CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen Bijlage 6 Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek

Besluitvormende raad 12 december 2023, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan ’s-Gravendeel West fase 114.700 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

's-Gravendeel, 's-Gravendeel West (Gemeente Hoeksche Waard) Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (BO en IVO-O)

Rapport 419

S. Reinstra, M. Soldaat & G. Aalbersberg

‘s-Gravendeel, ’s-Gravendeel West (gemeente Hoeksche Waard) Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (BO en IVO-O) S. Reinstra, M. Soldaat & G. Aalbersberg

Rapport 419

Colofon ‘s-Gravendeel, ’s-Gravendeel West (Gemeente Hoeksche Waard) Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (BO en IVO-O)

Een onderzoek in opdracht van Lodewijck Groep B.V.

Salisbury Archeologisch Rapport 419

S. Reinstra, M. Soldaat & G. Aalbersberg

Beheer en plaats van documentatie Salisbury Archeologie b.v.

Versie 1.2, 3 maart 2021 (concept)

Autorisatie — G. Aalbersberg (Senior KNA-prospector)

Status bevoegd gezag— Gemeente Hoeksche Waard, de heer A. Brand (Gemeentelijk adviseur)

SalisburyArcheologie bv Vestiging Noord-Nederland Vaart z.z. 7a 9401 GE Assen 085-3031540 www.salisburybv.nl info@salisburybv.nl

ISSN 2468-4538

Inhoud Administratieve gegevens

6

Locatiegegevens

7

Samenvatting resultaten

8

1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Aanleiding voor het onderzoek Onderzoekskader Huidige en toekomstige situatie op de onderzoekslocatie Begrenzing onderzoeks- en plangebied Doel van het onderzoek Onderzoeksvragen

10 10 10 10 13 13

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8

Bureauonderzoek Gebruikte bronnen Aardwetenschappelijke gegevens Bekende archeologische waarden Archeologie Historische waarden / bouwhistorisch onderzoek Bekende verstoringen Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Advies

14 14 14 20 23 24 24 24 26

3.1 3.2

Resultaten veldonderzoek Beschrijving onderzoeksmethode Beschrijving onderzoeksresultaten

27 27 28

4.1 4.2

Conclusie Beantwoording onderzoeksvragen Aanbevelingen

30 31 31

2

3

4

Literatuur

32

Lijst van afbeeldingen

33

Lijst van Bijlagen

34

Bijlage 1: Onderzoeksmeldingen

35

Bijlage 2: Vondstmeldingen

36

Bijlage 3. Boorbeschrijvingen

37

Bijlage 4: Boorprofiel A-A’

74

Administratieve gegevens Projectnaam

‘s-Gravendeel, ’s-Gravendeel West (gemeente Hoeksche Waard)

Projectcode

20202721

Type onderzoek

Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (BO en IVO-O)

OM-nummer

4919133100

Projectleider

M. Soldaat KNA Archeoloog MA

Contact

G. Aalbersberg T: 06-28500730 T: +49-175-2968642 E: gerard.aalbersberg@salisburygmbh.de

Opdrachtgever

Lodewijck Groep b.v. namens ABB Ontwikkeling b.v. en Stevast Baas en Groen b.v.

Contact

Dhr K. Ellenbroek Beechavenue 139 1119 RB Schiphol-Rijk T: 085 401 0567 E: k.ellenbroek@lodewijckgroep.nl

Bevoegde overheid

Gemeente Hoeksche Waard dhr. A. Brand Postbus 2003 3260 EA Oud-Beijerland T: 140186/088-6471300 E: alex.brand@gemeentehw.nl

Adviseur bevoegde overheid

S. Cohen Stuart Lindeboom 45 4101 WG Culemborg T: 06-45059916 E: channacs@icloud.com

Uitvoering onderzoek

November 2020

Beheer en locatie documentatie

Salisbury Archeologie b.v. en e-depot

Illustraties

Auteur(s) tenzij anders vermeld

Medewerkers

M. Soldaat

Salisbury Archeologie

35497661

S. Reinstra

Salisbury Archeologie

35111764

G. Aalbersberg

Salisbury Archeologie

43333040

6

Locatiegegevens Projectnaam

‘s-Gravendeel, ’s-Gravendeel West

Plaats

‘s-Gravendeel

Gemeente

Hoeksche Waard

Provincie

Zuid-Holland

Kaartblad

44A

Kadastrale gegevens

’s-Gravendeel GVD02-H-169; GVD02-H-170; GVD02-H-171; GVD02-H-176

Centrumcoördinaten

X: 100956; Y: 422276

Oppervlakte

ca. 6,9 ha

NAP-hoogte maaiveld

ca. 0,40-1,20 m -NAP

7

Samenvatting resultaten Aanleiding

In het plangebied wordt nieuwbouw gerealiseerd, waarbij een aantal vergunningsplichtige werken zal worden uitgevoerd. Hiervoor is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Vraagstelling

Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? Zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten? Welke consequenties zal voortgaande planuitvoering op de archeologische resten kunnen hebben?  Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan dit bestaan? zie afb. 1

Plangebied

  

Aardwetenschappelijke gegevens

Het onderzoeksgebied ligt in de archeoregio Zeeuws Kleigebied en bevindt zich in de Rijn-Maas delta. Op de geomorfologische kaart ligt het plangebied in drie verschillende zones. In het uiterste noorden en centraal ligt het plangebied in een vlakte van getij-afzettingen. Op het AHN is een getij-inversierug te zien.

Bekende archeologische

Het plangebied kent een complexe ontstaansgeschiedenis die samenhangt met het pleistocene rivierdal en de daaropvolgende ontwikkeling van de holocene Rijn-Maasdelta. Hierdoor is een gestapeld landschap van veen, getij- en rivierafzettingen ontstaan waarin archeologische resten op verschillende dieptes aanwezig kunnen zijn. Uit het Paleolithicum t/m Neolithicum zijn binnen het onderzoeksgebied geen archeologische waarden bekend. Uit de Brons- en IJzertijd zijn enkele vindplaatsen bekend op oeverwallen of op het veen. Vindplaatsen uit de Romeinse tijd zijn talrijker dan vindplaatsen uit de voorgaande periodes. Uit latere periodes zijn weer minder vindplaatsen bekend in de omgeving, de weinige voorbeelden concentreren zich op stroomruggen.

waarden

Historische waarden

Op de kadastrale minuut en op historische topografische kaarten is goed te zien dat het landschap waarin het plangebied zich bevindt niet of nauwelijks veranderd is, en altijd als weiland, boomgaard of akkerland gebruikt is.

Verwachting

Op basis van het bureauonderzoek is de gespecificeerde archeologische verwachting in zes periodes ingedeeld, die ieder een eigen verwachting en archeologisch relevant niveau hebben. Samenvattend geldt er conform de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart een hoge archeologische verwachting voor de al dan niet begraven stroomruggen in het plangebied. Voor de lager liggende geldt een middelhoge verwachting.

Methode veldonderzoek

Er is een verkennend booronderzoek uitgevoerd in het plangebied, waarbij 6 boringen per hectare zijn gezet. Er zijn 43 boringen regelmatig verspreid over het plangebied gezet met een edelmanboor (7 cm Ø) en een guts (3 cm Ø). Boringen 1, 11, 27, 28, en 38 zijn tot 4 m beneden maaiveld gezet; de overige boringen tot 3 m beneden maaiveld. De posities van de boringen zijn ingemeten met behulp van een GPS (nauwkeurigheid 1 cm). Het opgeboorde materiaal is met de hand onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. De boringen zijn beschreven conform de NEN 5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB 5.2). De boringen zijn digitaal beschreven.

Resultaten veldonderzoek

De laagopeenvolging binnen het plangebied bestaat uit een jong overstromingsdek op getijdeafzettingen op veen. Binnen het plangebied zijn twee getij-inversieruggen aanwezig die ouder zijn dan het veenpakket. Er zijn geen grote recente verstoringen gezien in het plangebied.

Selectieadvies en aanbevelingen

Op basis van het bureauonderzoek is een hoge verwachting opgesteld voor het aantreffen van archeologische resten in het plangebied. De archeologische verwachting is door middel van een verkennend booronderzoek getoetst. Uit het veldonderzoek blijkt dat de verwachting kan worden bijgesteld naar laag. Er wordt 8

dan ook geadviseerd om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen plannen. Ook in het vrijgegeven deel van het plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Over de bevindingen en aanbevelingen uit dit onderzoek dient contact opgenomen te worden met het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Hoeksche Waard.

9

1 Aanleiding voor het onderzoek 1.1

Onderzoekskader

In opdracht van Lodewijck Groep b.v. namens ABB Ontwikkeling b.v. en Stevast Baas en Groen b.v. heeft Salisbury Archeologie b.v. een bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd met betrekking tot het plangebied ’sGravendeel West te ‘s-Gravendeel (afb. 1). Het plangebied ligt ten oosten van de Eerste Kruisweg en ten westen van de bebouwde kom van ’s-Gravendeel (zie afb. 1 en verder onder § 1.3). Sinds 1 januari 2019 maakt ‘s-Gravendeel deel uit van de gemeente Hoeksche Waard. Op de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Hoeksche Waard valt het plangebied geheel binnen een zone met een middelhoge archeologische verwachting (zie afb. 2). Voor zones met deze verwachting geldt dat er geen bodemingrepen mogen plaatsvinden met een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 50 cm beneden maaiveld.1 Op het plangebied rust een dubbelbestemming “Waarde – Archeologische verwachting middelhoog 1” in het vigerende bestemmingsplan Gemeente Binnenmaas.2 Hierin staat het bovengenoemde archeologie beleid verankerd. ABB Ontwikkeling b.v. en Stevast Baas en Groen b.v. zijn plan om nieuwbouw te realiseren, waarbij de vrijstellingsgrens zal worden overschreden en waarbij een aantal vergunningsplichtige werken zal worden uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1) en het archeologiebeleid van de gemeente Hoeksche Waard.

Het onderzoek is uitgevoerd in november 2020.

1.2

Huidige en toekomstige situatie op de onderzoekslocatie

Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 6,9 ha, en is op dit moment in gebruik als akker en weiland. Het ligt ten noordwesten van de bebouwde kom. De opdrachtgever heeft het voornemen in het gebied nieuwbouw te realiseren, waarbij 179 woningen van verschillende types zullen worden gebouwd (Afb. 3). De bebouwing wordt omzoomd met groen, en er zullen wegen en ondergrondse infrastructuur worden aangelegd. De exacte omvang en diepte van de verstoringen waarmee deze ingrepen gepaard zullen gaan zijn op het moment van schrijven van dit rapport nog niet bekend.

1.3

Begrenzing onderzoeks- en plangebied

Het onderzoeksgebied omvat het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te verkrijgen van de eventueel aanwezige archeologische waarden. Het onderzoeksgebied is veelal groter dan het plangebied en verschilt al naar gelang het te onderzoeken aspect. begrenzing plangebied In dit rapport wordt een onderscheid gemaakt tussen het plangebied en het onderzoeksgebied. Met het plangebied wordt het gebied bedoeld waarop de plannen van de opdrachtgever betrekking hebben. Binnen dit gebied kunnen eventueel aanwezige archeologische resten worden verstoord door de voorgenomen ingrepen. Het plangebied ligt direct ten westen van de bebouwde kom van ’s-Gravendeel, en ca. 300 m ten oosten van de Eerste Kruisweg. Aan de zuidkant grenst het plangebied aan de Maasdamse weg (zie afb. 1). begrenzing onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied is hier gedefinieerd als een buffer met een straal van ca. 1000 m rond het plangebied (afb. 1). De landschappelijke en archeologische waarden die in dit gebied voorkomen geven een goed beeld van de te verwachten waarden binnen het plangebied.

1 2

Huizer et.al., 2009. NL.IMRO.0585.BPLGBINNENMAAS-VG01

10

Afb. 1. Ligging plangebied en globale begrenzing onderzoeksgebied (bron: https://pdok.nl)

Afb. 2. Uitsnede van de gemeentelijke verwachtings- en beleidsadvieskaart van de Hoeksche Waard uit 2009 (bron: https://www.gemeentehw.nl/)

11

Afb. 4. Het plangebied op een recente luchtfoto (bron: https://pdok.nl).

Afb. 3. Impressie tekening ’s-Gravendeel West (bron: https://www.sgravendeel-west.nl/)

12

1.4

Doel van het onderzoek

Het doel van het bureauonderzoek is het verkrijgen van inzicht in bekende en te verwachten archeologische waarden in en in de omgeving (onderzoeksgebied) van het plangebied. Op basis van de verkregen informatie wordt een archeologisch verwachtingsmodel voor het plangebied opgesteld. Hierin wordt beschreven of er archeologische resten aanwezig (kunnen) zijn in het plangebied, wat de potentiële aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het vervolgtraject van de plannen rekening dient te worden gehouden. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen van de gespecificeerde verwachting.

1.5

Onderzoeksvragen

Het bureauonderzoek moet antwoord geven op de volgende onderzoeksvragen: 

Wat is de laagopeenvolging en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen?

Zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten?

Welke consequenties zal de uitvoering van het plan hebben op (eventueel) aanwezige archeologische resten?

Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan dit bestaan?

13

2 Bureauonderzoek 2.1

Gebruikte bronnen

Voor het bureauonderzoek zijn onder andere de volgende bronnen geraadpleegd: 

Actueel hoogtebestand Nederland (AHN, http://www.ahn.nl)

De bodemkaart van Nederland (https://zoeken.cultuureelerfgoed.nl)

De geomorfologische kaart van Nederland (https://zoeken.cultureelerfgoed.nl)

De archeologische monumentenkaart (AMK: https://zoeken.cultureelerfgoed.nl)

Provinciaal en/of landelijk beleid

Gemeentelijk beleid

Bonneblad 1900 (https://zoeken.cultureelerfgoed.nl)

Historisch kaartmateriaal (http://www.topotijdreis.nl)

Google Earth (https://www.google.nl/intl/nl/earth/)

Ondergrondgegevens (https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens)

Verstoringen (http://www.bodemloket.nl)

Kadastrale Minuut (http://zoeken.cultureelerfgoed.nl)

Kadastrale gegevens (https://www.kadaster.nl)

2.2

Aardwetenschappelijke gegevens

Het onderzoeksgebied ligt in de archeoregio Zeeuws Kleigebied en bevindt zich in de Rijn-Maas delta. De processen die tijdens de laatste twee ijstijden plaatsvonden vormen de basis van het huidige landschap, dat verder voornamelijk tijdens het Holoceen zijn huidige vorm heeft gekregen. Tijdens de maximale ijsuitbreiding in het Saalien lag een ijskap over Noord- en Midden-Nederland.3 Ten zuiden van de gletsjers lag een riviervlakte, waar rivierafzettingen werden gevormd door onder meer de voorlopers van de Rijn en Maas. Ook tijdens het Weichselien, de laatste IJstijd (115.000-11.700 jr. BP), was Zuid-Holland onderdeel van een dergelijke riviervlakte.4 In deze periode was er geen sprake van landijsbedekking in Nederland, en wisselden koudere perioden en gematigde perioden elkaar af.5 Tijdens de periode van maximale koude van het Midden-Weichselien stond de zeespiegel ongeveer 120 meter lager dan tegenwoordig en er heerste een periglaciaal klimaat. In de koudste fases (stadialen) bestond het landschap uit een poolwoestijn met een permanent bevroren ondergrond (permafrost). De rivieren hadden in deze periode een vlechtend karakter en zorgden voor de aanvoer van grote hoeveelheden zand en grind waaruit de riviervlakte is opgebouwd.

Tijdens periodes waarin de afvoer van water gering was en de beddingen drooglagen, werden onder invloed van de wind zandduinen gevormd (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Delwijnen).6 Deze rivierduinen of donken vormden later aantrekkelijke vestigingscondities voor de mens. De droge en vegetatie-arme landschapscondities tijdens de koude fases van het Weichselien zorgden er verder voor dat de wind grote hoeveelheden zand kon transporteren en afzetten. Deze afzettingen worden over het algemeen dekzand genoemd en tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden gerekend. Ten zuiden van de Binnendijkse Maas bijvoorbeeld ligt de top van het dekzand tegenwoordig op een diepte van 5 tot 15 meter beneden maaiveld.7 Boringen in de omgeving van het plangebied laten zien dat het pleistocene oppervlak zich dieper dan 8 à 9 m -mv bevindt.8 Aan het begin van het Holoceen (11.700 BP – heden) bestond de omgeving uit een glooiend dekzandlandschap, doorsneden door enkele rivieren. Tijdens het vroege Holoceen vond een snelle temperatuurstijging plaats, in

Stouthamer et al., 2015, 198. Berendsen & Stouthamer, 2001, 11. 5 Stouthamer et al., 2015, 205. 6 Weerts et al., 2011. 7 Huizer et al., 2009, 7. 8 https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens 3 4

14

combinatie met een stijging van de relatieve zeespiegel als gevolg van het smelten van de ijskappen.9 De stijging van de zeespiegel ging gepaard met een verhoging van de regionale grondwaterstand. Daar waar de grondwaterspiegel aan of direct onder het pleistocene oppervlak lag ontstonden vochtige omstandigheden waarin zich veen vormde (Formatie van Nieuwkoop, Basisveen Laag). De veranderende klimatologische omstandigheden hadden ook als gevolg dat Zuidwest-Nederland van een doorvoerend rivierdal in een rivierdelta veranderde.10 Verder veranderde het rivierpatroon in het gebied van een vlechtend patroon naar een meanderend of anastomoserend patroon. In de Holocene Rijn-Maasdelta werd overwegend fijnkorrelig materiaal afgezet, onder meer als gevolg van de afname van het verhang van de rivieren.11 De riviertakken van de delta vormden zogeheten stroomgordels. De grofste sedimenten worden in de delen met de hoogste stroomsnelheden afgezet, meestal de geulen. Wanneer bij overstromingen een geul buiten haar oevers treedt zal de stroomsnelheid sterk afnemen omdat het beschikbare volume (de komgebieden) toeneemt; verder zal de vegetatie op de oevers en de kommen een remmende werking op de stroomsnelheid hebben. Het resultaat is dat eerst het grofste door het water meegevoerde sediment afgezet wordt, en dat met toenemende afstand tot de geul het sediment steeds fijner wordt.

Deze afzettingen, die meestal uit zeer fijn zand bestaan, worden oeverafzettingen genoemd. Als dit proces zich herhaalt zal in de loop der tijd op de oever een oeverwal van relatief grof sediment ontstaan, die richting de komgebieden steeds fijner wordt. De hoogte en breedte van dergelijke oeverwallen hangen onder andere af van het debiet van de geul en de hoeveelheid beschikbaar sediment. Alle rivierafzettingen worden tot de Formatie van Echteld gerekend. De hoger gelegen oeverwallen vormden aantrekkelijke vestigingslocaties voor jager-verzamelaars en later voor boerengemeenschappen. Volgens paleogeografische reconstructies lag het plangebied al rond 5500 voor Chr. op de overgang tussen het zich naar het noord-noordwesten uitbreidende veengebied en de getijdenzone daar ten noorden van (zie Afb. 5).12 Of de invloed van de Maasarm die op enkele kilometers ten noorden van het plangebied stroomde ook in het plangebied merkbaar is geweest is onduidelijk. Volgens Cohen et al. (2012 ) lag het plangebied tussen ongeveer 6000 en 2500 jaar voor Chr. binnen de stroomgordel ‘Meuse Estuary ‘.13 De loop van deze stroomgordel, die tijdens het Mesolithicum en het Neolithicum actief was, is op de paleogeografische kaart van 5500 voor Chr. direct ten noorden van het onderzoeksgebied te zien. Rond 3200 voor Chr. verzandde de toenmalige RijnMaasmonding.

Hierdoor stagneerde de afwatering van het achterliggende gebied. De verslechterende afwatering nam verder toe door de vorming van een permanente strandwal langs de westelijke kustlijn. De natte omstandigheden zorgden voor een sterke uitbreiding van de veengebieden in Zuidwest-Nederland. Tussen 1500 voor Chr. en 500 voor Chr. vond er een belangrijke omslag in het landschap plaats. Waar het plangebied tot nu toe in een veenachtig komgebied lijkt te liggen, is op de paleogeografische kaart van ca. 500 voor Chr. te zien dat het plangebied direct ten noorden van een belangrijke geul ligt.. Deze is mogelijk enkele eeuwen eerder ontstaan, omdat vanaf de Vroege IJzertijd, omstreeks 700 voor Chr., de zee steeds meer invloed kreeg. Als gevolg van de hiermee gepaard gaande overstromingen is het veen plaatselijk met een kleidek afgedekt. De estuaria in Zuidwest-Nederland breidden zich landinwaarts uit, en er werd op grote schaal marien sediment afgezet. Op de paleogeografische reconstructies van de Rijn-Maasdelta in het eerste millennium is te zien dat het plangebied in 100 na Chr. op een verlaten stroomgordel ligt, waarvan de afzettingen tot Formatie van Echteld gerekend worden (Afb. 6).14 Dit is de stroomgordel die nu nog als stroomrug in het huidige landschap herkenbaar is (zie hieronder). Ten oosten van het plangebied ligt in de periode 100 na Chr. – 900 na Chr.

een actieve stroomgordel in het verlengde van de binnendijkse Maas. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van Zuid-Holland is aangegeven dat waar de stroomgordel dieper dan 5 meter beneden maaiveld ligt er een hoge verwachting geldt (afb. 10).15 Van 3 tot 5 meter komen veen (Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen Laagpakket) en oudere mariene afzettingen voor. Op een diepte van 0 tot 3 meter liggen volgens de kaart mariene afzettingen horend bij het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk). Vanaf de Late Middeleeuwen werden op grote schaal dijken aangelegd, waardoor een einde kwam aan het open deltalandschap. Als reactie op de overstromingen werden terpen opgeworpen en ontstond vanaf de tweede helft van de 14e eeuw de eerste ringpolder van de Hoeksche Waard, de Sint Antonypolder. De dijkbouw kon echter niet Stouthamer et al., 2015, 229-231. idem, 2015, 262. 11 idem, 2015, 262. 12 Vos & De Vries, 2013. 13 Cohen et al., 2012. 14 uit een analyse van de beschikbare boringen in Dinoloket blijkt dat deze afzettingen in enkele boringen bij de Formatie van Naaldwijk (mariene afzettingen) gerekend worden en in andere boringen tot de Formatie van Echteld (fluviatiele afzettingen). Waar het klastische pakket sterk humeus is, is dit vaak bij de Formatie van Nieuwkoop (veen) gerekend.

Aangezien het plangebied zich gedurende een aanzienlijk deel van het Holoceen in een estuarien landschap bevond is dit niet verwonderlijk, maar wel onhandig bij het maken van correlaties. 15 https://www.zuid-holland.nl 9

10

15

geheel voorkomen dat het land bij tijd en wijle overstroomde. Stormvloeden leidden tot dijkdoorbraken met rampzalige gevolgen voor de binnendijkse gebieden. Bij de inbraken vanuit zee werden nieuwe geulen gevormd die op een aantal locaties in de Hoeksche Waard oudere afzettingen hebben geërodeerd. Daarnaast werd op veel plaatsen in het overstromingsgebied een nieuw zand- en kleidek afgezet, wat de onderliggende lagen en eventueel daarin aanwezige archeologische resten voor erosie en aantasting behoedde. De (derde) St. Elisabethsvloed in 1421 is een belangrijke historische gebeurtenis in de Hoeksche Waard.16 Hierdoor werden de bestaande dorpjes overstroomd en raakte de Hoeksche Waard ontvolkt. Volgens Huizer et al. (2009) vormden de ingepolderde stukken land in het begin van de 16e eeuw een stelsel van kleine eilandjes in een gebied dat verder uit slikken en schorren bestond.17 In de loop van de 16e eeuw werd vanuit de oostelijke polders richting het westen een aantal aangrenzende gebieden ingepolderd en vanaf het eind van de 16e eeuw werd de inpoldering richting het zuiden en oosten uitgevoerd. Door de bedijking nam de overstromingsfrequentie af, en daarmee ook de hoeveelheid sediment die bij overstromingen werd afgezet. Buitendijks ging de sedimentatie ongehinderd door totdat ook die gebieden werden bedijkt.

Hierdoor is het maaiveld in de oudste polders het laagst, terwijl in de jongere polders het maaiveld hoger ligt. Nadat rivier- en getijdengeulen verlaten worden en volsedimenteren ondergaat het landschap een langzame maar belangrijke verandering. Door differentiële klink, waarbij de kleiige en soms venige komgebieden sterker inklinken dan de geulvullingen en eventuele oeverwallen die hoofdzakelijk uit minder fijn sediment bestaan. Op deze manier zullen de geulen, die ooit de laagste delen van het landschap vormden, na verloop van tijd samen met eventuele oeverwalcomplexen als hoger liggende ruggen (stroomruggen) in het landschap herkenbaar zijn. Dit proces, dat reliëfinversie genoemd wordt, wordt nog versterkt als het gebied ontwaterd wordt. Deze stroomruggen zijn, uiteraard afhankelijk van het moment waarop ze ontstaan zijn en tot hoe lang ze boven de voortgaande sedimentatie in de komgebieden aan weerszijden van de rug uit blijven steken, geschikte locaties voor bewoning. Op de geomorfologische kaart ligt het plangebied in drie verschillende zones (Afb. 8). In het uiterste noorden en centraal ligt het plangebied in een vlakte van getij-afzettingen. Het noorden van het plangebied bevindt zich deels ook op een getij-inversierug. Het zuidelijk deel van het plangebied bevindt zich in een zone met welvingen in getij-afzettingen. Op het AHN3 (Afb.

9) is goed te zien hoe het landschap in en rond het plangebied uit een fijn vertakt netwerk van iets hogere ruggen bestaat. De getij-inversierug die op de geomorfologische kaart aangegeven staat is ook op het AHN goed herkenbaar, evenals de brede stroomrug die ten zuiden en zuidwesten van het plangebied loopt. De kleinere en smallere ruggetjes zijn niet op de geomorfologische kaart aangegeven, maar ook hier gaat het om geultjes en prielen die door reliëfinversie nu hoger zijn komen te liggen. Verder vallen twee min of meer noord-zuid georiënteerde geultjes (groene pijlen op Afb. 9) die op een bredere geul lijken aan te sluiten. Deze snijden door de inversie-ruggen heen, en zijn dus jonger. Mogelijk gaat het hier om crevassegeultjes, die bij een doorbraak van een dijk of oeverwal zijn ontstaan. De typerende waaiervormige crevasse-afzettingen of wielen/kolken ontbreken echter. Volgens de bodemkaart van Nederland ligt het plangebied in een zone met kalkrijke poldervaaggronden op zware zavel (code Mn25A; zie Afb. 10). In het uiterste westen komen kalkrijke poldervaaggronden op zware zavel en op klei voor (resp. code Mn22A en Mn82A). Het plangebied heeft grondwatertrap Vb, wat aangeeft dat de hoogwaterstanden gemiddeld 25-40 cm -mv bedragen, terwijl het grondwaterpeil bij laagwaterstanden dieper dan 120 cm -mv ligt.

16 17

Huizer et al., 2009, 7. idem, 8.

16

Afb. 5. Paleogeografische kaarten voor de periode rond 5500 voor Chr., 2750 voor Chr. en 1500 voor Chr. (bron: Vos & De Vries, 2013).

Afb. 6. Paleogeografische kaarten voor de periode rond 100 na Chr., 500 na Chr. en 900 na Chr. (bron: Pierik, 2017).

17

Afb. 7. Paleogeografische kaarten voor de periode rond 500 voor Chr., 1500 na Chr. en 1850 na Chr. (bron: Vos & De Vries, 2013).

Afb. 8.

18

Uitsnede van de geomorfologische kaart met het plangebied en de directe omgeving (bron: https://zoeken.cultureelerfgoed.nl).

Afb. 9. Het plangebied en omgeving op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN3, ruw; bron: https://www.ahn.nl). De groene pijltjes geven mogelijke crevassegeultjes aan.

Afb. 10. Uitsnede van de bodemkaart met het plangebied en directe omgeving (bron: https://zoeken.cultureelerfgoed.nl).

19

Afb. 11. AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen en vondstlocaties (bron: ARCHIS3).

2.3

Bekende archeologische waarden

Gemeentelijke beleidskaart Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Hoeksche Waard ligt het plangebied in een “archeologisch waardevol gebied 4” (afb. 2).18 Dat betekent dat ingrepen met een oppervlakte van meer dan 500 m2 en een diepte van meer dan 0,5 m beneden maaiveld dienen te worden voorafgegaan door een archeologisch onderzoek. Archeologische waarden Als onderdeel van het bureauonderzoek zijn de AMK (archeologische monumentenkaart)-terreinen, archeologische waarnemingen en eerder uitgevoerd onderzoek (onderzoeksmeldingen) in het onderzoeksgebied geïnventariseerd (afb. 8). De AMK-terreinen, de bekende archeologische waarnemingen en de onderzoeksmeldingen zijn geraadpleegd via ARCHIS3.19 Archeologische monumenten (AMK-terreinen) In het plangebied zijn geen AMK-terreinen aangewezen; binnen het onderzoeksgebied liggen drie AMK-terreinen (zie afb. 11). Op ongeveer 500 meter ten zuiden van het plangebied ligt het terrein ‘Polder Nieuw Bonaventura’ (AMK-nr. 16176, een terrein van hoge archeologische waarde), waar in 1950 een oude woongrond uit de Late Middeleeuwen A/B en laat-middeleeuws aardewerk werd gevonden. De vindplaats ligt ten westen van 's-

18 19

https://www.gemeentehw.nl/ https://archis.cultureelerfgoed.nl

20

Gravendeel aan de oude Maasbedding onder een dek van jonge gorsgrond, en dateert van na de St. Elizabethsvloeden die in de vroege 15e eeuw na Chr. plaatsvonden. Op ongeveer 900 meter ten zuidwesten van het plangebied ligt monumentnummer 16197 (een terrein van hoge archeologische waarde). Zaakidentificatienummers 2829909100 en 2829900100 vallen binnen dit terrein. In 1994 is hier een veldkartering uitgevoerd waarbij Belgisch aardewerk en crematieresten uit de Midden Romeinse Tijd en laat-middeleeuws aardewerk zijn aangetroffen. AMK-terrein ‘Middelste Kruisweg’ (AMK-nr. 10719, een terrein van hoge archeologische waarde; zaakidentificatienummer 2829893100) ligt op ongeveer 900 meter ten westen van het plangebied. Op dit terrein is Belgisch aardewerk en bouwmateriaal uit de Midden Romeinse Tijd gevonden. Onderzoeksmeldingen en waarnemingen Binnen het plangebied zijn geen onderzoeksmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan 22 onderzoeksmeldingen geregistreerd (zie tabel 1). De beschikbare relevante resultaten van de onderzoeken worden in deze paragraaf kort besproken. Er zijn geen vondstmeldingen bekend uit het plangebied. In de directe omgeving van het plangebied zijn acht vondstmeldingen gedaan (zie bijlage 2). Zaakwaarneming 2045803100 betreft een booronderzoek uitgevoerd in 2004 door Archeomedia waar verder geen informatie over bekend is.

Zaakwaarneming 2094030100 betreft een booronderzoek uitgevoerd in 2006 door Synthegra waar verder geen informatie over bekend is. Zaakwaarneming 2145636100 betreft een booronderzoek uitgevoerd in 2007 door RAAP.20 De publicatie van het onderzoek was online niet beschikbaar. Zaakwaarneming 2166575100 betreft een booronderzoek uitgevoerd in 2007 door Synthegra naar aanleiding van de vondst van houtskool op 2,5 m -mv.21 Tijdens het booronderzoek zijn in dezelfde kleipakket sporen baksteen waargenomen, maar gezien de ligging in een geul en grootte gaat het om verspoeld materiaal. Zaakwaarneming 2190397100 betreft een booronderzoek uitgevoerd in 2008 door Arcadis in verband met de ontwikkeling van het gebied Boshuizen.22 De rand van de stroomgordel die op de IKAW en op de CHS ten noorden van het gebied ligt, blijkt ook aanwezig in het noordoostelijke deel van het plangebied, circa 50 meter in het perceel. Het bodemprofiel is intact. In de rest van het plangebied zijn klei- en veenafzettingen van de komgronden aanwezig. In geen enkele boring zijn archeologische indicatoren aangetroffen. Zaakwaarneming 2239094100 betreft een bureauonderzoek uitgevoerd in 2009 door Arcadis in het kader van de dijkversterking Hoekse Waard waar verder geen informatie over bekend is.

Zaakwaarneming 2271559100 betreft een booronderzoek uitgevoerd in 2010 door SOB Research.23 Vastgesteld is dat er binnen het onderzoeksgebied archeologische sporen uit de Prehistorie tot en met de Nieuwe Tijd kunnen worden aangetroffen. Zaakwaarneming 2284098100 betreft een archeologische begeleiding uitgevoerd in 2010 door SOB Research.24 Op de flanken van de stroomrug is in de top Laat Middeleeuws materiaal aangetroffen, dat zeer waarschijnlijk behoord tot een erf dat gelegen is op dezelfde stroomrug. Daarnaast is wat verspoeld aardewerk aangetroffen in de bovenliggende Duinkerke IIIb zandafzettingen van de 15e-eeuwse overstromingen. Er zijn geen archeologische sporen aangetroffen. Zaakwaarneming 2311256100 betreft een bureauonderzoek uitgevoerd in 2010 door RAAP waar verder geen gegevens van bekend zijn. Zaakwaarneming 2361152100 betreft een bureauonderzoek uitgevoerd in 2012 door IDDS Archeologie waar verder geen gegevens van bekend zijn.

De Groot, 2007. Van der Zee, 2007. 22 Brokke, 2008. 23 Ras, 2011. 24 Benerink, 2010; Benerink, 2011. 20 21

21

Zaakwaarneming 2402868100 betreft een booronderzoek uitgevoerd in 2013 door Vestigia in het kader van dijkversterking Hoeksche Waard Noord.25 Het Hollandveen Laagpakket bleek in de top van de afzetting te zijn geërodeerd en niet meer intact te zijn. Zaakwaarneming 2442436100 betreft een booronderzoek uitgevoerd in 2014 door Vestigia ten behoeve van Dijkversterking Hoeksche Waard.26 Geadviseerd is om geen vervolg onderzoek te doen. Zaakwaarneming 2463764100 betreft een archeologische begeleiding uitgevoerd in 2014 door SOB Research in het kader van de vergunningverlening voor de sloop van een deel van de bestaande bebouwing en voor nieuwbouw.27 Bij het onderzoek werden kuilen, uitbraaksporen, een bezinkputje, een muur- of funderingsrestant en een bakstenen dorpel met restant van een plavuizenvloer aangetroffen. Deze sporen en vondsten wijzen op bebouwing en gebruik van het terrein in de Nieuwe Tijd vanaf circa 1600 tot heden. Zaakwaarneming 2478336100 betreft een booronderzoek uitgevoerd in 2015 door RAAP.28 Op basis van de resultaten van dit onderzoek wordt in het plangebied in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht.

Zaakwaarneming 3221478100 betreft een Actualisering Archeologische Monumentenkaart Zuid-Holland, door middel van een bureauonderzoek uitgevoerd in 2007 door Hazenberg Archeologie.29 Zaakwaarneming 3226687100 betreft een archeologische inspectie uitgevoerd in 2007. Na het uitgraven van een grote waterpartij werden er vanaf 80 cm onder het bestaande maaiveld, uit matig grof geel zand, fragmenten van laat-middeleeuws aardewerk aangetroffen bestaande uit Siegburgs en Rijnlands steengoed. Zaakwaarneming 4025540100 betreft een bureauonderzoek uitgevoerd in 2016 door Rubicon Erfgoed.30 Geadviseerd is om een verkennend booronderzoek uit te voeren om de archeologische verwachting te toetsen. Zaakwaarneming 4028108100 betreft een booronderzoek uitgevoerd in 2017 door SOB Research.31 Waarbij geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten zijn aangetroffen. Vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Zaakwaarneming 4031786100 betreft een booronderzoek uitgevoerd in 2017 door Bureau voor Archeologie.32 In het plangebied bevinden zich vier potentiële archeologische niveaus, nl. 1).

de top van de klastische afzettingen onder het Hollandveen Laagpakket (-6 m NAP), 2) de top van het Hollandveen Laagpakket (-3,25 m NAP), 3) de top het Laagpakket van Walcheren, van vóór de Sint-Elisabeth vloed (ondieper dan -3,25 m NAP) en 4) de top van de overstromingsafzettingen van na 1600 met resten gerelateerd aan een achtererf bij een woning in de historische kern van 's-Gravendeel uit de Nieuwe tijd (vanaf het maaiveld). Geadviseerd is om de civiel-technische werkzaamheden archeologisch te begeleiden om eventuele archeologische resten te documenteren voordat deze worden vergraven. Zaakwaarneming 4594648100 betreft een booronderzoek uitgevoerd in 2018 door Transect.33 Tijdens het booronderzoek is op een diepte vanaf 50 cm -mv een binnenstedelijk ophoogpakket aangetroffen met verschillende archeologische indicatoren hierin die dateren uit de Nieuwe tijd. Ook aan het maaiveld is aardewerk aangetroffen. Voor de overige perioden is de verwachting laag, vanwege respectievelijk het natte waddenmilieu waardoor bewoning niet mogelijk was en de erosie van het oudere, onderliggende veen. Omdat een archeologievriendelijke bouwmethode gebruikt zal worden, waarbij de vindplaats vrijwel ongeschonden in de bodem bewaard kan blijven, is vervolgonderzoek niet nodig. Zaakwaarneming 4768652100 betreft een booronderzoek uitgevoerd in 2020 door Transect.

Hier is nog geen rapport van beschikbaar. Zaakwaarneming 3006228100 betreft een vondstmelding bij niet archeologisch graafwerk uitgevoerd in 1998 waar verder geen gegevens van bekend zijn, behalve dat er veel vondsten zijn gedaan, waaronder glas, metaal,

Louwe & Munster, 2013. Louwe & Klerks, 2014. 27 Van Wilgen, 2015. 28 Warning, 2015. 29 Opgenomen in de (digitale) Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS). 30 Pape, 2017. 31 Ras, 2017. 32 De Boer, 2017. 33 Verhagen, 2018. 25 26

22

keramiek, bouwmaterialen en dierlijk bot. Het vondstmateriaal dateert uit de periode Late Middeleeuwen tot en met de Late Nieuwe Tijd.

2.4

Archeologie

Uit de beschrijving van de landschappelijke ontwikkeling is duidelijk geworden dat het onderzoeksgebied een complexe ontstaansgeschiedenis kent die samenhangt met het pleistocene rivierdal en de daaropvolgende ontwikkeling van de holocene Rijn-Maasdelta. Hierdoor is een gestapeld landschap van veen, getij- en rivierafzettingen ontstaan waarin archeologische resten op verschillende dieptes aanwezig kunnen zijn. Laat Paleolithicum, Mesolithicum en Neolithicum Gedurende en groot deel van deze periode bestaat het landschap uit een bebost zandlandschap, dat allengs onder invloed van de stijgende regionale grondwaterspiegel in een veenlandschap verandert. Het moment waarop dit gebeurd is dus afhankelijk van de diepteligging van het pleistocene oppervlak. In het plangebied ligt het pleistocene oppervlak op tenminste 9 m -mv en mogelijk nog dieper. Waar sprake is van rivierduinen, zoals bijvoorbeeld ten noorden van de huidige Waal en Lek ten oosten van Rotterdam en bij Raamsdonksveer, ligt de top van de pleistocene afzettingen, in dit geval rivierduinafzettingen, met eventuele prehistorische vindplaatsen dicht onder of zelfs aan het maaiveld. Er zijn geen aanwijzingen dat er in het plangebied sprake is van een rivierduin. Een van de weinige bekende neolithische vindplaatsen in de Hoekse Waard ligt overigens op (Holocene) oever(wal)afzettingen.

Waar dergelijke afzettingen van de juiste ouderdom zich in de ondergrond bevinden bestaat dus ook de kans dat daar vergelijkbare vindplaatsen aanwezig zijn. Bronstijd en IJzertijd Vindplaatsen uit de periode Bronstijd en IJzertijd zijn algemener dan die uit het Neolithicum, en bevinden zich voor zover bekend op de oever- en oeverwalafzettingen van stroomgordels. Dit geldt zeker ook voor de stroomgordel die zich omstreeks 700 voor Chr. direct aangrenzend aan het plangebied vormde. Ook op de top van het veenpakket zijn (afgedekte) vindplaatsen uit de IJzertijd aangetroffen. Romeinse tijd Waar de vindplaatsen uit de voorgaande periodes nog schaars of zelfs afwezig zijn, zijn er meerdere vindplaatsen uit de Romeinse tijd. Op grond van de uit het onderzoeksgebied bekende gegevens lijken deze vooral op de grotere inversieruggen liggen. Hoewel er nog geen gravend onderzoek naar dergelijke vindplaatsen heeft plaatsgehad, kan op grond van de aanwezigheid van geïmporteerd Belgisch aardewerk wel gesteld worden dat het waarschijnlijk om boerderijen of erven met een zekere status ging. Elders in de Hoekse Waard vond er eveneens bewoning plaats langs de oevers van de Binnendijkse Maas. De vindplaatsen worden gekenmerkt door een minimale hoeveelheid inheems materiaal; vrijwel alle materiaal bestaat uit import-aardewerk.

Vroege Middeleeuwen De bewoning tijdens de Vroege Middeleeuwen lijkt zich voornamelijk te concentreren op de oevers van de Binnendijkse Maas. Daarbuiten, waar ook onderhavig plangebied zich bevindt, lijkt nauwelijks sprake te zijn van bewoning. Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd Menselijke ingrepen in het landschap, zoals bedijkingen, maakten het mogelijk dat het gebied in de Late Middeleeuwen weer dichter bevolkt raakte. Dit geldt, gezien de vondsten uit deze periode uit de omgeving, ook voor het plangebied. Ten dele hebben deze vondsten te maken met de historische kern van ’s-Gravendeel, maar ook uit het buitengebied zijn vondsten bekend. Ook hier lijkt, net als in de voorgaande periodes, de bewoning zich op de stroomruggen te concentreren. Het overstromingsdek dat tijdens de St. Elizabeths-vloeden in de vroege 15e eeuw afgezet is dekt eventuele Laat Middeleeuwse vindplaatsen af. Uit de (Late) Nieuwe tijd is geen bebouwing bekend binnen het plangebied.

23

Afb. 12. Het plangebied op uitsnedes van historische topografische kaarten. Let op dat de gedigitaliseerde kaart van 1829-1835 niet correct gegeorefereerd is, en ruim 400 m te noordelijk ligt (bron: http://zoeken.cultureelerfgoed.nl; https://www.topotijdreis.nl).

2.5

Historische waarden / bouwhistorisch onderzoek

Op de kadastrale minuut en op historische topografische kaarten is goed te zien dat het landschap waarin het plangebied zich bevindt niet of nauwelijks veranderd is, en altijd als weiland, boomgaard of akkerland gebruikt is.34 De verstoring van eventuele archeologische resten zal daarbij beperkt zijn gebleven tot de moderne bouwvoor; alleen het planten en weer verwijderen van bomen uit de boomgaard in de noordwesthoek van het plangebied kan de bodem dieper dan de moderne bouwvoor verstoord zijn. De grootste veranderingen in het landschap, zoals de aanpassing van wegen en de uitbreiding van ’s-Gravendeel, zijn van relatief recente datum. Afgaande op de historische topografische kaarten is er binnen het plangebied geen sprake geweest van bebouwing, en bouwhistorisch onderzoek is dus niet aan de orde.

2.6

Bekende verstoringen

Binnen het plangebied zijn geen saneringen of ondergrondse olietanks, benzinepompinstallaties en dergelijke bekend waardoor archeologische resten mogelijk verloren zijn gegaan. Op de bodemkaart staan geen verstoringen aangegeven. Op de geraadpleegde historische kaarten is te zien dat de verkaveling binnen het plangebied nauwelijks is veranderd; daarbuiten lijkt er wel sprake te zijn van gedempte sloten. Of er in het plangebied drainage is aangelegd, en zo ja hoeveel, is niet bekend.

2.7

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

Op basis van het bureauonderzoek is de gespecificeerde archeologische verwachting in zes periodes ingedeeld, die ieder een eigen verwachting en archeologisch relevant niveau hebben. Deze worden in de volgende paragrafen toegelicht. Samenvattend geldt er conform de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart een hoge archeologische verwachting voor de al dan niet begraven stroomruggen in het plangebied. Voor de lager liggende delen geldt een middelhoge verwachting. 34

https://hisgis.nl; https://topotijdreis.nl

24

Laat Paleolithicum en Mesolithicum De archeologische verwachting voor resten uit de periode Laat Paleolithicum-Mesolithicum is onbekend. Het archeologisch relevante niveau voor deze periode, de top van de pleistocene afzettingen en het basisveen, liggen dermate diep dat waarnemingen vrijwel onmogelijk zijn. Waar sprake is van rivierduinen, zoals bijvoorbeeld ten noorden van de huidige Waal en Lek ten oosten van Rotterdam en bij Raamsdonksveer, ligt het archeologisch relevante niveau (in dit geval de top van de rivierduinafzettingen) dicht onder of zelfs aan het maaiveld. Er zijn geen aanwijzingen dat dit ook hier het geval is. Eventuele vindplaatsen uit deze periode zullen bestaan uit de resten van kleine (ca. 10-20 m2) tijdelijke kampjes, verspreide (haard)kuilen, vuursteen, houtskool, en in gunstige omstandigheden onverbrand organisch materiaal (bot, gewei, hout, visresten e.d.). Neolithicum De archeologische verwachting voor deze periode is onbekend. Vindplaatsen uit deze periode worden op de oevers- en oeverwallen van riviergeulen, of op stroomruggen verwacht. Het bureauonderzoek heeft geen aanwijzingen voor dergelijke landschapselementen binnen het plan- of onderzoeksgebied opgeleverd, maar ze kunnen ook niet geheel uitgesloten worden. Indien ze wel aanwezig zijn, dan is het de verwachting dat ze met een aanzienlijk pakket veen en klei zijn afgedekt.

Vindplaatsen uit het Neolithicum kunnen zowel uit sporen van een sedentaire leefwijze (huisplattegronden, eventueel sporen van landbewerking) als uit jacht- en extractiekampjes bestaan. Daarbij kunnen vuursteenartefacten, aardewerk, houtskool, resten van voedselbereiding en in uitzonderlijke gevallen begravingen worden aangetroffen. De omvang van de vindplaats hangt uiteraard af van het type, en zal tussen zeer klein en enkele tientallen tot honderden meters liggen. Bronstijd en IJzertijd Vindplaatsen uit de periode Bronstijd en IJzertijd zijn algemener dan die uit het Neolithicum, en zullen zich overwegend op de oever- en oeverwalafzettingen van stroomgordels bevinden. Ook op de top van het veenpakket zijn vindplaatsen uit de IJzertijd aangetroffen. De archeologische verwachting voor deze periode is daarom middelhoog. Eventuele vindplaatsen bestaan, net als in de voorgaande periode, uit sporen en resten van kleine nederzettingen en kampjes, en het vondstenspectrum zal grotendeels hetzelfde zijn met de kanttekening dat ook metalen objecten aangetroffen kunnen worden. Romeinse tijd De archeologische verwachting voor de Romeinse tijd is hoog. Op grond van de uit het onderzoeksgebied bekende gegevens lijken vindplaatsen vooral op inversieruggen liggen. Afhankelijk van de ouderdom van de inversieruggen en -ruggetjes in en rondom het plangebied zal dat ook hier het geval zijn.

De sporen en resten worden dan onder het jongere overstromingsdek verwacht, en waar dit geheel of deels in de moderne bouwvoor is opgenomen, in de bouwvoor of aan maaiveld. De verwachte resten bestaan uit een bewoningslaag (‘oude woongrond)’ of betredingshorizont, ingravingen, sloten, greppels of andere verkavelingssporen, aardewerk (inclusief importaardewerk), metaal, bouwmateriaal en andere vondstcategorieën die met bewoning en landgebruik te maken hebben. Omdat er nog geen gravend onderzoek plaatsgevonden heeft waarbij vindplaatsen uit deze periode zijn gedocumenteerd blijft de aard en omvang van de mogelijke vindplaatsen onduidelijk, maar waarschijnlijk gaat het daarbij om losse erven. Vroege Middeleeuwen De archeologische verwachting voor de periode Vroege Middeleeuwen is middelhoog. Onderzoek in de omgeving van het plangebied heeft weliswaar geen informatie over deze periode opgeleverd, maar op grond van de landschappelijke ontwikkeling zijn vindplaatsen niet uit te sluiten. Deze zullen zich dan, net als vindplaatsen uit de Romeinse tijd en Late Middeleeuwen, hoogstwaarschijnlijk op de oevers en oeverwallen van de actieve geulen of op inversieruggen bevinden. Er is onvoldoende informatie voorhanden om uitspraken over aard en omvang van dergelijke vindplaatsen te kunnen doen. Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd De archeologische verwachting voor deze periode is middelhoog.

Uit de periode Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd zijn in de omgeving van het plangebied meerdere vindplaatsen bekend. Ten dele hangen deze samen met de historische kern van ’s-Gravendeel, maar gravend onderzoek heeft ook uitgewezen dat zich erven uit de Late Middeleeuwen op de stroomrug hebben bevonden.35 Het archeologisch relevante niveau voor deze periode is dan ook de top van de afzettingen die de stroomrug vormen. Op de flanken ervan kunnen sporen van landbewerking aangetroffen worden. Sporen en resten van voor ca. 1425 zullen door een overstromingsdek dat 35

Benerink, 2010; Benerink, 2011.

25

samenhangt met de St. Elizabethsvloed afgedekt zijn; waar dit overstromingsdek ontbreekt of in de moderne bouwvoor is opgenomen zullen vindplaats aan of direct aan maaiveld liggen. Dit geldt ook voor jongere vindplaatsen. Vindplaatsen zijn naar verwachting enkele tientallen meters groot, en kunnen aardewerk, bouwmateriaal, en artefacten van steen en metaal bevatten, en waar de conserveringsomstandigheden gunstig zijn kan organisch materiaal behouden zijn gebleven. De middelhoge verwachting is gebaseerd op enerzijds de relatief geringe afmetingen van de stroomruggetjes in het plangebied waarvan niet zeker is of ze groot genoeg zijn voor een erf, en anderzijds het ontbreken van bewoning uit de (Late) Nieuwe tijd.

2.8

Advies

De archeologische verwachting dient te worden getoetst door middel van het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek (verkennende fase). Hierbij worden 6 boringen per hectare gezet. Dit booronderzoek is, naast het vaststellen van eventuele grootschalige bodemverstoringen, gericht op het al dan niet aanwezig zijn van de archeologisch relevante niveaus voor de periodes IJzertijd – Nieuwe tijd. Het archeologisch relevante niveau voor de periode Bronstijd en IJzertijd bestaat uit de top van de afzettingen waaruit al dan niet begraven stroomruggen bestaan. Ook op het contact tussen veen en het daarboven liggende klastische pakket kunnen vindplaatsen voorkomen. De diepteligging van dit niveau varieert, maar ligt naar schatting op enkele meters -mv. Het archeologisch relevante niveau voor de Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen is de top van de grote stroomrug die ten zuiden van het plangebied loopt, en van de kleinere aftakkingen daarvan die zich binnen het plangebied bevinden. Dit niveau ligt ondiep, plaatselijk waarschijnlijk direct onder de bouwvoor , of is daar al deels in opgenomen. Het archeologisch relevante niveau voor de periode Nieuwe tijd is de top van het jongste overstromingsdek. Vindplaatsen en vondsten uit deze periode kunnen zich aan maaiveld en in de moderne bouwvoor bevinden.

Het archeologisch relevante niveau voor de periode Laat Paleolithicum – Neolithicum ligt dieper dan 9 m -mv en mogelijk nog dieper, en blijft derhalve buiten beschouwing. Wanneer er onverhoopt toch sprake is van een zandopduiking of rivierduin waarvan de top binnen de vermoede verstoringsdiepte valt, zal met de opdrachtgever en de bevoegde overheid (de gemeente Hoeksche Waard) overlegd worden over de beste onderzoeksmethode. Omdat de verstoringsdiepte nog onbekend is zullen de boringen tot een diepte van tenminste ca. 3 m -mv gezet worden.

26

3 Resultaten veldonderzoek 3.1

Beschrijving onderzoeksmethode

Conform het in § 2.8 geformuleerde advies en het voor dit onderzoek opgestelde PvA is een verkennend booronderzoek uitgevoerd in het plangebied, waarbij 6 boringen per hectare zijn gezet. In totaal zijn 43 boringen regelmatig verspreid over het plangebied gezet (zie afb. 13). De definitieve posities van de boringen zijn in het veld bepaald waarbij rekening is gehouden met de volgende factoren: 

de situatie ter plekke en de geplande ingrepen;

boringen zijn zo gezet dat de delen met een hoge archeologische verwachting (stroomruggen en oeverwallen) voldoende onderzocht zijn;

ook in delen met een andere archeologische verwachting zijn boringen gezet zodat een representatief beeld ontstaat van de laagopeenvolging in het plangebied;

er is ook op gelet dat er in het diepste deel van aan maaiveld zichtbare geulen en depressies een boring gezet werd;

de posities van de boringen die tot 4 m -mv (1 op de 6 boringen) werden gezet zijn in het veld bepaald waarbij er op gelet is dat ook hier een representatief beeld van het plangebied ontstaat.

Alle boringen zijn gezet met een edelmanboor (7 cm Ø) en een guts (3 cm Ø). Boringen 1, 11, 27, 28, en 38 zijn tot 4 m beneden maaiveld gezet, en de overige boringen tot 3 m beneden maaiveld. De posities van de boringen zijn ingemeten met behulp van een GPS (nauwkeurigheid 1 cm). Het opgeboorde materiaal is met de hand onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals vuursteen, baksteenpuin, houtskool en aardewerk. De boringen zijn beschreven conform de NEN 5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB 5.2).36 De boringen zijn digitaal beschreven (zie bijlage 3).

36

Bosch, 2008.

27

Afb. 13. Resultaten van het booronderzoek.

3.2

Beschrijving onderzoeksresultaten

Op basis van de karterende boringen zijn de volgende lagen en pakketten onderscheiden en van boven naar beneden beschreven. Jonge zeeklei/overstromingsdek Direct aan het maaiveld ligt een pakket van sterk siltige tot matig zandige klei. Dit pakket is zwak tot matig humeus en bevat enkele schelpfragmenten. De dikte van het pakket varieert tussen 40 cm en 120 cm. In elf boringen zijn in dit pakket afgeronde rode baksteenpuinspikkels gezien. In boring 20 is tevens een afgerond fragment roodbakkend aardewerk aangetroffen. Het pakket is geïnterpreteerd als jonge zeeklei dat hier als gevolg van overstromingen na de bedijkingen vanaf de Late Middeleeuwen (vanaf omstreeks 1100 na Chr.) is afgezet. De afzettingen worden gerekend tot het Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren. De afgeronde archeologische indicatoren wijzen op verspoeling en zijn zeer waarschijnlijk meegevoerd bij de overstroming. Het pakket heeft een scherpe begrenzing naar de onderliggende lagen. De bovenste ca. 45 cm van deze afzettingen is in de bouwvoor opgenomen. Getijdenafzettingen Onder de zeeklei is een gelaagd pakket van hoofdzakelijk zeer fijn, sterk siltig grijs zand met dunne kleilaagjes en schelpresten aanwezig. Sporadisch komen ook dunne humus- en veenlaagjes voor. In de basis van het pakket is het zand iets groffer (matig fijn) en zijn er meer plantenresten zichtbaar.

Het pakket is geïnterpreteerd als getijdeafzettingen (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren). De dikte van deze afzettingen is nogal variabel. Ter hoogte van de getij-inversieruggen die op het AHN te zien zijn is dit pakket opvallenderwijs het dunst (ca. 48 – 102 cm, tegenover ca. 115 – 260 cm in de rest van het plangebied). In boringen 24, 31, 32 en 37 is de basis van dit

28

pakket niet aangeboord. Hier zijn deze afzettingen aangetroffen tot aan het einde van de boringen op 3 m beneden maaiveld (4,19 - 4,27 m -NAP). Humeuze kleilaag In vrijwel alle boringen ligt direct onder de zandige getijdenafzettingen een ca. 10 cm dikke, zwak tot matig humeuze, matig siltige kleilaag met humusvlekken. In het laagje zijn humusvlekken aanwezig. De oorsprong van de laag is niet met zekerheid te duiden. Wellicht houdt de afzetting ervan verband met het ontstaan van een geul direct ten zuiden van het plangebied tussen 1500 en 500 voor Chr. Door overstromingen vanuit de geul (door toenemende invloed van de zee) is plaatselijk klei op het veen afgezet. Het kleilaagje ligt met een scherpe begrenzing op het onderliggende veen. Veen De diepteligging van de top van het veen verschilt sterk binnen het plangebied. De top ligt aanzienlijk hoger binnen de zones die op het AHN als getij-inversieruggen zichtbaar zijn (boringen 6, 11, 12, 13, 21, 28, 29 en 43). De top van het veen ligt in deze boringen op 1,97 – 2,45 m -NAP. Buiten deze zones ligt de top tussen 3,06 en 4,27 m -NAP. Dit is opmerkelijk aangezien er naar verwachting bij een getij-inversierug juist sprake zou moeten zijn van een dikker getijdezandpakket dat dieper insnijdt in het veen. Het getijdepakket is zoals eerder besproken juist relatief dun binnen deze boringen.

Blijkbaar zorgt een inversierug op een dieper niveau voor het aan het maaiveld zichtbare reliëf. De variatie in dikte in het bovenste getijdenpakket toont daarnaast aan dat deze oudere inversierug op het moment van afzetting ook al als een rug in het landschap aanwezig was. In alle boringen is het veen zwak amorf en zijn duidelijk herkenbare houtresten gezien. Het is geïnterpreteerd als bosveen, behorende tot de Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen Laagpakket. In geen van de boringen is sprake van veraard veen, de top van het veen is vermoedelijk geërodeerd door latere inbraken van de zee. Oudere mariene afzettingen In boring 11, een boring op de getij-inversierug die tot 4 m beneden maaiveld is gezet, is onder het veen nog een kleilaag op een zandlaag gezien. In de matige siltige klei zijn plant- en schelpresten aanwezig. De klei ligt met een scherpe overgang op matig siltig, matig grof zand met schelpresten. Naar alle waarschijnlijkheid gaat het hier om wad- en kwelder- of komafzettingen uit een eerdere fase met mariene invloed, en deze worden daarom tot de Formatie van Naaldwijk gerekend.

29

4 Conclusie Het plangebied kent een complexe ontstaansgeschiedenis die samenhangt met het pleistocene rivierdal en de daaropvolgende ontwikkeling van de holocene Rijn-Maasdelta. Hierdoor is een gestapeld landschap van veen, getij- en rivierafzettingen ontstaan waarin archeologische resten op verschillende dieptes aanwezig kunnen zijn. Op basis van het bureauonderzoek is per archeologische periode een verwachting opgesteld, die middels een verkennend booronderzoek getoetst is. Laat Paleolithicum en Mesolithicum Het archeologisch relevante niveau voor deze periode, de top van de pleistocene afzettingen en het basisveen, ligt dermate diep dat waarnemingen vrijwel onmogelijk zijn. Ook zijn er geen rivierduinen aangetroffen tijdens het veldonderzoek. De voorgenomen plannen vormen geen bedreiging voor eventuele resten uit deze periodes. Neolithicum Vindplaatsen uit deze periode worden op de oevers- en oeverwallen van riviergeulen, of op stroomruggen verwacht. Tijdens het booronderzoek zijn geen aanwijzingen voor dergelijke landschapselementen in de boringen aangetroffen. De stroomrug ligt dus dermate diep dat de voorgenomen plannen geen bedreiging vormen voor eventuele resten uit deze periodes. Bronstijd en IJzertijd Vindplaatsen uit de periode Bronstijd en IJzertijd zullen zich overwegend op de oever- en oeverwalafzettingen van stroomgordels bevinden.

Ook op de top van het veenpakket zijn in de omgeving van het plangebied vindplaatsen uit de IJzertijd aangetroffen. Oeverafzettingen zijn tijdens het veldonderzoek niet gezien. In het aangetroffen veenpakket zijn geen aanwijzingen gezien voor de aanwezigheid van een vindplaats. Het veen lijkt te zijn afgetopt door latere inbraken vanuit zee. Resten uit de perioden Bronstijd en IJzertijd worden daarom niet meer verwacht. Romeinse Tijd Op grond van de uit het onderzoeksgebied bekende gegevens liggen vindplaatsen uit de Romeinse tijd vooral op inversieruggen. Tijdens het veldonderzoek zijn twee inversieruggen aangeboord. De zuidelijk gelegen inversierug is intensief onderzocht, waarbij de boringen zowel op de hoogste delen van de rug als op de flanken zijn gezet. De dikte van het getijdenpakket en diepteligging van de top van het veen tonen aan dat de inversieruggen in het plangebied nog voor de groei van het veen al als een rug aan het maaiveld aanwezig waren. Van de noordelijke inversierug lag slechts een zeer klein deel binnen de begrenzing van het veldonderzoek. Hier is één boring gezet die aantoont dat ook deze rug ouder is dan het veenpakket. Wanneer in het noordelijke deel van het plangebied een booronderzoek wordt uitgevoerd zal deze inversierug verder moeten worden onderzocht.

Gezien de datering van de inversieruggen die op het AHN zichtbaar zijn, zijn deze niet relevant voor de periode Romeinse tijd. In de getijdeafzettingen op het veen zijn geen jongere inversieruggen gezien waardoor er geen archeologische resten uit de Romeinse Tijd worden verwacht in het plangebied. Vroege Middeleeuwen Resten uit de Vroege Middeleeuwen worden op oevers en oeverwallen van de actieve geulen of op inversieruggen bevinden. Er is geen sprake van oeverafzettingen binnen het plangebied. De inversieruggen zijn ouder dan het voor de Vroege Middeleeuwen relevante niveau. In de getijdeafzettingen zijn geen inversieruggen gezien. De archeologische verwachting voor deze periode kan worden bijgesteld naar laag. Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd Het archeologisch relevante niveau voor deze periode is de top van de afzettingen die de stroomrug vormen. Sporen en resten van voor ca. 1425 zullen door een overstromingsdek dat samenhangt met de St. Elizabethsvloed afgedekt zijn. Het overstromingsdek is direct vanaf het maaiveld aanwezig. Hierin is een afgerond fragment aardewerk gezien, vermoedelijk verspoeld bij de overstroming. Ook zijn enkele rode baksteenpuinspikkels aanwezig. Er zijn geen aanwijzingen gezien voor de aanwezigheid van een vindplaats uit de periode Late Middeleeuwen of Nieuwe tijd. Ook voor deze perioden wordt de archeologische verwachting bijgesteld naar laag.

30

4.1

Beantwoording onderzoeksvragen

Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? De laagopeenvolging binnen het plangebied bestaat uit een jong overstromingsdek op getijdenafzettingen op veen. Binnen het plangebied zijn twee getij-inversieruggen aanwezig, deze zijn ouder dan het veenpakket en niet aangeboord tijdens het veldonderzoek. Er zijn geen grote recente verstoringen bekend in het plangebied. Zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten? Tijdens het veldonderzoek zijn geen aanwijzingen gezien voor de aanwezigheid van archeologische resten. Welke consequenties zal de uitvoering van het plan hebben op (eventueel) aanwezige archeologische resten? Op basis van het bureauonderzoek is geconcludeerd dat in het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt voor oeverafzettingen, de top van het veen en getij-inversieruggen. Tijdens het veldonderzoek zijn geen oeverafzettingen gezien. De onderzochte getij-inversierug blijkt ouder te zijn dan het veen en dieper te liggen dan de gezette boringen. Het veen lijkt te zijn afgetopt door latere inbraken vanuit zee. In het veen zijn geen aanwijzingen gezien voor de aanwezigheid van een vindplaats. Naar verwachting zullen de voorgenomen bouwplannen geen bedreiging vormen voor archeologische resten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13431883/1