CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen toelichting Bijlage 8 Aeriusberekening

Besluitvormende raad 16 februari 2021, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan correctieve herziening Nieuw-Beijerland II7.424 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Toets Wet natuurbescherming Stikstof en ammiakdepositie Akkerdreven/Damsgaard en Dorpsgaard te Nieuw-Beijerland

Toets Wet natuurbescherming Stikstof en ammoniakdepositie Akkerdreven/Damsgaard en Dorpsgaard te Nieuw-Beijerland

Uitgevoerd door:

Natuurbank Overijssel

Opdrachtgever: Contactpersoon:

BJZ.NU dhr. W. Bekke Twentepoort Oost 16a 7609 RG ALMELO

Projectnummer en versie: 1580B versie 1.0 Projectleider: Ing. P.Leemreise Ligging projectgebied: Nieuw-Beijerland

Veldmedewerker(s): Ing. P.Leemreise

Status: definitief Rapportdatum: 26-9-2018

Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten E. Tel:

info@natuurbankoverijssel.nl 0543-451142 / 0614-435700

1

Inhoudsopgave 1 Inleiding............................................................................................................................................ 3 1.1 Aanleiding .................................................................................................................................. 3 1.2 Doel ........................................................................................................................................... 4 1.3 Leeswijzer .................................................................................................................................. 6 2 Beschrijving Natura2000-gebied Oude Maas en Haringvliet.................................................................. 7 2.1 Natura2000-gebied Oude Maas ................................................................................................... 7 2.2 Natura2000-gebied Haringvliet .................................................................................................... 9 3 Effectenanalyse .............................................................................................................................. 13 3.1 Permanente verstoringsfactoren................................................................................................

13 3.2 Tijdelijke verstoringsfactoren..................................................................................................... 14 4 Nadere analyse stikstofdepositie ...................................................................................................... 15 4.1 Uitgangspunten berekening gebruiksfase ................................................................................... 15 4.2 Uitgangspunten berekening bouwfase (tijdelijk project gedurende 2 jaar) .................................... 16 5 Effectbeoordeling ........................................................................................................................ 18 5.1 Tijdelijk project (bouwfase)........................................................................................................ 18 5.2 Exploitatiefase (gebruiksfase) .................................................................................................... 19 5.3 Effect op Natura2000 ................................................................................................................ 21 5.4 Wettelijke consequentie............................................................................................................ 21

2

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Er zijn concrete plannen voor de ontwikkeling van twee nieuwe woonwijken ten zuiden van de kern Nieuw-Beijerland, te weten de wijk Akkerdreven/Damgaarde en Dorpsgaard. In de wijk Akkerdreven/Damgaarde worden 100 nieuwe woningen gebouwd en in de wijk Dorpsgaard worden 7 woningen gebouwd. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van beide wijken weergegeven.

Plattegrond van de wenselijke uitbreiding (bron: Madmax Diesajn).

Woonwijk Dorpsgaard In deze woonwijk worden 7 woningen gebouwd in een bestaande hoogstam fruitboomgaard. De wijk wordt ontsloten via de Dorpsgaard richting het dorp en Buitenom. Op onderstaande afbeelding wordt een impressie gegeven van de mogelijke inrichting van de nieuwe wijk.

Verbeelding van de mogelijke inrichting van de wijk Dorpsgaard. De inrichting is nog niet definitief (bron: BJZ.NU).

3

Woonwijk Akkerdreven/Damgaard In deze wijk worden 100 nieuwe woningen gebouwd. De wijk wordt aan de oostzijde ontsloten via Appelgaard en een zuidelijk daarvan gelegen ontsluitingsweg en dan via Dorpsgaard richting Buitenom. Aan de westzijde wordt de wijk ontsloten via een toegangsweg naar de Oudendijk.

Verbeelding van de mogelijke inrichting van de wijk Akkerdreven/Damgaard.

Op 15 augustus 2018 heeft Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd in het plangebied (Rapport 1580 van Natuurbank Overijssel). In voorgenoemde quickscan worden de voorgenomen fysieke activiteiten, zoals het rooien van beplanting, het dichtgooien van sloten, het bouwrijp maken van het plangebied en het bouwen van de uitbreiding, getoetst aan wet- en regelgeving m.b.t. beschermde planten en dieren en –gebieden. In deze beoordeling wordt niet ingegaan op mogelijke negatieve gevolgen van de voorgenomen activiteiten op Natura2000-gebied als gevolg van de emissie van fossiele brandstoffen tijdens de bouw- en exploitatiefase. Met behulp van het programma Aerius Caluculator (www.calculator.aerius.nl) is de totale emissie NOX (kg/jaar) berekend die uitgestoten tijdens de aanleg en gebruiksfase. Op basis van deze berekende emissie kan de depositie NOX op beschermde Habitattypen in Natura2000-gebied (mol/ha/jaar) berekend worden.

1.2 Doel Rondom het plangebied liggen verschillende Natura2000-gebieden, waaronder het Natura2000-gebied Oude Maas en het Natura2000-gebied Haringvliet. Het plangebied ligt 4,2 kilometer ten zuiden van het Natura2000-gebied Oude Maas en 4,1 kilometer afstand van het Natura2000-gebied Haringvliet. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van beide Natura2000-gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven.

4

Natura2000-gebied Oude Maas

Natura2000-gebied Haringvliet

Ligging van het Natura2000-gebied Oude Maas en Haringvliet in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de ovaal aangeduid.

Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. In de toets aan de Wet natuurbescherming wordt in eerste instantie kwalitatief beoordeeld of er negatieve effecten op Natura 2000-waarden zijn te verwachten.

Binnen deze toets staat de volgende vraag centraal: Kan het voornemen van de realisatie en gebruik van de nieuwe woonwijken en alle ingrepen die daar aan gekoppeld zijn - gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor de Natura 2000-gebieden in de (directe) omgeving - de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in die gebieden verslechteren of een significant verstorend effect hebben op de soorten waarvoor de gebieden zijn aangewezen? en zo ja, kan dit negatieve effect significant zijn? Of kunnen deze effecten bij voorbaat redelijkerwijs uitgesloten worden?

5

Een toets kan drie mogelijke uitkomsten geven: • Negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Verdere toetsing is niet nodig. • Negatieve effecten kunnen niet worden uitgesloten, maar leiden niet tot een significante aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. In dit geval dient een “verslechteringstoets” uitgevoerd te worden. • De ontwikkeling leidt tot negatieve effecten, die kunnen leiden tot significante aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. In dit geval is het noodzakelijk om een “passende beoordeling” uit te voeren. In een passende beoordeling wordt meer in detail de kans op een significant effect beoordeeld al dan niet met de inzet van mitigerende maatregelen.

Wettelijk kader: Natura 2000 en Wet natuurbescherming Binnen de EU worden de belangrijkste leefgebieden van de meest bedreigde en waardevolle soorten en habitattypen aangewezen als Natura 2000-gebied. Deze Natura 2000-gebieden moeten samen een Europees ecologisch netwerk vormen om de achteruitgang van de biodiversiteit te keren. De juridische basis voor dit netwerk zijn de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, welke in Nederland zijn doorvertaald in de Wet natuurbescherming (Wn). Per gebied worden voor de soorten en habitattypen instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Dit kunnen behouds- of uitbreidings/verbeteringsdoelstellingen zijn. Het is verplicht om plannen en projecten te beoordelen op de gevolgen voor deze instandhoudingsdoelstellingen. Voor projecten geldt een vergunningplicht als het project een verslechterend of significant verstorend effect kan hebben op een Natura 2000-gebied. Bij vaststelling van plannen moet het bevoegd gezag rekening houden met de gevolgen van het plan voor Natura 2000gebieden.

1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden de nabij het plangebied gelegen Natura2000-gebieden Oude Maas en Haringvliet beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op mogelijke typen verstoring die op kunnen treden als gevolg van de voorgenomen activiteit, in hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de rekenwaarden die gebruikt zijn in het model en in hoofdstuk 5 worden de resultaten van de berekeningen gepresenteerd. Om het effect van de voorgenomen activiteiten te berekenen is alleen de gekeken naar de uitbreiding. De huidige situatie, waarbij delen van het plangebied benut worden in de tuin- en landbouw, is niet berekend. Door het wijzigen van de gebruiksfunctie, komt de mogelijke emissie (en depositie) van NOx voor deze functie te vervallen. Een vergelijking tussen de huidige en de nieuwe functie zal wel uitgevoerd worden wanneer blijkt dat er een overschrijding van de grenswaarde depositie NOx op beschermd natuurgebied plaats vindt.

6

2 Beschrijving Natura2000-gebied Oude Maas en Haringvliet 2.1 Natura2000-gebied Oude Maas Algemeen Het Natura2000-gebied Oude Maas is aangewezen als Habitatrichtlijngebied. De Oude Maas is een rivier die onder invloed van eb en vloed staat. De smalle uiterwaarden vormen het grootste, nog resterende zoetwatergetijdengebied van ons land. Door afsluiting van het Haringvliet is de getijdendynamiek afgenomen. Hoge delen van het gebied worden daarom bij getijdenhoogwaters niet meer regelmatig overspoeld. De gebieden bestaan uit getijdengrienden, wilgenbossen en vochtige terreinen met een rieten ruigtevegetaties. De staatssecretaris van EL&I heeft voor Oude Maas op vrijdag 30 september 2011 het wijzigingsbesluit gepubliceerd. De Digitale Ter Inzage Legging is van donderdag 6 oktober tot en met donderdag 17 november 2011. Beroepen kunt u indienen van vrijdag 7 oktober tot en met donderdag 17 november 2011. Kenschets De Oude Maas is een rivierloop ten zuiden van Rotterdam, waarvan de smalle uiterwaarden het enige nog resterende zoetwatergetijdengebied in ons land vormen met een getijdenamplitudo die tot één meter reikt. Het gebied is van internationaal belang vanwege de uitgestrekte wilgenbossen (vloedbossen) en soortenrijke ruigten, en ook biedt het een leefgebied aan de Noordse woelmuis. Landschap De Oude Maas is een van de vele rivierarmen in het mondingsgebied van Rijn en Maas.

Het betreft een aftakking van de Merwede die over zo'n 30 km vanaf Dordrecht naar Hoogvliet stroomt, alwaar deze afwatert op de Nieuwe Waterweg die in verbinding staat met de zee. Het mondingsgebied van de Rijn en de Maas is in de loop der eeuwen sterk aan verandering onderhevig geweest. In de Late Middeleeuwen was het gebied een lappendeken van eilanden, slikplaten en riviertakken met een brede monding naar zee. Omdat de eilanden regelmatig door hoge stormvloeden overstroomden, begon men in de 13de en 14de eeuw met het afdammen van rivierarmen en het aanleggen van - betrekkelijk lage - dijken. De benedenloop van de Maas werd als een van de eerste rivierarmen omgelegd en alleen de Afgedamde Maas in de Hoekse Waard getuigt nu nog van de oude loop. De Oude Maas was oorspronkelijk de benedenloop van de Waal, maar ging door de omleggingen het water van de Maas afvoeren. Na het ontstaan van het Hollands Diep en het Haringvliet (als gevolg van de Sint-Elizabethsvloed in 1421) vormden deze de hoofdafvoer van het Maas- en Waalwater, terwijl een kleiner deel via de Oude Maas naar zee stroomde. De oude loop van de Maas is omstreeks 1900 weer gedeeltelijk hersteld door de aanleg van de Amer in de oude bedding. Door de afsluiting van het Haringvliet in 1970 zijn de getijden in het benedenrivierengebied sterk gereduceerd, waardoor het landschap en de vegetatie ingrijpend zijn veranderd.

De enige riviertak waar nog een behoorlijke invloed van eb en vloed bleef bestaan, is de Oude Maas, die via de Nieuwe Waterweg met de zee in verbinding staat. Vroeger stond deze rivier ook via het Spui en Haringvliet in contact met de zee, zodat ook in de Oude Maas de getijdeninvloed iets is afgenomen als gevolg van de Deltawerken. Het getijde is echter, met een getijverschil van 80 tot 100 cm, nog steeds de dominante milieufactor in het gebied. Langs de Oude Maas zijn de biezenvelden, rietvelden en ruigten de laatste decennia in omvang afgenomen, terwijl de wilgenbossen zich hebben uitgebreid en op veel plaatsen zijn doorgeschoten. De oorzaken van deze veranderingen zijn het stoppen van beheer (van biezenvelden, rietlanden en grienden). Daarnaast is door de afsluiting van de zee door de Deltawerken niet alleen het getijverschil iets afgenomen, maar is de Oude Maas tevens meer water gaan verwerken, waardoor de stroming sterker is geworden. Dit heeft, samen met de intensivering van de scheepvaart, geleid tot een diepere bedding en tot meer erosie van de oevers. 7

Natuurwaarden De vloedbossen van de associatie Cardamino amarae-Salicetum albae zijn een zeldzaam voorbeeld van het habitattype Alluviale bossen (H91E0). Langs de Oude Maas wordt momenteel zo'n 300 hectare ingenomen door dergelijke wilgenbossen. De boomlaag bestaat uit diverse wilgensoorten, waarbij Schietwilg (Salix alba) en Katwilg (Salix viminalis) op de meeste plaatsen domineren. Daarnaast is de Duitse dot (Salix dasyclados) is een kenmerkende soort. Opvallende soorten in de kruidlaag zijn Bittere veldkers (Cardamine amara), Spindotterbloem (Caltha palustris subsp. araneosa), Groot springzaad (Impatiens nolitangere) en Grote engelwortel (Angelica archangelica). De ondergroei vertoont een duidelijke zonering, afhankelijk van de inundatie. Op de meest natte delen groeien onder meer Groot moerasscherm (Apium nodiflorum), Waterpeper (Polygonum hydropiper) en Grote waterweegbree (Alisma plantagoaquatica). Dit type vloedbos (de subassociatie alismatetosum) wordt bij elk hoogwater overstroomd. Het is beperkt tot het zoetwatergetijdengebied en zeer zeldzaam geworden. Op iets hogere maar nog steeds vochtige delen groeit op sommige plaatsen een wilgenbos met veel Zomerklokje (Leucojum aestivum).

Nog hoger in de zonering domineren vooral ruigtekruiden de ondergroei, zoals Fluitenkruid (Anthriscus sylvestris), Echte valeriaan (Valeriana officinalis) en Ridder zuring (Rumex obtusifolius). De wilgenbossen zorgen voor een vochtig microklimaat waarin veel soorten epifytische mossen een groeiplaats vinden. Langs de Oude Maas betreft dit onder meer verschillende soorten uit de geslachten Haarmuts (Orthotrichum), Iepenmos (Zygodon) en Baardmos (Usnea). Een algemeen mos op de oevers is Gesna veld boogsterrenmos (Plagiomnium rostratum), dat buiten het zoetwatergetijdengebied in ons land ook algemeen aangetroffen wordt op kalkrijke substraten in het Zuid-Limburgse Heuvelland. Ruigtebegroeiingen (H6410) zijn in het gebied achteruitgegaan door uitbreiding van het wilgenbos, maar op andere locaties juist uitgebreid door verwaarlozing van rietvelden. De grootste locatie met soortenrijke ruigte wordt hier aangetroffen in de Rhoonse Grienden. Naast typische soorten als Moerasspirea (Filipendula ulmaria), Grote kattenstaart (Lythrum salicaria) en - hoger in de zonering - onder meer Rivierkruiskruid (Senecio sarracenicus), Gewone berenklauw (Heracleum sphondylium) en Fluitenkruid, komen als bijzonderheden van het getijdensysteem de soorten Zomerklokje, Spindotterbloem en Bittere veldkers voor.

Voor het zeldzame Zomerklokje herbergen de ruigten langs de Oude Maas de grootste groeiplaats in Noordwest-Europa. In het deelgebiedje Klein Profijt werden er in 2005 ongeveer 50.000 geteld. De Rivierkruiskruidvegetatie (associatie Valeriano-Senecionetum fluviatilis) is in haar verspreiding beperkt tot onze benedenrivieren en daarmee van grote internationale betekenis. In rietvelden in de westelijke uitloper van de Oude Maas wordt nog de brakwatersoort Echt lepelblad (Cochlearia officinalis subsp. officinalis) aangetroffen.

Biezenvelden zijn eveneens zeer kenmerkend voor een goed ontwikkeld zoetwatergetijdengebied, maar ze worden niet gerekend tot enig habitattype. Driekantige bies (Schoenoplectus triqueter) is het meest kenmerkend voor het Zoetwatergetijdengebied, maar is in ons land uiterst zeldzaam geworden. Daarnaast bestaan de velden uit Mattenbies (Schoenoplectus lacustris), Ruwe bies (Schoenoplectus tabernaemontani), Zeebies (Bolboschoenus maritimus) en de kruising tussen Mattenbies en Driekantige bies (Schoenoplectus x carinatus). De biezenvegetatie staat op de laagste delen van bij laagwater droogvallende slikplaten, een pioniermilieu bij uitstek. Het getijde zorgt hier voor een grote dynamiek, waardoor andere soorten zich niet weten te vestigen. Vroeger strekten deze vegetatie zich als een smalle zone uit over een lengte van kilometers. Na het wegvallen van het getij zijn de biezen in het benedenstroomse gebied van de grote rivieren vrijwel overal verdwenen, zowel door erosie van slikoevers (gevolgd door de aanleg van harde oeververdedigingen) als door uitbreiding van rietvelden op te luw geworden plekken. De uiterwaarden van de Oude Maas herbergen de laatste natuurlijke biezenvelden, maar het areaal is afgenomen van 25 ha in 1987 tot minder dan 15 ha nu. Driekantige bies groeit tegenwoordig nog maar op een enkele plek langs de rivier.

De resterende velden liggen samen met rietvelden in de beschutting van harde oeververdedigingen.

8

Dankzij de dynamiek van de getijden vormen rietvelden en ruigten een geschikt leefgebied voor de Noordse woelmuis. Door het stoppen van beheer hebben grote oppervlakten riet- en ruigtebegroeiingen zich echter ontwikkeld tot bos, waarmee een flink verlies aan habitat voor de soort is opgetreden. Waarschijnlijk resteert alleen nog een kleine populatie van het knaagdiertje in het gebied Klein Profijt. In 2005 is hier natuurontwikkeling in gang gezet, die in de toekomst moet resulteren in een vergroting van het leefgebied van de soort. De resterende grienden zijn een belangrijke broedplaats voor vele zangvogels waaronder de Blauwborst. Langs de oevers broeden her en der kluten en pleviertjes. Vooral in de winter zijn in het Natura 2000gebied de nodige watervogels te zien. In het bijzonder Kuifeend, Tafeleend, Krakeend en Wilde eend zijn talrijk. In de trektijd worden geregeld visarenden en lepelaars opgemerkt. (tekst: kopie uit www.SynbiosysAlterra.nl). Doelstelling Voor het Natura2000-gebied Oude Maas zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd voor drie Habitattypen en twee Habitatsoorten (zie onder).

Habitattypen en –soorten waarvoor instandhoudingsdoelen in het Natura2000-gebied Oude Maas zijn vastgesteld.

2.2 Natura2000-gebied Haringvliet Algemeen Het Natura2000-gebied Haringvliet is aangewezen als Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijngebied. Het Haringvliet is een afgesloten zeearm die via een open verbinding met het Hollands Diep deel uitmaakt van de delta van Rijn en Maas. Na de voltooiing van de Haringvlietsluizen in 1970 viel het getij in het voormalige brakke getijdengebied grotendeels weg. Het water werd zoet tot aan de sluizen en het getij werd beperkt. Het Haringvliet vormt nu een groot zoetwaterbekken, dat alleen via Spui, Oude Maas en Nieuwe Waterweg nog in verbinding staat met de Noordzee. Het peil wordt beïnvloed door de Haringvlietsluizen en de bovenstroomse stuwen. Aan de oevers van Voorne-Putten, de Hoeksche Waard en Goeree-Overflakkee bestaat het landschap uit grasgorzen, riet- en biezenvelden, begroeide en onbegroeide zand- en slikplaten grenzend aan het open water. Een aantal voormalige platen zijn door vooroeververdediging en aanvulling met grond uitgegroeid tot uitgestrekte gebieden (Ventjagersplaten en Slijkplaat). In het Haringvliet ligt het eiland Tiengemeten. Een deel van de rietlanden en zilte gorzen is door begrazing omgevormd in grasland van brakke bodem (zilverschoonverbond), terwijl onbegraasde delen zich ontwikkeld hebben tot riet, brakke ruigte en struweel.

Kenschets Het Haringvliet is een afgesloten zeearm met in de oeverzone een uitgebreid areaal aan slikken en gorzen. Midden in de zeearm ligt het eiland Tiengemeten. Na de afsluiting in 1970 verzoette het (brakke) getijdengebied, waarbij erosie van oevers optrad en grote delen van het gebied dichtgroeiden. Op grote schaal zijn oeververdedigingen aangelegd en wordt natuurontwikkeling uitgevoerd. Het gebied is vooral belangrijk voor kustbroedvogels en ganzen, voor de Noordse woelmuis en in potentie voor trekvissen. Er zijn plannen om via een gewijzigd sluisbeheer weer meer dynamiek in het gebied toe te laten.

9

Landschap De geschiedenis van het Haringvliet begint bij de stormvloed van 1216. Voorne en Goeree waren tot dan toe met elkaar verbonden, maar de stormvloed sloeg een gat in de duinen. Het zeewater drong in de daaropvolgende decennia steeds dieper het land in en bereikte in 1250 de Striene, een waterloop die destijds de Maas met de Schelde verbond. Het Haringvliet is dus van buitenaf ontstaan en met recht een zeearm te noemen, in plaats van een riviertak. Als gevolg van de Sint-Elizabethsvloed in 1421 traden opnieuw drastische veranderingen op. Met de vorming van de Biesbosch ontstond min of meer de situatie die vele eeuwen zou voortbestaan. Zout water drong, zowel door het Haringvliet als via het KrammerVolkerak, naar binnen tot aan Willemstad. Het getij hield in het Haringvliet brakke intergetijdengebieden in stand, die namen droegen als Scheelhoek, Slijkplaat, Beninger en Korendijkse Slikken, Blankenslikken van Tiengemeten en Ventjagersplaten. Tiengemeten was in het begin van de 17de eeuw ontstaan als een droogvallende plaat, toen nog met een oppervlakte van tien gemet, een oude vlaktemaat van ruim 0,4 ha. Na de watersnoodramp van 1953, waarbij Tiengemeten geheel overstroomde, werd het Haringvliet opgenomen in het Deltaplan.

Met de voltooiing van de Volkerakdam aan de oostkant (in 1969) werd het Haringvliet afgesloten van het Krammer-Volkerak, waarbij ook een deel van de Ventjagersplaten (Hellegatsplaten) werd afgesneden. Bij de bouw van de Haringvlietdam werd de Scheelhoek, tot dan toe een eiland, bij het vasteland van Flakkee getrokken. In 1970 werd de dam voltooid en de dynamiek van de zeearm beteugeld. De Haringvlietdam kreeg een spuisluizencomplex met lengte van een kilometer voor de afvoer van het rivierwater, maar het getij werd beperkt tot een verschil van ongeveer 20 cm en kreeg een weinig regelmatig verloop. Het water in het Haringvliet verzoette vervolgens volledig. Drooggevallen slikken en zandplaten raakten begroeid, en waren vervolgens net als de bestaande gorzen onderhevig aan afslag, een gevolg van het vaak langdurig gefixeerde peil. Om ze te beschermen werden daarom tussen 1984 en 1995 vooroevers aangelegd. Na 1985 vonden diverse zandopspuitingen plaats en werden allerlei eilandjes aangelegd in het kader van natuurontwikkeling. Een laatste grootschalige ontwikkeling is de transformatie van Tiengemeten, dat geheel aan de natuur is teruggegeven. Het eiland is sinds 1997 in eigendom van Natuurmonumenten en in 2006 werd het laatste van de zes vroegere akkerbouwbedrijven uitgekocht.

De negatieve gevolgen van de afsluiting van de zeearmen, in het bijzonder voor trekvissen, hebben geleid tot plannen om via een gewijzigd sluisbeheer weer getij en zout water binnen te laten. De bedoeling is om de sluizen in beperkte mate ook bij hoog water open te zetten ('de kier'), zodat zich weer een brakwaterzone kan instellen en de trekmogelijkheden voor vissen verbeteren. Natuurwaarden Het aanzien van het Haringvliet is door de afsluiting welhaast onherkenbaar veranderd. Door het nagenoeg wegvallen van het getij verdwenen grote delen van de slikken en vond afslag plaats van de gorzen. Daarbij verdween een groot deel van de biezenvegetatie, en ook begroeiingen van slikkige rivieroevers (H3270) namen in omvang af. De droge delen van de gorzen verruigden, hoewel brakke aspecten niet geheel zijn verdwenen. Zo wordt in het Haringvliet nog steeds de grootste oppervlakte aangetroffen van ruigten met Heemst (Althaea officinalis), behorend tot habitattype 6430. Van de verruiging profiteerden bepaalde vogelsoorten. Zo broeden de voorheen schaarse Blauwborst en Rietzanger tegenwoordig beide met meer dan 400 paar in het gebied. In het water werden de overwegend mariene vissen vervangen door een vispopulatie waarin Brasem en Snoekbaars overheersen. Als gevolg van de korte verblijftijd bleef het water echter relatief helder, zeker nadat in de jaren 1980 de fosfaatgehalten halveerden.

De vistrek wordt door de aanleg van de sluizen sterk gehinderd, maar beperkte aantallen trekvissen weten tijdens het spuien toch nog binnen te dringen. Vooral Diklipharder en Rivierprik, maar ook Zeeprik, Zeeforel en Fint worden jaarlijks in beperkte aantallen gevangen. Ook komen nog enkele zoute en estuariene kreeftachtigen voor in het westelijke deel van het Haringvliet, zoals Strandkrab (Carcinus maenas), Gewone garnaal (Crangon crangon) en de Langneussteurgarnaal (Palaemon longirostris). De zoute en brakke bodemfauna verdween echter geheel, en op de bodem vestigde zich een populatie van de Driehoeksmossel (Dreissena polymorpha), vooral in het oostelijke deel van het meer met hoge dichtheden.

10

Onder de zoogdieren wist een soort als de Noordse woelmuis te profiteren van de veranderingen. Deze soort is zeer mobiel en kon bijvoorbeeld gebieden die bij de stormramp van 1953 onder water raakten, nog in het zelfde jaar herkoloniseren. Onder weinig dynamische omstandigheden wordt de soort echter snel weggeconcurreerd door Aardmuis en Veldmuis. Om die reden is ook het recent invoeren van aardmuizen op Tiengemeten mogelijk rampzalig voor de aanwezige populatie Noordse woelmuis. Ook rond de Scheelhoek komen nog noordse woelmuizen voor, maar deze staan niet in contact met de populatie van Tiengemeten. Voor Grauwe gans, Brandgans en Smient zijn de grasgorzen van de Beninger en Korendijkse Slikken van belang als foerageergebied. Het Haringvliet heeft verder een functie als slaapplaats voor vogels die in de ruimere omgeving foerageren. De Dwerggans nam in de jaren 1990 de Korendijkse Slikken als een van de belangrijkste Nederlandse pleisterplaatsen in gebruik. Deze zeldzame soort is in Nederland toegenomen als gevolg van herintroductie in Zweden. Van de waterplanteneters is vooral de Krakeend talrijk. Het aanbod aan wintervogels trekt relatief veel slechtvalken naar het gebied, en ook de Visarend is relatief algemeen. Groot is ook de betekenis van het Haringvliet voor kustbroedvogels.

De aanwezigheid van deze vogels geeft het westelijke deel van het gebied nog steeds een estuarien karakter. Een deel van deze vogels, met name sterns, foerageert in de Voordelta. Deze vogels hebben sterk geprofiteerd van de aanpassingen aan de voormalige intergetijdengebieden en eilanden, vooral van de aanpassingen aan de Slijkplaat en Scheelhoek. Vanaf 1996 namen de aantallen broedparen van Kluut, Bontbekplevier, Strandplevier, Visdief en Dwergstern duidelijk toe, hoewel de vegetatiesuccessie inmiddels weer heeft geresulteerd in wat lagere aantallen. Ook bij de opkomst van de Brandgans als broedvogel in Nederland spelen deze gebieden een belangrijke rol. De grootste Nederlandse kolonie bevond zich de laatste jaren op de Slijkplaat. Verrassend was de vestiging van de Grote stern op een van de eilandjes bij de Scheelhoek. In 2005 broedden hier maar liefst zo'n 2.100 paren, waarbij gelijktijdig de grote kolonie van de Hompelvoet in de Grevelingen verdween. Met een sterke toename van het aantal broedparen van de Zwartkopmeeuw vanaf 1999 heeft het westelijke Haringvliet het stokje overgenomen van het Volkerak als belangrijkste broedplaats voor deze soort in de Benelux. De grootste kolonie bevindt zich op de Slijkplaat. Een sterke toename van de Dwergstern (in 1997 en 1998) ging gepaard met een afname van dezelfde orde in het Volkerak.

In de jaren daarna broedde een vijfde tot een kwart van de Nederlandse populatie in het Haringvliet. Voor de Dwergstern waren vooral de Ventjagersplaten belangrijk. Ook de Kluut heeft zijn zwaartepunt relatief oostelijk, met belangrijke aantallen op de Ventjagersplaten en zeer recent in het nieuwe natuurontwikkelingsgebied van de Westplaat. Handhaving van de populaties van broedvogels van kale grond is bij gebrek aan natuurlijke dynamiek afhankelijk van nieuwe zandopspuitingen en ingrepen die de successie van de vegetatie tegengaan. In de toekomst kan bij aanpassing van het beheer van de Haringvlietsluizen een deel van dergelijke invloeden misschien weer worden overgenomen door de natuurlijke dynamiek van het getij.

(tekst: kopie uit www.SynbiosysAlterra.nl). Doelstelling Voor het Natura2000-gebied Haringvliet zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd als Habitatrichtlijngebied en als Vogelrichtlijngebied. Voor het Habitatrichtlijngebied zijn instandhoudingsdoelen vastgesteld voor drie Habitattypen en acht Habitatsoorten. Voor het Vogelrichtlijngebied zijn instandhoudingsdoelen voor tien broedvogelsoorten vastgesteld en 26 nietbroedvogelsoorten.

11

Habitattypen en –soorten waarvoor instandhoudingsdoelen in het Natura2000-gebied Haringvliet zijn vastgesteld.

Broedvogel- en niet-broedvogelsoorten waarvoor instandhoudingsdoelen in het Vogelrichtlijngebied Haringvliet zijn vastgesteld.

12

3 Effectenanalyse In dit hoofdstuk wordt bekeken welke verstoringsfactoren via externe werking een negatief effect zouden kunnen hebben op het Natura2000-gebied in de omgeving van het plangebied als gevolg van het project. Storingsfactoren kunnen een direct effect op de instandhoudingsdoelen hebben (bijvoorbeeld het doden van dieren of het verdwijnen van oppervlak habitattype of leefgebied) of een indirect effect (bijvoorbeeld verandering van de milieucondities, waardoor de leefomstandigheden verslechteren of het blokkeren van een trekroute, waardoor de toegang tot voedsel- of overwinteringsgebieden buiten het Natura 2000gebied wordt geblokkeerd). De realisatie en gebruik van 107 nieuwe woningen in de wijken Akkerdreven/Damgaarde en Dorpsgaard de volgende negatieve effecten veroorzaken: - vermesting door atmosferische depositie De aanleg en het gebruik van de 107 woningen leidt niet tot areaalafname van Natura2000 of tot schadelijke effecten zoals beïnvloeding van kwantiteit en kwaliteit van het (grond)waterpeil, verstoren, verwonden of doden van habitat- en Vogelrichtlijnsoorten. Vanwege de ligging van het plangebied is er geen sprake van optische of akoestische verstoring, licht of trillingen. Ook vindt geen bodemdaling (of verhoging) plaats.

Conform de Wet natuurbescherming dient de voorgenomen ingreep te worden getoetst op (mogelijk) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van het Natura-2000 gebied. Bij de toetsing is waar mogelijk onderscheid gemaakt in permanente verstoringsfactoren (gebruiksfase) en tijdelijke verstoringsfactoren (aanlegfase).

3.1 Permanente verstoringsfactoren Tot de permanente verstoringsfactoren die mogelijk een negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied behoren de volgende aspecten: Stikstofdepositie Verzuring en vermesting vormen een actueel thema bij ontwikkelingen met verkeersaantrekkende werking in de (directe) omgeving van Natura 2000-gebieden. Aan de bronzijde leidt stikstofemissie uit het verkeer tot een potentieel verzurend en vermestend effect in natuurgebieden; aan de zijde van de natuurgebieden is het vooral de aanwezigheid van voor stikstof gevoelige habitattypen en eventueel soorten die bepalen of een natuurgebied gevoelig is voor stikstofdepositie. Door de aanleg en bewoning van de nieuwe woningen zal het inwonertal van Nieuw-Beijerland toenemen met een toename van de verkeersintensiteit op de wegen in de omgeving van het plangebied tot gevolg. In het Natura2000-gebied Oude Maas zijn twee Habitattypen gevoelig voor verzuring en vermesting door N-depositie uit de lucht. Te weten Ruigten & zomen en Vochtige alluviale bossen. In het Natura2000-gebied Haringvliet zijn twee Habitattypen gevoelig voor verzuring en vermesting door N-depositie uit de lucht (Ruigten & zomen en Vochtige alluviale bossen), evenals enkele Vogelrichtlijnsoorten als bontbekplevier, kievit en strandplevier.

Vogelrichtlijnsoorten als bruine kiekendief, grutto, pijlstaart, slechtvalk en visdief zijn zeer gevoelig voor verzuring en vermesting door Ndepositie uit de lucht Mogelijk negatief effect op de gevoelige habitattypen door toename van verkeersbewegingen tijdens de aanleg en gebruik van de woningen is niet met zekerheid uit te sluiten. De nieuwe woningen worden aangelegd zonder aardgasaansluiting. Emissie van NOx als gevolg van het verstoken van aardgas wordt in deze berekening buiten beschouwing gelaten.

13

3.2 Tijdelijke verstoringsfactoren Gedurende de bouw (realisatiefase) treden er mogelijk effecten op zoals een tijdelijke toename van concentraties aan luchtverontreinigende stoffen. Tijdelijk zal er werkverkeer rijden van en naar het plangebied. Het gaat om een beperkt aantal verkeersbewegingen. Samen met de (vaak mobiele) bronnen die bij de bouw gebruikt worden, leiden deze verkeersbewegingen en de inzet van mobiele bronnen mogelijk tot stikstofdepositie op Natura2000gebied. Optische en mechanische verstoring spelen geen rol; bij de werkzaamheden wordt geen natuurgebied betreden. Gelet op de ligging op enige afstand tot Natura2000-gebied, is het niet te verwachten dat geluid, trillingen of menselijke aanwezigheid leiden tot een negatief effect op Natura2000. Tijdelijke effecten op abiotische factoren zoals bodemreliëf, water-, bodem- en luchtkwaliteit en landschappelijke kwaliteiten waarvoor de Natura2000-gebieden in de omgeving van het plangebied zijn aangewezen in het kader van de Habitat- en Vogelrichtlijn, zijn met uitzondering van stikstofdepositie, dan ook uit te sluiten. Conclusie In bovenstaande alinea is nagegaan of de aanleg en bewoning van 107 nieuwe woningen ten zuiden van de dorpskern Nieuw-Beijerland negatieve effecten kan hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied.

ieruit blijkt dat voor de effecten van deze ontwikkeling gekeken dient te worden naar de eventuele verandering van de verkeersintensiteiten op de wegen in de omgeving van het plangebied en naar de effecten daarvan via stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats in het Natura 2000-gebied. Dit zowel voor de realisatiefase als de gebruiksfase.

14

4 Nadere analyse stikstofdepositie 4.1 Uitgangspunten berekening gebruiksfase Het project beoogt de bewoning van 107 nieuwe woningen. Deze nieuwe woningen genereren een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied. Er wordt rekening gehouden met verkeersbewegingen van bewoners en dienstverleners zoals pakketbezorgers. De toename van het aantal verkeersbewegingen van zware vrachtwagens is dusdanig gering tijdens de gebruiksfase, dat deze buiten beschouwing gelaten is omdat de het minimaal aantal verkeersbewegingen dat ingevoerd kan worden in het model 1 per etmaal is. Verkeersgeneratie en afwikkeling De bewoning van de nieuwe woningen in de deelgebieden genereert een toename van het aantal verkeersbewegingen in en rondom het plangebied. Woon-werkverkeer, dienstverlening en het privégebruik van auto’s zal leiden tot een toename van verkeer. Hoe de toename van verkeersbewegingen precies zal verlopen is niet op voorhand aan te geven.

Er is gerekend op basis van de volgende aannames: Aantal: • 6 verkeersbewegingen per woning per etmaal (lichte voertuigen); • 5 verkeersbewegingen in totaal voor de nieuwe wijken van middelzware voertuigen, zoals bezorgdiensten van pakketbezorgers; Route1: • 25% van de verkeersstroom gaat via de Oudendijk, noordelijk van het dorp richting A29 • 25% van de verkeersstroom gaat via de Oudendijk, zuidelijk van het plangebied richting Buitenom en dan rechtstreeks naar de A29; • 50% van de verkeersstroom gaat via de oostelijke ontsluitingsweg, via Wilhelminastraat, naar Buitenom en dan rechtstreeks naar de A29

Aanvoerroutes vervoersbewegingen vanuit beide woonwijken richting Buitenom en dan naar de A29.

1

De gekozen route is een aanname van de feitelijke situatie. Aangenomen wordt dat er in hoofdzaak een toename plaats zal vinden vanuit het plangebied richting A29 vanwege woo-werkverkeer. Uiteraard zal er ook sprake zijn van enige toename van verkeer op andere wegen in de omgeving van het plangebied, maar dat is niet in een rekenmodel te vatten. 15

Aanvoerroutes vervoersbewegingen vanuit het plangebied (totaal) richting A29.

Gebruik cv-installatie Er wordt gasloos gebouwd. Het gebruik van cv-installaties is niet aan de orde.

4.2 Uitgangspunten berekening bouwfase (tijdelijk project gedurende 2 jaar) De bouw van 107 nieuwe woningen genereert zowel een toename van het aantal vervoersbewegingen, onder andere door technisch personeel en de aanvoer van bouwmaterialen), alsmede het gebruik van machines die noodzakelijk zijn tijdens de totale bouwfase zoals mobiele kranen voor het uitgraven van de bouwplaatsen en ontsluitingswegen, tractoren met dumpers voor transport van grond, graven van kabels en leidingen en de aanvoer van bouwmaterialen tijdens de bouw en de afwerking. Aangenomen wordt dat de totale duur van het project 2 jaar bedraagt. Bij vaststellen van de emissie NOx gedurende de bouwfase worden de volgende bronnen opgenomen in het model; Inzet materieel op bouwplaats In onderstaande tabel worden de verschillende machines, de inzet en het verbruik per dag weergegeven. Dit geldt voor de totale duur van het project. type werktuig Inzet mobiele kraan (gehele project) inzet minikraan t.b.v. kabels en leidingen Tractor + dumper buldozer overig, zoals wackers, trilplaat, shovels

klasse STAGE IV, 75-130 kW, bouwjaar 2014/01, Categorie R STAGE IV, 56-75 kW, bouwjaar 2014/01, Categorie R STAGE IV, 75-130 kW, bouwjaar 2014/01, Categorie R STAGE IV, 130-560 kW, bouwjaar 2014/01, Categorie Q STAGE IV, 56-75 kW, bouwjaar 2014/01, Categorie R

verbruik/dag (L) 100 60 100 200

n-dagen 800 240 120 40

totale verbruik (liter) 80.000 14400 12000 8000 4000

De volgende elementen zijn opgenomen in bovenstaande tabel: - bouwrijp maken plangebied. Vergraven en transporteren grond in plangebied; - graven kabels en leidingen; - afwerken plangebied (openbare ruimte, tuinen, park, wegen)

16

Als werkgebied voor de machines is het plangebied aangehouden; zie begrenzing hierboven.

Verkeersgeneratie en afwikkeling Het bouwen van 107 woningen leidt tot een tijdelijke toename van verkeer. Aangenomen wordt dat alle verkeer vanaf de A29 richting plangebied rijdt. Bij het vaststellen van het aantal vervoersbewegingen is rekening gehouden met: • Een bezoek aan het plangebied staat voor 2 verkeersbewegingen; • Vakanties en vrije dagen; • Weekenden; • Er is onderscheid gemaakt tussen verkeer in het plangebied (binnenstedelijk gebied) en op doorgaande wegen buiten het plangebied; De volgende toename van het aantal vervoersbewegingen is opgenomen in het model: Westelijke route: 1. licht verkeer; 20 voertuigen per etmaal (totaal 40 verkeersbewegingen per etmaal) 2. middelzwaar verkeer; 15 voertuigen per etmaal (totaal 30 verkeersbewegingen per etmaal) 3. zwaar verkeer; 5 voertuigen per etmaal (totaal 10 verkeersbewegingen) Als verkeersroute wordt de gelijke route als voor de gebruiksfase gebruikt.

Aangehouden route voor verkeer van- en naar het plangebied.

17

5 Effectbeoordeling De berekeningen zijn uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator. Voor de beoogde situatie is gerekend voor het rekenjaar 2018. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000gebieden is in alle gevallen berekend voor een vergunning Wet natuurbescherming. 5.1 Tijdelijk project (bouwfase) De totale emissie NOX als gevolg van de bouw van 107 woningen bedraagt 844,50 kg/jaar. De totale emissie NH3 als gevolg van de bouw van 107 woningen bedraagt 6,52 kg/jaar

Totale emissie NH3 en NOx van alle gezamenlijke bronnen tijdens de bouwfase.

De totale emissie is opgebouwd uit drie te onderscheiden onderdelen: 1. Inzet materieel t.b.v. bouwrijp maken.

18

2. Verkeersbewegingen van alle personeel en bouwbenodigdheden.

3. Inzet materieel t.b.v. de afwerking en tal van kleine klussen, zoals trilplaten, shovels, wackers, etc.

5.2 Exploitatiefase (gebruiksfase) De totale emissie NOX als gevolg van de bewoning van 107 woningen bedraagt 1096,47 kg/jaar. De totale emissie NH3 als gevolg van de bewoning bedraagt 80,63 kg/jaar

Totale emissie van alle gezamenlijke bronnen voor de exploitatiefase. 19

De totale emissie is opgebouwd uit drie te onderscheiden onderdelen:

Totale emissie tijdens de gebruiksfase.

20

5.3 Effect op Natura2000 De totale stikstofemissie (zowel NOx als NH3) op Natura2000-gebied, als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteit, is volgens Aerius Calculator nergens hoger dan de grenswaarde van 0,05 mol/ha/jaar. Dit geld voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. 5.4 Wettelijke consequentie Op 11 april 2018 is de meest recente lijst met Natura2000-gebieden gepresenteerd met gebieden waarvan de grenswaarde verlaagd is van 1 mol/ha/jaar naar 0,05 mol/ha/jaar. Op deze lijst staan niet de Natura2000-gebied Oude Maas en Haringvliet. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming, voor het aspect depositie NOx en NH3. Er hoeft geen PAS-vergunning aangevraagd te worden en er hoeft geen melding gedaan te worden in het kader van de PAS.

Stroomschema wettelijke consequenties inzake PAS.

21

Bijlagen: Bijlage 1 Aeriusberekening tijdelijke fase (bouwfase) Bijlage 2 Aeriusberekening gebruiksfase

22

Dit document bevat resultaten van een stikstofdepositieberekening met AERIUS Calculator. U kan dit document gebruiken voor de onderbouwing van depositie onder de drempelwaarde (0.05 mol/ha/j) in het kader van de Wet natuurbescherming, afhankelijk van de door u gekozen rekeninstellingen. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en stikstofoxide (NOx), of één van beide. Hiermee is de depositie van de activiteit berekend en uitgewerkt. Op basis van de gekozen rekeninstellingen zijn de resultaten op Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt. Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in de Calculator. Voor meer toelichting verwijzen we u naar de websites pas.bij12.nl, www.aerius.nl en pas.natura2000.nl.

Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositiekaart Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens

Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: www.aerius.nl en pas.natura2000.nl.

S1LnSDDwQtZk (25 september 2018) pagina 1/7

Berekening voor eigen gebruik

Contact

Activiteit

Rechtspersoon

Inrichtingslocatie

Natuurbank Overijssel

diverse straten , 0000AA Nieuw-Beijerland

Omschrijving

AERIUS kenmerk

aanleg woonwijken Akkerdreven/Damsgaard en Dorpsgaard

S1LnSDDwQtZk

Datum berekening

Rekenjaar

Rekeninstellingen

25 september 2018, 12:36

2018

Berekend voor Wnb.

Totale emissie

Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)

Toelichting

Berekening voor eigen gebruik

Situatie 1

NOx

1.096,47 kg/j

NH3

80,64 kg/j

Natuurgebied

Bijdrage

-

-

gebruiksfase van 107 nieuw te bouwen woningen ten zuiden van de kern Nieuw-Beijerland

Situatie 1

S1LnSDDwQtZk (25 september 2018) pagina 2/7

Berekening voor eigen gebruik Locatie Situatie 1

Emissie Situatie 1

Berekening voor eigen gebruik

Bron Sector

Situatie 1

Emissie NH3

Emissie NOx

verkeersbewegingen gebruiksfase Wegverkeer | Binnen bebouwde kom

1,53 kg/j

19,90 kg/j

verkeersbewegingen gebruiksfase Wegverkeer | Binnen bebouwde kom

2,30 kg/j

29,85 kg/j

verkeersbewegingen gebruiksfase Wegverkeer | Binnen bebouwde kom

1,83 kg/j

23,71 kg/j

verkeersbewegingen gebruiksfase Wegverkeer | Buitenwegen

74,97 kg/j

1.023,01 kg/j

S1LnSDDwQtZk (25 september 2018) pagina 3/7

Berekening voor eigen gebruik Depositie natuurgebieden

Hoogste projectbijdrage

Hoogste projectbijdrage per natuurgebied

Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn

Berekening voor eigen gebruik

Situatie 1

S1LnSDDwQtZk (25 september 2018) pagina 4/7

Berekening voor eigen gebruik Emissie (per bron)

Naam

Situatie 1

Locatie (X,Y) NOx NH3

Soort

Voertuig

Standaard

Licht verkeer

Aantal voertuigen (/dag) Stof

Emissie

300,0 NOx NH3

19,90 kg/j 1,53 kg/j

Naam

Locatie (X,Y) NOx NH3

Soort

Voertuig

Standaard

Licht verkeer

Emissie

150,0 NOx NH3

29,85 kg/j 2,30 kg/j

Locatie (X,Y)

NH3

Berekening voor eigen gebruik

Soort

Voertuig

Standaard

Licht verkeer

Situatie 1

verkeersbewegingen gebruiksfase 82394, 425301 29,85 kg/j 2,30 kg/j

Aantal voertuigen (/dag) Stof

Naam

NOx

verkeersbewegingen gebruiksfase 82947, 424787 19,90 kg/j 1,53 kg/j

verkeersbewegingen gebruiksfase 82220, 424455 23,71 kg/j 1,83 kg/j

Aantal voertuigen (/dag) Stof

Emissie

150,0 NOx NH3

23,71 kg/j 1,83 kg/j

S1LnSDDwQtZk (25 september 2018) pagina 5/7

Berekening voor eigen gebruik

Naam

Locatie (X,Y) NOx NH3

Berekening voor eigen gebruik

Soort

Voertuig

Standaard

Standaard

Situatie 1

verkeersbewegingen gebruiksfase 87912, 425365 1.023,01 kg/j 74,97 kg/j

Aantal voertuigen (/dag) Stof

Emissie

Licht verkeer

642,0 NOx NH3

939,99 kg/j 74,75 kg/j

Middelzwaar vrachtverkeer

5,0 NOx NH3

83,02 kg/j < 1 kg/j

S1LnSDDwQtZk (25 september 2018) pagina 6/7

Berekening voor eigen gebruik Disclaimer

Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden verleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.

Rekenbasis

Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2016L_20180822_4e9c9cd914 Database versie 2016L_20170828_c3f058f00f Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/uitleg

Berekening voor eigen gebruik

Situatie 1

S1LnSDDwQtZk (25 september 2018) pagina 7/7

Dit document bevat resultaten van een stikstofdepositieberekening met AERIUS Calculator. U kan dit document gebruiken voor de onderbouwing van depositie onder de drempelwaarde (0.05 mol/ha/j) in het kader van de Wet natuurbescherming, afhankelijk van de door u gekozen rekeninstellingen. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en stikstofoxide (NOx), of één van beide. Hiermee is de depositie van de activiteit berekend en uitgewerkt. Op basis van de gekozen rekeninstellingen zijn de resultaten op Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt. Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in de Calculator. Voor meer toelichting verwijzen we u naar de websites pas.bij12.nl, www.aerius.nl en pas.natura2000.nl.

Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositiekaart Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens

Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: www.aerius.nl en pas.natura2000.nl.

Rrz9oc7GnDcU (25 september 2018) pagina 1/7

Berekening voor eigen gebruik

Contact

Activiteit

Rechtspersoon

Inrichtingslocatie

Natuurbank Overijssel

diverse straten, 0000AA Nieuw-Beijerland

Omschrijving

AERIUS kenmerk

aanleg woonwijken Akkerdreven/Damsgaard en Dorpsgaard

Rrz9oc7GnDcU

Datum berekening

Rekenjaar

Rekeninstellingen

25 september 2018, 14:15

2018

Berekend voor Wnb.

Tijdelijk project, startjaar

Duur in jaren

2018

2

Totale emissie

Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)

Toelichting

Berekening voor eigen gebruik

Situatie 1

NOx

844,16 kg/j

NH3

6,52 kg/j

Natuurgebied

Bijdrage

-

-

inzet materieel en werkverkeer tijdens de gehele bouwfase

Situatie 1

Rrz9oc7GnDcU (25 september 2018) pagina 2/7

Berekening voor eigen gebruik Locatie Situatie 1

Emissie Situatie 1

Bron Sector

inzet materieel gehele bouwfase Mobiele werktuigen | Delfstoffenwinning

verkeersbewegingen Wegverkeer | Buitenwegen

inzet materieel gehele bouwfase Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie

Berekening voor eigen gebruik

Situatie 1

Emissie NH3

Emissie NOx

-

111,81 kg/j

6,52 kg/j

727,69 kg/j

-

4,65 kg/j

Rrz9oc7GnDcU (25 september 2018) pagina 3/7

Berekening voor eigen gebruik Depositie natuurgebieden

Hoogste projectbijdrage

Hoogste projectbijdrage per natuurgebied

Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn

Berekening voor eigen gebruik

Situatie 1

Rrz9oc7GnDcU (25 september 2018) pagina 4/7

Berekening voor eigen gebruik Emissie (per bron)

Naam Locatie (X,Y)

Situatie 1

NOx

Voertuig

Omschrijving

Brandstof verbruik (l/j)

Uitstoot hoogte (m)

Spreiding (m)

Warmte Stof inhoud (MW)

Emissie

STAGE IV, 75 – mobiele kraan 130 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. R

60.000

NOx

71,15 kg/j

STAGE IV, 56 – 75 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. R

14.400

NOx

16,75 kg/j

STAGE IV, 75 – tractor + dumper 130 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. R

12.000

NOx

14,23 kg/j

STAGE IV, 130 – 560 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. Q

8.000

NOx

9,68 kg/j

minikraan kabels en leidingen

buldozer

Naam Locatie (X,Y) NOx NH3

Berekening voor eigen gebruik

inzet materieel gehele bouwfase 82693, 424761 111,81 kg/j

Soort

Voertuig

Standaard

verkeersbewegingen 87913, 425356 727,69 kg/j 6,52 kg/j

Aantal voertuigen (/dag) Stof

Emissie

Licht verkeer

40,0 NOx NH3

59,34 kg/j 4,72 kg/j

Standaard

Middelzwaar vrachtverkeer

30,0 NOx NH3

504,71 kg/j 1,38 kg/j

Standaard

Zwaar vrachtverkeer

10,0 NOx NH3

163,64 kg/j < 1 kg/j

Situatie 1

Rrz9oc7GnDcU (25 september 2018) pagina 5/7

Berekening voor eigen gebruik

Naam Locatie (X,Y) NOx

Berekening voor eigen gebruik

Voertuig

Omschrijving

STAGE IV, 56 – 75 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. R

afwerking o.a. trilles, stampers, shovels

Situatie 1

Brandstof verbruik (l/j)

4.000

inzet materieel gehele bouwfase 82693, 424761 4,65 kg/j

Uitstoot hoogte (m)

Spreiding (m)

Warmte Stof inhoud (MW)

Emissie

NOx

4,65 kg/j

Rrz9oc7GnDcU (25 september 2018) pagina 6/7

Berekening voor eigen gebruik Disclaimer

Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden verleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.

Rekenbasis

Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2016L_20180822_4e9c9cd914 Database versie 2016L_20170828_c3f058f00f Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/uitleg

Berekening voor eigen gebruik

Situatie 1

Rrz9oc7GnDcU (25 september 2018) pagina 7/7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9692024/1