CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen toelichting Bijlage 7 Quickscan ecologie

Beeldvormende bijeenkomst 2 februari 2021, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan correctieve herziening Nieuw-Beijerland II9.042 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan natuurwaardenonderzoek Akkerdreven/Damgaarde en Dorpsgaard te Nieuw-Beijerland In het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Akkerdreven/Damgaarde en Dorpsgaard te Nieuw-Beijerland

In het kader van de Wet natuurbescherming

Uitgevoerd door:

Natuurbank Overijssel

Opdrachtgever: Contactpersoon:

BJZ.NU dhr. W. Bekke Twentepoort Oost 16a 7609 RG ALMELO

Projectnummer en versie: 1580 versie 1.0 Projectleider: Ing. P.Leemreise Akkerdreven/Damgaarde en Dorpsgaard te NieuwBeijerland

Veldmedewerker(s): Ing. P.Leemreise

Status: definitief Rapportdatum: 17-10-2018

Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten E: Tel:

info@natuurbankoverijssel.nl 0543-451142 / 0614-435700

1

Inhoudsopgave Samenvatting......................................................................................................................................... 3 1 Inleiding.............................................................................................................................................. 5 2 Het plangebied.................................................................................................................................... 6 2.1 Situering....................................................................................................................................... 6 2.2 Beschrijving van het plangebied ..................................................................................................... 6 3 Voorgenomen activiteiten.................................................................................................................... 8 3.1 Algemeen ..................................................................................................................................... 8 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten .................. 9 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer......................................................................................................

9 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied............................................................................................ 9 4 Gebiedsbescherming ......................................................................................................................... 10 4.1 Algemeen ................................................................................................................................... 10 4.2 Natuurnetwerk Nederland........................................................................................................... 10 4.3 Natura2000 ................................................................................................................................ 11 4.4 Slotconclusie .............................................................................................................................. 12 5 Soortenbescherming; het onderzoek .................................................................................................. 13 5.1 Verwachting ............................................................................................................................... 13 5.2 Methode ....................................................................................................................................

13 5.3 Resultaten .................................................................................................................................. 15 5.4 Toetsingskader ........................................................................................................................... 18 5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep........................................................................ 20 5.6 Historische gegevens en overige bronnen .................................................................................... 23 5.7 Volledigheid van het onderzoek ................................................................................................... 23 6 Conclusies......................................................................................................................................... 24

2

Samenvatting Er zijn concrete plannen voor de ontwikkeling van een drietal uitbreidingswijken langs de zuidrand van de woonkern Nieuw-Beijerland. Omdat negatieve effecten van de voorgenomen activiteiten op beschermde flora- en faunasoorten en beschermd (natuur)gebied op voorhand niet uit te sluiten zijn, heeft een medewerker van Natuurbank Overijssel een veldbiologisch onderzoek uitgevoerd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten (vooraf) in beeld te brengen. Het onderzoeksgebied is op 15 augustus 2018 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren, beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet het Natuurnetwerk Nederland en ligt op enige afstand van gronden die tot Natura2000 behoren. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Om vast te kunnen stellen of de voorgenomen activiteiten leiden tot stikstofdepositie op Natura2000-gebied is een effectenbeoordeling nodig. Daartoe dient een berekening uitgevoerd te worden m.b.v. het programma Aerius Calculator Wettelijke consequenties m.b.t.

soortbescherming Het plangebied behoort vermoedelijk tot het functionele leefgebied van verschillende vogel-, vleermuis-, amfibieën- en (beschermde) grondgebonden zoogdiersoorten. Deze soorten benutten het onderzoeksgebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar verschillende grondgebonden zoogdiersoorten bezetten er een voortplantings- en (winter)rustplaats, verschillende amfibieënsoorten bezetten er een (winter)rustplaats, verschillende vogels nestelen in het plangebied en mogelijk bezetten vleermuizen er een verblijfplaats. Het plangebied vormt een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten. De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten1 geldt in Zuid-Holland een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden, verwonden en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te mogen beschadigen en te vernielen.

In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.

1

Zie bijlage 2 van dit rapport 3

Samenvattende Conclusie: Het plangebied vormt functioneel leefgebied van verschillende ‘licht beschermde’ soorten waarvoor een vrijstelling geldt om ze te mogen verwonden en doden en hun rust- en voortplantingsplaatsen te mogen beschadigen en vernielen als gevolg van de voorgenomen activiteiten, maar ook het functioneel leefgebied van een aantal ‘zwaar beschermde’ soorten. Om deze soorten negatief te mogen beïnvloeden is een ontheffing vereist. Omdat de functie van het plangebied voor een aantal ‘zwaar beschermde’ soorten op basis van het uitgevoerde onderzoek onvoldoende duidelijk is geworden, is nader onderzoek vereist in de deelgebieden Dorpsgaard en Damsgaard (niet Akkerdreven). De volgende vervolgstappen zijn vereist om een volledig beeld van de wettelijke consequenties te verkrijgen: • Nader onderzoek naar de functie van het plangebied voor vleermuizen (verblijfplaatsen en foerageergebied), steen- en ransuil; • Opstellen ecologisch werkprotocol om invulling te geven aan de zorgplicht; • Werkzaamheden die vogelnesten negatief beïnvloeden uitvoeren buiten de voortplantingsperiode; Om vast te kunnen stellen of de voorgenomen activiteiten leiden tot stikstofdepositie op Natura2000gebied is een effectenbeoordeling nodig. Daartoe dient een berekening uitgevoerd te worden m.b.v. het programma Aerius Calculator

4

1 Inleiding Er zijn concrete plannen voor de ontwikkeling van een drietal uitbreidingswijken langs de zuidrand van de woonkern Nieuw-Beijerland. Omdat negatieve effecten van de voorgenomen activiteiten op beschermde flora- en faunasoorten en beschermd (natuur)gebied op voorhand niet uit te sluiten zijn, heeft een medewerker van Natuurbank Overijssel een veldbiologisch onderzoek uitgevoerd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten (vooraf) in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren, beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura2000-gebied) en de Verordening ruimte 2014 (Natuurnetwerk Nederland).

5

2 Het plangebied 2.1 Situering Het plangebied bestaat uit drie deelgebieden welke zijn gesitueerd ten zuiden van de woonkern NieuwBijerland. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied aangeduid met de cirkel.

Globale ligging van de drie deelgebieden. Deze worden aangeduid met de cirkel (bron kaart: PDOK.NL).

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit drie deelgebieden, te weten Dorpsgaard en Akkerdreven/Damgaarde. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van de deelgebieden en de begrenzing van de deelgebieden weergegeven.

Detailweergave en begrenzing van het plangebied (bron luchtfoto: PDOK.NL).

Beschrijving van deelgebied Dorpsgaard Dit deelgebied bestaat uit een verlaten woonerf, een paardenhouderij, boomgaard, grasland en een verlaten bebouwing. Het noordelijke deel van het deelgebied bestaat uit een laagstam boomgaard met appel- en perenbomen. De boomgaard wordt enkele malen per jaar gemaaid en extensief begraasd door pony’s. In de noordoosthoek van de boomgaard staan een houten en een stenen gebouw. Beide gebouwen beschikken niet over dak- of wandisolatie of een spouw. Beide gebouwen staan leeg en zijn sterk vervallen. Deuren en ramen zijn eruit en er zitten grote gaten in het dak. De woning en garage in het centraaloostelijke deel verkeren in de redelijke staat van onderhoud. De gebouwen staan leeg en op enkele plekken is sprake van verval. De woning en de schuur zijn gebouwd van bakstenen. Alleen de woning heeft een 6

(holle) spouw. De garage is gedekt met golfplaten, de woning met dakpannen. De garage beschikt niet over dak- of wandisolatie, de woning beschikt over een beschoten kap. De tuin rondom de woning is sterk verwilderd. In het centraal-westelijke deel staan enkele stallen en schuren. Deze gebouwen worden gebruikt voor het huisvesten van pony’s, zijn gebouwd van betonstenen en zijn gedekt met golfplaten. Geen van de gebouwen beschikt over dak- of wandisolatie. Het zuidelijke deel van het plangebied bestaat uit agrarische cultuurgrond; tijdens het veldbezoek in gebruik als ponyweide en hooiland. De vegetatie van de graslanden bestaat uit een monocultuur van raaigras. In de boomgaard staat ook nog een sterk vervallen en overwoekerde ijzeren kweekkas. Het plangebied wordt aan de westzijde begrensd door een rij wilgen. Voor een verbeelding van het deelgebied wordt verwezen naar de fotobijlage. Beschrijving van deelgebied Dorpsgaard Het deelgebied Akkerdreven/Damgaarde bestaat uit een bebouwing, braakland, agrarische cultuurgrond, opgaande beplanting ruigte en kavelgrenssloot. De agrarische cultuurgrond bestaat uit twee percelen welke in gebruik zijn bij de akkerbouw (uienteelt) en twee percelen laagstam fruitteelt. De agrarische cultuurgronden bestaan uit een monocultuur van uien en laagstam fruitbomen met een grazige ondergroei. De agrarische percelen worden intensief beheerd.

In het noord-middendeel van het plangebied staan enkele schuren en kapschuren. Deze gebouwen zijn gebouwd van balstenen en gedekt met golfplaten of gebakken dakpannen. Geen van de gebouwen beschikt over een spouwmuur, dak- of wandisolatie. Het meest westelijke deel van het deelgebied bestaat uit braakland. Hier is recent bebouwing en erfverharding geamoveerd. Plaatselijk ligt nog puin en zijn gaten in de bodem zichtbaar. De slooplocatie wordt omgeven door een rijbeplanting van Italiaanse populieren. In het plangebied liggen enkele kavelgrenssloten. Deze zijn meest begroeid met riet en stonden tijdens het veldbezoek droog.

7

3 Voorgenomen activiteiten 3.1 Algemeen Het voornemen is om het plangebied in te richten als woonwijk. Om woningbouw mogelijk te maken wordt de bebouwing gesloopt, de erfverharding en beplanting verwijderd en de aanwezige kavelgrenssloten gedempt. Op onderstaande afbeelding wordt het wenselijke eindbeeld van beide deelgebieden weergegeven.

Wenselijke nieuwe eindbeeld van deelgebied Akkerdreven/Damgaarde (bron: bjz.nu).

Wenselijke nieuwe eindbeeld van deelgebied Dorpsgaard (bron: bjz.nu). 8

De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • Slopen bebouwing; • Rooien beplanting en verwijderen erfverharding; • Dempen kavelgrenssloten; • Bouwrijp maken plangebied; • Bouwen woningen, ontsluitingswegen en aanbrengen beplanting;

3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of verblijfplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;

3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals het slopen van bebouwing, het rooien van bomen, het dempen van sloten, het bouwrijp maken van het plangebied en het bouwen van de woningen en wegen. Een mogelijk negatief effect van de voorgenomen activiteiten, als gevolgd van de emissie NOx op beschermd natuurgebied (Natura2000) wordt in deze studie buiten beschouwing gelaten. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: De invloedsfeer van de voorgenomen fysieke activiteit is lokaal. Mogelijk zijn tijdens de werkzaamheden geluid, stof en trillingen waarneembaar buiten het plangebied, maar deze effecten zijn echter incidenteel en kortstondig en hebben geen wezenlijke negatieve invloed op beschermde soorten, rust- en voortplantingslocaties.

3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijk gesteld aan het plangebied.

9

4 Gebiedsbescherming 4.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteit op beschermd natuurgebied (Natura2000) en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS genoemd). 4.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN (voorheen EHS). Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan.

De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden. Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: herbegrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Zuid-Holland. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Ligging t.o.v.

het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland. Gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren liggen op minimaal 170 meter afstand van het plangebied. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.

Ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de cirkel aangeduid (bron: Ruimtelijke Plannen). 10

Effectbeoordeling De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op beschermd (natuur)gebied. Beschermingsregime Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking heeft, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.

4.3 Natura2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied behoort niet tot Natura2000. Gronden die tot het Natura2000 behoren liggen op minimaal 3,8 kilometer afstand van het planbied. Op 4,2 kilometer ten noodoosten van het plangebied ligt het Natura2000-gebied Oude Maas. Dit gebied is aangewezen als Habitatrichtlijngebied. Op 3,8 kilometer ten zuidwesten van het plangebied ligt het Natura2000-gebied Haringvliet. Dit gebied is deels aangewezen als Habitatrichtlijngebied en deels als Habitat- en Vogelrichtlijngebied.

Op onderstaande kaart wordt de ligging van Natura2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.

Ligging van Natura2000-gebied nabij het plangebied. De ligging van het plangebied wordt aangeduid met de cirkel. Natura2000-gebied wordt met de groene arcering aangeduid (bron: PDOK.NL).

Effectbeoordeling De invloedsfeer van de voorgenomen fysieke activiteiten is lokaal. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot negatieve effecten op Natura2000-gebied.

11

Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming). In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door de Minister van EZ. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’.

Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Bepalen vergunningplicht [1] Wet natuurbescherming en benodigde depositieruimte Als een activiteit stikstofdepositie veroorzaakt op een PAS-gebied dient de initiatiefnemer van de activiteit te onderzoeken of de activiteit vergunningplichtig is onder het PAS. Dit is geregeld onder de Regeling programmatische aanpak stikstof. Om te bepalen of een activiteit vergunningplichtig is, of de uitzondering op de vergunningplicht van toepassing is, moet een enkelvoudige berekening in AERIUS Calculator worden uitgevoerd door een initiatiefnemer. Alleen indien vergunningplicht of meldingsplicht aan de orde is wordt vervolgens een tweede berekening uitgevoerd in AERIUS Calculator om de hoeveelheid benodigde depositieruimte te bepalen (verdieping: https://www.bij12.nl/onderwerpen/programma-aanpakstikstof/vergunningen-en-meldingen/vergunning-aanvragen-of-vergunningvrij/). Om vast te kunnen stellen of de voorgenomen activiteiten leiden tot stikstofdepositie op Natura2000gebied is een effectenbeoordeling nodig.

4.4 Slotconclusie Het plangebied ligt op enige afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000 behoren. Vanwege de ligging van het plangebied buiten beschermd natuurgebied en de lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten, hebben de voorgenomen fysieke activiteiten geen negatief effect op deze gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde gebieden. Om vast te kunnen stellen of de voorgenomen activiteiten leiden tot stikstofdepositie op Natura2000-gebied is een effectenbeoordeling nodig. Daartoe dient een berekening uitgevoerd te worden m.b.v. het programma Aerius Calculator.

12

5 Soortenbescherming; het onderzoek 5.1 Verwachting Op basis van bronnenonderzoek, landschappelijke karakteristieken, beheer, omvang en gebruik van het onderzoeksgebied is het niet uitgesloten dat (beschermde) soorten van onderstaande soortgroepen in het gebied voorkomen: • Vogels; • Grondgebonden zoogdieren; • Vleermuizen; • Amfibieën; • Ongewervelden; 5.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 15 augustus 2018 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x60), zaklamp en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. Vanwege instortingsgevaar is het afgebrande gebouw niet aan de binnenzijde onderzocht. Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • Veldbezoek door ervaren ecoloog;2 • Aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a. • Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland; • Atlas van de zoogdieren van Nederland; • Nieuwe atlas van de Nederlandse flora; Het weer tijdens het veldbezoek Onbewolkt, droog, temperatuur 32⁰C, wind 1-2 Bft.

Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels. Half augustus hebben de meeste broedvogels de nestplaats verlaten. Standvogels bevinden zich meestal in de omgeving van het broedgebied, maar veel trekvogels hebben de broedplaats al verlaten. Begin augustus kunnen soorten als gierzwaluw, boerenzwaluw, huiszwaluw, kerkuil, wespendief en soms huismus nog bezette nesten hebben. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar deze dieren, inclusief onderzoek naar voortplantingslocaties. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het 2

Het onderzoek is uitgevoerd door Ing. P.E.B. Leemreise. Hij heeft ruim 30 jaar ervaring als veldbioloog. Eerst specifiek op het gebied van vogelstudie, later meer integraal met een tweede specialisatie op het gebied van grondgebonden kleine zoogdieren en vleermuizen. Hij voert jaarlijks ca. 200 quickscan natuurwaardenonderzoeken uit, verspreid over heel Nederland. Daarnaast voert hij jaarlijks gericht onderzoek uit naar vleermuizen op 15-20 locaties; zowel stedelijk- als landelijk gebied. Tevens is hij voorzitter van de Vogelwerkgroep Zuidoost-Achterhoek en lid van de vleermuiswerkgroep Gelderland. 13

onderzoeksgebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Alle vleermuissoorten bezetten een zomerverblijfplaats in deze periode van het jaar. De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar zomerverblijfplaatsen. De onderzoeksperiode is ongeschikt voor onderzoek naar kraamkolonies, winter- en paarverblijven van vleermuizen. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen en bomen. De in het plangebied aanwezige bebouwing is beoordeeld op de potentiële geschiktheid als verblijfplaats voor vleermuizen. Daarbij is specifiek gekeken naar invliegopeningen in de buitengevel en holle ruimtes achter windveren, gevelbetimmeringen, loodslabben en vensterluiken. Ook is gezocht naar sporen die op de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied duiden zoals uitwerpselen en prooiresten. De in het plangebied aanwezige bomen zijn onderzocht op potentiële geschiktheid als verblijfplaats. Er is gezocht naar holen en gaten in bomen en holle ruimtes achter losse schors.

De mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode dat vleermuizen foerageren of lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. Amfibieën Het onderzoek is uitgevoerd op een moment van de dag dat veel amfibieën zich verschuilen voor direct zonlicht en zich verschuilen op zonnige plekken. Op schaduwrijke plekken, zoals in sloten en greppels, zijn amfibieën wel zichtbaar (en waarneembaar). De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën. Alle amfibieënsoorten zijn actief en hebben de winterrustplaats verlaten en/of nog niet opgezocht. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten. Ongewervelden (o.a. platte schijfhoren) Het plangebied is visueel beoordeeld op de geschiktheid als leefgebied voor beschermde ongewervelden, zoals de platte schijfhoren.

Er is gezocht naar open water waarbij gekeken is naar de trofiegraad (mate van verruiging als indicator voor de eutrofiering) en waterkwaliteit zoals troebelheid. Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van overige beschermde faunasoorten zoals vissen, reptielen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplantenvaren (kleine vlotvaren), haften (oeveraas) en kreeftachtigen (Europese rivierkreeft) omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van soorten ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten die moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren en reptielen. De (a)biotische omstandigheden en het feit dat er sprake is van intensief gebruikte grond, maakt het plangebied tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten. Er liggen in het plangebied enkele kavelgrenssloten. Deze worden niet als functioneel leefgebied voor vissen beschouwd.

14

5.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Het onderzoeksgebied behoort niet tot de groeiplaats van beschermde plantensoorten. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en er nestelen verschillende vogelsoorten. Er zijn tijdens het veldbezoek bezette nesten van de houtduif gevonden en er is een vermoedelijk horst van de buizerd gevonden in deelgebied Dorpsgaard (nest in wilg). Ook werd een buizerd nabij de nestboom waargenomen en alarmeerde de vogel toen de onderzoeker de nestboom benaderde. Het alarmeren van de buizerd is een sterke aanwijzing dat het een horst betreft dat in 2018 in gebruik is geweest bij de buizerd. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat er jongen groot zijn gebracht op de horst. Ook zijn geen bedelende jonge buizerds in het plangebied of de omgeving waargenomen.

Andere soorten die mogelijk in het plangebied nestelen zijn tuinfluiter, tjiftjaf, winterkoning, heggenmus, roodborst, vink, zwartkop, grasmus, spotvogel, holenduif, witte kwikstaart, wilde eend, bosrietzanger en kleine karekiet. Er zijn in het plangebied geen huismussen waargenomen. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een weinig geschikte nestplaats voor huismussen. Ook zijn geen aanwijzingen gevonden dat boomvalk, kerk- of ransuil een rust- en/of nestplaats bezetten in de bomen of gebouwen in het plangebied. Het plangebied, specifiek de laagstamboomgaard en bebouwing in deelgebied Dorpsgaard, wordt als een potentieel leefgebied van de steenuil beschouwd. Ook ligt het plangebied in het normale verspreidingsgebied van deze soort. In de database van waarneming.nl (www.waarneming.nl) zijn waarnemingen van steenuilen in het plangebied ingevoerd. De aanwezigheid van een territorium van de steenuil in het plangebied kan op basis van het uitgevoerde onderzoek niet uitgesloten worden.

Screenprint van waarneming.nl. Het betreft waarnemingen van de steenuil in en rond het plangebied uit 2017 (bron: www.waarneming.nl).

Door het slopen van de bebouwing, het rooien van beplanting, het dempen van sloten en het bouwrijp maken van het plangebied tijdens de voortplantingsperiode, worden mogelijk bezette vogelnesten beschadigd en vernield. Door het ontwikkelen van het plangebied tot woningbouwlocatie gaat foerageergebied van verschillende vogelsoorten verloren, waaronder mogelijk de steenuil. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Plangebied bouwrijp maken tijdens de voortplantingsperiode en omvormen plangebied tot woningbouwlocatie. Grondgebonden zoogdieren Er zijn tijdens het veldbezoek verschillende konijnen en bezette burchten in deelgebied Dorpsgaard waargenomen. Behalve voor konijnen, behoort het plangebied mogelijk ook tot functioneel leefgebied van sommige andere grondgebonden zoogdiersoorten als haas, wezel, hermelijn, bunzing, dwergmuis, veldmuis, huismuis, bruine rat, rosse woelmuis en gewone bosspitsmuis. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied als foerageergebied en bezetten in het plangebied mogelijk ook rust- en 15

voortplantingslocaties. Grondgebonden zoogdieren kunnen een rust- en/of voortplantingslocatie bezetten in holen en gaten in de grond, in gebouwen, in (holle) bomen en onder groen, afval en andere opgeslagen goederen. De bruine rat en huismuis kunnen ook een rust- en/of voortplantingslocatie bezetten in gebouwen. De haas bezet geen voortplantingslocatie; deze werpt haar jongen in het (hoge) gras. Het plangebied ligt (nog) buiten het normale verspreidingsgebied van de boom- en steenmarter.

Bezette konijnenholen in deelgebied Dorpsgaarde.

Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk grondgebonden zoogdieren verwond en gedood. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode worden vermoedelijk ook voortplantingslocaties beschadigd en vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen gebouwen, grondverzet en rooien-betreden van vegetatie. Vleermuizen Verblijfplaatsen Er zijn in het plangebied geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een verblijfplaats in het plangebied bezetten. De bebouwing in deelgebied AkkerdrevenDamgaarde wordt als een ongeschikte verblijfplaats voor vleermuizen beschouwd. De gebouwen beschikken niet over een spouw en potentiële verblijfplaatsen zoals holle ruimtes achter windveren, loodslabben, gevelbetimmeringen en vensterluiken ontbreken. Gelet op de aard en omvang van de bebouwing in deelgebied Dorpsgaard, kan een zomer- en/of paarverblijf van een gewone- of ruige dwergvleermuis in de oude woning of de stallen niet uitgesloten worden. De half ingestorte bebouwing in het noordoostelijke deel wordt als een ongeschikte verblijfplaats voor vleermuizen beschouwd. Potentiële verblijfplaatsen vormen de spouw van de woning en holle ruimtes achter een gevelbetimmering van de stallen.

Vleermuizen bezetten mogelijk een zomer- en paarverblijfplaats in het plangebied; de bebouwing wordt ongeschikt geacht als winter- en kraamkolonie. In verschillende laagstamfruitbomen zijn holen en gaten waargenomen. Deze holen en gaten bevinden zich allemaal laag in de stam (laagstambomen) en worden dan ook niet als een potentiële verblijfplaats voor vleermuizen beschouwd omdat dergelijke lage verblijfplaatsen te kwetsbaar zijn in verband met predatie door bijvoorbeeld katten en marterachtigen. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan niet uitgesloten worden dat vleermuizen verwond en/of gedood worden en dat verblijfplaatsen beschadigd en/of vernield worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen bebouwing in deelgebied Dorpsgaard. 16

Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, is het aannemelijk dat verschillende vleermuissoorten delen van het plangebied benutten als foerageergebied. De akkers worden als een ongeschikt foerageergebied beschouwd, maar vleermuizen benutten de ruige graslanden, ruigte en opgaande beplanting in het plangebied waarschijnlijk als foerageergebied. Soorten die mogelijk in het plangebied foerageren zijn gewone- en ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Het is niet uitgesloten dat sommige meer zeldzame soorten het plangebied ook benutten als foerageergebied zoals gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en watervleermuis. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie en betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen mogelijk in wisselende mate aangetast. Het omvormen van boomgaard naar woonwijk zal voor sommige licht-tolerante soorten, als gewone dwergvleermuis en laatvlieger, geen negatieve gevolgen hebben, maar heeft dat voor een licht intolerante soort als gewone grootoorvleermuis wel. Het is echter onbekend welke soorten het plangebied benutten als foerageergebied. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Omvormen plangebied naar woonwijk.

Vliegroute Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen gebruik maken van vliegroutes. Op basis van een beoordeling van de inrichting, het gevoerde beheer en de ligging in het landschap kan wel een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het plangebied als vliegroute. Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij lantarenpalen, rasterpalen en gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindend element in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute voor vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen. Amfibieën Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de ligging van het plangebied in de omgeving van geschikt voortplantingsbiotoop, vormt het plangebied vermoedelijk functioneel leefgebied voor sommige algemeneen weinig kritische amfibieënsoorten als gewone pad, bruine kikker, bastaardkikker en kleine watersalamander.

De akkers worden als ongeschikt leefgebied voor amfibieën beschouwd, maar de overige delen van het plangebied worden als geschikt leefgebied voor voorgenoemde soorten beschouwd. Het plangebied ligt niet binnen het normale verspreidingsgebied van de rugstreeppad (RAVO 2018). Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt, maar amfibieën benutten het plangebied vermoedelijk als foerageergebied en bezetten er vermoedelijk een (winter)rustplaats. Amfibieën kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond, in holle bomen, in gebouwen en onder afval, groen, bladeren en bouwmaterialen. Door het rooien van beplanting, het slopen van bebouwing en het bouwrijp maken van het plangebied worden vermoedelijk amfibieën verwond en gedood en worden (winter)rustplaatsen beschadigd en vernield. De functie van het plangebied als foerageergebied wordt door uitvoering van de voorgenomen

17

activiteiten niet aangetast. Door het inrichten van de akker als woonwijk ontstaat er nieuw functioneel leefgebied voor amfibieën.

Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Rooien beplanting, slopen gebouwen en bouwrijp maken plangebied.

Ongewervelden Er is in het onderzoeksgebied geen potentieel leefgebied van de platte schijfhoren of andere beschermde ongewervelden vastgesteld. Het plangebied behoort niet tot het (bekende) verspreidingsgebied van de platte schijfhoren. De soort komt wel voor in de regio (zie verspreidingskaart onder). De platte schijfhoren heeft een voorkeur voor zoete, heldere en schone wateren met een rijke begroeiing. Vaak in draadalg-vegetaties. Ook in andere vegetaties, zoals in wateren met krabbescheer. Daarnaast soms op de wortels van o.a. Lisdodde en vergelijkbare oevergebonden planten. De soort leeft niet in verontreinigd of brak water (bron: Stichting Anemoon). In het plangebied liggen enkele kavelgrenssloten welke tijdens het veldbezoek volledig droog stonden. Vanwege de ligging in intensief gebruikt agrarisch cultuurland, hebben deze kavelgrenssloten een eutroof karakter en voldoen ze niet aan de habitateisen van de platte schijnhoren. De kavelgrenssloten in het plangebied worden niet als potentieel leefgebied van de platte schijfhoren (of andere beschermde ongewervelden) beschouwd.

Waarnemingen platte schijfhoorn in de omgeving van het plangebied (bron: www.verspreidingsatlas.nl). de ligging van het plangebied wordt met de zwarte cirkel aangeduid.

Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten worden geen platte schijhorens verwond of gedood en wordt het leefgebied niet aangetast. Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.

5.4 Toetsingskader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen.

18

Verder is het verboden om plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor sommige in de Wet natuurbescherming genoemde soorten geldt een ontheffing voor het opzettelijk doden en vangen en de vaste voortplantings- en rustplaatsen van deze soorten opzettelijk beschadigen of vernielen, als gevolg van werkzaamheden die uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. In voorliggend geval is de vrijstellingsregeling van de Provincie Zuid-Holland van kracht. Ook gelden er bepaalde vrijstellingen voor het verbod op verwonden en doden mits er gewerkt wordt volgens een door de Minister goedgekeurde Gedragscode. Op het moment van schrijven van dit rapport is er geen goedgekeurde gedragscode van kracht voor de voorgenoemde activiteiten. Zorgplicht Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11.

In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Wettelijk kader Voorgenomen activiteit wordt gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het toegestaan om sommige soorten opzettelijk te doden en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. In het kader moet zorgplicht is de initiatiefnemer verplicht om schadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zo veel mogelijk te voorkomen. Dit betreft maatwerk. Indien het mogelijk is om zinvolle concrete maatregelen m.b.t. de zorgplicht te benoemen, zijn deze opgenomen in dit rapport.

19

5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Er zijn broedvogels in het plangebied vastgesteld waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet de nestplaats en er is een broedvogelsoort in het plangebied vastgesteld waarvan het nest jaarrond beschermd is (buizerd). Mogelijk vormt het plangebied functioneel leefgebied van de steenuil. Zowel het foerageergebied als de rust- en nestplaats van deze soort is jaarrond beschermd en mag alleen met een ontheffing aangetast worden. Voor het beschadigen/vernielen van bezette nesten en het verwonden/doden van vogels kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd wettelijk belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die leiden tot het beschadigen/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om deze werkzaamheden uit te voeren is augustus-februari. De functie van het plangebied als foerageergebied is voor de in het plangebied voorkomende vogelsoorten niet beschermd. Voor het beschadigen-vernielen van de nestplaats van de buizerd is een ontheffing vereist. Dit geldt ook voor het aantasten van het foerageergebied van de steenuil en het beschadigen-vernielen van de rust- en nestplaats van de steenuil.

Omdat de functie van het plangebied voor de steenuil op basis van het uitgevoerde onderzoek niet inzichtelijk gemaakt kan worden, is nader onderzoek vereist. Dit dient uitgevoerd te worden in de meest gunstige periode en dat is het voorjaar. In de lijst van jaarrond beschermde vogelnesten zijn de soorten ingedeeld in vijf categorieën, waaronder de categorie vijf. Nesten van soorten in deze categorie zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat vergen. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten, lijken deze zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden hier geen rol te spelen. Gelet op het financiële en maatschappelijke belang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geadviseerd om het plangebied te onderzoeken op de aanwezigheid van de ransuil. Deze dieren zijn moeilijk op te sporen en kunnen over het hoofd gezien zijn tijdens het veldbezoek. Geadviseerd wordt om het gebied te onderzoeken op ransuilen gedurende de meest optimale tijd van het jaar (jongenperiode). Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - werkzaamheden die vogelnesten kunnen beschadigen-vernielen uitvoeren buiten de broedtijd. Ontheffing aanvragen voor beschadigen-vernielen buizerdnest en nader onderzoek naar functie van plangebied voor steenuil en ransuil.

Vleermuizen Verblijfplaatsen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk vleermuizen verwond en gedood en worden mogelijk verblijfplaatsen beschadigd en vernield. Zowel de vleermuizen als hun verblijfplaatsen zijn strikt beschermd en mogen alleen met een ontheffing verwond, beschadigd of vernield worden. Om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten op verblijfplaatsen van vleermuizen in beeld te krijgen is aanvullend onderzoek vereist. Dit dient uitgevoerd te worden conform het vleermuisprotocol (https://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol). Onderzoek naar de functie van het plangebied voor vleermuizen is strikt gebonden aan bepaalde maanden in het jaar (half mei tot eind september, soms medio oktober afhankelijk van de buitentemperatuur). Het is daarom van belang om het nader onderzoek tijdig op te pakken.

20

Wettelijke consequenties: - Onbekend. Nader onderzoek vereist om de wettelijke consequenties in beeld te brengen. Foerageergebied Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor sommige vleermuissoorten, mogelijk aangetast. Om het effect van de voorgenomen activiteiten op de functie van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen in beeld te krijgen is nader onderzoek vereist. Dit dient uitgevoerd te worden conform het vleermuisprotocol (https://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol). Onderzoek naar de functie van het plangebied voor vleermuizen is strikt gebonden aan bepaalde maanden in het jaar (mei tot eind september en in sommige jaren tot half oktober, afhankelijk van de temperatuur). Het is daarom van belang om het nader onderzoek tijdig op te pakken. Alle delen van het plangebied, m.u.v. de akkers, dienen onderzocht te worden. Wettelijke consequenties: - Onbekend. Nader onderzoek vereist om de wettelijke consequenties in beeld te brengen. Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes3 van vleermuizen. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen.

Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties: - Geen. Grondgebonden zoogdieren Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk grondgebonden zoogdieren verwond en gedood en worden mogelijk rust- en voortplantingslocaties beschadigd en vernield. Voor de grondgebonden zoogdiersoorten die rust- en/of voortplantingslocaties in het plangebied bezetten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. De functie van het plangebied als foerageergebied is voor de in het plangebied voorkomende soorten niet beschermd. Gelet op de zorgplicht dient voorkomen te worden dat dieren onnodig verwond en gedood worden. Om te voorkomen dat jonge, hulpeloze dieren in het nesten verwond of gedood worden, wordt geadviseerd om werkzaamheden die mogelijk leiden tot het beschadigen-vernielen van voortplantingslocaties uit te voeren buiten de voortplantingsperiode. Om te voorkomen dat konijnen in hun ondergrondse holen bedolven worden, wordt geadviseerd om de burchten ongeschikt te maken voordat deze vergraven worden.

Met uitzondering van de zorgplicht, leidt het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties: - Geen; wel geldt de zorgplicht.

3

Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een vleermuis. Niet ieder lijnvormig element waarlangs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute. 21

Amfibieën Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten worden vermoedelijk amfibieën verwond en gedood en worden vermoedelijk rust- en voortplantingsplaatsen beschadigd en vernield. Om te voorkomen dat amfibieën onnodig verwond en gedood worden, wordt geadviseerd om het plangebied bouwrijp te maken buiten de winterrustperiode van amfibieën. Afhankelijk van de periode in het jaar, bevindt een deel van de amfibieën zich in of nabij voortplantingswateren of houdt zich op in het plangebied. In de zomermaanden zijn amfibieën echter beter in staat om weg te komen bij grondverzet e.d. Met uitzondering van de zorgplicht, leidt het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen, wel geldt de zorgplicht. Ongewervelden Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten worden geen beschermde ongewervelden verwond of gedood en wordt het functionele leefgebied niet aangetast. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties.

Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Overige soorten Het onderzoeksgebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk. In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Soortgroep

Soorten planlocatie

Verbodsbepalingen*

aandachtspunt

Grondgebonden zoogdieren; foerageergebied Grondgebonden zoogdieren; rust- en voortplantingslocaties Vogels; foerageergebied

Diverse soorten

Geen

Diverse soorten

Niet van toepassing functie is niet beschermd Niet van toepassing, vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling. Art. 3.1 lid 2

Vogels; bezette nesten (niet jaarrond beschermd)

Diverse soorten

Art. 3.1 lid 1 & lid 2

Vogels; bezette nesten (jaarrond beschermd)

Onbekend; mogelijk steenuil, ransuil

Art. 3.1 lid 1 & lid 2

Vleermuizen; foerageergebied en verblijfplaats

Mogelijk diverse soorten

Art. 3.5 lid 1, Art. 3.5 lid 2, Art. 3.5 lid 4

Vleermuizen; vliegroute Amfibieën; voortplantingsbiotoop Amfibieën; foerageergebied en (winter) rustplaatsen Ongewervelden (platte schijfhoren) Overige soorten

Niet aanwezig Niet aanwezig

Niet van toepassing Niet van toepassing

Mogelijk diverse soorten

Zorgplicht

Niet aanwezig

Niet van toepassing, vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling. Niet van toepassing.

Niet aanwezig

Niet van toepassing.

Geen

Diverse soorten

Zorgplicht Nader onderzoek naar functie van plangebied voor steenuilen noodzakelijk Werkzaamheden die vogelnesten negatief beïnvloeden uitvoeren buiten voortplantingsperiode Nader onderzoek naar aanwezigheid soorten noodzakelijk Nader onderzoek naar functie van plangebied als foerageergebied noodzakelijk Geen Geen

Geen

Samenvatting van de wettelijke consequenties. 22

5.6 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens van het plangebied bekend. 5.7 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden.

23

6 Conclusies De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten4 geldt in Zuid-Holland een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden, verwonden en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te mogen beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort vermoedelijk tot het functionele leefgebied van verschillende vogel-, vleermuis-, amfibieën- en (beschermde) grondgebonden zoogdiersoorten.

Deze soorten benutten het onderzoeksgebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar verschillende grondgebonden zoogdiersoorten bezetten er een voortplantings- en (winter)rustplaats, verschillende amfibieënsoorten bezetten er een (winter)rustplaats, verschillende vogels nestelen in het plangebied en mogelijk bezetten vleermuizen er een verblijfplaats. Het plangebied vormt een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten. Er nestelen hoofdzakelijk vogelsoorten in het plangebied waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Er is echter ook een bezet nest van de buizerd vastgesteld e en mogelijk nestelt de steen- en ransuil in het plangebied. Van de ransuil is de nestplaats jaarrond beschermd en van de steenuil is zowel het foerageergebied als de rust- en nestplaats jaarrond beschermd. Werkzaamheden die leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten, dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. Nader onderzoek naar de functie van het plangebied voor de rans- en steenuil is nodig om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten volledig in beeld te kunnen brengen. Voor de grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten die in het plangebied voorkomen geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’.

Wel dient rekening gehouden te worden met deze dieren tijdens de uitvoering. Werkzaamheden dienen afgesteld te worden op de ecologie van de dieren om te voorkomen dat ze onnodig verwond of gedood worden. Dit dient nader uitgewerkt te worden in een werkprotocol. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk vleermuizen verstoord, verwond en gedood en worden mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen beschadigd en vernield. Ook wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor sommige kritische vleermuissoorten mogelijk negatief beïnvloed. Om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten inzichtelijk te krijgen is nader onderzoek nodig. Het plangebied heeft geen functie als vliegroute voor vleermuizen. Het plangebied behoort niet het Natuurnetwerk Nederland en ligt op enige afstand van gronden die tot Natura2000 behoren. Uitvoering van de voorgenomen fysieke activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Om vast te kunnen stellen of de voorgenomen activiteiten leiden tot stikstofdepositie op Natura2000-gebied is een effectenbeoordeling nodig. Daartoe dient een berekening uitgevoerd te worden m.b.v. het programma Aerius Calculator

4

Zie bijlage 2 van dit rapport 24

Conclusie Het plangebied vormt functioneel leefgebied van verschillende ‘licht beschermde’ soorten waarvoor een vrijstelling geldt om ze te mogen verwonden en doden en hun rust- en voortplantingsplaatsen te mogen beschadigen en vernielen als gevolg van de voorgenomen activiteiten, maar ook het functioneel leefgebied van een aantal ‘zwaar beschermde’ soorten. Om deze soorten negatief te mogen beïnvloeden is een ontheffing vereist. Omdat de functie van het plangebied voor een aantal ‘zwaar beschermde’ soorten op basis van het uitgevoerde onderzoek onvoldoende duidelijk is geworden, is nader onderzoek vereist in de deelgebieden Dorpsgaard en Damsgaard (niet Akkerdreven). • Nader onderzoek naar de functie van het plangebied voor vleermuizen (verblijfplaatsen en foerageergebied), steen- en ransuil; • Opstellen ecologisch werkprotocol om invulling te geven aan de zorgplicht; • Werkzaamheden die vogelnesten negatief beïnvloeden uitvoeren buiten de voortplantingsperiode; Om vast te kunnen stellen of de voorgenomen activiteiten leiden tot stikstofdepositie op Natura2000gebied is een effectenbeoordeling nodig. Daartoe dient een berekening uitgevoerd te worden m.b.v. het programma Aerius Calculator

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9642163/1