CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen toelichting Bijlage 3 Passende beoordeling Wnb-toets

Besluitvormende raad 30 januari 2024, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan Fietsroute Oudeland – Strijen7.145 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Passende beoordeling fietspad Oudeland Gemeente Hoeksche Waard

Identificatie

Planstatus definitief

projectnummer:

datum:

061700.20180241

december 2022

projectleider:

opdrachtgever:

ir. H.G. van der Aa

Gemeente Hoeksche Waard

auteur(s):

ir. H.G. van der Aa

2

Inhoud

1.

Inleiding

1

2.

Toetsingskader

3

3.

Uitgangsituatie

6

4.

Effecten op Natura 2000

11

1.1. 1.2. 1.3. 2.1.

3.1.

4.1. 4.2. 4.3. 4.4.

4.5. 4.6. 4.7.

5.

Aanleiding Onderzochte alternatieven Leeswijzer Wet natuurbescherming 2.1.1. Gebiedsbescherming Natura 2000 3.1.1. Verspreiding kwalificerende soorten Inleiding Areaalverlies Versnippering Verstoring 4.4.1. Geluid 4.4.2. Licht 4.4.3. Beweging (optische verstoring) Vermesting en verzuring Samenvatting effecten Cumulatie

Conclusies

Bijlage: 1. 2.

Bronnen AERIUS-berekeningen

1 2 2

3 3

6 6

11 11 11 12 12 13 13 17 18 18

20

1. Inleiding

1.1.

Aanleiding

Om de veiligheid van het fietsverkeer te verbeteren is het zeer gewenst een fietsroute te realiseren tussen Oud-Beijerland en Strijen en een route langs delen van de voormalige S40 tussen Zuid-Beijerland en ’s Gravendeel. Eind 2017 heeft de gemeenteraad van Strijen besloten om het ontbrekende deel van het fietspad binnen het gemeentelijk grondgebied (als onderdeel van de complete fietsroute) aan te leggen. Naar schatting zullen dagelijks zo’n 400 scholieren gebruik maken van deze route. Het beoogde tracé op de buisleidingenstraat volgt zoveel mogelijk bestaande onderhoudspaden en ligt grotendeels binnen het Natura 2000-gebied Oudeland van Strijen. Dit gebied maakt tevens onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Figuur 1 toont de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000. Figuur 2 geeft een beeld van het tracé. Ligging tracé (rood) ten opzichte van Natura 2000 (geel)

2

1.2.

Onderzochte alternatieven

De gemeente Strijen is opgegaan in de gemeente Hoeksche Waard en deze geeft de voorkeur aan een tracé langs de oostrand van de buisleidingenstraat. De volgende overwegingen spelen daarbij een rol: • Door gebruik te maken van de reeds bestaande inspectiepaden (circa 2 km) op de buisleidingenstraat kan het fietspad sneller en efficiënter worden aangelegd met een relatief geringe toename van de verharding. De aan te vullen delen tussen de bestaande verhardingen zijn bovendien vrij van leidingen. • Langs de westkant staat de buisleidingenstraat geen fietspad op het leidingtracé toe, aangezien de daar aanwezige leidingen bijna tot aan de eigendomsgrens lopen. Een westelijk tracé zou dan naast de buisleidingstraat moeten komen te liggen op particulier terrein. • Een westelijk tracé betekent dat de benodigde onderhandelingen over grondaankopen met vele eigenaren moeten worden gevoerd hetgeen (zeer) tijdrovend kan worden; • Een fietspad langs de oostzijde geeft minder inbreuk op de privacy van de omwonenden langs de Oudendijk; • Een tracé langs de oostzijde sluit beter aan op de bestaande wegstructuur en doorkruist minder landbouwpercelen dan aan de westzijde.

1.3.

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt het toetsingskader voor deze passende beoordeling beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op uitgangssituatie en de actuele Natura 2000-waarden binnen het Oudeland van Strijen. In hoofdstuk 4 worden de effecten op Natura 2000 beschreven.

Het beoogde tracé maakt gebruik van de bestaande inspectiepaden op de buisleidingstraat

3

2. Toetsingskader

2.1.

Wet natuurbescherming

Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. 2.1.1. Gebiedsbescherming In Nederland hebben diverse natuurgebieden een beschermde status onder de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Daarbij zijn twee soorten beschermingen te onderscheiden: Natura 2000-gebieden; Bijzondere nationale natuurgebieden. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Voor Nederland gaat het om ruim 160 gebieden. Alle Natura 2000-gebieden liggen binnen het Nationaal Natuurnetwerk. In het aanwijzingsbesluit staat welke doelen Nederland nastreeft voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld welke planten en dieren bescherming verdienen. Vervolgens komt er in nauw overleg met betrokken partijen een beheerplan, waarin onder andere staat beschreven welke maatregelen nodig zijn om de doelen te behalen.

Bijzondere nationale natuurgebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) kan buiten de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000, ook bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen wanneer deze zijn opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of onderwerp zijn van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000, geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied. Wettelijk kader De Wnb verankert de Europese gebiedsbescherming van Natura 2000, bestaande uit Speciale Beschermingszones (SBZ's) op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving; vormt de wettelijke basis voor de aanwijzingsbesluiten met instandhoudingsdoelstellingen; legt de rol van bevoegd gezag voor verlening van vergunningen meestal bij de provincies. Voor Natura 2000-gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen. De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen.

Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied.

4

-

Bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gerealiseerd, terwijl significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000) bewaard blijft.

In artikel 2.,7, eerste lid, van de Wnb is de habitattoets voor het vaststellen van een bestemmingsplan neergelegd. Artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb luidt als volgt: Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid. Artikel 2.8 van de Wnb luidt als volgt: 1.

2.

3.

4.

5.

6. 7.

Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. In afwijking van het eerste lid hoeft geen passende beoordeling te worden gemaakt, ingeval het plan of het project een herhaling of voortzetting is van een ander plan, onderscheidenlijk project, of deel uitmaakt van een ander plan, voor zover voor dat andere plan of project een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan of project. Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. In afwijking van het derde lid kan, ondanks het feit dat uit de passende beoordeling de vereiste zekerheid niet is verkregen, het plan worden vastgesteld, onderscheidenlijk de vergunning worden verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a.

er zijn geen alternatieve oplossingen; b. het plan, onderscheidenlijk het project, bedoeld in het eerste lid, is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en c. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. Ingeval het plan, onderscheidenlijk het project, bedoeld in het eerste lid, significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied, geldt, in afwijking van het vierde lid, onderdeel b, de voorwaarde dat het plan, onderscheidenlijk het project nodig is vanwege: a. argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of b. andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie. Een advies van de Europese Commissie als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, wordt door de Minister gevraagd. Het bestuursorgaan, onderscheidenlijk gedeputeerde staten doen daartoe een verzoek aan de Minister. Compenserende maatregelen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, maken onderdeel uit van het plan, onderscheidenlijk de verplichting om deze maatregelen te treffen maakt onderdeel uit van de vergunning voor het project, bedoeld in het eerste lid.

Het bestuursorgaan dat het plan vaststelt meldt, onderscheidenlijk gedeputeerde staten melden de compenserende maatregelen aan Onze Minister, die de Europese Commissie van de maatregelen op de hoogte stelt.

5 8.

Ingeval een compenserende maatregel voorziet in de ontwikkeling of verbetering van leefgebieden voor vogels, natuurlijke habitats of habitats voor soorten buiten een Natura 2000gebied, draagt Onze Minister ervoor zorg dat deze leefgebieden of habitats een Natura 2000gebied, of een onderdeel van een Natura 2000-gebied worden.

Een passende beoordeling is verplicht als een plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor de betrokken Natura 2000-gebieden. 1) Voor de inschatting van de effecten die een plan kan hebben, moet de significantie worden beoordeeld in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, die voor kwalificerende soorten en habitats zijn geformuleerd. Als niet op grond van objectieve gegevens op voorhand significante gevolgen op een Natura 2000-gebied zijn uitgesloten, moet een passende beoordeling worden gemaakt. 2) In de passende beoordeling worden de effecten op Natura 2000-gebieden nader onderzocht. Vervolgens kan een bestemmingsplan slechts worden vastgesteld indien is verzekerd dat ook bij een maximale invulling van het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast. Wat is significant? Het begrip significant speelt een sleutelrol bij het beoordelen van de vergunbaarheid van een ingreep in het kader van de Wet natuurbescherming. In de factsheet nr. 25: “‘Significantie’ bij beoordeling van gevolgen voor Natura 2000-gebieden” geeft de Commissie voor de Milieueffectrapportage aan op welke wijze het begrip significantie moet worden geïnterpreteerd bij een dergelijke toetsing.

De beoordeling of een effect al dan niet significant is, wordt benaderd vanuit de instandhoudingsdoelstellingen. Deze zijn vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten voor de Natura 2000gebieden. Er zijn instandhoudingsdoelstellingen voor habitattypen en voor soorten. Voor habitattypen gaat het om behoud of uitbreiding van de oppervlakte en/of behoud of verbetering van de kwaliteit. Voor soorten gaat het om behoud of uitbreiding van de oppervlakte van het leefgebied, behoud of verbetering van de kwaliteit van het leefgebied en behoud of uitbreiding van de populatieomvang. Als uit de Passende beoordeling blijkt dat een instandhoudingsdoel door het project of plan (mogelijk) niet gehaald wordt, wordt het effect als significant beschouwd.

1) Art. 2.8, tweede lid, van de Wnb. 2) ABRvS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421.

6

3. Uitgangsituatie

3.1.

Natura 2000

Het Oudeland van Strijen is in 2000 door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) aangewezen als Speciale Beschermingszone onder de Europese Vogelrichtlijn en in 2009 als Natura 2000gebied (Ministerie van LNV, 2009). De instandhoudingsdoelen voor het Natura 2000-gebied Oudeland van Strijen zijn weergegeven in onderstaande tabel: Tabel 3.1 Instandhoudingsdoelen Oudeland van Strijen

Functie

Doelstelling omvang leefgebied

Doelstelling kwaliteit leefgebied

Foerageergebied

behoud

behoud

Foerageergebied

behoud

behoud

1500 (gem)

Foerageergebied

behoud

behoud

1100 (gem)

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

behoud

behoud

Niet-broedvogels

Omvang populatie

A041 - Kolgans

1500 (gem)

A042 - Dwerggans

30 (max)

A045 - Brandgans A050 - Smient

Daarnaast geldt voor het Oudeland van Strijen een kernopgave voor de aanwezigheid van: voldoende plas/dras-situaties voor smienten en broedvogels (Kernopgave 4.07). 3.1.1. Verspreiding kwalificerende soorten Het Natura 2000-beheerplan voor het Oudeland dateert uit december 2016. In dit beheerplan zijn veel oude gegevens gebruikt van voor 2012. Aantallen en verspreiding van de kwalificerende soorten zijn de laatste jaren echter belangrijk gewijzigd. Om die reden wordt de aanwezigheid van deze soorten hieronder beschreven op basis van de meest recente gegevens van SOVON, NDFF, www.waarneming.nl en het Hoekschewaards Landschap. Verspreiding Voor alle vier soorten ligt het zwaartepunt van de verspreiding in het reservaatsgebied in het oostelijk deel en dan met name het gebied ten zuiden van de Molenweg. Vooral dwergganzen zijn zeer selectief en honkvast in hun perceelkeuze met een uitgesproken voorkeur voor de meest oneffen en natte percelen in het gebied. Vooral een 60 ha groot areaal in het zuiden van het gebied is in de meeste winters een favoriete pleisterplaats. Het wordt gekenmerkt door een lage ligging, een grote lengte aan greppels en sloten en een opvallend microreliëf (“hobbelige” percelen) 1. Het beheerplan (2016) geeft aan dat het verspreidingspatroon sindsdien vrijwel ongewijzigd is.

Meer recente gegevens uit de periode 2015 t/m 2020 laten echter zien dat ook het gebied op en rond de buisleidingstraat wordt benut door alle vier soorten (zie figuur 3 en tabel 3.2). De stippen in figuur 3 laten overigens een duidelijk waarnemerseffect zien; de ganzen en smienten zitten uiteraard niet op een lijn op de Waleweg of de buisleidingenstraat, maar de waarnemers wel. Waarnemingen die in het veld worden ingevoerd met ObsMapp registreren immers de positie van de waarnemer en veel waarnemers corrigeren dit niet naar de positie van de vogels.

Bron: Ouweneel, G. (2008): “Terreingebruik van Dwergganzen in het Oude Land van Strijen” in LIMOSA 81 (2008): 17-23

1

7

Verspreiding kwalificerende soorten 2015 – 2020 (bron:NDFF) Kolgans

Dwerggans

Brandgans

Smient

Tabel 3.2 Aanwezigheid rond beoogde fietspad Oudeland van Strijen Soort Aantal Bandbreedte Gemiddelde groepsgrootte groepsgrootte waarnemingen groepen A041 - Kolgans

13

200 - 700

404

A042 - Dwerggans

13

20 -42

25

A045 - Brandgans

13

1000 - 5000

2.196

A050 - Smient

9

30 - 2000

401

Slaapplaatsen De drie ganzensoorten in het gebied vertrekken in de herfst rond zonsondergang naar de slaapplaatsen in het Hollands Diep (zie figuur 4). Alleen de smienten blijven in het Oudeland om overdag te slapen en ’s nachts te foerageren op de natte graslanden. Naarmate de winter vordert blijven de ganzen meer in het oostelijk deel van het Oudeland slapen, mogelijk om energie te besparen en meer tijd aan het foerageren te kunnen besteden. Ganzen en smienten hebben dan een sterke voorkeur voor de natte graslanden als slaapplaats, op grote afstand van het beoogde fietspad.

8

Slaapplaatsen (geel) van brand-, kol- en dwergganzen uit het Oudeland (bron: Natura 2000-beheerplan, 2016)

Seizoensvoorkomen Figuur 5 laat de aanwezigheid per kwalificerende soort zien gedurende het jaar. De gegevens zijn afkomstig van SOVON, met uitzondering van de dwerggans waarvan de SOVON-site geen seizoensvoorkomen geeft. De staafdiagram voor de dwerggans is daarom ontleend aan www.waarneming.nl. Zoals uit deze figuren blijkt zijn alle vier soorten vrijwel uitsluitend aanwezig in de periode oktober tot en met maart.

Seizoensvoorkomen

9 Populatietrends Figuur 6 toont de populatietrend per kwalificerende soort over de afgelopen 45 jaar. Alle vier soorten laten aanvankelijk een sterke populatiegroei zien maar de aantallen van smient, dwerggans en kolgans zijn inmiddels over het hoogtepunt heen. Het Natura 2000-instandhoudingsdoel (groene lijn in de grafiek, de oranje lijn geeft het gemiddelde over de laatste vijf seizoenen) wordt voor de smient niet meer gehaald. De aantallen kolganzen liggen dicht bij het instandhoudingsdoel en bij de dwerggans en brandgans liggen de aantallen daar boven. Het beheerplan noemt de volgende oorzaken voor de fluctuaties van kol- en dwerggans en smient: Kolgans

-

Herverdeling van populatie over Europa als gevolg van zachtere winters; Voedselconcurrentie met de sterk toegenomen brandganzen; Verstoring; Afname voedselkwaliteit (eiwitrijk gras) binnen het reservaatsgebied; Afschot in het kader van schadebestrijding;

Dwerggans: - Hoofdoorzaak: predatie in de noordelijke broedgebieden; - Verstoring door laagvliegende helikopters en mensen in het terrein; - Voedselconcurrentie met de sterk toegenomen brandganzen; Smient

-

Herverdeling van populatie over Europa als gevolg van zachtere winters; Regionale herverdeling naar recent aangelegde natte natuurgebieden met meer voedsel en minder verstoring. Voedselconcurrentie met de sterk toegenomen brandganzen; Afschot in het kader van schadebestrijding;

Voor alle drie soorten wordt verstoring als een mogelijke oorzaak genoemd, hoewel deze factor altijd aanwezig is geweest (agrarisch beheer, wildbeheer en schadebestrijding, kartbaan, beheer buisleidingstraat inclusief inspectievluchten) en niet noemenswaardig is toegenomen. Het Natura 2000 beheerplan (dec 2016) geeft verder expliciet aan: Verstoring van overwinterende ganzen en smienten door natuurrecreanten, joggers, wandelaars en fietsers in het gebied is marginaal. Andere factoren zijn daarentegen relatief nieuw (zachtere winters, nieuwe natuurgebieden in de regio, voedselconcurrentie met sterk toegenomen brandganzen en Canadese ganzen, afnemende graskwaliteit in het reservaatsgebied) en zijn daarom in combinatie waarschijnlijk doorslaggevend geweest voor de negatieve “omslagpunten” in de grafieken in figuur 6.

Populatietrends

10

11

4.

Effecten op Natura 2000

4.1.

Inleiding

Het fietsproject wordt grotendeels ontwikkeld conform de CROW-richtlijnen waaronder de aanbevelingen voor fietsvriendelijke infrastructuur uit publicatie 164 “Handboek Wegontwerp” en nummer 230 “Ontwerpwijzer fietsverkeer”. Vanwege de beschikbare ruimte is het fietspad is 3 meter breed met aan de zijkanten een rij grasbetontegels. De aanleg zal vanaf 1 september 2019 ongeveer vier maanden (17 weken) in beslag nemen. Het fietspad is gesloten voor gemotoriseerd verkeer, er is uitsluitend toegang voor onderhoudsvoertuigen en landbouwverkeer van vergunninghouders. Dit vindt plaats door bebording en de inrichting van het fietspad. De beoogde ontwikkeling vindt grotendeels binnen Natura 2000 plaats. Aanpassing van de waterhuishouding is niet aan de orde. Potentiele effecten zijn daarom: - Areaalverlies - Versnippering - Verstoring door geluid, licht of beweging (optische verstoring) - Verontreiniging, vermesting en verzuring Bij een aantal effecten bestaan relevante verschillen tussen de aanleg- en de gebruiksfase. Deze effecten zullen afzonderlijk beschreven worden.

4.2.

Areaalverlies

In aanvulling op de bestaande onderhoudswegen vergt het fietspad 2850 meter nieuwe verharding. Bij een breedte van 3 meter bedraagt het areaalverlies 8550 m2. In combinatie met een tweezijdige strook grasbetontegels bedraagt het areaalverlies 12.000 m2. Het betreft grotendeels gangbaar gebruikt agrarisch gebied met weinig natuurwaarden, met alleen rond de kruising met de Waleweg relatief hoge concentraties weidevogels. De betreffende strook wordt verder als foerageergebied gebruikt door de kwalificerende soorten kol-, dwerg-, brandgans en smient. Het verlies van 1,2 ha foerageergebied is verwaarloosbaar klein (0,1 %) ten opzichte van het totale areaal van dit Natura 2000- gebied (1.568 hectare). Het effect wordt daarom als licht negatief (-/0) en verre van significant beoordeeld. In paragraaf 4.4.3 wordt nader ingegaan op de ecologische betekenis van dit areaalverlies in combinatie met het thema verstoring.

4.3.

Versnippering

Het tracé ligt vrijwel langs de rand van het Natura 2000-gebied. Dit gebied wordt momenteel reeds doorsneden door de Waleweg en de Bovenweg en door de inspectiepaden op de buisleidingstraat. Omdat het fietspad weinig zal worden gebruikt (buiten de spitsuren en weekenden) zal er beperkt aanvullend versnipperend effect vanuit gaan. In de praktijk gaat het dus om een groot deel van de dag, resp. week. Vanwege de geringe periode waarin sprake kan zijn van een extra versnipperend effect, wordt dit effect als licht negatief (-/0) en niet significant beoordeeld.

12

4.4.

Verstoring

4.4.1. Geluid Algemeen Vogels zijn in het algemeen gevoelig voor verstoring door geluid. De mate van gevoeligheid hangt onder andere af van het geluidsniveau, de duur van de verstoring, de periode en het tijdstip waarin verstoring plaatsvindt, de locatie en de gevoeligheid van de soort zelf. De verstoringgevoeligheid van vogels hangt verder af van andere factoren, zoals de voedselbeschikbaarheid, de grootte van de groep en de mate van gewenning aan de verstoring. Verstoring door geluid kan ertoe leiden dat vogels onvoldoende mogelijkheid hebben om te foerageren, onvoldoende op hun broedsel en jongen kunnen passen, stressreacties krijgen zoals een verhoogde hartslag en uiteindelijk dat ze uitwijken naar andere leefgebieden. Aanlegfase Voor vogels van open landschappen geldt een verstoringsdrempel van 47 dB(A) (bron: Reijnen, 1992). In tabel 4.1 is de ligging van deze 47 dB(A)-contour aangegeven voor een aantal werkzaamheden. Tabel 4.1 Ligging 47 dB(A)-contour bouwwerkzaamheden Activiteit Afstand 47 dB(A)contour (m) Ontgraven met 1 graafmachine Compressor 12 vrachtwagens. per uur (24 bewegingen)

(bron: www.AV-consulting.nl)

171 128 14

Maatgevend voor de mate van verstoring is het werken met zwaar materiaal. De maximale 47 dB(A)contour die hiermee samenhangt is weergegeven in figuur 7. Uit deze figuur blijkt dat de 47 dB(a)-contour deels overlapt met Natura 2000. In deze zone zijn regelmatig kwalificerende vogelsoorten aanwezig in soms grote aantallen. Aangezien het hier gaat om een tijdelijke verstoring (enkele weken) van een relatief zeer klein deel van het Natura 2000-gebied zal dit verstoringseffect zeer gering (-/0) en niet significant zijn. Om deze verstoring te voorkomen kunnen de werkzaamheden worden uitgevoerd in de maanden mei t/m augustus, wanneer de kwalificerende soorten vrijwel geheel afwezig zijn. Deels ontstaan dan echter conflicten met het broedseizoen van vogels (zie volgende paragrafen). Door de uitvoering te plannen in de periode augustus t/m oktober zal geen sprake zijn van verstoring van broedende weidevogels en van slechts weinig Natura 2000-soorten.

13 Maximale 47 dB(A)-Verstoringscontour vogels a.g.v. aanlegwerkzaamheden (blauwe contour)

Gebruiksfase Er vanuit gaande dat het fietspad niet door brommers zal worden gebruikt, dan is er geen verstoringseffect als gevolg van geluid, anders dan de verstoring door (luidruchtige) fietsers. Dit effect wordt hierna beschreven onder 4.4.3. 4.4.2.

Licht

Nachtelijke verstoring algemeen Zoals in 3.1.1 is beschreven verblijven de drie ganzensoorten in de herfst ’s nachts langs de noordrand van het Hollands Diep. Later in de winter slapen ze, evenals de smienten, meer op de ondergelopen graslanden in het oostelijke reservaatsgebied op grote afstand van het fietspad. Aanlegfase De aanleg van het fietspad zal geheel bij daglicht plaatsvinden en er dus geen gebruik zal worden gemaakt van bouwlampen etc. In de aanlegfase ontbreekt verstoring door licht derhalve geheel (0). Gebruiksfase In de gebruiksfase kunnen de fietsers tijdens de spitsuren in de winter leiden tot enige verstoring van de aanwezige smienten die ’s nachts foerageren. De ganzen slapen langs het Hollands Diep of in het oostelijk gelegen natte reservaatsgebied. De lichtuitstraling vanaf het fietspad is echter zeer gering ten opzichte van de bestaande lichtbronnen op de naast- en hoger gelegen Oudendijk. Het gaat daarbij om woningen, wegverlichting en vooral zwaaiende koplampen van auto’s op de dijk. Juist in de wintermaanden is de afschermende werking van de wegbeplanting hier nihil. Extra verstoringseffecten voor smienten als gevolg van licht zijn daarom zeer gering (-/0) en niet significant. 4.4.3. Beweging (optische verstoring) Verstoring van vogels door wandelaars en fietsers is een ingewikkeld proces en kent geen rechtlijnige dosis-effectrelatie.

Omtrent de verstoringsgevoeligheid van vogels bestaat veel onderzoeksliteratuur met

14 onderling soms sterk wisselende uitkomsten. Over enkele kwalitatieve “vuistregels” bestaat echter wel overeenstemming; in gebieden waar een bepaalde verstoringsbron geen werkelijke dreiging vormt en daarnaast ook voorspelbaar is, reageren vogels steeds minder op de verstoringsbron. Het type verstoring is daarbij bepalend voor de verstoringsafstand (Krijgsveld, K.L. et al (2009): 'Verstoringsgevoeligheid van vogels, update van literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie'): o voorspelbaarheid: voorspelbare gebeurtenissen of gedrag leiden tot minder verstoring en kortere verstoringsafstanden; o gedrag verstoorder: richting (langs versus naderend), gedrag (rustig doorgaand versus alternerend stilhoudend en roepen), vervoer (lopend met hond versus fiets, roeiboot versus motorboot) van verstoorder beïnvloeden de verstoringsafstand; o duur en frequentie: continue verstoring heeft ernstiger gevolgen dan infrequente verstoring. Bij verstoring zijn onverstoorde perioden waarin de vogels kunnen compenseren voor verloren tijd essentieel. In de aanlegfase zullen de bewegingen van de in te zetten machines en auto’s voorspelbaar, ongevaarlijk en circa 8 uur per etmaal plaatsvinden. Bij uitvoering in de nazomer en herfst zal er sprake zijn van een geringe (-/0), niet-significante verstoring.

In de gebruiksfase zal het fietspad vooral tijdens de ochtend- en middagspits worden gebruikt en verder in de weekenden bij mooi weer. Er zijn dus per dag en per week lange periodes van rust waarin het gebruik van het fietspad (zeer) gering is. Daarnaast betreft dit gebruik een voorspelbare, ongevaarlijke, rustige verkeerstroom waar de vogels snel aan zullen wennen. Daarbij wordt er van uitgaan dat hondenbezitters hun dieren hier altijd aanlijnen. Verstoringsafstanden Een veel geciteerd rapport met betrekking tot verstoringsafstanden van vogels betreft Krijgsveld, K.L., et al (2009): “Verstoringsgevoeligheid van vogels – Update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie”. Dit rapport geeft een overzicht van alle (inter)nationaal gepubliceerde studies naar verstoring van in totaal 250 soorten vogels door recreatie. Uit het bronnenmateriaal in de bijlage blijkt echter dat er van veel soorten helemaal geen onderzoeksgegevens bekend zijn of alleen ten aanzien van een vaak niet relevante vorm van verstoring (helikopters, kitesurfers etc). In het rapport wordt desondanks per soort een verstoringgevoeligheid aangegeven. In onderstaande tabel zijn deze “geëxtrapoleerde” verstoringsafstanden volgens Krijgsveld weergegeven voor de kwalificerende vogelsoorten van het onderhavige Natura 2000-gebied, alsmede de literatuuropgaven waarop deze afstanden zijn gebaseerd.

Soort Brandgans

Verstoringsafstand volgens Krijgsveld (2009) 500 – 2000 m

Kolgans

500 – 2000 m

Dwerggans Smient

500 – 2000 m 100 – 300 m

Literatuuropgaven voor verstoringsafstand Verstoringsbron Verstoringsafstand (Sport)vliegtuig, 1600 – 3200 m helikopter 2600 – 9100 m Wandelaar 25 – 100 m Klein vliegtuig 1000 m Luchtballon 500 m Geen gegevens Geen gegevens Wandelaar 150 – 1000 m Motorboot 33 – 102 m

Uit bovenstaande tabel blijkt dat geen enkele literatuuropgave de effecten van fietsers op de betreffende soorten beschrijft. Effecten van wandelaars zijn alleen voor kolgans en smient onderzocht en alleen bij de smient correspondeert de “geëxtrapoleerde” verstoringsafstand ongeveer met de literatuuropgave. De onderzoekers beseffen de beperkingen van het rapport en stellen dat dit bedoeld is als hulpmiddel om mogelijke effecten in te kunnen schatten van recreatieve functies en dat de genoemde verstoringsafstanden niet kunnen worden geïnterpreteerd als universele, absolute waarden.

15 Dergelijke relativeringen, alsmede het bronnenmateriaal in de bijlagen worden echter zelden gelezen, zo blijkt uit de gretigheid waarmee het onderzoek wordt geciteerd in bezwarenprocedures om de verstorende werking van een project te kunnen “aantonen”. In 2016 verscheen het rapport “Database of Bird Flight Initiation Distances to Assist in Estimating Effects from Human Disturbance and Delineating Buffer Areas” van Kent B. Livezey e.a. In deze studie worden gemiddelde vluchtafstanden per vogelfamilie gepresenteerd, gebaseerd op ruim 36.000 methodisch verzamelde waarnemingen die betrekking hebben op in totaal 650 vogelsoorten. Op basis van deze in het veld bepaalde vluchtafstanden worden per soortgroep (eenden, roofvogels, futen etc.) zogenaamde minimum approach distances (MAD) bepaald: de afstand die mensen moeten aanhouden tot de betreffende soortgroep om verstoring te voorkomen. Ook het rapport van Livezey onderkent de beperkingen van het formuleren van verstoringsafstanden en beschouwt deze afstanden (evenals Krijgsveld) als niet meer een hulpmiddel bij het bepalen van bufferzones tussen recreanten en vogels. De afstanden die Livezey vaststelt per soortgroep zijn veel kleiner dan de afstanden uit het rapport van Krijgsveld. Voor niet-broedende ganzen en eenden (Anseriformes) hanteert Livezey een minimum approach distance ten opzichte van fietsers van 112 meter.

Deze waarde van 112 meter wordt in de voorliggende passende beoordeling aangehouden als verstoringsafstand. Het Hoeksewaards landschap (mail Henk Malta 19-4-2018) schat de verstorende werking overigens veel geringer in: “Een fietspad zal enige verstoring geven maar er zal ook snel gewenning optreden waardoor de ganzen op zo’n 25 meter vanaf het fietspad zullen blijven foerageren. De ervaring leert dat de ganzen op rustige momenten dichter naar het fietspad gaan om te foerageren. Wetlandwacht Dick van Houwelingen (mail 14-12-2018) schat deze verstoringsafstand in op 35 meter. Gevolgen voor benutting foerageergebied De 2850 m nieuw fietspad genereert bij een verstoringszone van 112 meter van weerszijden (dus 224 m breed) een extra verstoringszone van circa 64 ha. Binnen dit effectgebied is circa 26 hectare permanent in gebruik als akkerland (bron: www.boerenbunder.nl). De kwalificerende ganzen en smienten maken slechts beperkt resp. geen gebruik van deze akkers. De vraag is vervolgens of deze verstoring een significant effect heeft op de instandhoudingsdoelen voor dit Natura 2000-gebied. In dat kader is een onderzoek 1 relevant uit 2012 door Bureau Waardenburg naar het verstoringseffect van de aanwezige kartbaan op ganzen. Uit dit onderzoek komt naar voren dat de ganzen eerst de directe omgeving van de kartbaan mijden en op wat grotere afstand van de kartbaan foerageren.

Indien de voedselvoorraad afneemt, worden ook de voor de vogels minder aantrekkelijke gebieden, zoals gebieden vlakbij opgaande begroeiing, langs wegen en bij huizen, als foerageergebied benut. Dit betekent derhalve dat het verstorende effect van het gebruik van de kartbaan op het gebiedsgebruik door ganzen direct rond de kartbaan wordt gecompenseerd door een intensiever gebruik door ganzen van dit gebied later in het seizoen op dagen dat de kartbaan niet in gebruik is. Er is sprake van een tijdelijke verschuiving, die niet van invloed is op het totale gebruik door ganzen van de directe omgeving van de kartbaan. Een dergelijke conclusie kan worden doorgetrokken naar de effecten van het gebruik van het fietspad. Het fietspad zal vooral gebruikt worden tussen 7.00 en 9.00 ’s ochtends en aan het eind van de middag. In de tussenliggende uren kunnen de ganzen alsnog dichter bij het fietspad foerageren. In weekenden en vakanties zal het gebruik van het fietspad met name in de ochtend veel geringer zijn zodat extra foerageertijd resteert voor de ganzen. In de wintermaanden zal het aantal fietsende scholieren bij slecht weer sowieso geringer zijn.

Draagkrachtbepaling Wanneer er worst-case vanuit wordt gegaan dat de verstoorde circa 64 ha grasland geheel en blijvend verloren gaan als foerageergebied, dan dient zich vervolgens de vraag aan of dit verlies gevolgen heeft voor de draagkracht van het Natura 2000-gebied voor de beoogde aantallen ganzen en smienten.

1

Boudewijn, T. e.a. (2012): 'Onderzoek naar de effecten van de kartbaan op het gebiedsgebruik van ganzen in het

Oudeland van Strijen', Bureau Waardenburg-rapportnr. 12-031.

16 Voor ganzen zijn redelijk gedetailleerde vuistregels beschikbaar op basis waarvan de draagkracht van een gebied per ganzensoort bepaald kan worden. De draagkracht voor de relatief kleine smient is afgeleid van de waarden voor ganzensoorten op basis van verschillen in lichaamsgewicht, energiehuishouding en de daarvan afhankelijke voedselbehoefte. De dwerggans wordt voor deze effectbeoordeling qua omvang gelijk gesteld met de (iets grotere) kleine rietgans. Verder dient ook rekening te worden gehouden met de aanwezige grauwe ganzen en grote Canadese ganzen, die immers op hetzelfde gras en dezelfde oogstresten foerageren. Het Alterra-onderzoek uit 2004 1 kwam daarbij tot de volgende waarden per soort (de waarde voor de grote Canadese gans, die niet wordt behandeld in het Alterra-onderzoek, is geëxtrapoleerd op basis van het gemiddelde gewicht van deze soort ten opzichte van de andere soorten): Tabel 4.2 Normgetallen draagkrachtbepaling per soort Soort Draagkracht agrarisch grasland per hectare Kleine rietgans /Dwerggans 22,6 Kolgans 16,5 Brandgans 15,3 Smient 29,2 Grauwe gans 13,0 Grote Canadese gans 8,6 De tabel hierboven laat zien dat een hectare agrarisch grasland in één winter ruim 16 kolganzen kan voeden. Van de relatief kleine smient en dwerggans kunnen meer exemplaren op een hectare voldoende voedsel vinden.

Genoemde waarden zijn bepaald voor “normaal”, intensief gebruikt en bemest agrarisch grasland met vooral eiwitrijke grassoorten. In het reservaatgebied in het Oudeland is het beheer extensiever, maar wel in belangrijke mate gericht op de functie van ganzen- en smientenfoerageergebied. Het Natura 2000-beheerplan geeft aan dat de graslandpercelen worden verpacht. Voorwaarden in de pachtcontracten moeten garanderen dat voor de wintergastenopvang het grasland medio oktober, als de ganzen arriveren, ‘schoon’ wordt opgeleverd. Dit betekent dat hoge kruiden en grassen zijn afgemaaid of afgegraasd. Er wordt gestreefd naar een grasvegetatie die kort en eiwitrijk de winter ingaat. De draagkracht van deze natuurhectaren als foerageergebied voor ganzen worden daarom gelijkgesteld met die van agrarisch grasland. Wanneer de waarden uit tabel 4.2 worden toegepast op de instandhoudingsdoelen voor de betreffende soorten in het Oudeland, dan ontstaat het beeld van tabel 4.3. Tabel 4.3 Benodigd foerageerareaal Soort

Dwerggans Kolgans Brandgans Smient Totaal

Doelstelling omvang populatie

30 1500 1500 1100

Draagkracht per hectare grasland

22,6 16,5 15,3 29,2

Benodigd areaal grasland

1,3 ha 91 ha 98 ha 38 ha

228,3 ha

Voor de niet-kwalificerende grauwe gans en grote Canadese gans is bij wijze van worst-case-benadering uitgegaan van de gemiddelde aantallen die de afgelopen twee winters in het Oudeland zijn geteld, te weten 1545 ex. respectievelijk 747 ex. (bron: Dick van Houwelingen). Soort

Grauwe gans Grote Canadese gans Totaal

Gemiddeld laatste twee winters

1545 747

Draagkracht per hectare grasland

13,0 8,6

Benodigd areaal grasland

119 ha 87 ha

206 ha

Ebbinge, B.S. (2004): “Advies over de vraag hoeveel hectare ganzen- en smientenopvanggebied in Nederland nodig zijn om de huidige aantallen ganzen en smienten op te vangen” Alterra-rapport 972 1

17 Om alle beoogde aantallen ganzen en smienten conform de instandhoudingsdoelen in dit Natura 2000gebied een hele winter te kunnen voeden, samen met de grauwe en Canadese ganzen is dus zo’n 435 hectare grasland nodig. Het SBB-reservaat heeft alleen al een oppervlak van bijna 545 ha. Naast dit optimaal beheerde foerageergebied is er in dit Natura 2000-gebied nog ruim 300 hectare agrarisch grasland beschikbaar, en met uitzondering van de dwerggans foerageren de kwalificerende soorten ook (ver) buiten het Oudeland waar nog eens duizenden hectares vergelijkbaar foerageergebied aanwezig zijn. Vooralsnog wordt geconcludeerd dat zelfs wanneer de verstoorde 64 hectare grasland geheel en permanent als foerageergebied verloren gaan, dit geen gevolgen heeft voor de draagkracht van het Natura 2000-gebied voor de kwalificerende vogelsoorten. Geconcludeerd wordt daarom dat de extra optische verstoring zeer gering zal zijn (-/0) en niet significant. Explosieve groei Canadese en brandganzen De aantallen Canadese en brandganzen in het Oudeland groeien de laatste jaren explosief. Afgelopen seizoen zijn er 1200 grote Canadezen geschoten in en rond het Oudeland doch de aantallen blijven zeer groot door de hoge reproductie.

Daarnaast zijn de aantallen brandganzen sterk gestegen tot gemiddeld 11.837 ex in het Oudeland in de laatste twee winters, bijna 8 keer hoger dan het instandhoudingsdoel van 1500 vogels. Indien dit werkelijke aantal brandganzen wordt doorgerekend qua graslandbehoefte dan is alleen al voor deze soort 774 ha grasland nodig. Het gehele Oudeland is qua graslandareaal dan maar net groot genoeg om alle brandganzen te voeden en te klein om ook alle andere grasetende vogels te voeden. Doordat met name de brandganzen in de gehele regio foerageren (en ver daarbuiten) is er vooralsnog voldoende foerageergebied voor alle ganzen beschikbaar. Verdringing van dwergganzen door brandganzen wordt in het beheerplan reeds als knelpunt genoemd voor de eerste soort. Het verlies van 64 hectare verstoord grasland als gevolg van het fietspad (feitelijk een overschatting) zal niets veranderen aan deze verdringing. Ook wanneer 64 hectare nieuw grasland wordt gerealiseerd ten koste van akkerland, dan zal dit alleen maar leiden tot meer brandganzen, naast grauwe en Canadese ganzen. Overigens kunnen de dwergganzen en ook smienten wel profiteren van de nog te realiseren weidevogelcompensatie (onderdeel van de ruimtelijke procedure, niet van de Wnb-procedure). Het nieuwe fietspad zal immers ook leiden tot verstoring van bestaand weidevogelgebied.

De exacte omvang en de ligging van de nieuwe weidevogelhectares moet nog worden bepaald maar naar verwachting zal de ecologische waarde van de nieuwe weidevogelhectares worden vergroot door het vernatten van de betreffende percelen. Dit kan zowel door het ophogen van het waterpeil als door het lokaal verlagen van het maaiveld. Dergelijke natte percelen met microreliëf zijn zeer aantrekkelijk voor dwergganzen en smienten.

4.5.

Vermesting en verzuring

Het Oudeland van Strijen kent geen stikstofgevoelige habitats of stikstofgevoelige leefgebieden van soorten. De dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000 bevinden zich op ruim 10 kilometer afstand binnen het Krammer-Volkerak. In de aanlegfase zal gedurende enkele weken gebruik worden gemaakt van zware machines. Voor de berekeningen van de stikstofdepositie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd; • •

Bij de aanleg wordt uitgegaan van de inzet gedurende 17 weken, 5 dagen per week, 8 uur per dag van 1 asfalteermachine en 1 shovel. Voor deze machines geldt een brandstofgebruik van 30 liter per uur. Gedurende 680 uur gebruiken de 2 machines dus elk 20.400 liter brandstof; in totaal 40.800 liter. Omdat de machines in het hele werkgebied worden ingezet worden deze emissies ingevoerd als lijnbron.

18 •

Tijdens de aanlegfase is behalve de inzet van machines op het terrein ook het verkeer van en naar de ontwikkeling een relevante factor voor de uitstoot van stikstof. Uitgegaan wordt van 850 lichte motorvoertuigbewegingen ten behoeve van woon-werkverkeer en 850 zware motorvoertuigbewegingen voor de aanvoer van materialen.

Het bouwverkeer zal uiteindelijk via de N488 het gebied verlaten, waar dit extra verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan- en afrijdende verkeer, conform de Instructieregels voor AERIUS 2019A (juli 2020), zich heeft verdund tot “enkele procenten” van het reeds aanwezige verkeer. De verkeersintensiteit op de N488 ruim 6.500 mvt/etm in 2020 (bron: www.nslmonitoring.nl). De aanlegwerkzaamheden voegen daar tijdelijk minder dan 0,1% aan toe. Op basis van bovengenoemde verkeersproductie is in AERIUS Calculator de stikstofdepositie binnen Natura 2000 berekend voor het aanlegjaar 2021. Op geen enkel stikstofgevoelig Natura 2000-gebied blijkt er sprake van enige depositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr (zie bijlage 2 AERIUS-berekeningen). Negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen daarom geheel worden uitgesloten (0).

4.6.

Samenvatting effecten

In onderstaande tabel zijn de potentiele effecten zoals hiervoor beschreven samengevat. Er wordt onderscheid gemaakt in tijdelijke effecten in de aanlegfase en blijvende effecten in de gebruikfase. Tabel 4.4 Samenvatting effecten Areaalverlies/-verandering Versnippering Verdroging/vernatting Verstoring door geluid Verstoring door licht Optische verstoring Vermesting en verzuring

Aanlegfase -/0 -/0 0 -/0 0 -/0 0

Gebruiksfase -/0 -/0 0 0 -/0 -/0 0

Geconcludeerd wordt dat de gezamenlijke effecten op Natura 2000 ten opzichte van de huidige situatie zeer gering zijn en niet significant. de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied Oudeland van Strijen kunnen ook na areaalverlies en verstoring door het fietspad gehaald worden.

4.7.

Cumulatie

Rondom het Oudeland van Strijen worden behalve het beoogde fietspad verschillende andere ontwikkelingen gepland met mogelijke gevolgen voor de Natura 2000-instandhoudingsdoelen. De Wet natuurbescherming vereist in dergelijke gevallen een beoordeling voor 'elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied'. Conform jurisprudentie (uitspraken 201203812/1/R2 en 201203820/1/R2) worden bij cumulatie concrete ontwikkelingen betrokken; projecten die reeds vergund zijn in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 of de Wet natuurbescherming (per 1 jan 2017) maar nog niet of slechts deels zijn gerealiseerd. Onzekere toekomstige gebeurtenissen, zoals bestemmingsplannen hoeven niet te worden meegewogen. Voor plannen is immers geen vergunning Wet Natuurbescherming nodig (deze plannen moeten wel worden getoetst aan de overige bepalingen uit de Wnb). Omdat bij plannen onzeker is wanneer daarin mogelijk gemaakte activiteiten tot besluitvorming/vergunningverlening komen, vallen plannen in de categorie onzekere toekomstige gebeurtenis. Ook huidig gebruik hoeft niet bij de cumulatie betrokken te worden. De gevolgen van huidig gebruik worden in beginsel geacht te zijn verdisconteerd in de uitgangssituatie.

In en rondom Strijen zijn drie bouwprojecten aan de orde die voor deze cumulatietoets mogelijk relevant zijn:

19 • •

Bouwlocatie Sportlaan 113 woningen. Verwachte uitvoering 2020-2022 Bouwlocatie Land van Essche 135 woningen. Verwachte uitvoering 2020 – 2024

Deze plannen overlappen in de tijd mogelijk met de beoogde aanleg van het fietspad in 2023. Vanwege het relatief kleinschalige karakter van deze projecten en de grote afstand tot het Natura 2000-gebied zal dit niet leiden tot negatieve effecten als areaalverlies, versnippering, effecten op de waterhuishouding, verstoring of stikstofdepositie ter plaatse van daarvoor gevoelige Natura 2000-gebieden.

20

5. Conclusies

•

•

•

•

• • •

Om de veiligheid van het fietsverkeer te verbeteren is het zeer gewenst een fietsroute te realiseren tussen Oud-Beijerland en Strijen. Het beoogde tracé op de buisleidingenstraat volgt zoveel mogelijk de bestaande onderhoudspaden en ligt grotendeels binnen het Natura 2000gebied Oudeland van Strijen. De kwalificerende Natura 2000-soorten kennen deels een fluctuerende populatietrend. Verstoring is daarbij waarschijnlijk een ondergeschikte factor. Alle vier kwalificerende soorten gebruiken het gebied rond de buisleidingenstraat om te foerageren. Voor alle vier soorten ligt het zwaartepunt van de verspreiding in het reservaatsgebied in het oostelijk deel van het Oudeland. Het areaalverlies binnen Natura 2000 (circa 1,2 ha) als gevolg van het fietspad wordt als licht negatief en verre van significant beoordeeld. Het beschikbare areaal grasland blijft ruim voldoende om als foerageergebied te fungeren voor de kwalificerende vogelsoorten in de beoogde aantallen. Indien wordt uitgegaan van de werkelijke aantallen ganzen en smienten dan is ook grasland buiten het Oudeland noodzakelijk om deze vogels te voeden. Dit areaal is in de regio ruimschoots aanwezig.

Uitvoering van de aanlegwerkzaamheden in de periode augustus t/m oktober is het minst schadelijke compromis tussen effecten op wintergasten (Natura 2000) en broedvogels (Natuurnetwerk); in deze periode zal geen sprake zijn van verstoring van broedende weidevogels en van slechts weinig Natura 2000-soorten. In de gebruiksfase zal de verstoring van wintergasten zeer gering zijn aangezien deze weinig op en rond het tracé verblijven en/of relatief ongevoelig zijn voor verstoring door fietsers. Negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen op grond van AERIUS-berekeningen geheel worden uitgesloten. Vanwege areaalverlies en verstoring van het Natura 2000-gebied is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming vereist.

21

Bijlage

1

Bronnen

- Boudewijn, T. e.a. (2012): “Onderzoek naar de effecten van de kartbaan op het gebiedsgebruik van ganzen in het Oudeland van Strijen”, Bureau Waardenburg-rapportnr. 12-031. - Coöperatie Collectief Hoeksche Waard UA (CCHW) (2018): “Voortgangsrapportage ANLb 2018” - Ebbinge, B.S. (2004): “Advies over de vraag hoeveel hectare ganzen- en smientenopvanggebied in Nederland nodig zijn om de huidige aantallen ganzen en smienten op te vangen” Alterrarapport 972 - Krijgsveld, K.L., R.R. Smits & J. van der Winden (2008): 'Verstoringsgevoeligheid van vogels Update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie'. Bureau Waardenburg bv, Culemborg. - Livezey, K. (2016): “Database of Bird Flight Initiation Distances to Assist in Estimating Effects from Human Disturbance and Delineating Buffer Areas” v - Ouweneel, G. (2008): “Terreingebruik van Dwergganzen in het Oude Land van Strijen” in LIMOSA 81 (2008): 17-23 - Provincie Zuid-Holland (2016): beheerplan bijzondere natuurwaarden Oudeland van Strijen 2016 - 2021 - Provincie Zuid-Holland (2014): Verordening Ruimte 2014. - Provincie Zuid-Holland (2017): Natuurbeheerplan Zuid-Holland 2018 - www.boerenbunder.nl - www.ndff.nl - www.ravon.nl - www.sovon.nl - www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ - www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicator - www.waarneming.nl

22

Bijlage

2

AERIUS-berekening aanlegfase

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13605545/1