Nederland” 4 SOVON (2018): “Vogelatlas van Nederland” 2
Ligging beheerspakketten t.o.v. waarnemingen grutto’s 2014-2019
Voorstel compensatie Voor het vinden van een geschikte locatie voor en invulling van nieuw grutto-leefgebied gelden daarom de volgende voorwaarden: - Minimaal 25 hectare met (verbeterd) grutto-vriendelijk beheer; - Buiten de 200 meter zone van het nieuwe fietspad; - Rustperiode 1 april -1 juni in combinatie met: o kruidenrijke graslanden o Plas-drassituaties Dit kan worden gerealiseerd in de vorm van geheel nieuwe beheersovereenkomsten met agrariërs of door het “aanscherpen” van bestaande beheersovereenkomsten (met alleen een rustperiode) met maatregelen die de ecologische kwaliteit van de graslanden verhogen. In overleg met Coöperatie Collectief Hoeksche Waard (CCHW) zal moeten worden bepaald waar deze compensatie kan worden gerealiseerd en welke kosten hiermee gemoeid zijn en hoe lang deze kosten doorlopen. De benodigde financiële middelen komen dan ten laste van de gemeente Hoeksche Waard, de initiatiefnemer van het nieuwe fietspad .