CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen toelichting Bijlage 5 Natuurtoets

Besluitvormende raad 30 januari 2024, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan Fietsroute Oudeland – Strijen9.048 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Natuurtoets Fietspad Oudeland Gemeente Hoeksche Waard

Identificatie

Planstatus Concept

projectnummer:

datum:

061700.20180241

08-01-2019

projectleider:

opdrachtgever:

ir. H.G. van der Aa

Gemeente Hoeksche Waard

auteur(s):

ir. H.G. van der Aa

2

3

Inhoud

1.

2.

Inleiding

2

Toetsingskader

4

1.1. 1.2. 1.3. 2.1.

2.2.

3.

3.1.

Natura 2000 3.1.1. Verspreiding kwalificerende soorten Natuurnetwerk / EHS Beschermde soorten

Effecten Natura 2000 4.1. 4.2. 4.3. 4.4.

4.5. 4.6. 4.7.

2 3 3

Wet natuurbescherming 4 2.1.1. Gebiedsbescherming 4 Natuurnetwerk Nederland (NNN) 6 2.1.2. Soortenbescherming 6 Ecologische hoofdstructuur/ Natuurnetwerk 7 2.2.1. Algemeen 7 2.2.2. Beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland (2013). 8 2.2.3. Externe werking 10

Uitgangsituatie 3.2. 3.3.

4.

Aanleiding Doel natuurtoets Leeswijzer

Inleiding Areaalverlies Versnippering Verstoring 4.4.1. Geluid 4.4.2. Licht 4.4.3. Beweging (optische verstoring) Vermesting en verzuring Samenvatting effecten Cumulatie

11 11 11 14 15

20 20 20 20 21 21 22 22 25 25 26

5.

Effecten Natuurnetwerk

27

6.

Effecten beschermde soorten

29

7.

Conclusies

30

5.1. 5.2. 5.3.

Bijlage: 1. 2.

Inleiding Effecten Compensatie

Bronnen AERIUS-berekeningen

27 27 28

4

2

1. Inleiding

1.1.

Aanleiding

Om de veiligheid van het fietsverkeer te verbeteren is het zeer gewenst een fietsroute te realiseren tussen Oud-Beijerland en Strijen en een route langs delen van de voormalige S40 tussen Zuid-Beijerland en ’s Gravendeel. Eind 2017 heeft de gemeenteraad van Strijen besloten om het ontbrekende deel van het fietspad binnen het gemeentelijk grondgebied (als onderdeel van de complete fietsroute) aan te leggen. Naar schatting zullen dagelijks 200 tot 250 scholieren gebruik maken van deze route. Het beoogde tracé op de buisleidingenstraat volgt zoveel mogelijk bestaande onderhoudspaden en ligt grotendeels binnen het Natura 2000-gebied Oudeland van Strijen. Dit gebied maakt tevens onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Figuur 1 toont de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000 / NNN. Figuur 2 geeft een beeld van het tracé. Ligging tracé (rood) ten opzichte van Natura 2000 (geel)

3

1.2.

Doel natuurtoets

De voorliggende natuurtoets beschrijft de effecten van de bovenstaande ingreep op Natura 2000, het provinciale Natuurnetwerk /EHS en op beschermde soorten. Ten aanzien van de effecten op Natura 2000 kan deze natuurtoets worden beschouwd als een voortoets in het kader van de Wet natuurbescherming.

1.3.

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt het toetsingskader voor deze natuurtoets beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op uitgangssituatie en de actuele natuurwaarden op de beoogde locaties. In hoofdstuk 4 worden de effecten op Natura 2000 beschreven. Hoofstuk 5 gaat in op de effecten op het Natuurnetwerk en hoofdstuk 6 behandelt de gevolgen voor beschermde soorten. Hoofdstuk 7 beschrijft tenslotte de conclusies van deze natuurtoets.

Het beoogde tracé volgt de bestaande onderhoudspaden op de buisleidingstraat

4

2. Toetsingskader

2.1.

Wet natuurbescherming

Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. 2.1.1. Gebiedsbescherming In Nederland hebben diverse natuurgebieden een beschermde status onder de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) . Daarbij zijn twee soorten beschermingen te onderscheiden: Natura 2000-gebieden; Bijzondere nationale natuurgebieden. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Voor Nederland gaat het om ruim 160 gebieden. Alle Natura 2000-gebieden liggen binnen het Nationaal Natuurnetwerk. In het aanwijzingsbesluit staat welke doelen Nederland nastreeft voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld welke planten en dieren bescherming verdienen. Vervolgens komt er in nauw overleg met betrokken partijen een beheerplan, waarin onder andere staat beschreven welke maatregelen nodig zijn om de doelen te behalen.

Bijzondere nationale natuurgebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) kan buiten de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000, ook bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen wanneer deze zijn opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of onderwerp zijn van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000, geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied. Wettelijk kader De Wnb verankert de Europese gebiedsbescherming van Natura 2000, bestaande uit Speciale Beschermingszones (SBZ's) op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving; vormt de wettelijke basis voor de aanwijzingsbesluiten met instandhoudingsdoelstellingen; legt de rol van bevoegd gezag voor verlening van vergunningen meestal bij de provincies. Voor Natura 2000-gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen. De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen.

Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben

5

-

voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied. Bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gerealiseerd, terwijl significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000) bewaard blijft.

In artikel 2.,7, eerste lid, van de Wnb is de habitattoets voor het vaststellen van een bestemmingsplan neergelegd. Artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb luidt als volgt: Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid. Artikel 2.8 van de Wnb luidt als volgt: 1.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. In afwijking van het eerste lid hoeft geen passende beoordeling te worden gemaakt, ingeval het plan of het project een herhaling of voortzetting is van een ander plan, onderscheidenlijk project, of deel uitmaakt van een ander plan, voor zover voor dat andere plan of project een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan of project. Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. In afwijking van het derde lid kan, ondanks het feit dat uit de passende beoordeling de vereiste zekerheid niet is verkregen, het plan worden vastgesteld, onderscheidenlijk de vergunning worden verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a.

er zijn geen alternatieve oplossingen; b. het plan, onderscheidenlijk het project, bedoeld in het eerste lid, is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en c. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. Ingeval het plan, onderscheidenlijk het project, bedoeld in het eerste lid, significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied, geldt, in afwijking van het vierde lid, onderdeel b, de voorwaarde dat het plan, onderscheidenlijk het project nodig is vanwege: a. argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of b. andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie. Een advies van de Europese Commissie als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, wordt door de Minister gevraagd. Het bestuursorgaan, onderscheidenlijk gedeputeerde staten doen daartoe een verzoek aan de Minister. Compenserende maatregelen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, maken onderdeel uit van het plan, onderscheidenlijk de verplichting om deze maatregelen te treffen maakt onderdeel uit van de vergunning voor het project, bedoeld in het eerste lid.

Het bestuursorgaan dat het plan

6

8.

vaststelt meldt, onderscheidenlijk gedeputeerde staten melden de compenserende maatregelen aan Onze Minister, die de Europese Commissie van de maatregelen op de hoogte stelt. Ingeval een compenserende maatregel voorziet in de ontwikkeling of verbetering van leefgebieden voor vogels, natuurlijke habitats of habitats voor soorten buiten een Natura 2000gebied, draagt Onze Minister ervoor zorg dat deze leefgebieden of habitats een Natura 2000gebied, of een onderdeel van een Natura 2000-gebied worden.

Een passende beoordeling is verplicht als een plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor de betrokken Natura 2000-gebieden. 1) Voor de inschatting van de effecten die een plan kan hebben, moet de significantie worden beoordeeld in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, die voor kwalificerende soorten en habitats zijn geformuleerd. Als niet op grond van objectieve gegevens op voorhand significante gevolgen op een Natura 2000-gebied zijn uitgesloten, moet een passende beoordeling worden gemaakt. 2) In de passende beoordeling worden de effecten op Natura 2000-gebieden nader onderzocht. Vervolgens kan een bestemmingsplan slechts worden vastgesteld indien is verzekerd dat ook bij een maximale invulling van het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast. Wat is significant? Het begrip significant speelt een sleutelrol bij het beoordelen van de vergunbaarheid van een ingreep in het kader van de Wet natuurbescherming. In de factsheet nr. 25: “‘Significantie’ bij beoordeling van gevolgen voor Natura 2000-gebieden” geeft de Commissie voor de Milieueffectrapportage aan op welke wijze het begrip significantie moet worden geïnterpreteerd bij een dergelijke toetsing.

De beoordeling of een effect al dan niet significant is, wordt benaderd vanuit de instandhoudingsdoelstellingen. Deze zijn vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten voor de Natura 2000gebieden. Er zijn instandhoudingsdoelstellingen voor habitattypen en voor soorten. Voor habitattypen gaat het om behoud of uitbreiding van de oppervlakte en/of behoud of verbetering van de kwaliteit. Voor soorten gaat het om behoud of uitbreiding van de oppervlakte van het leefgebied, behoud of verbetering van de kwaliteit van het leefgebied en behoud of uitbreiding van de populatieomvang. Als uit de Passende beoordeling blijkt dat een instandhoudingsdoel door het project of plan (mogelijk) niet gehaald wordt, wordt het effect als significant beschouwd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het ‘nee, tenzij’ principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden (zie ook par 2.2). 2.1.2. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: a. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; b. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en c. de bescherming van overige soorten.

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor 1) Art. 2.8, tweede lid, van de Wnb. 2) ABRvS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421.

7 verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn) is er overigens geen beleidsruimte en blijft de bescherming onveranderd. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen.

In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.

2.2.

Ecologische hoofdstructuur/ Natuurnetwerk

2.2.1. Algemeen Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN), de opvolger van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. De rechtstreekse werking van de EHS vindt plaats door de toetsing van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van bestemmingsplannen aan het EHS-beleid. Hoewel inmiddels wordt gesproken van NNN luidt titel 2.10 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) ‘Ecologische hoofdstructuur’. Het Rijk heeft het algemene EHS-beleid in het Barro vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 Barro moeten provincies bij provinciale verordening (in dit geval een Structuurvisie) de EHS-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de EHS aan. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Op grond van artikel 2.10.4 Barro geldt er een algemeen beschermingsregime voor EHS-gebieden.

Dit algemene regime bestaat eruit dat er geen toestemming mag worden verleend aan activiteiten die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden of tot een significante vermindering van de oppervlakte van of samenhang tussen die gebieden. Toestemming voor dergelijke activiteiten kan wel worden gekregen indien (1) er sprake is van een groot openbaar belang, (2) er geen reële alternatieven zijn en (3) de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, de oppervlakte en de samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Of en in welke mate een ingreep van invloed is op het functioneren van de EHS wordt bepaald door het effect op de vastgelegde wezenlijke kenmerken en waarden voor het betreffende deel van de EHS. Een definitie voor wezenlijke kenmerken en waarden is te vinden in de Nota Ruimte (2004, p.114): “de wezenlijke kenmerken en waarden zijn de actuele en potentiële waarden, gebaseerd op de natuurdoelen van het gebied. Het gaat daarbij om: de bij het gebied behorende natuurdoelen en – kwaliteit, geomorfologische en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, stilte, donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde”. Het Natuurnetwerk valt in het Oudeland samen met Natura 2000 zoals figuur 3 laat zien.

8

Ligging ten opzichte van het Natuurnetwerk

De provinciale Verordening Ruimte (2017) geeft aan: Voor zover een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid een significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad, of karakteristieke landschapselementen, is het provinciale compensatiebeleid van toepassing zoals vastgelegd in de beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland (2013). De toelichting bij het bestemmingsplan bevat een verantwoording over de wijze van compensatie. 2.2.2. Beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland (2013). Relevante bepalingen uit deze beleidsregel zijn hieronder weergegeven. Passages die voor het onderhavige fietspad van belang zijn, zijn geel gemarkeerd: Artikel 2. Nee, tenzij-regime 1. In gebieden waar het 'nee, tenzij'-regime van kracht is, zijn geen ingrepen toegestaan die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, de negatieve effecten zoveel mogelijk

9 worden beperkt en de overblijvende effecten worden gecompenseerd via de procedure zoals weergegeven in de artikelen 5 tot en met 8 van deze beleidsregel. Artikel 3. Toepassingsbereik provinciaal compensatiebeleid Deze beleidsregel is van toepassing bij ingrepen in de volgende gebiedscategorieën: - EHS; - Belangrijke weidevogelgebieden; - Recreatiegebieden in de Zuidvleugel; - Karakteristieke landschapselementen en - Gebieden in de strategische reservering natuur. Artikel 5. Voorwaarden aan compensatie Aan compensatie voor ingrepen in gebieden als bedoeld in artikel 3 worden de volgende voorwaarden gesteld: 1. De compensatie mag niet leiden tot een netto verlies van areaal, kwaliteit en/of samenhang van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. 2. De compensatie wordt in principe niet aangewend om reeds vastgesteld natuur-, recreatie- en/of landschapsbeleid uit te voeren of de uitvoering daarvan te versnellen. 3. Onverminderd het bepaalde in het zesde lid wordt aan een compensatieverplichting niet voldaan door het uitvoeren van maatregelen waarvoor overheidssubsidie is of wordt verkregen dan wel waarvoor reeds verplichtingen zijn aangegaan. 4.

Onverminderd het bepaalde in het zevende lid, vindt de compensatie plaats (voorkeursladder): a) door fysieke compensatie met dezelfde natuur-, recreatie- of landschapswaarden als die door de ingreep verloren zijn gegaan aansluitend aan of nabij het gebied van de ingreep met dien verstande dat een duurzame situatie ontstaat; b) indien fysieke compensatie met dezelfde natuur-, recreatie- of landschapswaarden als in het vorige onderdeel bedoeld redelijkerwijs onmogelijk is, door fysieke compensatie met kwalitatief vergelijkbare waarden aan of nabij het gebied van de ingreep dan wel door fysieke compensatie elders, of, c) indien ook dat redelijkerwijs onmogelijk is. door financiële compensatie 5. In samenhang met het gestelde in het vierde lid, sub a geldt dat als de ontwikkeltijd van de vervangende natuur-, recreatie- en/of landschapswaarden meer dan 5 jaar bedraagt, de fysieke compensatie wordt vermeerderd met een kwaliteitstoeslag in hectares. Deze kwaliteitstoeslag bedraagt 1/3 bij een ontwikkeltijd lussen 5 en 25 jaar en 2/3 bij een ontwikkeltijd tussen 25 en 100 jaar. 6. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid mag areaalverlies ook worden gecompenseerd door de aanleg van een nog niet gerealiseerd deel van een ecologische verbinding. 7.

In afwijking van het bepaalde in het eerste lid en in afwijking van de voorkeursladder als bedoeld in het vierde lid mag areaalverlies ook worden gecompenseerd door kwaliteitsverbetering bij ingrepen in gebieden die behoren tot de EHS 'op het land', voor zover aangeduid als waternatuurgebied of buitendijks gelegen, en bij ingrepen in wateren die behoren tot de EHS 'grote wateren en Noordzee' voor zover provinciaal ingedeeld. Artikel 6. Compensatieplan 1. Indien deze beleidsregel van toepassing is, wordt door de initiatiefnemer een compensatieplan opgesteld. 2. Het plan voor de ingreep en het compensatieplan worden gelijktijdig voorafgaand aan de ingreep aan het bevoegd gezag ter accordering voorgelegd. 3. Aan het compensatieplan worden de volgende voorwaarden voor instemming gesteld: a) het compensatieplan geeft aan hoe de compensatieopgave is berekend en hoe het verlies aan waarden zal worden gecompenseerd; b) het compensatieplan bevat een kaart met de ligging van het compensatiegebied ten opzichte van aangrenzende en nabijgelegen natuur- en recreatiegebieden, belangrijke weidevogelgebieden en/of karakteristieke landschapselementen, en;

10 c) bij fysieke of kwalitatieve compensatie voldoen de plaats, de oppervlakte en de kwaliteit van het compensatiegebied aan het gestelde in artikel 5: d) Bij financiële compensatie wordt de raming eveneens ter accordering aan Gedeputeerde Staten voorgelegd. Indien noodzakelijk kunnen hieraan door Gedeputeerde Staten nadere voorwaarden worden gesteld. 2.2.3. Externe werking De externe werking vindt zijn grondslag in de Habitatrichtlijn en de Wet natuurbescherming en vloeit onmiddellijk voort uit de verplichting tot het behouden of brengen in een 'gunstige staat van instandhouding' van het habitattype of een soort. De EHS kent geen externe werking. De Minister van LNV heeft in 2008 in een brief aan de Tweede Kamer geschreven dat ingrepen buiten de EHS niet hoeven te worden beoordeeld op hun effecten voor de wezenlijke kenmerken en waarden binnen de EHS (TK 29576, nummer 12 en 52). Deze brief vloeide voort uit de Nota Ruimte.

11

3. Uitgangsituatie

3.1.

Natura 2000

Het Oudeland van Strijen is in 2000 door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) aangewezen als Speciale Beschermingszone onder de Europese Vogelrichtlijn en in 2009 als Natura 2000gebied (Ministerie van LNV, 2009). Daarmee behoort het tot het Natura 2000-netwerk van de Europese Unie. De definitieve aanwijzing heeft plaatsgevonden op 23 december 2009. De instandhoudingsdoelen voor het Natura 2000-gebied Oudeland van Strijen zijn weergegeven in onderstaande tabel: Tabel 3.1 Instandhoudingsdoelen Oudeland van Strijen

Landelijk

Doelstelling omvang leefgebied

A041 - Kolgans

+

=

=

1500

A042 - Dwerggans

--

=

=

30

A045 - Brandgans

+

=

=

1500

A050 - Smient

+

=

=

1100

Niet-broedvogels

Staat van Instandhouding

Doelstelling kwaliteit leefgebied

Omvang populatie

Staat van instandhouding (SVI)

Doelstellingen

+ redelijk - slecht - - zeer slecht

= behoud > Verbetering/uitbreiding = (<)achteruitgang ten gunste van ander habitattype of soort toegestaan

Daarnaast geldt voor het Oudeland van Strijen een kernopgave voor de aanwezigheid van: voldoende plas/dras-situaties voor smienten en broedvogels (Kernopgave 4.07). 3.1.1. Verspreiding kwalificerende soorten Het Natura 2000-beheerplan voor het Oudeland dateert uit december 2016. In dit beheerplan zijn veel oude gegevens gebruikt van voor 2012. Aantallen en verspreiding van de kwalificerende soorten zijn de laatste jaren echter belangrijk gewijzigd. Om die reden wordt de aanwezigheid van deze soorten hieronder beschreven op basis van de meest recente gegevens van SOVON, www.waarneming.nl en het Hoekschewaards Landschap. Verspreiding In figuur 4 is de verspreiding van de vier kwalificerende soorten weergegeven. Zoals uit deze kaartbeelden blijkt mijden dwerggans en smient grotendeels het beoogde tracé van het fietspad. Kolgans en brandgans gebruiken wel het gebied rond de buisleidingenstraat om te foerageren. Voor alle vier soorten ligt het zwaartepunt van de verspreiding in het reservaatsgebied in het oostelijk deel en dan met name het gebied ten zuiden van de Molenweg. Vooral dwergganzen zijn zeer selectief en honkvast in hun perceelkeuze.

12

Verspreiding kwalificerende soorten 2012 - 2018 Kolgans

Dwerggans

Brandgans

Smient

13 Seizoensvoorkomen Figuur 5 laat de aanwezigheid per kwalificerende soort zien gedurende het jaar. De gegevens zijn afkomstig van SOVON, met uitzondering van de dwerggans waarvan de SOVON-site geen seizoensvoorkomen geeft. De staafdiagram voor de dwerggans is daarom ontleend aan www.waarneming.nl. Zoals uit deze figuren blijkt zijn alle vier soorten vrijwel uitsluitend aanwezig in de periode oktober tot en met maart.

Seizoensvoorkomen

Populatietrends Figuur 6 laat de populatietrend per kwalificerende soort zien over de afgelopen 40 jaar. Alle vier soorten laten aanvankelijke een sterke populatiegroei zien. Bij de brandgans gaat deze groei nog steeds door en bij de kolgans is de populatie gestabiliseerd rond het Natura 2000-instandhoudingsdoel (groene lijn in de grafiek, de oranje lijn geeft het gemiddelde over de laatste vijf seizoenen). Bij de dwerggans en de smient is de sterke groei omgeslagen in een even scherpe daling tot op of onder de instandhoudingsdoelen. Het beheerplan noemt de volgende oorzaken voor de afname van kol- en dwerggans en smient: Kolgans

-

Herverdeling van populatie over Europa als gevolg van zachtere winters; Voedselconcurrentie met de sterk toegenomen brandganzen; Verstoring; Afname voedselkwaliteit (eiwitrijk gras) binnen het reservaatsgebied; Afschot in het kader van schadebestrijding;

14 Dwerggans: - Hoofdoorzaak: predatie in de noordelijke broedgebieden; - Verstoring door laagvliegende helikopters en mensen in het terrein; - Voedselconcurrentie met de sterk toegenomen brandganzen; Smient

-

Herverdeling van populatie over Europa als gevolg van zachtere winters; Regionale herverdeling naar recent aangelegde natte natuurgebieden met meer voedsel en minder verstoring. Voedselconcurrentie met de sterk toegenomen brandganzen; Afschot in het kader van schadebestrijding;

Voor alle drie soorten met een afnemende populatie wordt verstoring als een mogelijke oorzaak genoemd, hoewel deze factor altijd aanwezig is geweest en niet noemenswaardig lijkt te zijn toegenomen. Andere factoren zijn daarentegen relatief nieuw (zachtere winters, nieuwe natuurgebieden in de regio, voedselconcurrentie met sterk toegenomen brandganzen, afnemende graskwaliteit in het reservaatsgebied) en zijn daarom in combinatie waarschijnlijk doorslaggevend geweest voor het “omslagpunt” in de grafieken in figuur 6.

Populatietrends

3.2.

Natuurnetwerk / EHS

De Ecologische Hoofdstructuur heet met de invoering van de nieuwe Wet Natuurbescherming per 1 januari 2017 het Natuurnetwerk Nederland. Het Natuurnetwerk valt in het Oudeland samen met Natura 2000. Buiten het Oudeland ligt verder een ecologische verbindingszone. Het betreft hier de verbindingszone G13. Hollands Diep–Oude Maas van 19 km lang. Het provinciaal natuurbeheerplan onderscheidt een aantal natuurbeheertypen op en rond het tracé:

15

Beheertypen Natuurnetwerk

3.3.

Beschermde soorten

Onderstaande beschrijving van aanwezige soorten is gebaseerd op gegevens van Staatsbosbeheer, Hoekschewaards landschap en www.waarneming.nl . Flora Er zijn in de afgelopen jaren regelmatig inventarisaties in het gebied uitgevoerd door de plantenwerkgroep van het Hoekschewaards Landschap; daarbij zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. De in 2014 aangetroffen rietorchis nabij de ijsbaan van Strijen was destijds beschermd in het kader van de Flora- en faunawet, maar onder de nieuwe Wet natuurbescherming per 1 januari 2017 is deze soort niet meer beschermd.

16 Vissen en amfibieen In het Oudeland van Strijen komen de kleine modderkruiper, bittervoorn en grote modderkruiper algemeen voor. Alleen de laatste soort is onder de nieuwe Wet natuurbescherming per 1 januari 2017 nog beschermd. Aanwezige amfibieën in de sloten betreffen gewone pad, bruine en groene kikker en kleine watersalamander. Alle inheemse amfibieen zijn wettelijk beschermd. Zoogdieren De noordse woelmuis is in 2014 aangetroffen in het rietmoeras langs de Keen doch is volgens de zoogdierenwerkgroep van HWL niet bekend van het fietspadtracé. Deze soort komt voor op bijlage IV van de Habitatrichtlijn en is daarom zwaar beschermd. Verder zijn in het Oudeland zoogdieren aanwezig als haas, konijn, mol, verschillende soorten muizen, egel, bunzing, hermelijn en wezel. Vleermuizen zijn in het Oudeland zeer schaars vanwege het open landschap. Incidentele waarnemingen zijn bekend van foeragerende gewone dwergvleermuizen langs de randen van het gebied. Vogels Het reservaatgebied herbergt hoge dichtheden aan broedende weidevogels als kievit, scholekster, en de landelijk bedreigde (Rode Lijst)soorten grutto, tureluur, watersnip, slobeend, zomertaling, veldleeuwerik en graspieper. Ook buiten het reservaatsgebied worden met gericht weidevogelbeheer plaatselijk hoge dichtheden gerealiseerd. Waarnemingen van patrijzen zijn vooral bekend rondom de Hoekseweg.

Na een sterke stijging vanaf de jaren zeventig zijn de aantallen weidevogels de laatste tien jaar weer gedaald. De broedende bruine kiekendieven langs de Keen (inmiddels 11 paar) zijn een mogelijke oorzaak voor de ontwikkeling van de weidevogelpopulaties. Verder is de rietstrook langs de Keen rijk aan vogels van rietland en ruigte zoals blauwborst, kleine karekiet, rietzanger, rietgors en bosrietzanger. In deze strook zijn tevens slaapplaatsen aanwezig van grote zilverreiger, waterpieper en gele kwikstaart. Langs het beoogde fietspadtracé broeden volgens gegevens van het Hoekschewaards landschap weinig weidevogels. Gegevens van www.waarneming.nl bevestigen deze inschatting, met uitzondering van een concentratie van waarnemingen rond het punt waar het tracé de Waleweg kruist. Een veldbezoek op 11 mei 2018 laat hier een structuur- en bloemrijk grasland zien dat nog niet is gemaaid hetgeen verklaart waarom dit deel van het tracé, buiten het reservaatsgebied, toch rijk is aan weidevogels. Aan de zuidzijde van de Waleweg werd op 11 mei 2018 een paar roodborsttapuit aangetroffen in de ruigtestrook op het beoogde tracé. Gezien de datum en het biotoop betreft het hier een waarschijnlijk broedgeval. Ook de rode lijstsoorten graspieper, veldleeuwerik en paapje worden hier min of meer regelmatig op het tracé waargenomen (bron: www.waarneming.nl ).

De aanwezigheid van deze soorten wordt verklaard doordat op de percelen tussen Bovenweg en Waleweg met de betreffende grondeigenaren beheerovereenkomsten afgesloten (zie figuur 8). Meer dan 90% van het beheer heeft betrekking op zgn. ‘ zwaar beheer’: beheer met rustperiode of inundatie (plas-dras). Overige soortgroepen Beschermde dagvlinders, libellen, reptielen etc. ontbreken in het Oudeland. De aanwezige biotopen zijn geheel ongeschikt voor dergelijke soorten en waarnemingen zijn niet bekend.

17

Percelen met weidevogelbeheer 2018 (bron: CCHW)

Akkerrandenbeheer 2018 (bron: CCHW)

18

Waarnemingen weide- en akkervogels 2012 - 2018

Grutto

Kievit

Tureluur

Scholekster

Patrijs

Veldleeuwerik

19

11 mei 2018: bloemrijk grasland naast het tracé aan de noordzijde van de Waleweg

11 mei 2018; paar roodborsttapuit naast tracé aan de zuidzijde van de Waleweg.

20

4.

Effecten Natura 2000

4.1.

Inleiding

Het fietsproject wordt grotendeels ontwikkeld conform de CROW-richtlijnen waaronder de aanbevelingen voor fietsvriendelijke infrastructuur uit publicatie 164 “Handboek Wegontwerp” en nummer 230 “Ontwerpwijzer fietsverkeer”. Vanwege de beschikbare ruimte is het fietspad is 3 meter breed; de aanleg zal vanaf 1 november 2019 ongeveer vier maanden (17 weken) in beslag nemen. Het fietspad is gesloten voor gemotoriseerd verkeer, er is uitsluitend toegang voor onderhoudsvoertuigen en landbouwverkeer van vergunninghouders. Dit vindt plaats door bebording en de inrichting van het fietspad. De beoogde ontwikkeling vindt grotendeels binnen Natura 2000 plaats. Aanpassing van de waterhuishouding is niet aan de orde. Potentiele effecten zijn daarom: - Areaalverlies - Versnippering - Verstoring door geluid verlichting of beweging (optische verstoring) - Verontreiniging, vermesting en verzuring Bij een aantal effecten bestaan relevante verschillen tussen de aanleg- en de gebruiksfase. Deze effecten zullen afzonderlijk beschreven worden.

4.2.

Areaalverlies

In aanvulling op de bestaande onderhoudswegen vergt het fietspad 2850 meter nieuwe verharding. Bij een breedte van 3 meter bedraagt het areaalverlies 8550 m2. Het betreft grotendeels gangbaar gebruikt agrarisch gebied met weinig natuurwaarden, met alleen rond de kruising met de Waleweg relatief hoge concentraties weidevogels. De betreffende strook wordt verder incidenteel als foerageergebied gebruikt door de kwalificerende soorten kol-, dwerg-, brandgans en smient. Het verlies van 0,85 ha weinig gebruikt foerageergebied is verwaarloosbaar klein (0,1 %) ten opzichte van het totale areaal van dit Natura 2000gebied (1.568 hectare). Het effect wordt daarom als licht negatief (-/0) en verre van significant beoordeeld. In paragraaf 4.4.3 wordt nader ingegaan op de ecologische betekenis van dit areaalverlies.

4.3.

Versnippering

Het tracé ligt vrijwel langs de rand van het Natura 2000-gebied. De strook tussen het fietspad en de Oudendijk (westrand van het Natura 2000-gebied) wordt door de kwalificerende soorten weinig (kolgans, brandgans) of vrijwel nooit (dwerggans, smient) gebruikt (zie ook figuur 4). Mogelijk is dit een gevolg van het bestaande gebruik van de bestaande onderhoudswegen op de buisleidingstraat. Indien het fietspad weinig of niet wordt gebruikt (buiten de spitsuren en weekenden) zal er geen extra versnipperend effect vanuit gaan. In de praktijk gaat het dus om een groot deel van de dag, resp. week. Vanwege het geringe

21 actuele gebruik van de zone ten westen van het fietspadtracé en de zeer geringe periode waarin sprake kan zijn van een versnipperend effect, wordt dit effect als licht negatief (-/0) en niet significant beoordeeld.

4.4.

Verstoring

4.4.1. Geluid Algemeen Vogels zijn in het algemeen gevoelig voor verstoring door geluid. De mate van gevoeligheid hangt onder andere af van het geluidsniveau, de duur van de verstoring, de periode en het tijdstip waarin verstoring plaatsvindt, de locatie en de gevoeligheid van de soort zelf. De verstoringgevoeligheid van vogels hangt verder af van andere factoren, zoals de voedselbeschikbaarheid, de grootte van de groep en de mate van gewenning aan de verstoring. Verstoring door geluid kan ertoe leiden dat vogels onvoldoende mogelijkheid hebben om te foerageren, onvoldoende op hun broedsel en jongen kunnen passen, stressreacties krijgen zoals een verhoogde hartslag en uiteindelijk dat ze uitwijken naar andere leefgebieden. Aanlegfase Voor vogels van open landschappen geldt een verstoringsdrempel van 47 dB(A) (bron: Reijnen, 1992). In tabel 5.1 is de ligging van deze 47 dB(A)-contour aangegeven voor een aantal werkzaamheden. Tabel 4.1 Ligging 47 dB(A)-contour bouwwerkzaamheden Activiteit Afstand 47 dB(A)contour (m) Ontgraven met 1 graafmachine Compressor 12 vrachtwagens. per uur (24 bewegingen)

(bron: www.AV-consulting.nl)

171 128 14

Maatgevend voor de mate van verstoring is het werken met zwaar materiaal. De maximale 47 dB(A)contour die hiermee samenhangt is weergegeven in figuur 13. Uit deze figuur blijkt dat de 47 dB(a)contour deels overlapt met Natura 2000. In deze zone zijn regelmatig kwalificerende vogelsoorten aanwezig in soms grote aantallen (bron: www.waarneming .nl). Aangezien het hier gaat om een tijdelijke verstoring (enkele weken) van een relatief zeer klein deel van het Natura 2000-gebied zal dit verstoringseffect zeer gering (-/0) en niet significant zijn. Om deze verstoring te voorkomen kunnen de werkzaamheden worden uitgevoerd in de maanden mei t/m augustus, wanneer de kwalificerende soorten vrijwel geheel afwezig zijn. Deels ontstaan dan echter conflicten met het broedseizoen van vogels (zie volgende paragrafen). Uitvoering in de periode juli t/m oktober is het minst schadelijke compromis; in deze periode zal geen sprake zijn van verstoring van broedende weidevogels en van slechts weinig Natura 2000-soorten. Deze laatste verblijven slechts in (zeer) kleine aantallen rond het tracé, in tegenstelling tot de weidevogels die deels op en naast het tracé broeden.

22 Maximale 47 dB(A)-Verstoringscontour vogels a.g.v. aanlegwerkzaamheden (blauwe contour)

Gebruiksfase Er vanuit gaande dat het fietspad niet door brommers zal worden gebruikt, dan is er geen verstoringseffect als gevolg van geluid, anders dan de verstoring door (luidruchtige) fietsers. Dit effect wordt hierna beschreven onder 4.4.3. 4.4.2.

Licht

Aanlegfase Aangenomen wordt dat de aanleg van het fietspad geheel bij daglicht zal plaatsvinden en er dus geen gebruik zal worden gemaakt van bouwlampen etc. In de aanlegfase ontbreekt verstoring door licht derhalve geheel (0). Gebruiksfase In de gebruiksfase kunnen de fietsers tijdens de spitsuren in de winter leiden tot enige verstoring van de aanwezige kwalificerende vogelsoorten. Naar verwachting is deze uitstraling echter zeer gering ten opzichte van de bestaande lichtbronnen op de naast- en hoger gelegen Oudendijk Het gaat daarbij om woningen, wegverlichting en vooral zwaaiende koplampen van auto’s. Juist in de wintermaanden is de afschermende werking van de wegbeplanting nihil. Extra verstoringseffecten als gevolg van licht zijn daarom zeer gering (-/0) en niet significant. 4.4.3. Beweging (optische verstoring) Verstoring van vogels door wandelaars en fietsers is een ingewikkeld proces en kent geen rechtlijnige dosis-effectrelatie. Omtrent de verstoringsgevoeligheid van vogels bestaat veel onderzoeksliteratuur met onderling soms sterk wisselende uitkomsten. Over enkele kwalitatieve “vuistregels” bestaat echter wel overeenstemming; in gebieden waar een bepaalde verstoringsbron geen werkelijke dreiging vormt en daarnaast ook voorspelbaar is, reageren vogels steeds minder op de verstoringsbron. Het type verstoring is daarbij

23 bepalend voor de verstoringsafstand (Krijgsveld, K.L. et al (2008): 'Verstoringsgevoeligheid van vogels, update van literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie'): o voorspelbaarheid: voorspelbare gebeurtenissen of gedrag leiden tot minder verstoring en kortere verstoringsafstanden; o gedrag verstoorder: richting (langs versus naderend), gedrag (rustig doorgaand versus alternerend stilhoudend en roepen), vervoer (lopend met hond versus fiets, roeiboot versus motorboot) van verstoorder beïnvloeden de verstoringsafstand; o duur en frequentie: continue verstoring heeft ernstiger gevolgen dan infrequente verstoring. Bij verstoring zijn onverstoorde perioden waarin de vogels kunnen compenseren voor verloren tijd essentieel. In de aanlegfase zullen de bewegingen van de in te zetten machines en auto’s voorspelbaar, ongevaarlijk en circa 8 uur per etmaal plaatsvinden. Bij uitvoering in de wintermaanden zal er sprake zijn van een geringe (-/0), niet-significante verstoring. Buiten de wintermaanden is het effect op de kwalificerende vogelsoorten nihil (0). In de gebruiksfase zal het fietspad vooral tijdens de ochtend- en middagspits worden gebruikt en verder in de weekenden bij mooi weer. Er zijn dus per dag en per week lange periodes van rust waarin het gebruik van het fietspad (zeer) gering is.

Daarnaast betreft dit gebruik een voorspelbare, ongevaarlijke, rustige verkeerstroom waar de vogels snel aan zullen wennen. Daarbij wordt er van uitgegaan dat hondenbezitters hun dieren hier altijd aanlijnen. Het Hoeksewaards landschap (mail Henk Malta 19-4-2018) schat de verstorende werking als volgt in: “Een fietspad zal enige verstoring geven maar er zal ook snel gewenning optreden waardoor de ganzen op zo’n 25 meter vanaf het fietspad zullen blijven foerageren. De ervaring leert dat de ganzen op rustige momenten dichter naar het fietspad gaan om te foerageren. Wetlandwacht Dick van Houwelingen (mail 14-12-2018) schat deze verstoringsafstand in op 35 meter. Uitgaande van deze maat van 35 m wordt hieronder het verstoringseffect nader gekwantificeerd. Gevolgen voor benutting foerageergebied De 2850 m nieuw fietspad genereert bij een verstoringszone van 35 meter van weerszijden (dus 70 m breed) een extra verstoringszone van circa 20 ha. De vraag is vervolgens of deze verstoring een significant effect heeft op de instandhoudingsdoelen voor dit Natura 2000-gebied. In dat kader is een onderzoek 1 relevant uit 2012 door Bureau Waardenburg naar het verstoringseffect van de aanwezige kartbaan op ganzen. Uit dit onderzoek komt naar voren dat de ganzen eerst de directe omgeving van de kartbaan mijden en op wat grotere afstand van de kartbaan foerageren.

Indien de voedselvoorraad afneemt, worden ook de voor de vogels minder aantrekkelijke gebieden, zoals gebieden vlakbij opgaande begroeiing, langs wegen en bij huizen, als foerageergebied benut. Dit betekent derhalve dat het verstorende effect van het gebruik van de kartbaan op het gebiedsgebruik door ganzen direct rond de kartbaan wordt gecompenseerd door een intensiever gebruik door ganzen van dit gebied later in het seizoen op dagen dat de kartbaan niet in gebruik is. Er is sprake van een tijdelijke verschuiving, die niet van invloed is op het totale gebruik door ganzen van de directe omgeving van de kartbaan. Een dergelijke conclusie kan worden doorgetrokken naar de effecten van het gebruik van het fietspad. Het fietspad zal vooral gebruikt worden tussen 7.00 en 9.00 ’s ochtends en aan het eind van de middag. In de tussenliggende uren kunnen de ganzen alsnog dichter bij het fietspad foerageren. In weekenden en vakanties zal het gebruik van het fietspad met name in de ochtend veel geringer zijn zodat extra foerageertijd resteert voor de ganzen.

1

Boudewijn, T. e.a. (2012): 'Onderzoek naar de effecten van de kartbaan op het gebiedsgebruik van ganzen in het

Oudeland van Strijen', Bureau Waardenburg-rapportnr. 12-031.

24 Draagkrachtbepaling Wanneer er worst-case vanuit wordt gegaan dat de verstoorde circa 20 ha geheel en blijvend verloren gaan als foerageergebied, dan dient zich vervolgens de vraag aan of dit verlies gevolgen heeft voor de draagkracht van het Natura 2000-gebied voor de beoogde aantallen ganzen en smienten. Voor ganzen zijn redelijk gedetailleerde vuistregels beschikbaar op basis waarvan de draagkracht van een gebied per ganzensoort bepaald kan worden. De draagkracht voor de relatief kleine smient is afgeleid van de waarden voor ganzensoorten op basis van verschillen in lichaamsgewicht, energiehuishouding en de daarvan afhankelijke voedselbehoefte. De dwerggans wordt voor deze effectbeoordeling qua omvang gelijk gesteld met de (iets grotere) kleine rietgans. Het Alterra-onderzoek uit 2004 1 kwam daarbij tot de volgende waarden per soort: Tabel 4.2 Normgetallen draagkrachtbepaling per soort Soort Draagkracht agrarisch grasland per hectare Kleine rietgans /Dwerggans 22,6 Kolgans 16,5 Brandgans 15,3 Smient 29,2 De tabel hierboven laat zien dat een hectare agrarisch grasland in één winter ruim 16 kolganzen kan voeden. Van de relatief kleine smient en dwerggans kunnen meer exemplaren op een hectare voldoende voedsel vinden. Genoemde waarden zijn bepaald voor “normaal”, intensief gebruikt en bemest agrarisch grasland met vooral eiwitrijke grassoorten.

In het reservaatgebied in het Oudeland is het beheer extensiever, maar wel in belangrijke mate gericht op de functie van ganzen- en smientenfoerageergebied. Het Natura 2000-beheerplan geeft aan dat de graslandpercelen worden verpacht. Voorwaarden in de pachtcontracten moeten garanderen dat voor de wintergastenopvang het grasland medio oktober, als de ganzen arriveren, ‘schoon’ wordt opgeleverd. Dit betekent dat hoge kruiden en grassen zijn afgemaaid of afgegraasd. Er wordt gestreefd naar een grasvegetatie die kort en eiwitrijk de winter ingaat. De draagkracht van deze natuurhectaren als foerageergebied voor ganzen worden daarom gelijkgesteld met die van agrarisch grasland. Wanneer de waarden uit tabel 4.2 worden toegepast op de instandhoudingsdoelen voor de betreffende soorten in het Oudeland, dan ontstaat het beeld van tabel 4.3. Tabel 4.3 Benodigd foerageerareaal Soort

Dwerggans Kolgans Brandgans Smient Totaal

Doelstelling omvang populatie

30 1500 1500 1100

Draagkracht per hectare grasland

22,6 16,5 15,3 29,2

Benodigd areaal grasland

1,3 ha 91 ha 98 ha 38 ha

228,3 ha

Om alle beoogde aantallen ganzen en smienten conform de instandhoudingsdoelen in dit Natura 2000gebied een hele winter te kunnen voeden is dus bijna 230 hectare grasland nodig. Het SBB-reservaat heeft alleen al een oppervlak van bijna 545 ha. Naast dit optimaal beheerde foerageergebied is er in dit Natura 2000-gebied nog ruim 300 hectare agrarisch grasland beschikbaar, en met uitzondering van de dwerggans foerageren de kwalificerende soorten ook (ver) buiten het Oudeland. Geconcludeerd wordt derhalve dat zelfs wanneer de verstoorde 20 hectare geheel als foerageergebied verloren gaan dit geen gevolgen heeft voor de draagkracht van het Natura 2000-gebied voor de

Ebbinge, B.S. (2004): “Advies over de vraag hoeveel hectare ganzen- en smientenopvanggebied in Nederland nodig zijn om de huidige aantallen ganzen en smienten op te vangen” Alterra-rapport 972 1

25 kwalificerende vogelsoorten. Geconcludeerd wordt daarom dat de extra optische verstoring zeer gering zal zijn (-/0) en niet significant.

4.5.

Vermesting en verzuring

Het Oudeland van Strijen kent geen stikstofgevoelige habitats of stikstofgevoelige leefgebieden van soorten. De dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000 bevinden zich op ruim 10 kilometer afstand binnen het Krammer-Volkerak. In de aanlegfase zal gedurende enkele weken gebruik worden gemaakt van zware machines. Voor de berekeningen van de stikstofdepositie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd; • •

•

Bij de aanleg wordt uitgegaan van de inzet gedurende 17 weken, 5 dagen per week, 8 uur per dag van 1 asfalteermachine en 1 shovel. Voor deze machines geldt een brandstofgebruik van 30 liter per uur. Gedurende 680 uur gebruiken de 2 machines dus elk 20.400 liter brandstof; in totaal 40.800 liter. Omdat de machines in het hele werkgebied worden ingezet worden deze emissies ingevoerd als lijnbron. Tijdens de aanlegfase is behalve de inzet van machines op het terrein ook het verkeer van en naar de ontwikkeling een relevante factor voor de uitstoot van stikstof. Uitgegaan wordt van 10 lichte motorvoertuigbewegingen ten behoeve van woon-werkverkeer en 10 zware motorvoertuigbewegingen per etmaal voor de aanvoer van materialen. Omgerekend naar jaarbasis betreft het (afgerond) 6 mvt per etmaal (licht en zwaar).

Het bouwverkeer zal uiteindelijk via de N488 het gebied verlaten, waar dit extra verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan- en afrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet, dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. Op grond van jurisprudentie worden de gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdend verkeer niet meer aan het in werking zijn van de inrichting toegerekend wanneer dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Op basis van bovengenoemde verkeersproductie is in AERIUS Calculator de stikstofdepositie binnen Natura 2000 berekend. Op geen enkel stikstofgevoelig Natura 2000-gebied blijkt er sprake van enige depositie hoger dan de drempelwaarde (0,05 mol/ha/jr; zie bijlage 2 AERIUS-berekeningen). Derhalve is er geen enkel depositie-effect en is er geen sprake van een vergunning- of meldingsplicht in het kader van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen daarom geheel worden uitgesloten (0).

4.6.

Samenvatting effecten

In onderstaande tabel zijn de potentiele effecten zoals hiervoor beschreven samengevat. Er wordt onderscheid gemaakt in tijdelijke effecten in de aanlegfase en blijvende effecten in de gebruiksfase. Tabel 4.1 Samenvatting effecten Areaalverlies/-verandering Versnippering Verdroging/vernatting Verstoring door geluid Verstoring door licht Optische verstoring Vermesting en verzuring

Aanlegfase -/0 -/0 0 -/0 0 -/0 0

Gebruiksfase -/0 -/0 0 0 -/0 -/0 0

26

Geconcludeerd wordt dat de gezamenlijke effecten op Natura 2000 gering zijn en niet significant. Voor de aanleg en het gebruik van het fietspad is wel een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming vereist.

4.7.

Cumulatie

Rondom het Oudeland van Strijen worden behalve het beoogde fietspad verschillende andere ontwikkelingen gepland met mogelijke gevolgen voor de Natura 2000-instandhoudingsdoelen. De Wet natuurbescherming vereist in dergelijke gevallen een beoordeling voor 'elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied'. Conform jurisprudentie (uitspraken 201203812/1/R2 en 201203820/1/R2) worden bij cumulatie concrete ontwikkelingen betrokken; projecten die reeds vergund zijn in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 of de Wet natuurbescherming (per 1 jan 2017) maar nog niet of slechts deels zijn gerealiseerd. Onzekere toekomstige gebeurtenissen, zoals bestemmingsplannen hoeven niet te worden meegewogen. Voor plannen is immers geen vergunning Wet Natuurbescherming nodig (deze plannen moeten wel worden getoetst aan de Wnb). Omdat bij plannen onzeker is wanneer daarin mogelijk gemaakte activiteiten tot besluitvorming/vergunningverlening komen, vallen plannen in de categorie onzekere toekomstige gebeurtenis. Ook huidig gebruik hoeft niet bij de cumulatie betrokken te worden. De gevolgen van huidig gebruik worden geacht te zijn verdisconteerd in de uitgangssituatie.

In en rondom Strijen zijn drie verschillende bouwprojecten aan de orde die voor deze cumulatietoets mogelijk relevant zijn: • Bouwlocatie Sportlaan 113 woningen. Verwachte uitvoering 2020-2022 • Bouwlocatie Spui, 13 woningen. Verwachte uitvoering 2019-2020 • Bouwlocatie Land van Essche 135 woningen. Verwachte uitvoering 2020 – 2024 Alleen het plan Spui met 13 woningen overlapt in de tijd mogelijk met de aanleg van het fietspad in 2019. Bij het opstellen van het bestemmingsplan is geconstateerd dat het plan vanwege het kleinschalige karakter en de afstand tot natuurgebieden niet zal leiden tot negatieve effecten als areaalverlies, versnippering, effecten op de waterhuishouding, verstoring of stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden. Een vergunning in het kader van de Wnb is voor dit plan/project dus niet vereist en daarmee is dit project ook niet relevant voor de voorliggende cumulatietoets.

27

5.

Effecten Natuurnetwerk

5.1.

Inleiding

Binnen het Oudeland van Strijen overlappen Natura 2000 en het Natuurnetwerk volledig. De effecten op deze laatste komen daarom in beginsel grotendeels overeen met hetgeen hiervoor beschreven. Er is echter een belangrijk verschil: het tracé speelt nauwelijks een rol in het behalen van de Natura 2000doelen, maar is lokaal wel van betekenis als Leefgebied open grasland voor o.a. weidevogels, één van de doelen voor het Natuurnetwerk in het Oudeland. Het areaalverlies binnen het Natuurnetwerk dient daarom gecompenseerd te worden (voor Natura 2000 geldt een dergelijke verplichting niet zolang de effecten niet significant zijn). Dit thema wordt in dit hoofdstuk kwalitatief nader uitgewerkt.

5.2.

Effecten

De effecten op het Natuurnetwerk komen qua aard grotendeels overeen met de effecten op Natura 2000, zoals beschreven in het vorige hoofdstuk: Een areaalverlies van 0,85 hectare agrarisch grasland/akkerland; Een klein versnipperingseffect doordat de strook tussen het fietspad en de Oudendijk geïsoleerd komt te liggen bij intensief gebruik van het fietspad; Een aanvullend versnipperingseffect doordat het fietspad in het noordwesten een natte ecologische verbindingszone dwars op de buisleidingstraat kruist (zie figuur 14). Onduidelijk is hoe deze verbindingszone is gerealiseerd aangezien kruisende watergangen binnen de buisleidingstraat niet mogelijk zijn. Verstoring door licht, geluid en beweging; Kruising beoogde verbindingszone en fietspad

28 Areaalverlies, versnippering en verstoring vinden geheel plaats ten koste van agrarisch gebied met de aanduiding Leefgebied open grasland waarvan de wezenlijke kenmerken en waarden niet nader zijn omschreven. Omdat een deel van het tracé van betekenis is voor broedvogels van grasland en ruigte, waaronder meerdere rode lijstsoorten, zijn areaalverlies en verstoring niet verwaarloosbaar. Op grond van de Wet natuurbescherming dient de aanleg van het fietspad buiten het broedseizoen plaats te vinden. Voor verstoring van broedende vogels wordt immers geen ontheffing verleend indien geen dwingende redenen van groot openbaar belang aan de orde zijn. Effecten op de vogels van grasland en ruigte zijn derhalve beperkt tot de gebruiksfase. Omtrent de verstoringsgevoeligheid van weidevogels ten opzichte van fietspaden bestaan geen eenduidige gegevens. Fietsen geldt wel als een van de minst verstorende recreatievormen, waarschijnlijk omdat fietsers zich geruisloos, voorspelbaar en nooit buiten de paden voortbewegen en relatief snel een locatie gepasseerd zijn. (bron: Krijgsveld, 2009).

Fietsende scholieren wijken echter af van fietsende recreanten, bewegen zich vaak niet voorspelbaar en geruisloos voort (stoppen, op elkaar wachten, muziek) en kunnen derhalve een relevante bron van verstoring vormen Het fietspad zal verder waarschijnlijk ook gebruikt worden door wandelaars, al dan niet met (loslopende) honden. De literatuur spreekt in dat geval over een verstoringsafstand van “enige honderden meters”. Voor de onderhavige situatie wordt uitgegaan van een verstoringsafstand van 200 meter in de gebruiksfase; in de broedtijd zal er daarom sprake zijn van een relevante verstoring van broedende weidevogels, waaronder meerdere rode lijstsoorten. Conform de Beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland (2013) dienen bovengenoemde negatieve effecten gecompenseerd te worden.

5.3.

Compensatie

Artikel 5, lid 4 van de Beleidsregel Compensatie geeft aan: 1. Onverminderd het bepaalde in het zevende lid, vindt de compensatie plaats (voorkeursladder): a. door fysieke compensatie met dezelfde natuur-, recreatie- of landschapswaarden als die door de ingreep verloren zijn gegaan aansluitend aan of nabij het gebied van de ingreep met dien verstande dat een duurzame situatie ontstaat; b. indien fysieke compensatie met dezelfde natuur-, recreatie- of landschapswaarden als in het vorige onderdeel bedoeld redelijkerwijs onmogelijk is, door fysieke compensatie met kwalitatief vergelijkbare waarden aan of nabij het gebied van de ingreep dan wel door fysieke compensatie elders, of, c. indien ook dat redelijkerwijs onmogelijk is. door financiële compensatie Uitwerking compensatie in overleg met provincie, gemeente en Coöperatie Collectief Hoeksche Waard (CCHW)

29

6.

Effecten beschermde soorten

Effecten Op en rond het tracé geen zijn geen vaste rust-, verblijfs- of voortplantingsplaatsen aanwezig van zwaarbeschermde soorten. Daarbij wordt er van uit gegaan dat ten behoeve van het fietspad geen watergangen worden gedempt, zodat het leefgebied van de zwaarbeschermde grote modderkruiper niet wordt geschaad. Tevens wordt er van uit gegaan dat de aanleg van het fietspad buiten het broedseizoen plaatsvindt. Voor de overige beschermde soorten op en rond het tracé (haas, veldmuis etc.) geldt een provinciale vrijstelling voor o.a. ruimtelijke inrichting. De effecten op beschermde vogels (wintergasten, broedvogels) zijn in de voorgaande hoofdstukken beschreven. Conclusie De aanleg en het gebruik van het beoogde fietspad heeft geen gevolgen voor beschermde soorten waarvoor een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming vereist is.

30

7. Conclusies

•

•

•

•

•

• •

• •

Om de veiligheid van het fietsverkeer te verbeteren is het zeer gewenst een fietsroute te realiseren tussen Oud-Beijerland en Strijen en een route langs delen van de voormalige S40 tussen Zuid-Beijerland en ’s Gravendeel. Het beoogde tracé de buisleidingenstraat volgt zoveel mogelijk de bestaande onderhoudspaden en ligt grotendeels binnen het Natura 2000-gebied Oudeland van Strijen. Dit gebied maakt tevens onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De kwalificerende Natura 2000-soorten kennen deels een negatieve populatietrend tot op of onder de instandhoudingsdoelen. Verstoring is daarbij waarschijnlijk een ondergeschikte factor. Dwerggans en smient mijden grotendeels het beoogde tracé van het fietspad. Kolgans en brandgans gebruiken wel het gebied rond de buisleidingenstraat om te foerageren. Voor alle vier soorten ligt het zwaartepunt van de verspreiding in het reservaatsgebied in het oostelijk deel van het Oudeland. Het beoogde tracé kent rond de Waleweg relatief hoge dichtheden aan broedende weidevogels met meerdere rode lijstsoorten. Deze bijzondere natuurwaarden worden verklaard door het grote areaal “zwaar” agrarisch natuurbeheer. Het areaalverlies binnen Natura 2000/NNN (circa 0,85 ha) als gevolg van het fietspad wordt als licht negatief en verre van significant beoordeeld.

Het beschikbare areaal grasland blijft ruim voldoende om als foerageergebied te fungeren voor de kwalificerende vogelsoorten in de beoogde aantallen. Uitvoering van de aanlegwerkzaamheden in de periode juli t/m oktober is het minst schadelijke compromis tussen effecten op wintergasten (Natura 2000) en broedvogels (Natuurnetwerk); in deze periode zal geen sprake zijn van verstoring van broedende weidevogels en van slechts weinig Natura 2000-soorten. In de gebruiksfase zal de verstoring van wintergasten zeer gering zijn aangezien deze weinig op en rond het tracé verblijven en/of relatief ongevoelig zijn voor verstoring door fietsers. Verstoring van weidevogels is in het broedseizoen wel een relevant effect en zal de inspanningen en resultaten op het gebied van agrarisch natuurbeheer rond het tracé voor een deel teniet doen. Compensatie conform het provinciale natuurbeleid is derhalve aan de orde en dient nader te worden uitgewerkt. Negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen op grond van AERIUS-berekeningen geheel worden uitgesloten. Vanwege areaalverlies en verstoring van het Natura 2000-gebied is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming vereist. Een Wnb-ontheffing (beschermde soorten) is niet benodigd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13605543/1