CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen toelichting Bijlage 14 Vormvrije m.e.r. notitie

Besluitvormende raad 16 februari 2021, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan correctieve herziening Nieuw-Beijerland II6.276 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

NOTITIE Onderwerp:

Vormvrije m.e.r.-beoordeling ontwikkeling Akkerdreven en Damgaarde, Nieuw Beijerland

Auteur:

Casper Bouwhuis

Datum:

12 februari 2018

BJZ.NU

TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO

1.

INLEIDING

Ten zuiden van de kern Nieuw-Beijerland is de nieuwbouwwijk Nieuw-Beijerland Zuid II in ontwikkeling. Deze gebiedsontwikkeling bestaat uit de deelprojecten Wonen aan de Kreek, Akkerdreven, Damgaarde en Dorpsgaard. Het deelproject ‘’Wonen aan de Kreek’’ is reeds in ontwikkeling. De deelprojecten Akkerdreven en Damgaarde zijn de volgende deelprojecten die in ontwikkeling worden gebracht, onderhavig bestemmingsplan is hier op gericht. Dit plan voorziet in de realisatie van circa 100 woningen met bijbehorende (infrastructurele) voorzieningen. Voor de woningbouwontwikkeling voor Dorpsgaard wordt een separaat bestemmingsplan opgesteld. Deze ontwikkeling wordt in deze notitie dan ook buiten beschouwing gelaten. De voorgenomen ontwikkeling is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan. Een herziening van het bestemmingsplan is noodzakelijk. Vanuit het ruimtelijke spoor is vanwege de aard en omvang een vormvrije toets aan het Besluit Milieueffectrapportage noodzakelijk. Voorliggende notitie voorziet hierin. Eerst wordt een nadere toelichting op de M.e.r.-beoordeling gegeven. M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in de integrale ruimtelijke afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.

•

Op basis van het Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).

•

Op basis van het Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

Passende beoordeling Bij het opstellen van een bestemmingsplan beziet de gemeenteraad in de zogenoemde ‘voortoets’ of een passende beoordeling van dat plan moet worden gemaakt. Dit is het geval indien de waarschijnlijkheid of het risico bestaat dat het plan – al dan niet in combinatie met andere plannen of projecten – significante gevolgen heeft voor één of meerdere Natura 2000-gebieden. Dat risico bestaat volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie, wanneer deze gevolgen op grond van objectieve gegevens niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Een uitzondering op de verplichting om een passende beoordeling op te stellen is neergelegd in artikel 2.8, lid 1 Wnb. Ingeval het plan een herhaling of voortzetting is van een plan of project waarvoor reeds eerder een passende beoordeling is gemaakt, kan ingevolge dat artikel lid een nieuwe passende beoordeling achterwege blijven, voor zover deze redelijkerwijs geen nieuwe gegevens of inzichten kan opleveren omtrent de significante gevolgen ervan. De plan-m.e.r. die voor bestemmingsplannen is gekoppeld aan het opstellen van een passende beoordeling is in deze situatie ook niet nodig. Feitelijk is er dan al een – nog steeds actuele – passende beoordeling aanwezig, die aantoont dat schadelijke effecten als gevolg van het plan zijn uitgesloten.

Significantie Bij de voortoets draait het om de vraag of sprake kan zijn van significante gevolgen. De significantie van de gevolgen voor een gebied van een plan wordt afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Deze zijn neergelegd in het aanwijzingsbesluit en zijn uitgewerkt in het beheerplan voor dat gebied. Wanneer een plan gevolgen heeft voor het gebied, maar de instandhoudingsdoelstellingen daarvan niet in gevaar brengt, zijn significante gevolgen uitgesloten. Omgekeerd moet een plan dat de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken gebied in gevaar dreigt te brengen, noodzakelijkerwijs worden beschouwd als een plan dat

1

BJZ.NU

TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO

significante gevolgen kan hebben. De significantie van de gevolgen moet met name worden beoordeeld in het licht van de specifieke milieukenmerken en omstandigheden van het gebied waarop het plan betrekking heeft. In hoeverre stikstofdepositie voor significante gevolgen op Natura 2000-gebieden kan zorgen, wordt bepaald door te bezien of de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt tot een toename van de depositie leiden. Van plannen, die ten opzichte van de feitelijke situatie op het referentiemoment geen toename van de stikstofdepositie veroorzaken op Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) wordt overschreden, zijn significante gevolgen met zekerheid uit te sluiten. In dit geval hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld. Als uit de voortoets blijkt dat de realisatie van de in het plan opgenomen ontwikkelingsmogelijkheden wel leidt tot een toename van stikstofdepositie op één of meer in het kader van Natura 2000 beschermde stikstofgevoelige habitats waarvan de KDW al wordt overschreden of door de toename van de stikstofdepositie kan worden overschreden, moet de gemeenteraad wel een passende beoordeling opstellen. In een passende beoordeling kan als maatregel en onder voorwaarden externe saldering worden toegepast.

Zoals uit hoofdstuk 3 van deze notitie blijkt heeft de voorgenomen ontwikkeling geen dusdanige milieugevolgen die het opstellen van een passende beoordeling noodzakelijk maken. Van een directe m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm is in voorliggend geval dan ook geen sprake.

Besluit milieueffectrapportage (Besluit MER) Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer moet bij initiatieven voor (het wijzigen van) bepaalde activiteiten worden beoordeeld of er sprake is van milieueffecten. In gevallen dat een besluit of plan betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de C- of D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit MER) moet bepaald worden welke procedure doorlopen moet worden om mogelijke milieueffecten te beoordelen. In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst).

Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Het realiseren van woningen is niet als activiteit opgenomen in de C-lijst van het Besluit MER. In de D-lijst de volgende activiteit opgenomen: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Het realiseren van woningen is als een stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken, waardoor toetsing aan de drempelwaarden dient plaats te vinden. De drempelwaarden zijn ten aanzien van de hiervoor genoemde activiteit als volgt: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

In voorliggend geval is geen sprake van het realiseren van 2000 of meer woningen en wordt de oppervlakte van 100 hectare niet overschreden. Het projectgebied bedraagt namelijk slechts circa 4 hectare. Daarnaast gaat het niet om 2.000, maar slechts 100 woningen. Desalniettemin dient, gelet op de aard en omvang van het project, wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Voorliggende oplegnotitie voorziet hierin.

2

Inhoud en doel van de vormvrije m.e.r.-beoordeling Inhoudelijk gaat de vormvrije m.e.r.-beoordeling in op de mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van het initiatief. Deze belangrijke nadelige gevolgen worden beoordeeld aan de hand van de selectiecriteria opgesomd in Bijlage III van de EEG-richtlijn Milieueffectbeoordeling, die drie hoofdthema’s noemt met bijbehorende subcriteria. Hierna is de Selectiecriteria Europese richtlijn opgenomen.

Selectiecriteria Europese richtlijn

BJZ.NU

TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO

1.

Kenmerken van de activiteiten

Bij activiteiten met mogelijke significante negatieve milieueffecten moeten de volgende aspecten in het bijzonder in overweging worden genomen:  de omvang van het project/de activiteit;  de cumulatie met andere projecten;  het gebruik van natuurlijke hulpbronnen;  de productie van afvalstoffen;  verontreiniging en hinder;  risico op ongevallen, specifiek met gevaarlijke stoffen of technologieën. 2.

Plaats van de activiteiten

De locatie van een project/activiteit bepaalt mede de impact van dit project. Daarom moet de kwetsbaarheid van een gebied waar het project invloed op heeft in de beoordeling worden betrokken. In het bijzonder moet in overweging worden genomen:  het bestaande gebruik;  de relatieve rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen van het gebied, specifiek de kwaliteit en het regeneratievermogen ervan;  het opnamevermogen/de gevoeligheid van het natuurlijk milieu met in het bijzonder aandacht voor de volgende gebieden: o wetlands; o kustgebieden; o berg- en bosgebieden; o reservaten en natuurparken; o gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; o speciale beschermingszones, door de aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG en Richtlijn 92/43/EEG; o gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden; o gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; o landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. 3.

Kenmerken van het potentiële effect

In samenhang met de kenmerken en de locatie van de activiteiten/projecten moet bij potentiële effecten van een project in het bijzonder het volgende in overweging worden genomen:     

het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking); het grensoverschrijdend karakter van het effect; de orde van grootte en de complexiteit van het effect; de waarschijnlijkheid van het effect; de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.

Het doel van de notitie is om op objectieve wijze informatie over mogelijke, relevante milieugevolgen van het project te verzamelen en te presenteren. Betrokken partijen Bij het project zijn diverse partijen betrokken, waaronder de gemeente Korendijk, Roosdom Tijhuis planontwikkeling en Damgaarde B.V. Voor het vaststellen van het bestemmingsplan is de gemeenteraad van Korendijk het bevoegd gezag. Het plan zal in het kader van de regionale woonafspraken worden afgestemd met de in de regio Hoeksche Waard gelegen gemeenten. Daarnaast wordt de provincie Zuid-Holland, het waterschap Hollandse Delta en eventueel andere

3

vooroverlegpartners gedurende het proces bij het project betrokken en zal het bestemmingsplan in het kader van het wettelijk vooroverleg (artikel 3.1.1. Bro) naar deze partijen worden toegezonden. Relatie met (nog te nemen) besluiten In het kader van voorliggend plan dient nog een besluit tot vrijgave te worden gegeven wat betreft archeologie. Hiervoor is echter nog een aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk1. Het aanvullend onderzoek zal als voorwaarde bij de omgevingsvergunning voor bouwen worden opgenomen. Het vorenstaande staat het nemen van een besluit over deze aanmeldnotitie niet in de weg.

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het voornemen beschreven. Daarbij komen aanleiding, achtergronden en uitgangspunten aan bod. Hoofdstuk 3 gaat in op de plaats van het plan. Hoofdstuk 4 gaat in op de kenmerken van het potentiële effect. In hoofdstuk 5 is de conclusie opgenomen.

BJZ.NU

TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO

Voor wat betreft de vleermuizen is in het kader van de Wet natuurbescherming een ontheffing vereist 2.

1

Oplegnotitie, februari 2019, rapport 193, Laagland Archeologie

2 Quickscan natuurwaarden Akkerdreven/Damgaarde en Dorpsgaard te Nieuw-Beijerland, 17 oktober 2018, rapportnr. 1580, versie 1.0

4

2.

KENMERKEN VAN DE PROJECTEN

De omvang van het project/de activiteit Het gaat om het realiseren van een woongebied met 100 woningen. Deze uitbreiding is gelegen aan de zuidzijde van Nieuw-Beijerland. Het betreft nu nog grotendeels onbebouwd agrarisch gebied. Tevens zijn in het gebied een boomgaard en verouderde agrarische opstallen gelegen. Tot slot ligt er een braakliggend perceel in het projectgebied. In de volgende afbeelding is het stedenbouwkundig ontwerp opgenomen.

BJZ.NU

TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO

Bij activiteiten met mogelijke significante negatieve milieueffecten moeten de volgende aspecten in het bijzonder in overweging worden genomen:  de omvang van het project/de activiteit;  de cumulatie met andere projecten;  het gebruik van natuurlijke hulpbronnen;  de productie van afvalstoffen;  verontreiniging en hinder;  risico op ongevallen, specifiek met gevaarlijke stoffen of technologieën.

Afbeelding 1: Indicatieve inrichting van het projectgebied (Bron: Ars Virens)

De cumulatie met andere projecten Nieuw-Beijerland is een dorp in ontwikkeling. In dit geval is er in de nabijheid van het projectgebied een separate ontwikkeling gaande. Het betreft de realisatie van een woonbuurt met 7 volumineuze woningen. Gezien de geringe schaal en de beperkte verkeersgeneratie die deze ontwikkeling met zich meebrengt, kan deze ontwikkeling bij de cumulatieve effecten buiten beschouwing worden gelaten. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; De ontwikkeling van de voorziene activiteiten legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. Tijdens het bouw- en woonrijp maken is grondverzet nodig. Tijdens de gebruiksfase zal elektriciteit en water nodig zijn. De woningen zullen gasloos gebouwd worden, conform de Wet Voortgang Energietransitie. De productie van afvalstoffen; De productie van afvalstoffen betreffen voor de beoogde woningen uitsluitend de huishoudelijke afvalstoffen. Deze worden zoveel mogelijk gescheiden om nuttige afvalstoffen op eenvoudige wijze te kunnen inzamelen en vervolgens verwerken/recyclen. Er is geen sprake van de productie van gevaarlijk afval. Verontreiniging en hinder; In de aanlegfase kan sprake zijn van tijdelijke verkeers- en geluidhinder van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden op locatie. Het gaat dan om geluid en stof vanuit de bouwplaats en bouwverkeer van en

5

naar het projectgebied. Vanwege de ligging, de omvang van de ontwikkeling en de geschatte tijdsduur, is er geen noodzaak om verkeer tijdelijk om te leiden, met de daarbij behorende effecten. Na afronding van de bouwwerkzaamheden zal de genoemde tijdelijke hinder volledig vervallen. Het aspect tijdelijke hinder leidt niet tot mogelijk belangrijke milieugevolgen.

BJZ.NU

TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO

In de gebruiksfase zullen ten gevolge van de activiteiten geen nadelige effecten op het milieu en de omgeving plaatsvinden. Woningen worden namelijk niet gezien als milieubelastende functies. Zoals in hoofdstuk 3 en 4 wordt geconstateerd is er geen sprake van een onevenredige aantasting van beschermende natuurgebieden en/of het woon- en leefklimaat ter plaatse.

6

PLAATS VAN DE PROJECTEN

De locatie van een project/activiteit bepaalt mede de impact van dit project. Daarom moet de kwetsbaarheid van een gebied waar het project invloed op heeft in de beoordeling worden betrokken. In het bijzonder moet in overweging worden genomen:  het bestaande gebruik;  de relatieve rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen van het gebied, specifiek de kwaliteit en het regeneratievermogen ervan;  het opnamevermogen/de gevoeligheid van het natuurlijk milieu met in het bijzonder aandacht voor de volgende gebieden: o wetlands; o kustgebieden; o berg- en bosgebieden; o reservaten en natuurparken; o gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; o speciale beschermingszones, door de aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG en Richtlijn 92/43/EEG; o gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden; o gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; o landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.

Het bestaande gebruik Het projectgebied is geheel binnen grondgebied van de gemeente Korendijk gelegen, in de dorpsrand, aangrenzend aan de bebouwde kom van Nieuw-Beijerland. Het projectgebied is nagenoeg volledig onbebouwd en ingericht als agrarische cultuurgrond. In het westelijke deel zijn enkele boomgaarden gelegen. Tevens zijn hier twee agrarische bedrijfspercelen gelegen. Op het grote perceel bevindt zich een woning met een bedrijfsgebouw. Van een agrarische gebruik is echter geen sprake, het gebruik is puur hobbymatig. Op het kleine perceel staan enkele agrarische opstallen. Tot slot ligt er ten noorden van het grote agrarisch perceel een braakliggend perceel. In afbeelding 2 is een uitsnede van het projectgebied opgenomen.

BJZ.NU

TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO

3.

Afbeelding 2

Huidige situatie projectgebied (Bron: Provincie Zuid-Holland)

De relatieve rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen van het gebied, specifiek de kwaliteit en het regeneratievermogen ervan De locatie heeft geen bijzondere rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen.

7

Het opnamevermogen/de gevoeligheid van het natuurlijk milieu (natuur, ecologie, archeologie en cultuurhistorie) Het betreft een locatie in het buitengebied. Vanuit de provinciale verordening is het projectgebied ook zodanig aangeduid. Hieronder wordt per thema ingegaan op mogelijke aanwezige waarden in het projectgebied.

BJZ.NU

TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO

Ecologie Door Natuurbank Overijssel is een ecologisch onderzoek is uitgevoerd3, waarbij getoetst is aan de gebiedsbescherming en soortenbescherming. De belangrijkste conclusies zijn hierna opgenomen. Het onderzoek is gericht op drie deelgebieden: Akkerdreven, Damgaarde en Dorpsgaard. Aangezien het bestemmingsplan enkel betrekking heeft op Akkerdreven en Damgaarde, zijn de resultaten ten aanzien van Dorpsgaard buiten beschouwing gelaten. Soortenbescherming Het projectgebied behoort vermoedelijk tot het functionele leefgebied van verschillende vogel-, vleermuis-, amfibieën- en (beschermde) grondgebonden zoogdiersoorten. Deze soorten benutten het onderzoeksgebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar verschillende grondgebonden zoogdiersoorten bezetten er een voortplantings- en (winter)rustplaats, verschillende amfibieënsoorten bezetten er een (winter)rustplaats, verschillende vogels nestelen in het projectgebied en mogelijk bezetten vleermuizen er een verblijfplaats. Het projectgebied vormt een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten. Er nestelen hoofdzakelijk vogelsoorten in het projectgebied waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats.

Voor de grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten die in het projectgebied voorkomen geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Wel dient rekening gehouden te worden met deze dieren tijdens de uitvoering. Werkzaamheden dienen afgesteld te worden op de ecologie van de dieren om te voorkomen dat ze onnodig verwond of gedood worden. Dit dient nader uitgewerkt te worden in een werkprotocol. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk vleermuizen verwond of gedood, worden mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen beschadigd en vernield. Ook wordt de functie van het projectgebied als foerageergebied voor sommige kritische vleermuissoorten mogelijk negatief beïnvloed. Om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten inzichtelijk te krijgen is nader onderzoek nodig. Het projectgebied heeft geen functie als vliegroute voor vleermuizen. Het projectgebied vormt functioneel leefgebied van verschillende ‘licht beschermde’ soorten waarvoor een vrijstelling geldt om ze te mogen verwonden en doden en hun rust- en voortplantingsplaatsen te mogen beschadigen en vernielen als gevolg van de voorgenomen activiteiten, maar ook het functioneel leefgebied van een aantal ‘zwaar beschermde’ soorten.

Om deze soorten negatief te mogen beïnvloeden is een ontheffing vereist. Omdat de functie van het projectgebied voor een aantal ‘zwaar beschermde’ soorten op basis van het uitgevoerde onderzoek onvoldoende duidelijk is geworden, is nader onderzoek vereist in het deelgebied Damgaarde (niet Akkerdreven).  Nader onderzoek naar de functie van het projectgebied voor vleermuizen (verblijfplaatsen en foerageergebied);  Opstellen ecologisch werkprotocol om invulling te geven aan de zorgplicht;  Werkzaamheden die vogelnesten negatief beïnvloeden uitvoeren buiten de voortplantingsperiode

Stikstofdepositie Op 1 juli 2015 is de PAS in werking getreden. De PAS is een gezamenlijke, samenhangende aanpak van alle betrokken overheden op provinciaal en rijksniveau. De PAS bevat maatregelen die leiden tot een afname van stikstofdepositie en maatregelen die leiden tot een versterking van de natuurwaarden in de Natura 2000gebieden. Door deze maatregelen kunnen in en rondom de Natura 2000-gebieden nieuwe economische activiteiten, zoals bedrijfsuitbreidingen die stikstofdepositie veroorzaken, worden toegelaten. Activiteiten met een waarde van minder dan 0,05 mol per hectare per jaar worden als verwaarloosbaar beschouwd; deze activiteiten hoeven niet te worden gemeld. Ook cumulatief beschouwd zorgen deze activiteiten voor geen effecten voor de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden, aldus de toelichting van de PAS. Door Natuurbank Overijssel is een onderzoek naar stikstof (Aeriusberekening) uitgevoerd 4. Bij de berekening is onderscheid gemaakt tussen de bouwfase en de gebruiksfase van de ontwikkeling. De totale stikstofemissie

3 Quickscan natuurwaarden Akkerdreven/Damgaarde en Dorpsgaard te Nieuw-Beijerland, 17 oktober 2018, rapportnr. 1580,

versie 1.0 4 Toets Wet natuurbescherming, Stikstof en ammoniakdepositie, 26-9-2018, rapportnummer 1580B, versie 1.0

8

(Zowel NOx als NH3) op de betreffende Natura 2000-gebieden ‘Haringvliet’ en ‘Oude Maas’, als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteit, is volgens de Aeriusberekening nergens hoger dan de grenswaarde van 0,05 mol/ha/jaar. Dit geldt voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Voor het aspect depositie NOx en NH3. Er hoeft geen PAS-vergunning aangevraagd te worden en er hoeft geen melding te worden gedaan in het kader van de PAS.

BJZ.NU

TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO

Cultuurhistorie In het projectgebied zelf zijn geen bouwkundige monumenten of cultuurhistorische elementen aanwezig. Wel zijn er een aantal landschapselementen aanwezig die van een wezenlijk cultuurhistorisch belang zijn. Ten noorden van het projectgebied loopt de Nieuw-Beijerlandse kreek. De kreekstructuur is kenmerkend voor de polders van Nieuw-Beijerland en Nieuw-Piershil. Het organisch gevormde kreekrelict met de grienden en eeuwkanten contrasteert met de blokverkavelde, rationele polder. Naast de kreek zijn de van oorsprong aanwezig boomgaarden van cultuurhistorische waarde. Tot slot bevindt zich er in het projectgebied een waardevolle elzenrij. In het ontwerp is nadrukkelijk rekening gehouden met de cultuurhistorische aspecten in het projectgebied. Het ontwerp gaat uit van wonen binnen een landschappelijk raamwerk van groen- en waterstructuren. Het landschap is in de wijk dan ook een constant aanwezige factor, waarop het ontwerp is gebaseerd. Op de kavelgrenzen en langs de wegen zullen de reeds bestaande bomen worden gehandhaafd. ook de zogenaamde ‘windschermen’ (dichte rijen bomen om de wind tegen te houden) blijven intact. Archeologie Akkerdreven Ter plaatse van het plandeel Akkerdreven is in 2012 een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek uitgevoerd5.

De ondergrond van het plangebied bestaat uit getij-afzettingen (grotendeels matig fijn tot uiterst fijn zand met kleilaagjes en schelpenresten en in mindere mate zandige klei). Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Walcheren, dat onderdeel uitmaakt van de Formatie van Naaldwijk. Alleen in boring 1 is veen aangetroffen. Het wordt gerekend tot het Hollandveen Laagpakket, dat onderdeel uitmaakt van de Formatie van Nieuwkoop. Het betreft vermoedelijk lokaal veen dat is gevormd in een verlaten kreek. De verwachting is dat binnen het plangebied geen archeologische resten in situ aanwezig zijn. Als er al vindplaatsen aanwezig zijn binnen het plangebied, dan is liggen ze dieper dan 4 m beneden maaiveld, waardoor ze niet worden bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied. De hoge archeologische verwachting uit het bureauonderzoek voor nederzettingssporen uit de ijzertijd tot en met de vroege middeleeuwen kan op grond van de resultaten van het veldonderzoek naar laag worden bijgesteld. De middelhoge verwachting voor de periode late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd kan op grond van de resultaten van het veldwerk naar laag worden bijgesteld.

De onbekende verwachting voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het laat-paleolithicum en mesolithicum als voor nederzettingsresten uit de periode vroeg- en midden-neolithicum blijft op grond van de resultaten van het onderzoek bestaan. De lage verwachting voor de periode laat-neolithicum tot en met de bronstijd blijft bestaan. Damgaarde Ter plaatse van het plandeel Damgaarde zijn drie separate archeologische onderzoeken uitgevoerd: één voor het zuidelijke deel6, één voor het noordelijke deel7 en tot slot één aanvullend onderzoek8.  Noordelijk deel Op basis van het uitgevoerde booronderzoek 6 is de kans groot dat het projectgebied archeologische sporen bevat. Het projectgebied ligt aan een kreek die mogelijk al in de IJzertijd-Romeinse tijd als veenstroom aanwezig was. Op 2,5 m –Mv is namelijk plaatselijk (boring 17) een ingeschakelde kleilaag aangetroffen in het Hollandveen.

5

Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek, rapportnummer S110079, januari 2012, Synthegra archeologie 6

Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, oktober 2018, versie 1.2, Laagland Archeologie

7 Inventariserend veldonderzoek – verkennende fase, november 2018, versie 1.1, Laagland Archeologie 8 Oplegnotitie, februari 2019, rapport 193, Laagland Archeologie

9

BJZ.NU

TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO

De oevers van een dergelijke veenstroom waren mogelijk een favoriete plek voor bewoning. De huidige NieuwBeijerlandse Kreek wordt begeleidt door kreekafzettingen, die afgedekt zijn met kwelderafzettingen (beide van het Laagpakket van Walcheren van de Formatie van Naaldwijk). In deze kwelderafzettingen is een afgedekte Ahorizont aangetroffen op ca. 80 cm –Mv in boring 10, waarin een enkel houtskoolfragmentje is aangetroffen. Deze begraven A-horizont is afgedekt met kwelderafzettingen van waarschijnlijk na de Sint-Elizabethsvloed van 1421. OM deze reden bestaat er een reële kans dat er in het projectgebied een vindplaats uit de Volle en/of Late Middeleeuwen aanwezig is. Al kan het bij een enkel houtskoolfragmentje om een akkerlaag met opgebracht materiaal gaan. In het aangetroffen Hollandveen zijn verder geen veraarde horizonten aangetroffen. Waarschijnlijk is de top van het Hollandveen geërodeerd. Met name het archeologisch belang van een mogelijke middeleeuwse vindplaats aan een kreek is van hoog archeologisch belang. Gezien de kans dat er in het projectgebied een archeologische vindplaats aanwezig is wordt geadviseerd om een aanvullend onderzoek uit te voeren waarmee een eventuele vindplaats kan worden aangetoond.  Zuidelijk deel Op basis van het uitgevoerde booronderzoek 7 is de kans groot dat het plangebied archeologische sporen bevat.

Het plangebied ligt dichtbij een kreek die mogelijk al in de IJzertijd-Romeinse tijd als veenstroom aanwezig was. Binnen het onderzoeksgebied zijn oeverafzettingen van een dergelijke veenstroom op aangetroffen 220 à 270 cm diepte. De oevers van een dergelijke veenstroom waren geschikt voor bewoning. In het daaronder gelegen Hollandveen zijn verder geen veraarde horizonten aangetroffen. Waarschijnlijk is de top van het Hollandveen geërodeerd. Verder wordt de huidige Nieuw-Beijerlandse Kreek begeleid door kreekafzettingen uit de Vroege Middeleeuwen tot Volle Middeleeuwen, die afgedekt zijn met kwelderafzettingen uit de Vroege MiddeleeuwenVroege Nieuwe tijd (1581). Vanaf 10 à 40 cm –Mv onder de bouwvoor is een archeologisch niveau te verwachten in de kwelderafzettingen. Een tweede archeologisch niveau kan voorkomen in de top van de kreekafzettingen die vanaf 40 à 70 cm –Mv (0,37 à 0,58 m –NAP) overal tenminste tot 2 m diepte aanwezig zijn. Met name het archeologisch belang van een mogelijke middeleeuwse vindplaats nabij een kreek is van hoog archeologisch belang. Gezien de kans dat er in het plangebied een archeologische vindplaats aanwezig is wordt geadviseerd om een aanvullend onderzoek uit te voeren waarmee een eventuele vindplaats kan worden aangetoond.

De hoge verwachting op eventuele vindplaatsen is vanwege de aanwezigheid van kreekafzettingen in de ondergrond, die afgedekt zijn met kwelderafzettingen. De oeverafzettingen van een onbekende veenstroom liggen op een zodanige diepte, dat een archeologisch vervolgonderzoek zeker bij de huidige plannen onder de verstoringsdiepte liggen.  Oplegnotitie/aanvullend onderzoek Op basis van de aanvullende boringen8 is vastgesteld dat er ter plaatse van de noordoosthoek van het gebied Damgaarde in ieder geval een oude bodem aanwezig is waarin zich archeologische indicatoren bevinden die kunnen duiden op een oude bewoningslocatie of een akkerlaag. Hoewel dit niet met boringen bevestigd kan worden, is er daarmee een grote kans op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats te kunnen vaststellen. Om meer zekerheid te krijgen omtrent de aanwezigheid van een vindplaats en om te kunnen bepalen wat de aard en waarde van deze vindplaats is, wordt voorgesteld om in een zone rond de boringen met de afgedekte oude bodem alsnog een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Voor het proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen te worden opgesteld waarin de omvang en verdere specificaties voor het proefsleuvenonderzoek worden vastgelegd.

10

4.

KENMERKEN VAN HET POTENTIELE EFFECT

In samenhang met de kenmerken en de locatie van de activiteiten/projecten moet bij potentiële effecten van een project in het bijzonder het volgende in overweging worden genomen:

BJZ.NU

TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO

    

het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking); het grensoverschrijdend karakter van het effect; de orde van grootte en de complexiteit van het effect; de waarschijnlijkheid van het effect; de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.

Het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) Relevante milieuaspecten zijn verkeer, geluid, luchtkwaliteit, geur, water, ecologie, externe veiligheid en stikstof. De effecten van de hiervoor genoemde aspecten zijn lokaal van aard. Verkeer Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 317 (oktober 2012)' van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Voor wat betreft de stedelijkheidsgraad en stedelijke zone is respectievelijk uitgegaan van ‘rest bebouwde kom’ en ‘niet stedelijk’. Het aantal woningen is in het huidige ontwerp bepaald op 100 woningen.

Hieruit is gebleken dat in de gebruiksfase er sprake zal zijn van circa 770 verkeersbewegingen per etmaal. Van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen is geen sprake. De ontsluiting van het deel ‘Damgaarde’ zal westelijk gericht zijn. De ontsluiting van Akkerdreven zal oostelijk gericht zijn. Beide woongebieden zullen tevens met elkaar worden verbonden, zodat het verkeer zich in de praktijk in twee richtingen kan verdelen. Aan de westkant wordt het woongebied via één in en uitrit ontsloten op de Oudendijk. De Oudendijk vormt een ontsluitingsweg van Nieuw-Beijerland in zuidelijke richting. Deze weg is van voldoende omvang op de verkeersgeneratie als gevolg van dit plan op te vangen. Aan de oostkant van het woongebied zal een groter deel van het verkeer worden ontsloten, aangezien er in dit gedeelte meer woningen worden gebouwd. Aan deze zijde zal het verkeer worden ontsloten via de (nu nog doodlopende) Appelgaard en Perengaard. Deze straten zullen worden verlengd en uitkomen op de verkeersstructuur in het woongebied Akkerdreven. Beide genoemde straten mondden uit op de Dorpsgaard, die weer op een korte afstand uitmondt op de Buitenom. De Buitenom vormt een doorgaande weg tussen die NieuwBeijerland verbindt met de nabijgelegen kernen. Deze weg is van een voldoende omvang om de verkeersgeneratie als gevolg van dit plan op te vangen.

Het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de verkeerssituatie wordt ingeschaald op neutraal. Geluid Woningen zijn niet opgenomen in de VNG-uitgave, omdat ze in beginsel niet aan te merken zijn als milieubelastende objecten. Echter zal wel sprake zijn van enig geluid als gevolg van de woonfuncties (leefgeluiden), hiervoor gelden echter geen normen. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de geluidsituatie wordt ingeschaald op neutraal. Luchtkwaliteit Het plan heeft zoals geconstateerd bij het onderdeel verkeer ten opzichte van de huidige situatie extra verkeersbewegingen tot gevolg. Via een NIBM-tool berekening is onderzocht of de ontwikkeling wel of niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In deze berekening zijn de vervoersbewegingen zoals gehanteerd bij het onderzoek naar de stikstofdepositie overgenomen. Het aandeel vrachtverkeer is op 0% gezet, aangezien het voornemen uitsluitend de functie ‘wonen’ betreft. Het aandeel van vrachtverkeer in de aanlegfase is buiten beschouwing gelaten, omdat dit tijdelijk van aard is. De berekening laat het volgende beeld zien.

11

TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO BJZ.NU

Uit de berekening blijkt dat voorliggend plan 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Vervolgonderzoek naar effecten op de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling ten aanzien van luchtkwaliteit wordt ingeschaald op licht negatief. Geur In voorliggend geval worden er geen geurbelastende objecten gerealiseerd. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling ten aanzien van geur wordt ingeschaald op neutraal. Ecologie Het projectgebied vormt functioneel leefgebied van verschillende ‘licht beschermde’ soorten waarvoor een vrijstelling geldt om ze te mogen verwonden en doden en hun rust- en voortplantingsplaatsen te mogen beschadigen en vernielen als gevolg van de voorgenomen activiteiten, maar ook het functioneel leefgebied van een aantal ‘zwaar beschermde’ soorten. Om deze soorten negatief te mogen beïnvloeden is een ontheffing vereist. Omdat de functie van het projectgebied voor een aantal ‘zwaar beschermde’ soorten op basis van het uitgevoerde onderzoek onvoldoende duidelijk is geworden, is nader onderzoek vereist in de deelgebieden Dorpsgaard en Damsgaard (niet Akkerdreven).

• Nader onderzoek naar de functie van het projectgebied voor vleermuizen (verblijfplaatsen en foerageergebied), steen- en ransuil; • Opstellen ecologisch werkprotocol om invulling te geven aan de zorgplicht; • Werkzaamheden die vogelnesten negatief beïnvloeden uitvoeren buiten de voortplantingsperiode; Het effect van de voorgenomen ontwikkeling ten aanzien van ecologie wordt ingeschaald op licht negatief. Stikstofdepositie Zoals eerder vermeld wordt ten gevolge van de ontwikkeling de grenswaarde op Natura 2000-gebieden niet overschreden. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling ten aanzien van stikstofdepositie wordt ingeschaald op licht negatief. Externe veiligheid Binnen de woonwijk wordt geen gebruik gemaakt van gevaarlijke stoffen. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling ten aanzien van externe veiligheid is neutraal. Water Het waterschap Hollandse Delta is geïnformeerd over het project door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de 'normale procedure' van toepassing is. De uitgangspuntennotitie voor de normale procedure van de watertoets moet worden gevolg. Het initiatief is besproken met het waterschap. De uitkomsten zijn positief, er wordt ruim meer compensatiegebied voor water aangelegd dat strikt noodzakelijk is.

Wel dient te worden aangegeven dat als gevolg van de ontwikkeling in het projectgebied fors meer verhard oppervlak aanwezig zal zijn. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling ten aanzien van water is neutraal.

12

Het grensoverschrijdend karakter van het effect De effecten hebben geen landsgrensoverschrijdend karakter.

De orde van grootte en de complexiteit van het effect De effecten die als gevolg van het plan optreden, zijn beperkt en niet complex. Beperkte effecten ontstaan mogelijk ten aanzien van ecologie en water.

De duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect Effecten ten aanzien van luchtkwaliteit, ecologie, stikstofdepositie en water zijn permanent. Door het treffen van maatregelen worden de effecten op water beperkt. Door het op een juiste manier en periode uitvoeren van werkzaamheden, met inachtneming van de zorgplicht, worden negatieve effecten op de ecologie voorkomen. Ten aanzien van de luchtkwaliteit en stikstofdepositie wordt gesteld dat op dit moment geen maatregelen genomen zullen worden. Ten gevolge van het feit dat er in de toekomst steeds schonere voertuigen zullen worden gebruikt, zal het effect op lange termijn afnemen. Cumulatie van effecten met effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten Cumulatie van effecten treedt op wanneer werkzaamheden in direct omliggende gebieden vergelijkbare effecten veroorzaken met de hierboven beschreven effecten en in dezelfde periode worden uitgevoerd. In dit geval is er in de nabijheid van het projectgebied een separate ontwikkeling gaande. Het betreft de realisatie van een woonbuurt met 7 woningen. Gezien de geringe schaal en de beperkte verkeersgeneratie die deze ontwikkeling met zich meebrengt, kan deze ontwikkeling bij de cumulatieve effecten buiten beschouwing worden gelaten.

BJZ.NU

TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO

De waarschijnlijkheid van het effect Het optreden van effecten is zeer waarschijnlijk, echter met inbegrip van voorgestelde maatregelen zijn geen significante negatieve effecten te verwachten.

13

Maatregelen ter vermindering van potentiële effecten (samenvattend) De milieueffecten van de herontwikkeling van het projectgebied kunnen niet geheel worden voorkomen. De mate waarin de milieueffecten optreden kan wel gemitigeerd of gecompenseerd worden. De milieueffecten zijn zodanig ingeschat dat met uitzondering van de aspecten archeologie en ecologie mitigerende maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Compenserende maatregelen zijn alleen noodzakelijk voor het aspect water.

 Mitigerend Op basis van de aanvullende boringen is vastgesteld dat er ter plaatse van de noordoosthoek van het gebied Damgaarde in ieder geval een oude bodem aanwezig is waarin zich archeologische indicatoren bevinden die kunnen duiden op een oude bewoningslocatie of een akkerlaag. Hoewel dit niet met boringen bevestigd kan worden, is er daarmee een grote kans op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats te kunnen vaststellen. Om meer zekerheid te krijgen omtrent de aanwezigheid van een vindplaats en om te kunnen bepalen wat de aard en waarde van deze vindplaats is, wordt voorgesteld om in een zone rond de boringen met de afgedekte oude bodem alsnog een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Voor het proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen te worden opgesteld waarin de omvang en verdere specificaties voor het proefsleuvenonderzoek worden vastgelegd. Het proefsleuvenonderzoek dient te zijn afgerond alvorens over wordt gegaan tot ontwikkeling van het betreffende perceel.

Ecologie (mitigerend) Tijdens de uitvoering van het voornemen kan flora en fauna hinder ondervinden. Door buiten het broedseizoen te werken of maatregelen te treffen binnen het broedseizoen wordt eventuele hinder op natuur zoveel mogelijk beperkt. Werkzaamheden die leiden tot het beschadigen/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. Voor wat betreft de vleermuizen is in het kader van de Wet natuurbescherming een ontheffing vereist.

Water (compenserend) Als gevolg van het plan neemt het verhard oppervlak toe. Er wordt echter fors meer compensatiegebied aangelegd dan strikt noodzakelijk. Het hemelwater en vuilwater wordt gescheiden afgevoerd. Hemelwater wordt zoveel mogelijk geïnfiltreerd via wadi’s en andere aan te leggen watergangen. Binnen het projectgebied is hier voldoende ruimte voor. Met het ontwerp is hiermee rekening gehouden. Door de hiervoor genoemde maatregelen te treffen worden nadelige effecten op de waterhuishouding zoveel mogelijk beperkt.

BJZ.NU

TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO

Archeologie

14

5.

CONCLUSIE

BJZ.NU

TWENTEPOORT OOST 16A 7609RG ALMELO

De vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-m.e.r. noodzakelijk maakt.

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9692035/1