bijlage oplegger 271021Technische vragen BurgerBelangen
Tekst van het document
Technische vragen (verhelderende vragen)
Aan de portefeuillehouder: Datum: 27 oktober 2021 Onderwerp: Bestemmingsplan Hofstraat Westmaas De portefeuillehouder wordt verzocht de volgende technische vragen te beantwoorden: Vanaf de toekomstige publiek toegankelijke plek blijkt na plaatsing van een haag slechts (miniem) uitzicht op de sloot over en totaal geen uitzicht meer op de Binnenbedijkte Maas. De stedenbouwkundige studie Wissing stelt op blz. 15 dat ‘Deze locatie nog één van de weinige is aan de Binnenbedijkte Maas die toegankelijk is voor het publiek. Daarom is het uitgangspunt voor de nieuwe ontwikkeling dan ook publiek toegankelijke kop van het schiereiland (volgens het besluit van het college)’. 1. Naar welk besluit van het college wordt verwezen? Antwoord: Dit verwijst naar de ambitie in de Omgevingsvisie om de oever van de Binnenmaas openbaar toegankelijk te maken. In de Toelichting Bestemmingsplan Hofstraat Westmaas laat figuur 2.2 op blz. 8 zien dat niet de openbaar toegankelijke plek maar wel een woonkavel op de kop van het schiereiland is gepland. 2. Wanneer en om welke reden is van bovengenoemd collegebesluit afgeweken en in welk collegebesluit is dit terug te vinden c.q. veranderd? Antwoord: Deze ambitie krijgt invulling door het realiseren van een openbaar toegankelijke ruimte ten noordoosten van het plangebied.
In de Visie Vrijetijdseconomie (vast te stellen door de raad op 16 november 2021) staan voorbeelden van passende ontwikkelingen vermeld in Hoofdstuk 5.2 ‘Binnenbedijkte Maas’ op blz. 40. 3. Onder andere de voorbeelden om de toegankelijkheid van de oevers en aanlegplaatsen/andere voorzieningen voor waterrecreatie te verbeteren zien wij in dit bestemmingsplan niet terug, maar juist verdwijnen. Hoe verklaart het college deze tegenstrijdigheden in het bestemmingsplan ten opzichte van de Visie Vrijetijdseconomie? Antwoord: Het realiseren van een openbaar toegankelijke ruimte aan de Binnenmaas draagt bij aan een versterking van de beleefbaarheid van de oever van de Binnenmaas. De oever van de Format I – Technische vragen
Binnenmaas is nu niet openbaar toegankelijk vanaf het land. De gronden zijn niet in eigendom van de gemeente. Voor het realiseren van de ambitie zijn wij daarom afhankelijk van particulier initiatief. In de Nota beantwoording zienswijzen wordt gesproken op blz. 11 dat bij ruimtelijke initiatieven een belangenafweging plaatsvindt waarbij het college voor- en nadelen van een ontwikkeling op een rij zetten en beoordelen. 4. In hoeverre zijn de belangen van burgers hierin meegenomen? Antwoord: Bij een planontwikkeling moeten wij een afweging en keuzes maken. Om deze afweging zorgvuldig te kunnen maken hechten wij aan de inbreng van de omgeving c.q. indiener van een zienswijze. In de te maken afweging wordt gekeken in hoeverre we aan een bezwaar tegemoet kunnen komen. Bij een ontwikkeling is dit echter slechts één van de aspecten die wij wegen. Ook kijken we naar de economisch haalbaarheid van de herontwikkeling. Daarnaast toetsen we of aan de beleidsuitgangspunten van de gemeente invulling wordt gegeven. De inbreng van omwonenden/indieners van zienswijzen is daarom een onderdeel van een integrale afweging. De heer de Jong zal in 2024 ook stoppen met de verhuur van de ligplaatsen aan de Binnenbedijkte Maas, waardoor de vraag nóg groter wordt dan het aanbod.
Voor burgers die niet over een huis aan het water beschikken verdwijnt dan in zijn geheel de mogelijkheid een ligplaats te huren. 5. In hoeverre heeft het college dit wel of niet zien aankomen en op welke manier strookt dit met de Visie Vrijetijdseconomie? Antwoord: Deze ontwikkeling is ons niet bekend. Voor het realiseren van de ambitie zijn wij afhankelijk van particulier initiatief. De projectontwikkelaar heeft voor het eerst in maart 2021 bewoners laten benaderen voor een bespreking. 6. Is het college op de hoogte hiervan, is zij ook over de inhoud van deze besprekingen ingelicht? ? Antwoord: Dit betreft contacten tussen ontwikkelaar en omwonenden. Als gemeente zijn wij niet op de hoogte van eventueel gedane voorstellen/gemaakte afspraken tijdens deze 1 op 1 contacten. 7. Zo ja, wat is de reactie van het college hierop en zo nee wil het college deze gang van zaken navragen bij betreffende bewoners en alsnog een reactie geven Antwoord: Wij hebben in het algemeen richting ontwikkelaar aandacht gevraagd voor de wijze van benadering van de omgeving. De presentatie van mevrouw Klein betreft het (ontwerp) bestemmingsplan. 8. Klopt het wat tijdens deze presentatie werd aangegeven, zo ja hoe is het college voornemens hierop te anticiperen en zo nee graag een toelichting hierop met uitleg waarom niet. Format I – Technische vragen
Antwoord: Wij komen tot de conclusie dat de jurisprudentie die de advocaat aanhaalt niet van toepassing is op de planontwikkeling aan de Hofstraat. Er is bij de woningbouwontwikkeling aan de Hofstraat volgens jurisprudentie geen plicht om de laddertoets uit te voeren omdat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Besluit ruimelijke ordening (Bro). Het betreft een namelijk een woningbouwontwikkeling kleiner dan 12 woningen. Zie toelichting hieronder. Toelichting Indiener stelt dat de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied plaatsvindt en dat niet is getoetst aan artikel 1.1.1 lid 1 onder h van het Besluit ruimtelijke ordening. Indiener is van mening dat het gedeelte van het schiereiland ter plaatse van de voormalige camping – wat een recreatieve functie is – niet lijkt dat vallen onder de begripsbepaling bestaand stedelijk gebied en een aanvullende motivering moet bevatten om te voldoen aan de ladder duurzame verstedelijking. Indiener concludeert daarom dat de ontwikkeling in strijd is met de instructieregels van de provinciale verordening. De provinciale verordening geeft in artikel 6.10 bepalingen voor stedelijke ontwikkelingen. Daarin staat dat : 1.
een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt moet voldoen aan de eis dat de toelichting van het bestemmingsplan ingaat op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening. 2. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 ha nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II van de verordening en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X. Dit betreft de zogenaamde 3 ha kaart. (de ontwikkeling ligt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de provincie. Daarnaast is de locatie 7075 m2 groot. Het bepaalde onder 2 is dus niet van toepassing). Voor het bepaalde onder 1 verwijst de provincie naar artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening.
Daarin staat dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit is de zogenaamde ladder duurzame verstedelijking. Uit jurisprudentie volgt dat bij bouwplannen kleiner dan 12 woningen er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de ladder artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening. Hier betreft het de bouw van 5 woningen, waardoor er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de ladder. Nu de provinciale verordening heel duidelijk de verbinding legt met artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening, volgt hieruit dat voldaan wordt aan zowel het Besluit ruimtelijke ordening als aan de provinciale verordening. Op basis van de bovenstaande conclusie komen we niet toe aan de jurisprudentie die betrokkene aanhaalt. De beoordeling of er sprake is van bestaand stedelijk gebied hoeven we niet te maken omdat er geen plicht is om de ladder toets uit te voeren omdat er geen sprake is van een nieuwe Format I – Technische vragen
stedelijke ontwikkeling. Pas bij het ter inzage leggen van het plan was er voor het eerst sprake van de bouwhoogte van 11m. Tijdens de informatiebijeenkomst op 11 april 2021 werd deze 11m aangeduid als een weeffout omdat de woning is ontworpen op 7,5m. 9. Klopt deze constatering, zo ja waarom wordt in de Nota van beantwoording zienswijzen vermeld dat er een verlaging naar 7,5m werd aangehouden om dat onderdeel van de zienswijzen gegrond te verklaren? Zo nee, wanneer werd al eerder de bouwhoogte van 11m gemeld? Antwoord: Op basis van de stedenbouwkundige studie was het opnemen van een maximale bouwhoogte van 11 meter voor de woning op kavel E niet noodzakelijk. Om die reden wordt de bouwhoogte voor deze woning aangepast naar 7,5 meter. Toelichting: Naar aanleiding van de teksten van vele insprekers tijdens de beeldvormende vergadering Fysiek Domein, Bestuur& Middelen stelt de fractie BurgerBelangen technische vragen. Naam: Mireille Louwerens-Huys
Format I – Technische vragen
Fractie: BurgerBelangen