Bijlage mail Nationaal landschap
Tekst van het document
De bijzondere bodemfauna, trekvissen en zeezoogdieren laten in de Zuidwestelijke Delta het bijzondere mariene karakter van het gebied zien. De droogvallende platen zijn van uitzonderlijke betekenis voor kustvogels en steltlopers, niet alleen tijdens de trektijd maar ook gedurende de broedperiode. Door de Deltawerken is een nieuw landschap van afgesloten zeearmen ontstaan. Weliswaar zijn hierdoor grote natuurwaarden verloren gegaan, maar er zijn ook belangrijke nieuwe waarden
38
ontstaan, waaronder grote oppervlakten met begroeiingen van kalkrijke duinvalleien. In de afgesloten zeearmen zijn nieuwe kwelders tot ontwikkeling gekomen, die onder andere huisvesting bieden aan grote aantallen eenden, ganzen en moerasvogels. Aan de randen van deze wateren vormen zich hier bossen met de Boswilg als een belangrijke boomsoort. Belangrijk hier is de inzet van grote grazers, die blijvend voor een zekere openheid zorgen. De Brabantse Wal vormt het westelijke uiteinde van het zandgebied van Zuid-Nederland. De Schelde heeft hier gezorgd voor erosie, die heeft geleid tot een scherpe overgang, met op de Brabantse Wal en de aangrenzende Belgische Kalmthoutse Heide onder andere (droge en natte) heiden, zandverstuivingen en verschillende typen vennen. Landschapswaarden van internationale betekenis De Deltawerken hebben in het gebied gezorgd voor een variatie in de getijden waardoor een internationaal gezien bijzonder landschap is ontstaan met grote overgangen. In de Westerschelde hebben eb en vloed nog vrij spel, in de Oosterschelde zorgt de Stormvloedkering voor afzwakking van het getij, terwijl in de afgesloten zeearmen de getijdenwerking tot nul is gereduceerd. De meeste wateren zijn verzoet, alleen de Grevelingen wordt kunstmatig zout gehouden.
In Europa is op deze schaal geen evenknie te vinden, alleen de Delta van de Somme doet nog enigszins aan onze Zuidwestelijke Delta denken. Te vergelijken grote delta’s in Europa, zoals de Zuid-Franse Rhônedelta (Camargue) en de Donaudelta in Roemenië liggen in andere klimaatgebieden en kennen bovendien aanzienlijk kleinere getijverschillen. In de Zuidwestelijke Delta loopt het getij op tot gemiddeld vier à vijf meter in het Verdronken Land van Saeftinghe. Ondanks de grootschalige constructie van dammen en keringen is op landschapsschaal op veel plaatsen nog steeds sprake van goede ecologische verbindingen en van sterke zoet-zout overgangen en is net als in het Waddengebied de verscheidenheid aan soorten en levensgemeenschappen op grote schaal toch behouden gebleven. De voortdurende, maar in omvang wisselende, toestroom van zoet water vanuit de rivieren (Rijn, Maas en Schelde) en de kracht van de Noordzee (met onvoorspelbare stormen) zorgen voor een dynamiek die we op deze schaal nergens anders in ons land kunnen ervaren. Cultuurhistorische waarden van internationale betekenis Net als bij de natuurwaarden moeten we voor de cultuurhistorische waarden onderscheid maken tussen waarden die al eeuwenlang bestaan en waarden die het gevolg zijn van de Deltawerken.
Het gaat hierbij dus om ‘oude’ waarden, zoals de griendcultuur 36 en het eeuwenoude landbouwgebruik van de vroongronden 37 en om ‘nieuwe’ cultuurhistorische waarden als de Deltawerken. Het belangrijkste kunstwerk van de Deltawerken is de Stormvloedkering in de Oosterschelde, waarvan de aanleg en de werking op het voormalige werkeiland Neeltje Jans kan worden bekeken. Het oude polderland, zoals in de Hoekse Waard en het westen van Zeeuws-Vlaanderen, wordt gekenmerkt door middeleeuwse kernen, omringd door jongere inpolderingen. De rijke historie van de Zuidwestelijke Delta toont een voortdurende strijd tegen het water met verwoede pogingen land te winnen door de aanleg van dijken, een strijd die teruggaat tot in de middeleeuwen. Maar omgekeerd vaagden grote overstromingen en vloeden hele eilanden of delen daarvan weer weg, inclusief de daarin gelegen dorpen. Er zijn tenminste 117 verdronken dorpen bekend. Ook in de Zuidwestelijke Delta kennen we cultuurhistorisch belangwekkende landgoederen en buitenplaatsen in de zones vlak achter de duinen. In Zeeuws-Vlaanderen liggen restanten van 36
Een griend is een stuk land dat gebruikt werd om wilgentakken te planten. Wilgentakken waren het basismateriaal voor het maken van manden en hoepels. Het oogsten van wilgentakken noemt men ‘griendcultuur’. 37 Zandverstuivingslandschap dat gebruikt werd voor begrazing door vee.
39
belangrijke verdedigingslinies waarvan de oorsprong al ligt in de Tachtigjarige Oorlog maar die tot in de Tweede Wereldoorlog zijn aangepast, terwijl ook de Atlantikwall zijn sporen heeft achtergelaten in dit gebied. De Deltawerken met alle daaraan verbonden infrastructuur (denk ook aan de Westerscheldetunnel) hebben voor een deel het isolement van de Zuidwestelijke Delta opgeheven, maar tegelijk hebben de bewoners hun identiteit grotendeels weten te behouden. De hoge cultuurhistorische waarden van het gebied komen ook tot uitdrukking in het feit dat hier in het verleden maar liefst negen Belvedere-gebieden zijn aangewezen: Voorne-Bernisse, Goeree, Kop van Schouwen, Duiveland, Tholen, Walcheren, Zuid-Beveland, West-Zeeuws-Vlaanderen en Brabantse Wal. Zowel de Hoekse Waard als het westelijk deel van Zeeuws-Vlaanderen werden destijds aangewezen als Nationaal Landschap. Uitdagingen en toekomstperspectief. Voor alle Deltawerken (dijken, dammen en andere keringen) in het gebied wordt op dit moment bezien hoe ze met het oog op de verwachte zeespiegelstijging en gebaseerd op de recentste ecologische en hydrologische inzichten toekomstbestendig gemaakt kunnen worden. Dit kan deels door het laten opslibben van land in zogenaamde wisselpolders 38 dan wel door zandsuppleties.
Zandsuppleties zijn noodzakelijk omdat zowel in de waterbekkens als direct langs de kust sprake is van een structureel zandtekort. Het vrijwel ontbreken van aanvoer van zand en klei door de rivieren, het wegvallen van sedimentaanvoer vanuit zee en een tegelijkertijd stijgende zeespiegel veroorzaken een terugtrekking van de kust. Vanaf 1990 wordt deze bestreden met het opspuiten van zand vanuit de Noordzee. De pijlerdam in de Oosterschelde en de plannen voor herstel van een deel van de getijdenwerking in het Haringvliet (het Kierbesluit) tonen de continue ontwikkeling in het denken over de kustverdediging. Zo ook wordt gewerkt aan natuurherstel in de Grevelingen, de Oosterschelde en het Volkerak-Zoommeer. In de Grevelingen wordt de dynamiek in de stilstaande zoute zeearm hersteld door het maken van een opening in de Brouwersdam en het toelaten van zout water vanuit de Oosterschelde. Met de Haringvlietdam op een kier wordt een nieuwe zoet-zout overgang gecreëerd in het Haringvliet-Hollands Diep en wordt een beperkt getij hersteld in de Biesbosch. De ontpoldering van de Noordwaard aan de noordzijde van de Biesbosch, om meer ruimte te maken voor het rivierwater, heeft nu al aangetoond hoe natuurontwikkeling en veiligheid op indrukwekkende manier kunnen samengaan.
De aanwijzing van de Zuidwestelijke Delta tot Nationaal Park Van Wereldklasse is een kans om het herstel van de getijdedynamiek omwille van de natuur- en waterkwaliteit, te combineren met het versterken van duurzaam toerisme, de berging van zoet water en kustverdediging. De ontwikkeling van de Voordelta kan bovendien tegelijk opgaan met de ontwikkeling van energie-eilanden voor de kust. In het hele gebied liggen kansen voor de ontwikkeling van hoogwaardig duurzaam toerisme in de havenstadjes en dorpen. De stedenring van Antwerpen tot Rotterdam ligt als een schil rond het gebied. Die nabijheid maakt de ontwikkeling van de delta als rustpunt in de regio (slow landscape) economisch kansrijk. Daarnaast kan de Delta een proeftuin zijn voor kringlooplandbouw en duurzame visserij. Dit vraagt om zorgvuldig beleid, zoals een juiste zonering van de recreatie, 38
Bij wisselpolders wordt een opening in de dijk gemaakt, waardoor de invloed van het getij en sedimentatie worden hersteld en extra vloedberging wordt gecreëerd. Terwijl een achterliggende dijk zorgt voor bescherming tegen overstroming, wordt met iedere vloed nieuw sediment afgezet en groeit het gebied geleidelijk in hoogte. In deze periode kan het gebied dienen voor natuurdoeleinden of (deels) worden gebruikt voor zilte en natte landbouw. Op termijn zorgt het opgehoogde gebied voor een grotere overstromingsveiligheid van het achterland, waarna het desgewenst als natuurgebied en natuurlijke klimaatbuffer kan worden behouden óf opnieuw kan worden ingepolderd in dienst van de traditionele landbouw. Het proces kan daarna op andere plekken worden herhaald.
40
inclusief inrichting en aanleg van nieuwe openbaarvervoersverbindingen over land en water. De oplossing van zoetwaterberging op de eilanden kan tot onderdeel van het Nationaal Park Nieuwe Stijl worden gemaakt.
4.4 De Veluwe De Veluwe in het kort Uitzonderlijke universele waarden: • Het grootste en hoogste stuwwalcomplex van West-Europa, met unieke overgangen naar rivierdalen en randmeren. • Unieke zandverstuivingen, grote oppervlakten droge heide, zeldzame Oude Eikenbossen en blauwgrasland. • Diverse bijzondere cultuurhistorische waarden zoals restanten uit de IJzertijd, de Romeinse tijd, de vroege Middeleeuwen en de Gouden Eeuw. Aantal Natura 2000-gebieden: 4 Aantal Nationale Parken (oude stijl): 2 Aantal Belvedere-gebieden: 2 Aantal Nationale Landschappen: 1 Aantal UNESCO Werelderfgoed: De begrenzing De Veluwe is Nederlands grootste aaneengesloten natuurgebied op land, bestaande uit een bebost stuwwalcomplex, met zandverstuivingen en droge heide. De overgangen naar de dalen van de Neder-Rijn en de IJssel en naar de randmeren van het IJsselmeer maken de stuwwal tot een uniek onderdeel van de Nederlandse delta. Juist deze randzones zijn cultuurhistorisch en ecologisch zeer waardevol met sprengenbeken en landgoederen. Door het huidige natuurgebied de Veluwe uit te breiden met deze randzones, ontstaat een Nationaal Landschapspark waarin natuur en cultuur van wereldklasse verenigd worden. Met name in de randzones bieden de mogelijkheid om daarmee samenhangende verblijfsrecreatie te ontwikkelen.
De basis van het Nationale Landschapspark De Veluwe wordt gevormd door de twee bestaande Nationale Parken (Hoge Veluwe en Veluwezoom) en de Natura 2000-gebieden de Veluwe als geheel. Daarbij wordt de grens voormalig Nationaal Landschap Veluwe tot aan de Rijn, IJssel en Drontermeer aangehouden, zodat de overgangen naar randmeer en rivieren binnen de begrenzing van het Nationaal Landschapspark vallen (zie Bijlage 4). Om aan de noordzijde een logische begrenzing te krijgen tot aan het randmeer stelt de commissie voor om ook het gebied tussen Drontermeer en de IJssel tot aan de IJsseldelta (inclusief de bypass Reevediep) – dat gebied viel buiten de begrenzing van het voormalig Nationaal Landschap – binnen de begrenzing van het Nationaal Landschapspark mee te nemen. Daarmee ontstaat aan de noordzijde een ecologische verbinding over de hele lengte van de overgang van stuwwal naar randmeer, en een aansluiting van het Nationaal Landschapspark Veluwe naar het Nationaal Landschapspark IJsseldelta Wieden-Weerribben (zie paragraaf 4.5). Uitzonderlijke universele waarden Op de Veluwe gaan uitzonderlijke waarden samen die het gevolg zijn van een unieke combinatie van menselijk ingrijpen en natuurlijke omstandigheden. Het gebied is het meest omvangrijke en hoogste
41
stuwwalcomplex van West-Europa met een unieke biodiversiteit en bijzondere voorbeelden van menselijke aanwezigheid in de voorbije millennia. Natuurwaarden van internationale betekenis De Veluwe is op het land het grootste Natura 2000-gebied van Nederland. Het geselecteerde gebied bevat daarnaast nog drie kleinere Natura 2000-gebieden: de Landgoederen Brummen en de uiterwaarden van respectievelijk IJssel en Rijn. Op de Veluwe komen de grootste binnenlandse zandverstuivingen van Europa voor. Deze stuifzanden zijn ontstaan door menselijk handelen. Dit type landschap is in Noordwest-Europa vrijwel alleen in ons land aanwezig, zeker op deze schaal. Het vormt overgangen naar en mozaïeken met droge heiden. Op de Veluwe komt de grootste oppervlakte droge heide van ons land voor, en een van de grootste van Europa, naast kleinere oppervlakten natte heiden, die internationaal gezien uniek zijn. Andere internationale unieke natuurwaarden betreffen Oude Eikenbossen, waarvan het zwaartepunt zich in ons land bevindt, op de Veluwe. Buiten Nederland zijn deze bossen zeldzaam, zowel wat betreft oppervlakte als verspreiding. De overgangen van de hoge, overwegend droge stuwwallen naar de vochtige tot natte, en overstroomde rivieruiterwaarden en oeverlanden van de randmeren vormen uitgestrekte gradiënten met een grote variatie in milieuomstandigheden.
Door die variatie zijn er ook veel verschillende habitattypen. De overgangen worden gekenmerkt door het permanent uittreden van grote hoeveelheden grondwater (kwel), waardoor veel bijzondere planten en dieren zich hebben weten te vestigen. Denk aan beekbegeleidende bossen en broekbossen (bossen met hoge grondwaterstand), natte heiden, venen, begroeiingen van vennen en het zeldzame blauwgrasland dat buiten Nederland nauwelijks voorkomt. In de uiterwaarden van de Rijn en IJssel is een bonte waaier aan soortenrijke graslanden te vinden. Landschapswaarden van internationale betekenis De Veluwe is het meest omvangrijke en hoogste stuwwalcomplex van West-Europa. Het maakt deel uit van de gordel van stuwwallen die achterbleef na de voorlaatste IJstijd en die zich uitstrekt van het zuiden van Engeland tot voorbij de Oeral in Siberië en in het noorden van de Verenigde Staten. In de voorlaatste IJstijd lag er tot ongeveer de lijn Haarlem-Nijmegen een honderden meters dikke laag ijs over het land. Het vooruit glijdende ijs duwde in (rivier)dalen de voor- en zijkanten omhoog, waarbij heuvels ontstonden, de zogeheten stuwwallen.
Wat betreft schaalgrootte, landschapsecologische samenhang en historisch landgebruik zijn alleen de Lüneburger Heide (in Duitsland) en het New Forest (in Engeland) met de Veluwe te vergelijken, maar de Veluwe is uniek in zijn overgang naar de grote rivieren en de randmeren. De Veluwe is destijds aangewezen als Nationaal Landschap. Cultuurhistorische waarden van internationale betekenis Dankzij de nabijheid van het grondwater op de flanken van de Veluwe konden vanaf de zestiende eeuw tientallen sprengenbeken worden gegraven voor de bouw van watermolens. De meeste van de 180 Veluwse watermolens die in het midden van de 18e eeuw bestonden, maakten papier. Dit papier was bestemd voor Nederlandse en internationale markten, samenhangend met de Amsterdamse stapelmarkt waar goederen vanuit de hele wereld werden opgeslagen en verhandeld. De combinatie van de hoge stuwwallen en de nabijheid van Amsterdam maakt dat op de Veluwe een uniek industrieel landschap ontstond, waarvan het sprengensysteem de kern vormt. Verder dragen diverse elementen bij aan het unieke karakter van het natuurlijke en culturele erfgoed van de Veluwe, zoals twee van Europa’s grootste complexen van Celtic Fields 39 uit de IJzertijd, grote concentraties grafheuvels, een Romeins marskamp, een Middeleeuwse rivierdijk, de archeologisch 39
Een Celtic Field of raatakker is een rechthoekige akker die werd gebruikt voor de verbouw van graansoorten.
42
unieke restanten van Romeinse en vooral vroegmiddeleeuwse ijzerwinning uit klapperstenen, oude boskernen (‘malebossen’), verschillende tabaksschuren die verwijzen naar de tabaksteelt die vanaf het begin van de zeventiende eeuw in Nederland plaatsvond en de restanten van Hessenwegen (handelswegen) die ontstonden door handel met gebieden in Duitsland. Twee onderdelen van het voorgestelde Nationaal Park van Wereldklasse waren eerder aangewezen als Belvedere gebied (Speuld-Garderen en Zuidelijke Veluwezoom). Uitdagingen en toekomstperspectief Op dit moment zijn er al initiatieven gaande om de Veluwe met zijn overgangen als eenheid te beschouwen. Hierdoor is een proces in gang gezet om ecologische barrières weg te nemen en de kwaliteit van de verblijfsrecreatie te verbeteren. Het versterken van de samenhang tussen cultuur (Nationaal Park de Hoge Veluwe, landgoederen, Poorten van de Veluwe) en de natuur van bossen, heidevelden en uiterwaarden biedt grote kansen om de toeristische waarde te vergroten en te verduurzamen. Op de schaal van het door de commissie geselecteerde gebied kan via innovaties in de landbouw en de bosbouw het mineralengebrek (door verzuring) in het ecosysteem worden aangepakt, net als de wijdverbreide verdroging van de waterafhankelijke natuur. Ook de klimaatverandering en de noodzaak tot het vasthouden en bergen van water vraagt daarom.
Op de Veluwe biedt herstel van venen-, natte heiden en beekdalen mogelijkheden voor een verbeterde waterbuffering. De eerste voorzichtige stappen daarvoor zijn gezet. Door het verplaatsen van landbouw en verblijfsrecreatie naar de flanken van de Veluwe zou de eenheid en robuustheid van de Veluwe zelf hersteld kunnen worden, wat de natuurlijke veerkracht van het gebied vergroot. De intensieve veehouderij in de overgangszone naar de Gelderse Vallei en de kalverhouderij in de zogenaamde landbouwenclave van Uddel zullen hun bedrijfsvoering drastisch moeten aanpassen en nieuwe verdienmodellen moeten vinden, gebruikmakend van het toeristisch-recreatieve potentieel voor de Veluwe.
4.5 IJsseldelta Wieden-Weerribben met overgangen naar het Drents Plateau De IJsseldelta Wieden-Weerribben in het kort Uitzonderlijke universele waarden: • Het grootste nog functionerende laagveengebied in Europa. • Aanwezigheid van unieke soorten zoals de Grote Vuurvlinder (de ondersoort batava), blauwgraslanden en natte heide. • Bijzondere overgangen van open water naar moerasbossen en van laagveengebied naar het rivierenlandschap (de IJsseldelta aan de voormalige Zuiderzee) én het zandlandschap. • Bijzonder voorbeeld van menselijk ingrijpen in het landschap, met name de geschiedenis van veenontginningen, polder Masterbroek, het vaargebied van Giethoorn en de natuurontwikkeling langs de IJssel. Aantal Natura 2000-gebieden: 9 Aantal Nationale Parken (oude stijl): 3 Aantal Belvedere-gebieden: 5 Aantal Nationale Landschappen: 1 Aantal UNESCO Werelderfgoed: De begrenzing Laagveengebieden zijn kenmerkend en uniek voor het Nederlandse deltalandschap. Onze grootste veenweidelandschappen, in het Groene Hart, Laagholland en Friesland bevatten echter te weinig natuurkernen om te kunnen opschalen naar Nationale Landschapsparken. Het veengebied van de Weerribben, gelegen op de overgang van de hogere zandgronden naar de voormalige Zuiderzee, is
43
als natuurkern wel voldoende robuust en laat de geschiedenis van de turfwinning en de hedendaagse praktijk van de rietteelt zien. Dit gebied heeft nu al een grote toeristische aantrekkingskracht, met name rond Giethoorn en Blokzijl. Dit recreatieve verblijf zou heel zorgvuldig verder uitgebouwd kunnen worden. Op de overgang naar de IJsseldelta en het Nationaal Landschapspark Veluwe (zie paragraaf 4.4) ligt Nederlands oudste droogmakerij Polder Mastenbroek en het terpenlandschap van het Kampereiland. Deze gebieden liggen in het voormalig Nationaal Landschap IJsseldelta. Het waterbeheer in het laagveengebied is een opgave, omdat er grondwater wegzijgt naar de Noordoostpolder en er daardoor verdroging en bodemdaling plaatsvindt. Om een werkelijk robuust systeem te garanderen zouden de laagveengebieden duurzaam gevoed moeten worden uit de hogere gronden van het Drents plateau, waar de huidige Nationale Parken DrentsFriese Wold en Dwingelderveld liggen. De basis voor de begrenzing van het Nationaal Landschapspark wordt gevormd door de hele zone van de huidige Natura 2000-gebieden en het Nationaal Park Weerribben-Wieden, vanaf het Zwarte Water in het Zuiden tot aan de Rottige Meente in het noorden, aangevuld met het voormalige Nationaal Landschap IJsseldelta (met daarin polder Mastenbroek) tussen de IJssel en het Zwarte Water.
De commissie stelt voor deze basis uit te breiden met een stelsel van beeklopen en beekdalen die voorzien in de aanvoer van schoon water vanaf het Drents plateau, als volgt: • De beeksystemen van de Linde en de Tjonger en onderdelen van het NNN, gelegen tussen de brongebieden op het Drents plateau (DrentsFriesewold en het Dwingelderveld) en het laagveengebied. Deze leggen de basis voor een duurzame relatie tussen het inzijggebied en het laagveenmoeras. • De door de beekdalen ingesloten landbouwgebieden maken deel uit van het landschapspark en kunnen doorontwikkelen naar duurzame landbouw. De commissie beseft dat er een afwijkend ontwikkelperspectief voor de landbouwgebieden mogelijk is waarbij ze hun huidige agrarische functie behouden. In dat geval moet worden voldaan aan de hydrologische randvoorwaarden voor het Nationale Landschapspark en zal het landbouwgebied waar nodig moeten worden heringericht om negatieve effecten (voedingsstoffen en verdroging) op de beekdalen en het laagveengebied te elimineren. Uitzonderlijke universele waarden Het gebied ‘IJsseldelta en Wieden-Weerribben met overgangen naar het Drents Plateau’ herbergt unieke voorbeelden van het omgaan met water en van veenontginning door de mens en de daarmee samenhangende cultuurhistorie.
Bovendien omvat het gebied het grootste nog functionerende laagveengebied in Europa en is er sprake van een uitzonderlijke soortenrijkdom. Natuurwaarden van internationale betekenis In dit gebied komen Hoog Nederland en Laag Nederland op een betrekkelijk klein oppervlak samen en gaan geleidelijk in elkaar over. Daardoor is er sprake van grote ecologische diversiteit Binnen dit potentiële Nationale Park vormen De Wieden, Weerribben en Rottige Meenthe het grootste nog functionerende laagveengebied in gematigd Europa. Gebieden die er enigszins aan doen denken zijn het Britse Wicken Fen en de monding van de Oder op de grens van Duitsland en Polen, maar deze zijn echter aanzienlijk kleiner van omvang. De Batava, een ondersoort van de Grote vuurvlinder, komt alleen hier voor en nergens anders in de wereld. Het gebied is ook uniek vanwege de verwevenheid van hoge ecologische kwaliteiten en het intensief menselijke gebruik.
44
In dit gebied vinden we nog de kenmerkende structuur van veenplassen die zijn ontstaan uit de veenwinning door middel van ‘petgaten’ 40 en ‘legakkers’ 41 die vaak door storm wegsloegen waardoor open plassen ontstonden. Petgaten kunnen weer ‘verlanden’ 42 door nieuwe veenvorming. Een deel van het nieuw ontstane land is in gebruik genomen voor riet- en biezencultuur of als hooiland. Het gebied omvat maar liefst negen Natura 2000-gebieden, met een groot aantal beschermde soorten en habitattypen. Deze gebieden samen laten de verlanding zien van open water tot moerasbos via allerlei tussenliggende stadia. In het noorden en oosten gaat het laagveengebied via een uitgestrekte zone van lage, natte zandgronden geleidelijk over in de hoge zandgronden van het Drents Plateau en het stuwwallencomplex van Woldberg-Bisschopsberg en Havelterberg. Deze overgangszone werd gekenmerkt door langdurige overstromingen in de winter en het uittreden van grondwater (kwel). De internationaal zeer zeldzame en sterk bedreigde blauwgraslanden (zie hierboven bij de Veluwe) bevonden zich bij uitstek in deze overgangszone en kwamen er over grote oppervlakten voor. In het Natura 2000-gebied Olde Maten en Veerslootslanden zijn restanten ervan bewaard gebleven, net als plaatselijk in de Wieden (Blaukoppen). De hogere zandgronden van het Drents Plateau zijn sterk beïnvloed door de voorlaatste en laatste IJstijd.
Dat blijkt uit de aanwezige stuwwallen en uit de oppervlakkig gelegen keileemlagen onder een dun zandpakket. Deze bodemopbouw zorgde voor natte omstandigheden, waardoor uitgestrekte natte heiden konden ontstaan. Het Dwingelderveld herbergt de grootste natte heide van Europa; ook in Havelte-Oost komen uitgestrekte natte heiden voor. Ingebed in en grenzend aan deze natte heidevelden is een groot aantal internationaal zeldzame habitattypen te vinden, waaronder oude eikenbossen, droge heiden, zandverstuivingen, jeneverbesstruwelen, actief hoogveen (heideveentjes) en heischrale graslanden. In het zuiden is het laagveengebied begrensd door het rivierenlandschap van de IJsseldelta. Hier bevinden zich, behalve de best ontwikkelde stroomdalgraslanden en ooibossen van Nederland, de internationaal sterk bedreigde Kievitsbloemhooilanden. De IJsseldelta vormt samen met de benedenloop van de Loire de grootste groeiplaats van deze bloemrijke graslanden in Europa. Daarbuiten is het alleen nog lokaal in Duitsland (langs de Elbe), in Zweden (bij Uppsala) en in Engeland (langs de Theems) aan te treffen. Landschapswaarden van internationale betekenis Het laagveengebied ligt tussen de vroegere (thans ingepolderde) Zuiderzee, de monding van de IJssel met zijn vertakkingen en kleigronden, en de hogere zandgronden van het Drents Plateau.
Deze landschappelijke overgangen zijn nog steeds goed herkenbaar en ecologisch nog deels intact en daarmee van grote internationale betekenis. Cultuurhistorische waarden van internationale betekenis In de kop van Overijssel zien we heel gaaf de historie van de Nederlandse veenontginningen die door bodemdaling onder zeeniveau kwamen te liggen en vervolgens door bekadingen en bedijkingen drooggehouden moesten worden. In de boezems en langs meren, maar ook daarbuiten, zien we grotere rietmoerassen, die deels zijn in gebruik zijn voor de rietteelt. Laagveengebieden hebben veelal lintvormige dorpen en nederzettingen. Bijzonder voor dit gebied zijn de dorpen die geheel of 40
Petgaten zijn gaten die zijn ontstaan door het uitbaggeren van veen, de zogenaamde natte vervening, waarna vaak langgerekte, rechthoekige plassen ontstonden. Deze petgaten werden gescheiden door legakkers. 41 Legakkers zijn niet-verveende stroken grond, waarop uitgebaggerd veen te drogen werd gelegd om er turf van te maken. Legakkers vormen de scheidingen tussen petgaten. 42 Verlanden is een proces waarbij open water langs natuurlijke weg in land verandert. Dit proces, waarbij veen wordt gevormd, kan tientallen tot honderden jaren duren, en is vooral afhankelijk van de oppervlakte van het open water.
45
gedeeltelijk werden verplaatst zoals Giethoorn, Rouveen en Staphorst. Ten gevolge van dergelijke verplaatsingen ontstonden ook bijzondere verspringingen in de bebouwingslinten (kluften genaamd), zoals bij Nijeveen en Ruinerwold. Laagveengebieden waren vanouds zeer rijk aan eendenkooien, die met een vernuftig vangsysteem op grote schaal eenden vingen “voor de bout” (menselijke consumptie). 43 Polder Mastenbroek is een vroeg voorbeeld van een broekgebied dat, in de 14e eeuw, is, ontgonnen en ingericht op basis van een atypisch grootschalig inrichtingsplan van de landmeter (Frederik Stoveken) van de bisschop van Utrecht, en daarmee cultuurhistorisch van bijzonder belang. Het vaardorp Giethoorn is een internationale toeristische trekpleister. Op de hogere zandgronden in het gebied bevinden zich talloze cultuurhistorische overblijfselen, die een beeld geven van de menselijke bewoning en het landgebruik sinds de Jonge Steentijd. Het geselecteerde gebied omvat vijf voormalige Belvedere-gebieden (De Wieden-Weerribben, Staphorst, Kampereiland-Mastenbroek, Zuidwest-Drenthe en Frederiksoord-Willemsoord), het voormalige Nationale Landschap IJsseldelta en De Koloniën van Weldadigheid (Veenhuizen) die kandidaat zijn voor aanwijzing als UNESCO Werelderfgoed in de categorie cultuurlandschap. Uitdagingen en toekomstperspectief.
Door het verbinden van de Weerribben-Wieden met de aangrenzende laagveengebieden tot aan het moerasgebied van de Rottige Meenthe en tot aan de IJsseldelta ontstaat een samenhangend waterrijk gebied met onderscheidende toeristische waarde (Giethoorn, Blokzijl, Dwingelderveld, Holtingerveld). Dit gebied heeft nu al een grote toeristische aantrekkingskracht. Het mogelijk aanwijzen tot Nationaal Park van Wereldklasse biedt kansen om te werken aan een betere geleiding en opvang van bezoekersstromen, bijvoorbeeld bij de internationale trekker Giethoorn. Zo kan ook worden bijgedragen aan een betere spreiding van het toerisme over Nederland. Er zijn ook kansen voor experimenten met kringlooplandbouw, waarmee kan worden bijgedragen aan het tegengaan van bodemdaling en aan een aanzienlijke vermindering van de uitstoot van broeikasgassen door de diepe ontwatering van veengronden. Daarnaast kunnen experimenten met vernatting van veenweiden bijdragen aan het vastleggen van CO2 in de bodem en zo een bijdrage leveren aan het voorkomen van klimaatverandering. Daarnaast moeten maatregelen worden ontwikkeld die wegzijging van water naar de Noordoostpolder tegengaan.
43
Eendenkooien zijn ontwikkeld in de Lage Landen en zijn vandaaruit geëxporteerd, onder meer naar Engeland (de Engelse term ‘decoy’ komt van het Nederlandse ‘de kooi’).
46
5 Verantwoordelijkheden 5.1 Een nieuw stelsel van Nationale Parken Zoals reeds opgemerkt vindt de Commissie verkenning Nationale parken het zeer de moeite waard en een eer om zich te mogen verdiepen in de vraag waar in Nederland de Nationale Parken (Nieuwe Stijl) zouden kunnen liggen die van internationale betekenis kunnen zijn, met andere woorden: de Nationale Parken van Wereldklasse oftewel de Nationale Landschapsparken. Allereerst vindt de commissie het waardevol dat de Tweede Kamer zich indertijd heeft uitgesproken over de wenselijkheid om in Nederland te komen tot een nieuwe filosofie voor en opzet van de Nationale Parken in ons land. De wens van de Tweede Kamer was dat deze Nationale Parken Nieuwe Stijl over meer gaan dan over unieke natuur alleen; ook onze unieke landschappen en ons unieke cultuurhistorisch erfgoed worden erin vertegenwoordigd. Deze combinatie kan een voortreffelijk inzicht geven in de unieke geschiedenis van ons land en creëert tegelijk gebieden met voldoende omvang voor de opgaven van de toekomst. De gewenste inzet op deze combinatie van unieke kwaliteiten is nieuw. Tot op heden heeft ons land alleen (unieke) natuurkernen de status van Nationaal Park willen verlenen, zonder deze gebieden overigens wettelijk te beschermen.
Apart daarvan is in het verleden ook ingezet – met steun van meerdere departementen – op het behoud van Nationale Landschappen en het behoud van ons cultuurhistorisch erfgoed in breder verband (de zogeheten Belvedere-gebieden). Maar helaas zijn al deze initiatieven een stille dood gestorven in het beleid. De voornaamste reden daarvoor was de angst dat de gebieden “op slot” zouden gaan, voor de landbouw en andere economische ontwikkelingen. Onze commissie is ervan overtuigd, dat ons land nog beschikt over gebieden, die zelfs van Internationale betekenis zouden kunnen zijn. Er is wel haast geboden met het aanwijzen van deze gebieden want de druk op de ruimte in ons land neemt alleen maar toe. De commissie meent dat het meer dan de moeite waard is om alle zeilen bij te zetten om de Nationale Landschapsparken te realiseren, juist omdat ze vanwege hun omvang ook van betekenis kunnen zijn voor de actuele uitdagingen ten aanzien van klimaatverandering en landgebruik. Daarvoor moet dan wel de wil aanwezig zijn om dit doel te bereiken én er moet sprake zijn van duidelijkheid en koersvastheid op dit gebied. Helaas zijn dit eigenschappen die in de wereld van het natuurbeleid tot op heden weinig voorkomen. Daarom acht de commissie regie van het Rijk noodzakelijk om de gebieden van internationale betekenis (Nationale Landschapsparken) te helpen verwezenlijken (zie ook paragraaf 5.2).
Een punt van aandacht in het nieuwe stelsel is de naamgeving van deze parken. De Commissie Realisatie Natuurverkiezing (2018) heeft eerder voorgesteld om te kiezen voor één soort Nationale Parken, namelijk die parken die aansluiten bij de standaard voor de Nationale Parken Nieuwe Stijl. In Nederland hebben we echter al eenentwintig (bestaande en wettelijk aangewezen) Nationale Parken die totaal anders zijn van aard en opzet omdat ze zich uitsluitend toespitsen op unieke natuurkernen. Een deel van die bestaande parken zal mogelijk opgaan in Nationale Parken Nieuwe Stijl, maar het is onzeker of dat voor allemaal zal gelden. De provincies zijn de daarvoor verantwoordelijke partij en geven elk op hun eigen manier invulling aan het beleid. De commissie verwacht daarom dat er verschillende typen gebieden naast elkaar gaan bestaan, die wel allemaal Nationaal Park genoemd worden. Dit is onduidelijk en onwenselijk, maar een oplossing lijkt op dit gebied voorlopig nog ver weg. Met de verkenning van Nationale Parken van Wereldklasse is de commissie nu tot de conclusie gekomen dat er in Nederland (vijf) gebieden zijn die voldoen aan de standaard voor Nationale Parken Nieuwe Stijl en die naar het oordeel van de commissie tevens van internationale betekenis zijn en
47
aan de criteria van UNESCO Werelderfgoed zouden kunnen voldoen. Daarmee onderscheiden ze zich van de ‘gewone’ Nationale Parken Nieuwe Stijl en de oude, bestaande Nationale Parken, die alleen van nationale betekenis zijn. De commissie bepleit voor deze vijf gebieden van internationale betekenis een actieve regierol van de rijksoverheid (zie paragraaf 5.2), mede omdat de vijf in dit rapport geïdentificeerde gebieden van internationale betekenis zich alle uitstrekken over meerdere provincies. Omdat zij wezenlijk anders zijn dan de huidige categorie Nationale Parken geeft de commissie bovendien ter overweging mee om de gebieden van Wereldklasse ook een onderscheidende en aansprekende naam te geven. In dit rapport hebben wij gekozen voor het predicaat ‘Nationale Landschapsparken’, dat dan staat voor samenhangende gebieden waarin unieke natuur, unieke landschappen en uniek cultuurhistorisch erfgoed van internationale betekenis samenkomen.
5.2 Verantwoordelijkheid rijksoverheid Instellen van Nationale Landschapsparken is volgens de commissie zeker de moeite waard, maar het gaat om een omvangrijke opgave waarop Rijk zich zou moeten concentreren. Dat wil zeggen dat de rijksoverheid verantwoordelijk is voor de bescherming en ontwikkeling van deze gebieden. Het Rijk – m.n. de minister van LNV – heeft bovendien een verantwoordelijkheid ten opzichte van de EU voor de aanwijzing en instandhouding van Natura 2000-gebieden. Omdat de Nationale Landschapsparken zoals hier bedoeld zowel vanwege de natuurwaarden, de landschappelijke waarden als cultuurhistorisch erfgoed van internationale betekenis zijn, is nauwe samenwerking tussen de ministeries van BZK, IenW, LNV en OCW noodzakelijk om invulling te geven aan de hier bepleite regierol van het Rijk. Dit niet kan echter niet zonder betrokkenheid van de regio’s waarin de Nationale Landschapsparken zich bevinden. Nationale Landschapsparken worden immers gevormd door de enthousiaste en trotse bewoners, bedrijven en gemeenten in die gebieden. Daarom meent de commissie dat er in de regio’s sprake zou moeten zijn van onafhankelijke ambassadeurs, die het belang van de Nationale Landschapsparken actief uitdragen en de partijen met elkaar verbinden.
Omdat alle geselecteerde Nationale Landschapsparken de provinciegrenzen overstijgen en omdat het gaat om een langjarige opgave die de termijn van vier jaar overstijgt, zou onderzocht moeten worden of de Commissarissen van de Koning van de betreffende provincies hierbij een rol kunnen spelen. Dit vanwege hun onafhankelijke positie die de belangen van provinciale partijen overstijgt, en van waaruit zij het nationale belang van de gebieden kunnen uitdragen en de betrokken partijen kunnen verbinden. Stel beheerautoriteiten in voor de Nationale Landschapsparken De commissie is van mening dat zeker voor de Nationale Landschapsparken centrale begeleiding en aansturing moet worden georganiseerd. In het verlengde van de Waddenautoriteit die het Kabinet in het Regeerakkoord heeft voorgesteld (zie ook de Verzamelbrief Wadden aan de Tweede Kamer d.d. 20 juni 2019), adviseert de commissie daarom om voor elk van de gebieden een beheerautoriteit in te stellen. Deze autoriteiten moeten voldoende mandaat hebben om zelfstandig richting te kunnen geven aan de ontwikkelingen in de gebieden en ervoor te zorgen dat ze blijvend voldoen aan de criteria van UNESCO Werelderfgoed. Voor de organisatievorm en de juridische grondslag van een dergelijke Beheerautoriteit bestaan verschillende mogelijkheden.
De commissie meent dat niet voor elk Nationaal Landschapspark dezelfde vorm nodig is, maar dat per gebied zoveel mogelijk kan worden gezocht naar een voor het betreffende park herkenbare en passende organisatievorm. Daarbij moet wel aan de voorwaarden van zelfstandigheid en voldoende mandaat, bijvoorbeeld op het gebied van ruimtelijke ordening, worden voldaan. In de genoemde Verzamelbrief Wadden kiezen de minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) voor een Beheerautoriteit
48
Waddenzee die bestaat uit een Opdrachtgeversoverleg, waarin de ministeries van LNV, IenW en de provincies Noord-Holland, Fryslân en Groningen zijn vertegenwoordigd, en een onafhankelijke eenheid die verantwoordelijk is voor de afstemming en samenwerking tussen de beheerders in het gebied. Deze keuze is gebaseerd op een verkenning waarin verschillende varianten voor de organisatievorm zijn uitgewerkt. 44 De genoemde brief doet overigens geen uitspraken over de juridische grondslag voor en het onafhankelijke mandaat van de beheerautoriteit. Een andere mogelijkheid die de commissie ziet is om de Wet Gemeenschappelijke Regeling te benutten. Deze wet is in het verleden door het Rijk benut voor deelname aan beheerautoriteiten, onder meer voor De Grevelingen en voor Midden-Delfland. Rijksdeelname in Gemeenschappelijke Regelingen is de laatste jaren niet meer voorgekomen, maar de Wet Gemeenschappelijke Regelingen maakt dit nog steeds mogelijk. De huidige bestuurlijke opvattingen in het nationale omgevingsbeleid, met name de “één-overheid gedachte” in de Omgevingswet, de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en het Interbestuurlijk Programma uit 2018 (IBP), kan een inhoudelijk aangrijpingspunt voor deze aanpak bieden. Ook het Adviescollege Grenzeloze Veluwe (de Commissie Evenhuis) stelde in 2002 al deze optie voor als juridische grondslag voor het Nationaal Landschap Veluwe.
De laatste jaren wordt er ook steeds meer geëxperimenteerd met participatie van private partijen in Gemeenschappelijke Regelingen, bijvoorbeeld door (grotere) grondeigenaren. Deze experimenten sluiten aan bij het eerdere advies van de commissie Van Vollenhoven (in “Monumenten: Inspiratiebron voor Natuur!”, 2015) om de positie van particulieren te versterken en hun betrokkenheid bij het gemeenschappelijk beheer te vergroten door middel van de oprichting van Verenigingen van Eigenaren of coöperaties voor het beheer van Nationale Parken. Regierol Rijk Naast de wettelijke aanwijzingsbevoegdheid (en opheffingsbevoegdheid) voor Nationale Parken kan het Rijk tenslotte op de volgende manieren invulling geven aan zijn regierol: a. Opnemen van (UNESCO) criteria voor de aanwijzing van Nationale Landschapsparken in de standaard. b. Duidelijk en eenduidig omzetten van de aanwijscriteria uit de standaard en de bijbehorende procedures in wet- en regelgeving. Hiervoor zou de overgang van de Wet natuurbescherming naar de Omgevingswet kunnen worden aangegrepen. De aanwijzing van gebieden kan worden vastgelegd in het omgevingsbeleid (NOVI). c. Instellen van een onafhankelijke deskundigencommissie die verantwoordelijk is voor de beoordeling van voordrachten voor nieuwe Nationale Landschapsparken. Het Rijk zorgt ervoor dat die commissie een duidelijke positie krijgt. d.
Instellen van beheerautoriteiten met voldoende mandaat (zie hierboven). e. Basisfinanciering voor de overgangsfase/ontwikkelfase, zodat kansrijke aspirant parken daadwerkelijk kunnen uitgroeien tot Nationaal Park Nieuwe Stijl. Onder andere uitgaande van de financiële afspraken in het Bestuursakkoord Natuur en het Natuurpact zal langjarige financiering van parkorganisaties geborgd moeten worden in een samenspel tussen Rijk en provincies. f. Bestuurlijke inzet daar waar de ontwikkeling van nieuwe Nationale Landschapsparken provinciegrens-overstijgende problemen oplevert, bijvoorbeeld als een provinciale overheid niet wil deelnemen of de aanwijzing niet wil verankeren in het provinciale omgevingsbeleid.
44
AT Osborne (2019). Verkenning Beheerautoriteit Waddenzee
49
Literatuur Adviescollege Grenzeloze Veluwe (2002). Een goede raad voor de Veluwe. AT Osborne (2019). Verkenning Beheerautoriteit Waddenzee. Baas, H.G. (1998). Landschappen van wereldformaat. Historisch Geografisch Tijdschrift 98(3). Matrijs. Utrecht. Commissie Realisatie Natuurverkiezing (2018). Op weg naar nieuwe Nationale Parken. Commissie Van Vollenhoven (2015). Monumenten: Inspiratiebron voor natuur! Farjon, J.M.J., G.H.P. Dirkx, A.J.M. Koomen, J.A.J. Vervloet en G.W. Lammers (2001). Neder-landschap Internationaal: de internationale betekenis van het Nederlandse landschap op kaart. Rapport 358. Alterra Wageningen UR. Wageningen. Gezondheidsraad (2017). Gezond groen in en om de stad. Gezondheidsraad Nr. 2017/05, Den Haag Haartsen, A.J., A.P. de Klerk, J.A.J. Vervloet m.m.v. G.J. Borger (1989). Levend Verleden: een verkenning van de cultuurhistorische betekenis van het Nederlandse landschap. Achtergrondreeks Natuurbeleidsplan 3. SDU Den Haag. Luiten, E. (2017). Essenties van het Nederlandse landschap. Versie 6 februari 2017. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (2011), Decentralisatie natuurbeleid, brief aan de Tweede Kamer d.d. 21 september 2011. Ministerie van LNV (2006). Natura 2000 doelendocument. Den Haag. Nationale Parken Bureau (2018). De standaard voor de gebiedsaanduiding nationaal park (werkversie mei 2018).
Planbureau voor de leefomgeving (2016). Transformatiepotentie: woningbouwmogelijkheden in de bestaande stad. Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (2017). Dichterbij en sneller. Den Haag. Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (2020). Stop bodemdaling in veenweidegebieden: het Groene Hart als voorbeeld. Rijksoverheid (2019). Ontwerp Nationale Omgevingsvisie. Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving, Den Haag. Samenwerkingsverband Nationale Parken (2007). Ontstaansgeschiedenis, feiten en ontwikkelingen Nederlandse Nationale Parken 1975-2006.
50
Schaminee, J.H.J., G.H.P. Dirkx & J.A.M. Janssen (2010). Grenzeloze natuur: de internationale betekenis van Nederland voor soorten, ecosystemen en landschappen. KNNV Uitgeverij, Zeist/ WOtstudie 10. WOT Natuur & Milieu Wageningen UR, Wageningen Tweede Kamer der Staten-Generaal (1975). Advies van de Interdepartmentale Commissie nationale parken en nationale landschapsparken: Deel I Nationale parken. nr. 13 282, vergaderjaar 1974-1975. Van Veldhoven, S. en L. Jacobi (2014). Nationale Parken met internationale allure: Notitie voor de begrotingsbehandeling Natuur. Ven, G.P. van de (red.) (1993). Leefbaar laagland: geschiedenis van waterbeheersing en landaanwinning in Nederland. Matrijs. Utrecht. VVD en CDA (2010). Regeerakkoord: Vrijheid en Verantwoordelijkheid. Wereld Natuur Fonds (2020). Living Planet Report: Natuur in Nederland
51
Bijlage 1 Belvedere-gebieden
52
Bijlage 2 Aanwijscriteria UNESCO Werelderfgoed: Aanwijscriteria UNESCO Werelderfgoed 45: i. Het vertegenwoordigt een meesterwerk van een creatief menselijk genie (bijvoorbeeld het Ir. D.F. Woudagemaal in Lemmer waar stoomkracht wordt toegepast voor de bescherming tegen het water); ii. Het stelt een belangrijke interactie van menselijke waarden tentoon, over een tijdspanne of binnen een cultureel gedeelte van de wereld, voor ontwikkelingen in architectuur of technologie, monumentale kunsten, stadsontwerp of landschapsinrichting (bijvoorbeeld Droogmakerij De Beemster waarvan de innovatieve landschappelijke ordening een grote invloed had op latere inpoldering in Europa en daarbuiten); iii. Het draagt een unieke of ten minste een exceptionele getuigenis van een culturele traditie of een samenleving, die nog voortleeft of is verdwenen (bijvoorbeeld Schokland en omgeving waar men sporen vindt van (pre)historische bewoning die was aangepast aan het onzekere leven in een wetland, onder constante invloed van het oprukkende water); iv. Het is een bijzonder voorbeeld van een type gebouw of architectonisch of technologisch ensemble of landschap, dat (een) significante stap(pen) in de menselijke geschiedenis voorstelt (bijvoorbeeld de Amsterdamse Grachtengordel die in de hele wereld eeuwenlang als referentie voor grootschalige en samenhangende stedelijke uitbreiding diende); v.
Het is een uitzonderlijk voorbeeld van een traditionele menselijke bewoning, landgebruik of zeegebruik, dat representatief is voor een cultuur (of culturen) of menselijke interactie met zijn omgeving, in het bijzonder wanneer het kwetsbaar is geworden door onomkeerbare veranderingen bijvoorbeeld de Stelling van Amsterdam die een uitzonderlijk voorbeeld is van het gebruik van de Nederlandse waterbouwkundige kennis voor defensiedoeleinden); vi. Het is direct of tastbaar verbonden met gebeurtenissen of levende tradities, met ideeën, of geloof, met artistieke en literaire werken van bijzondere universele betekenis (dit criterium wordt bij voorkeur gebruikt in combinatie met andere criteria) (bijvoorbeeld de Dom van Aken die symbool staat voor de vereniging van het Westen en de geestelijke en politieke opleving onder Karel de Grote); vii. Het bevat buitengewone natuurverschijnselen of gebieden van buitengewone natuurlijke schoonheid en esthetisch belang (bijvoorbeeld de Giant’s Causeway in Noord-Ierland, een rotsformatie die bestaat uit zwarte basaltzuilen die het gevolg zijn van vulkanische activiteit); viii.
Het bevat uitstekende voorbeelden van belangrijke stadia van de geschiedenis van de aarde, met inbegrip van fossiele levensvormen, significante doorlopende geologische processen in de ontwikkeling van landvormen en significante geomorfologische en fysiografische kenmerken (bijvoorbeeld de Waddenzee, ’s werelds grootste aaneengesloten systeem van zand- en moddervlakten die droogvallen tijdens eb); ix. Het is een bijzonder voorbeeld van belangrijke lopende ecologische en biologische processen in de evolutie en ontwikkeling van ecosystemen op het land, in zoet water, aan de kust en in en op zee, en van gemeenschappen van planten en dieren (bijvoorbeeld de Waddenzee die een van de laatst overgebleven grootschalige bij eb droogvallende ecosystemen omvat, waar de natuurlijke processen blijven functioneren); x. Het herbergt de belangrijkste natuurlijke habitats voor het behoud van biodiversiteit, inclusief die welke bedreigde soorten herbergen van buitengewone, universele betekenis (bijvoorbeeld de Waddenzee die een zeer grote diversiteit in soorten kent, zowel planten als dieren). 45
Nationale UNESCO Commissie, Factsheet Werelderfgoed, geraadpleegd op https://www.unesco.nl/sites/default/files/dossier/factsheet_werelderfgoed_natcom_2016_3_paginas.pdf?dow nload=1, d.d. 21 april 2017.
53
Bijlage 3 UNESCO Werelderfgoed in Nederland In onderstaande tabel is het in Nederland aangewezen UNESCO Werelderfgoed opgenomen: UNESCO Werelderfgoed in Nederland Schokland (Flevoland)
Categorie
Criteria (zie tekstkader 1)
Cultuur
iii: Het draagt een unieke of ten minste een
Stelling van Amsterdam (NoordHolland en Utrecht)
Cultuur
Molencomplex Kinderdijk-Elshout (Zuid-Holland)
Cultuur
Ingenieur D.F. Woudagemaal (Friesland)
Cultuur
exceptionele getuigenis van een culturele traditie of een samenleving, die nog voortleeft of is verdwenen v: Het is een uitzonderlijk voorbeeld van een traditionele menselijke bewoning, landgebruik of zeegebruik, dat representatief is voor een cultuur (of culturen) of menselijke interactie met zijn omgeving, in het bijzonder wanneer het kwetsbaar is geworden door onomkeerbare veranderingen iii: Het draagt een unieke of ten minste een exceptionele getuigenis van een culturele traditie of een samenleving, die nog voortleeft of is verdwenen iv: Het is een bijzonder voorbeeld van een type gebouw of architectonisch of technologisch ensemble of landschap, dat (een) significante stap(pen) in de menselijke geschiedenis voorstelt v: Het is een uitzonderlijk voorbeeld van een traditionele menselijke bewoning, landgebruik of zeegebruik, dat representatief is voor een cultuur (of culturen) of menselijke interactie met zijn omgeving, in het bijzonder wanneer het kwetsbaar is geworden door onomkeerbare veranderingen i: Het vertegenwoordigt een meesterwerk van een creatief menselijk genie; ii: Het stelt een belangrijke interactie van menselijke waarden tentoon, over een tijdspanne of binnen een cultureel gedeelte van de wereld, voor ontwikkelingen in architectuur of technologie, monumentale kunsten, stadsontwerp of landschapsinrichting iv: Het is een bijzonder voorbeeld van een type gebouw
of architectonisch of technologisch ensemble of landschap, dat (een) significante stap(pen) in de menselijke geschiedenis voorstelt i: Het vertegenwoordigt een meesterwerk van een creatief menselijk genie; ii: Het stelt een belangrijke interactie van menselijke waarden tentoon, over een tijdspanne of binnen een cultureel gedeelte van de wereld, voor ontwikkelingen in architectuur of technologie, monumentale kunsten, stadsontwerp of landschapsinrichting iv: Het is een bijzonder voorbeeld van een type gebouw of architectonisch of technologisch ensemble of landschap, dat (een) significante stap(pen) in de menselijke geschiedenis voorstelt
54
Droogmakerij De Beemster (Noord-Holland)
Cultuur
Rietveld-Schröderhuis (Utrecht)
Cultuur
Waddenzee
Natuur
Grachtengordel van Amsterdam (Noord-Holland)
Cultuur
Van Nellefabriek (Zuid-Holland)
Cultuur
i: Het vertegenwoordigt een meesterwerk van een creatief menselijk genie; ii: Het stelt een belangrijke interactie van menselijke waarden tentoon, over een tijdspanne of binnen een cultureel gedeelte van de wereld, voor ontwikkelingen in architectuur of technologie, monumentale kunsten, stadsontwerp of landschapsinrichting iv: Het is een bijzonder voorbeeld van een type gebouw of architectonisch of technologisch ensemble of landschap, dat (een) significante stap(pen) in de menselijke geschiedenis voorstelt i: Het vertegenwoordigt een meesterwerk van een creatief menselijk genie; ii: Het stelt een belangrijke interactie van menselijke waarden tentoon, over een tijdspanne of binnen een cultureel gedeelte van de wereld, voor ontwikkelingen in architectuur of technologie, monumentale kunsten, stadsontwerp of landschapsinrichting viii: Het bevat uitstekende voorbeelden van belangrijke stadia van de geschiedenis van de aarde, met inbegrip van fossiele levensvormen, significante doorlopende geologische processen in de ontwikkeling van landvormen en significante geomorfologische en fysiografische kenmerken; ix: Het is een bijzonder voorbeeld van belangrijke lopende ecologische en biologische processen in de evolutie en ontwikkeling van ecosystemen op het land, in zoet water, aan de kust en in en op zee, en van gemeenschappen van planten en dieren.
x: Het herbergt de belangrijkste natuurlijke habitats voor het behoud van biodiversiteit, inclusief die welke bedreigde soorten herbergen van buitengewone, universele betekenis. i: Het vertegenwoordigt een meesterwerk van een creatief menselijk genie; ii: Het stelt een belangrijke interactie van menselijke waarden tentoon, over een tijdspanne of binnen een cultureel gedeelte van de wereld, voor ontwikkelingen in architectuur of technologie, monumentale kunsten, stadsontwerp of landschapsinrichting iv: Het is een bijzonder voorbeeld van een type gebouw of architectonisch of technologisch ensemble of landschap, dat (een) significante stap(pen) in de menselijke geschiedenis voorstelt ii: Het stelt een belangrijke interactie van menselijke waarden tentoon, over een tijdspanne of binnen een cultureel gedeelte van de wereld, voor ontwikkelingen in architectuur of technologie, monumentale kunsten, stadsontwerp of landschapsinrichting iv: Het is een bijzonder voorbeeld van een type gebouw of architectonisch of technologisch
55
Willemstad (Curacao)
Cultuur
ensemble of landschap, dat (een) significante stap(pen) in de menselijke geschiedenis voorstelt ii: Het stelt een belangrijke interactie van menselijke waarden tentoon, over een tijdspanne of binnen een cultureel gedeelte van de wereld, voor ontwikkelingen in architectuur of technologie, monumentale kunsten, stadsontwerp of landschapsinrichting iv: Het is een bijzonder voorbeeld van een type gebouw of architectonisch of technologisch ensemble of landschap, dat (een) significante stap(pen) in de menselijke geschiedenis voorstelt v: Het is een uitzonderlijk voorbeeld van een traditionele menselijke bewoning, landgebruik of zeegebruik, dat representatief is voor een cultuur (of culturen) of menselijke interactie met zijn omgeving, in het bijzonder wanneer het kwetsbaar is geworden door onomkeerbare veranderingen
56
Bijlage 4 Totstandkoming en begrenzing van de geselecteerde gebieden
57
58