CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage mail Nationaal landschap

Oordeelsvormende vergadering 11 april 2023, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Leidraad ontwikkeling Hoeksche Waard24.508 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Daardoor is een rijke en gevarieerde natuur ontstaan, die vanuit internationaal perspectief uniek is. Nederland ingedeeld in vier zones Naar de mening van de commissie is juist de unieke combinatie van de oorspronkelijke deltanatuur en door de mens gevormde landschappen in Nederland van grote internationale betekenis. Daarin zijn globaal vier zones te onderscheiden, te weten: I. De kust, van het Waddengebied; via de Hollandse vastelandsduinen tot en met de Zuidwestelijke Delta. II. Het rivierengebied, gevormd door de stroomgebieden van de Maas en de Rijn. III. Laag Nederland met de zeeklei- en veenweidepolders en de droogmakerijen. IV. De zandgronden van Hoog-Nederland, met hun beekdalen en (voormalige) hoogvenen (inclusief het Zuid-Limburgse Heuvelland). Met name de landschappen van Laag Nederland (I, II en III) zijn internationaal van grote tot zeer grote betekenis, omdat zij natuurlijke omstandigheden en ontginningspatronen bevatten die elders

19

in de wereld niet op die schaal voorkomen. 26 Vanuit internationaal perspectief zijn met name de overgangszones rond deze landschappen zowel aan zee- als landzijde uniek vanwege hun milieuomstandigheden en de heel bijzondere natuur die daardoor ontstaan is. Het gaat grofweg om de volgende twee overgangszones: • De dynamische, zandige en slibbige ondiepe kustzone langs de Noordzee en Waddenzee. • De overgang van Hoog Nederland naar Laag Nederland met de monding van beeksystemen en uittredend grondwater in het laagveen- en rivierengebied.

3.2 Werkwijze van de commissie Zoals aangegeven, is de commissie in zijn zoektocht naar Nationale Parken van Wereldklasse, waarin onze unieke natuur, onze unieke landschappen en ons unieke cultuurhistorisch erfgoed samenkomen, gestart met een beschouwing van de uitzonderlijke universele waarde van gebieden vanwege: • Unieke natuur en natuurlijke processen; • Uitzonderlijk menselijk vernuft, en/of; • Bijzonderheid vanwege de wijze waarop mensen in wisselwerking met hun omgeving bijzondere landschappen met unieke ecosystemen hebben gevormd. Daarbij hebben wij vanzelfsprekend ook gekeken naar de noodzakelijke omvang (zie paragraaf 2.2) en de landschappelijke en ecologische samenhang in die gebieden. Daartoe is de commissie begonnen met het maken van een clustering van unieke natuurgebieden van internationale betekenis. 27 Vervolgens heeft de commissie prioriteit gegeven aan de natuurclusters die volgens Farjon et al. (2001) 28 binnen de zones met landschapstypen van “zeer grote internationale betekenis” en “grote internationale betekenis” vallen. Dat resulteert in geprioriteerde natuurclusters in de hele kustzone (Zone I: Wadden, Duinen en Delta).

Daarnaast komt nog een cluster op de overgang tussen Hoog en Laag Nederland in aanmerking voor selectie: de Veluwe en de IJsseldelta overgaand in het noordelijke laagveengebied (Wieden-Weerribben, Mastenbroek) en vervolgens in het Drents Plateau met zijn beekdalen en hoogveenontginningen. Ook daar gaat natuur van internationale betekenis gepaard met landschap van internationale betekenis. Vooral het feit dat de ecologische samenhang van hoog naar laag via de Drentse hogere zandgronden naar de laagveenmoerassen en veenpolders van de Wieden-Weerribben nog behoorlijk intact is, is doorslaggevend geweest voor selectie van dit cluster. Voor de beschouwing van het cultuurhistorisch erfgoed in de geselecteerde clusters is de commissie uitgegaan van de kaart uit de Belvedere-nota (1999) met de Belvedere-gebieden, aangevuld met de UNESCO-Werelderfgoed gebieden in de categorie cultuur. Weliswaar is deze Belvedere kaart door de rijksoverheid in 2012 verlaten als beleidskaart (zie paragraaf 1.2.1), maar het is de laatste kaart die een nationale synthese biedt van het cultuurhistorisch erfgoed.

26

Haartsen, A.J., A.P. de Klerk, J.A.J. Vervloet en G.J. Borger (1989). Levend verleden: een verkenning van de cultuurhistorische betekenis van het Nederlandse landschap. Achtergrondreeks Natuurbeleidsplan 3. ’sGravenhage; en Farjon, J.M.J., G.H.P. Dirkx, A.J.M. Koomen, J.A.J. Vervloet en G.W. Lammers (2001). Nederlandschap Internationaal: de internationale betekenis van het Nederlandse landschap op kaart. Rapport 358. Alterra Wageningen UR. Wageningen 27 De commissie heeft daartoe zelf een werkkaart gemaakt met een clustering van de bestaande Natura 2000gebieden, bestaande Nationale Parken en bestaande UNESCO Werelderfgoedgebieden in de categorie natuur. 28 Farjon, J.M.J., G.H.P. Dirkx, A.J.M. Koomen, J.A.J. Vervloet en G.W. Lammers (2001). Neder-landschap Internationaal: de internationale betekenis van het Nederlandse landschap op kaart. Rapport 358. Alterra Wageningen UR. Wageningen

20

3.3 Nationale Parken van Wereldklasse Aldus komt de Commissie tot twee samenhangende clusters die in Nederland van universele waarde zijn, en die mogelijke Nationale Parken van Wereldklasse omvatten: 1. De kustzone van Cadzand (Zeeland) tot de Eemshaven (Groningen) met Delta, Duinen en Wadden. 2. Binnen de overgang van Hoog naar Laag Nederland het aaneengesloten gebied van de Veluwe via de IJsseldelta naar Noordwest-Overijssel en het Drents Plateau. De commissie heeft deze twee grote clusters gesplitst in vijf potentiële Nationale Landschapsparken zodat er sprake is van herkenbare gebieden met een logische begrenzing, die ook ecologisch gezien samenhangen. Het ecologisch functioneren van onze Delta met zijn zeearmen, zilte en zoete meren en eilanden verschilt immers wezenlijk van het functioneren van onze duinen en van het Waddengebied. Vandaar dat de kustzone is gesplitst in drie potentiële parken. Ook de hoog-laag overgang van de Veluwe naar Gelderse Vallei, Randmeren, IJsselvallei en IJssel functioneert duidelijk anders dan die van de lage polders en de uiterwaarden in de IJsseldelta via Noordwest-Overijssel naar het Drents Plateau. Vandaar de splitsing in twee potentiële parken in dit tweede samenhangende cluster.

Kortom, de commissie komt tot vijf potentiële Nationale Parken van Wereldklasse die aan de criteria van UNESCO Werelderfgoed in de gemengde categorie kunnen voldoen: de Nationale Landschapsparken. De nadere onderbouwing daarvan wordt gegeven hoofdstuk 4. Het gaat om de volgende vijf gebieden (zie Figuur 1). • • • • •

Het Waddengebied; De Hollandse vastelandsduinen, van Den Helder tot Hoek van Holland); De Zuidwestelijke Delta, vanaf de Biesbosch tot en met de zone voor de kust van Zeeland; De Veluwe, met de overgangen naar de Rijn, de IJssel en de randmeren; IJsseldelta en Wieden-Weerribben, met overgangen naar het Drents Plateau.

De commissie heeft zich ook kritisch gebogen over de selectie van mogelijke andere kandidaten. Ook de veenweiden, droogmakerijen, het rivierengebied en de zeekleipolders zijn landschappelijk en cultuurhistorisch immers uniek in de wereld. De Commissie heeft echter geconstateerd dat zich hier geen aaneengesloten natuurgebieden van voldoende omvang en internationale betekenis bevinden die de kern kunnen zijn van een Nationaal Park van Wereldklasse.

3.4 De begrenzing van de geselecteerde gebieden Om de potentiële Nationale Landschapsparken in Figuur 1 precies te kunnen begrenzen is de commissie gestart vanuit drie typen bronnen, te weten: vigerend beleid, relevant beleid uit het verleden en zogenaamde waarderingskaarten. Deze drie typen bronnen zijn weergegeven op de kaart “Bronbestanden” in bijlage 4. Onder vigerend beleid vallen de Nationale parken, de Natura 2000-gebieden en de kaart “Natuur Netwerk Nederland”. Het relevante beleid uit het verleden omvat de begrenzingen van de Belvedere gebieden en de Nationale landschappen. De waarderingskaarten betreffen twee bronnen: De essenties van het Nederlandse Landschap 29 en de kaart “contactzones” uit het Toekomstbeeld Zuidwestelijke Delta 30. 29

Luiten, E. (2017). Essenties van het Nederlandse landschap. Versie 6 februari 2017. De kaart is gebaseerd op de inzichten over cultuurhistorisch erfgoed van 2016. Actualisaties die nadien zijn doorgevoerd zijn niet in dit rapport meegenomen. 30 Deltaprogramma, deelproject Zuidwestelijke Delta. Atelier Zuid Westelijke Delta (2009), Toekomstbeeld.

21

Per Nationaal Landschapspark heeft de commissie gekeken in hoeverre de begrenzing direct gebaseerd kan worden op deze bronbestanden, of dat er een nadere interpretatie nodig is die om een nadere onderbouwing vraagt. Om dit te verduidelijken is in bijlage 4 de kaart “Lagenopbouw Nationale Landschapsparken” opgenomen. In die kaart is voor de Nationale Landschapsparken weergegeven waar de begrenzing ligt van gebieden die formeel zijn aangewezen in beleid of regelgeving. Dit noemen we de basislaag. Vervolgens is in de kaart een tweede laag weergegeven met ruimtelijke schakels die zorgen voor een logische begrenzing die inhoud geeft aan de ambitie van de commissie om de invalshoeken natuur, cultuurhistorie en landschap zorgvuldig te integreren op het niveau van landschapssystemen. Dit noemen we de systeemlaag. Tezamen vormen deze lagen de begrenzing van de Nationale Landschapsparken zoals weergegeven in Figuur 1. De commissie heeft dus geen bestuurlijke grenzen (gemeenten, provincies of waterschapen) aangehouden, behalve als die ‘toevallig’ samenvallen met ecologische, historisch-geografische of landschappelijk logische grenzen. In Figuur 1 zijn voor de duidelijkheid wel de gemeentegrenzen afgebeeld. In hoofdstuk 4 wordt per potentieel Nationaal Landschapspark de precieze begrenzing toegelicht.

22

Figuur 1 Voorgestelde selectie en begrenzing van vijf Nationale Landschapsparken

23

3.5 Mogelijke bijdrage aan nationale opgaven Elk Nationaal Landschapspark heeft andere mogelijkheden om een bijdrage te kunnen leveren aan de nationale opgaven, zoals benoemd in paragraaf 2.2. In algemene zin is de commissie van mening dat de Nationale Landschapsparken vanwege hun omvang en vanwege het overwegend groene karakter een groot potentieel herbergen, om nu en in de toekomst oplossingen te bieden voor nationale (ruimtelijke) opgaven. Hierna worden de in paragraaf 2.2. geïdentificeerde opgaven kort beschreven en staan wij op hoofdlijnen stil bij het potentieel van de Nationale Landschapsparken. In het aparte bijlagenrapport bij dit rapport wordt dat voor elk park afzonderlijk gepreciseerd.

3.5.1 Herstel biodiversiteit

De Nationale Landschapsparken herbergen de Nederlandse topnatuur, -landschap en -cultureel erfgoed. Dankzij hun omvang kan met gerichte maatregelen de biodiversiteit blijvend worden verbeterd en kunnen natuur, landschap en duurzame bedrijvigheid samengaan. Het gaat niet goed met de biodiversiteit in Nederland. De aanleg van het Natuurnetwerk Nederland en de aanwijzing van Natura 2000-gebieden is onvoldoende gebleken om biodiversiteitsverlies in kwetsbare levensgemeenschappen te stoppen en voor alle soorten duurzame condities te creëren. Dit probleem speelt niet alleen in Nederland, maar in heel Europa en wereldwijd. 31 Het Nederlandse beschermde natuurareaal (14 procent; inclusief mariene gebieden) ligt onder het EU-gemiddelde. De grootste verliezen in biodiversiteit vonden plaats in de twintigste eeuw tot 1960: de biodiversiteit was toen met bijna de helft afgenomen ten opzichte van die van 1900. Sinds 1990 lijkt de biodiversiteit in Nederland zich te stabiliseren op een niveau van ongeveer eenderde van die van 1900. Daarbij hebben de populaties van inheemse planten- en diersoorten gemiddeld nog maar een omvang van 15 procent van de natuurlijke situatie. Sinds 1990 zijn diverse inspanningen gedaan om het biodiversiteitsverlies te stoppen, zoals de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland, de vroegere Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Dat leidde tussen 1990 en 2012 tot de realisatie van bijna 60.000 hectare nieuwe natuur, met als resultaat dat verder biodiversiteitsverlies tot staan is gebracht. Maar, het heeft niet gezorgd voor een trendbreuk en de biodiversiteit nam niet verder toe. Het biodiversiteitsverlies is in Nederland groter dan elders in Europa. Ook de invoering van het Europese natuurnetwerk Natura 2000 heeft het tij vooralsnog niet weten te keren: nog geen 10% van de in de Nederland voorkomende habitattypen is in een gunstige staat van instandhouding; ongeveer 90% heeft een matige tot zeer ongunstige staat van instandhouding. Ook in de Natura 2000-gebieden is nog steeds sprake van verlies aan biodiversiteit. Vooral in heiden, duinen en agrarisch gebied vermindert de biodiversiteit nog steeds. Bossen en halfnatuurlijk grasland vertonen geen afnemende trend en moerassen stabiliseren zich in kwaliteit de laatste jaren na een eerdere forse afname. Het stoppen en keren van verder biodiversiteitsverlies vraagt om grotere, aaneengesloten gebieden die door hun omvang perspectief bieden voor meer robuuste en veerkrachtige ecosystemen. Nationale Landschapsparken hebben vanwege hun omvang de potentie onze meest bijzondere, dat wil zeggen de Europees beschermde, natuur in een gunstige staat van instandhouding te brengen.

In de vijf geselecteerde Nationale Landschapsparken bevindt zich een groot areaal van (voor Nederlandse begrippen) betrekkelijk weinig versnipperde heiden, duinen en moerassen, waarvan de biodiversiteit onder grote druk staat en waarvoor Nederland een grote internationale verantwoordelijkheid draagt. Deze betrekkelijk gunstige uitgangstoestand en de omvang van de beoogde Nationale Landschapsparken maken hier maatregelen op landschapsschaal mogelijk, die 31

Wereld Natuur Fonds (2020). Living Planet Report: Natuur in Nederland.

24

zorgen voor herstel van de juiste milieuomstandigheden en van de (natuurlijke) processen die deze in standhouden. Het gaat daarbij vooral om maatregelen die de natuurlijke waterhuishouding en dynamische processen (zoals verstuiving, overstromingen en getijdewerking) versterken en de depositie van stikstof verminderen. De vermindering van de stikstofdepositie kan heel goed worden gecombineerd met een verdere vermindering van de versnippering van natuurkernen, door middel van het gericht bevorderen van kringlooplandbouw die past bij de natuur, om en tussen de aanwezige natuurgebieden. Alleen vanwege de ruimte die de Nationale Landschapsparken bieden kunnen zij een proeftuin zijn voor de landbouwtransitie. Bovendien bieden de Nationale Landschapsparken de ruimte om te experimenteren met nieuwe relaties tussen economische functies en biodiversiteit. In plaats van de huidige concurrentiestrijd tussen bedrijvigheid en natuur, kunnen de Nationale Landschapsparken gebieden worden met robuuste natuur en landschap waar letterlijk ruimte is voor duurzame bedrijven.

3.5.2 Toekomstbestendig waterbeheer Door hun grote landschappelijke schaal herbergen de Nationale Landschapsparken een flink potentieel voor natuurlijke klimaatbuffering en waterberging. Het thema verdroging staat al lange tijd op de agenda. Binnen de Ecologische Hoofdstructuur, nu het Nationaal Natuurnetwerk (NNN), is volop ervaring opgedaan met het herstel van watersystemen als cruciale randvoorwaarde voor hoge biodiversiteit. In hoog Nederland zijn diverse projecten uitgevoerd, zoals hydrologisch herstel van beekdalen, vernatting van hoogvenen en herstel van natte zandlandschappen. In laag Nederland is gepoogd de (agrarische) verlaging van het grondwaterpeil te keren of buiten de deur te houden met herinrichtingsprojecten (peilverhogingen) voor natuur. Ook in de duinen is succesvol gewerkt aan het herstel van de hydrologie via vernatting (natte duinvalleien en duinbeken), duinverbreding en het verwijderen van naaldbossen om de oorspronkelijke vegetatie te herstellen. Desondanks zijn nog steeds grote oppervlakten natuur ernstig verdroogd, zowel binnen de Natura 2000-gebieden als daarbuiten. Behalve het bestrijden van droogte is ook de noodzaak van extra waterberging in (of aangrenzend aan) natuurgebieden toegenomen, om piekbelastingen met regenwater te kunnen opvangen.

De Commissie Waterbeheer 21e eeuw becijferde in 2000 dat in 2015 40.000 ha extra waterbergingsgebied nodig was en 100.000 hectare in 2050. De gedachte was dat die extra hectares (deels) gevonden zouden kunnen worden in de hectaren natuurontwikkeling voor het Natuurnetwerk Nederland. Door waterberging te creëren op de juiste locaties in het landschap en met goede inrichtingsontwerpen zijn potentiële nadelen voor natuur (verkeerd water op het verkeerde moment op de verkeerde plek) namelijk te voorkomen. Sinds de bezuinigingen op het natuurbudget onder het kabinet Rutte I is het verder opschalen van veelbelovende projecten voor waterberging aanzienlijk vertraagd. Vanwege de extreme droogte(n) (watertekorten) in de afgelopen jaren en de urgentie van het klimaatbeleid is er nieuw elan (en mogelijk ook financiering) ontstaan in het herstel van hoogwaardige en robuuste ecohydrologische systemen. Niet alleen natuur maar ook de landbouw en stedelijke functies hebben ernstig last van de grote zoetwatertekorten doordat we het surplus aan regenwater, kwelwater en water dat ons bereikt via de grote rivieren nog steeds veel te snel afvoeren naar zee. We bufferen dit water te weinig.

Op het grensvlak van waterbeleid, klimaatbeleid en natuur- en landschapsbeleid bieden de zogenaamde ‘natuurlijke klimaatbuffers’ mogelijke oplossingen evenals combinaties van waterberging met landschapsherstel, zoals herstel van historische inundatiesystemen of vloeiweiden. De vijf geselecteerde Nationale Landschapsparken bieden de ruimte om op grote schaal water vast te

25

houden. Die ruimte kan zowel bovengronds worden gevonden, door het watervasthoudend vermogen in de bodemprofielen en in de rivier- en beeksystemen te vergroten, als ondergronds door het goede zoete water beter te laten infiltreren of te injecteren. De voorgestelde Nationale Landschapsparken bieden een doorsnede door de verschillende landschapstypen in Nederland, waar de mogelijkheden voor oplossingen verschillen. Daarom zijn de Nationale Landschapsparken geschikte proefgebieden voor het zoeken van oplossingen op het gebied van waterbuffering en klimaatadaptatie.

3.5.3 Stikstofreductie Nationale Landschapsparken bieden perspectief aan landbouwbedrijven voor nieuwe verdienmodellen waarmee zij hun stikstofuitstoot verminderen. Bij menselijke activiteiten komt stikstof (of beter: stikstofverbindingen) in grote hoeveelheden vrij. In Nederland gaat het vooral om de uitstoot van stikstofverbindingen via dierlijke mest (ammoniak), door verkeer (weg- en luchtverkeer) en de industrie (Stikstofoxiden). De neerslag van stikstof leidt tot problemen in natuurgebieden. De duurzame instandhouding van die natuurgebieden is alleen mogelijk als de uitstoot van stikstof verregaand wordt teruggedrongen. Om dat te verwezenlijken werd in 2015 het Programma Aanpak Stikstof (PAS) geïntroduceerd. Het PAS had als doel om de hoeveelheid stikstof terug te dringen, de natuur te versterken en tegelijkertijd economische ontwikkeling mogelijk te maken. Het PAS bevat de basis om toestemming te geven voor activiteiten die stikstof uitstoten. Het is een systeem dat aan de ene kant ruimte biedt aan activiteiten die stikstof veroorzaken, zoals vergunningen voor veehouderijen of aanleg van wegen. Aan de andere kant bevat het PAS tegelijkertijd maatregelen om de nadelige gevolgen van stikstof op natuurgebieden te verminderen. Het PAS loopt daarbij vooruit op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden.

Nieuwe activiteiten krijgen toestemming en de positieve gevolgen voor bescherming van de natuur tegen stikstof worden achteraf gerealiseerd. De Raad van State deed in 2019 uitspraak dat het PAS niet voldeed, omdat volgens de voorwaarden van de Europese Habitatrichtlijnen ook bij het PAS de positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden vooraf vast zouden moeten staan. Pas dan kan de overheid een nieuwe activiteit toestaan. Bovendien wordt in het PAS ook toestemming voor activiteiten gegeven op basis van maatregelen in natuurgebieden die nodig zijn voor het voorkomen van achteruitgang van die gebieden. Ook dat mag niet. De Raad van State zette daarmee een streep door vergunningen waarbij voor veehouderijen waarbij gebruik is gemaakt van het PAS. Daarnaast kwam nieuwe vergunningverlening voor diverse economische sectoren die stikstof uitstoten (o.a. bouw, landbouw, luchtvaart) stil te liggen. In juni 2020 adviseerde het Adviescollege Stikstofproblematiek (Commissie Remkes) het Kabinet over manieren om uit de stikstofimpasse te komen. In zijn eindrapport stelt het Adviescollege dat reductie van stikstofdepositie nodig is, maar onvoldoende zal zijn als dit niet wordt gecombineerd met natuurherstel. Om vervolgens te constateren dat “duurzaam natuurherstel (..) in vrijwel alle natuurgebieden om een serieuze inspanning” vraagt.

Het Adviescollege acht het noodzakelijk om in te zetten op het robuuster maken en beter verbinden van natuurgebieden. “Daarvoor zijn toereikende overgangsgebieden rond natuurgebieden en onderlinge verbindingen (corridors) van belang.” De overmaat aan stikstof die sinds het midden van de twintigste eeuw is neergedaald, bevindt zich nog steeds voor een heel groot deel in de natuurgebieden en bemoeilijkt er de totstandkoming van de voedselarme(re) condities die nodig zijn voor natuurherstel op grotere schaal. In de Nationale Landschapsparken die onze commissie heeft geselecteerd is de unieke natuur ingebed in een ruime

26

omgeving met evenzeer uniek landschap en cultuurhistorisch erfgoed van internationale betekenis. Het is juist die inbedding van de natuur in een ruimere omgeving die volgens het Adviescollege Stikstofproblematiek kan bijdragen aan de veerkracht en robuustheid – en daarmee aan het herstel – van de natuur. Bovendien kan de Nationale Landschapsparkstatus helpen om minder stikstofintensieve (lees extensievere) vormen van landbouw te stimuleren. Althans in die delen van de Nationale Landschapsparken die vanuit de landschappelijke waarde of erfgoedwaarde belangrijk zijn (niet natuur). De Nationale Landschapsparken kunnen als het ware fungeren als proeftuinen voor het ontwikkelen van landbouwbedrijven die bijdragen aan de stikstofreductie. Naast andere, schonere, landbouwmethoden als verdienmodel, waarbij bijvoorbeeld ook streekproducten kunnen worden gepromoot met een Nationaal Landschapspark label, zijn andere inkomstenbronnen mogelijk, bijvoorbeeld uit recreatie en toerisme. Vanzelfsprekend moet in de Nationale Landschapsparken de uitstoot van stikstof aanzienlijk worden gereduceerd en een grotere afstand worden gecreëerd tussen ammoniak-uitstotende bedrijven en kwetsbare natuurkernen. Dit zal wel een beëindiging, verplaatsing of een omvorming van vervuilende bedrijven noodzakelijk maken, denk aan de intensieve veehouderij in de landbouwenclave op de Veluwe.

Wat industrie en verkeer betreft liggen de mogelijkheden vooral in de ontwikkeling en toepassing van (aanzienlijk) minder vervuilende productie- en vervoermethoden en de vestiging van niet-vervuilende bedrijven.

3.5.4 CO2-reductie De Nationale Landschapsparken kunnen een beperkte bijdrage leveren aan het terugdringen van broeikasgassen door zorgvuldig grondwaterbeheer, bosuitbreiding en energieproductie. De CO2-concentratie in de atmosfeer stijgt al sinds decennia gestaag. Sinds 1980 stijgen de CO2concentraties echter steeds sneller ten gevolge van toenemende uitstoot door de mens. Dit wordt veroorzaakt door emissies van industrie, verkeer, landbouw, energieopwekking en huishoudens. Bovendien veroorzaakt de wijze van landgebruik extra CO2-uitstoot; veengebieden stoten bijvoorbeeld door voortdurende ontwatering grote hoeveelheden CO2 uit. Overigens laat de totale uitstoot van broeikasgassen in Nederland sinds 2015 een lichte daling zien, vooral ten gevolge van de reductie van CO2-emissies. Om te voldoen aan de Klimaatdoelstellingen van Parijs moet in 2050 een reductie van broeikasgassen plaatsvinden van 95% ten opzichte van 1990. Dit is vastgelegd in de Klimaatwet (2019). Als tussenstap voor de weg daarnaartoe wil Nederland de uitstoot in 2030 met 49% gereduceerd hebben. Het Kabinet heeft in het klimaatakkoord (2019) beschreven hoe die reductie bereikt moet worden. De reductiedoelen vragen om 1) beperking van de uitstoot, 2) opslag van CO2 en andere broeikasgassen, en 3) een volledig klimaatneutrale energieproductie (in 2050).

Ad 1) Op veengronden in het landelijk gebied kan in principe een belangrijke bijdrage aan de beperking van de CO2-uitstoot geleverd worden. In slechts één van de geselecteerde Nationale Landschapsparken is echter veengrond aanwezig, in IJsseldelta-Weerribben. Veengronden in Nederland zijn grotendeels in gebruik als landbouwgrond. Door het beheer van het grondwaterpeil dat daarvoor nodig is, komt er voortdurend CO2 vrij uit de veenbodems. Een strategie gericht op het vernatten van deze veengebieden kan een bijdrage leveren aan de noodzakelijke opslag van CO2. Dat heeft uiteraard wel gevolgen voor het type landbouw dat er nog mogelijk is. 32 Het Nationale Landschapspark IJsseldelta-Weerribben zou hiervoor als proeftuin kunnen fungeren. Ad 2) Groeiende bossen leggen CO2 vast. Opslag van CO2 kan daarom plaatsvinden door uitbreiding van de oppervlakte aan bos. Wanneer houtkap achterwege blijft, gaat het om ongeveer 3 ton 32

Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (2020). Stop bodemdaling in veenweidegebieden: het Groene Hart als voorbeeld.

27

CO2/ha/jr. Het gaat dus nadrukkelijk niet om de productie van biomassa voor biomassacentrales. Op dit moment is er ongeveer 360.000 ha bos in Nederland. Een strategie voor de Nationale Landschapsparken die zich richt op de uitbreiding van het bosareaal past in de trend dat het bosareaal in Nederland in de afgelopen 200 jaar is verdrievoudigd. Het kabinet en de provincies hebben zich bovendien gezamenlijk voorgenomen om voor 2030 37.000 ha nieuw bos aan te leggen. Bij een dergelijke strategie zijn er enkele kanttekeningen: • Bosuitbreiding zorgt weliswaar voor extra CO2-opslag, maar ten opzichte van de omvang van de totale CO2-uitstoot is die bijdrage beperkt. Het huidige areaal aan bos en andere vegetatie legt bijna 3,6 megaton CO2 vast. De oppervlakte van Nederland is te klein om de uitstoot van CO2 volledig te compenseren met oppervlakte bos. • Van geval tot geval moet bekeken worden of bosaanplant wenselijk is vanuit het oogpunt van biodiversiteit en landschappelijke verscheidenheid. Ad 3) Om aan de doelstellingen voor 2050 te kunnen voldoen streeft Nederland naar een CO2neutrale energieproductie, door middel van o.a. wind- en zonne-energie, het opwekken van warmte uit de bodem of het water. Deze toepassingen hebben veel ruimte nodig.

In Nationale Landschapsparken is die ruimte, vanwege de bescherming van met name natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden, beperkt of zelfs geheel afwezig. Duidelijke uitzondering is de Zuidelijkwestelijke Delta.

3.5.5 Circulair maken van de economie Nationale Landschapsparken zijn de ideale proeftuinen voor een succesvolle landelijke transitie naar een circulaire en duurzame plattelandseconomie. De rijksoverheid streeft een volledig circulaire economie na in 2050, met als tussendoel voor 2030 een halvering van het (primaire) grondstoffengebruik . Bovendien is het de inzet van het kabinet dat “in de landbouw kringlopen van grondstoffen en hulpbronnen in 2030 op een zo laag mogelijk – nationaal of internationaal – schaalniveau zijn gesloten en dat Nederland koploper is in kringlooplandbouw.” Denk aan grondstoffen en hulpbronnen als diervoeders, mest, plaagbestrijders en energie. Deze keuzes zijn ook neergelegd in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Natuurinclusieve landbouw sluit uitermate goed aan bij deze inzet. De door ons geselecteerde Nationale Landschapsparken kunnen een rol spelen bij deze transitie, door hen in aanvulling op de in paragraaf 3.4 genoemde kansen voor de transformatie van de landbouw, als proeftuinen te laten dienen voor circulaire landbouw en voor het duurzaam benutten van natuurlijke grondstoffen. In de Nationale Landschapsparken kan op de relatief korte termijn (2030) het grondgebruik door de landbouw worden afgestemd op de draagkracht van de in het Nationaal Landschapspark gelegen natuur.

Daarmee hebben ze een voorbeeldfunctie voor de rest van Nederland, gericht op de nationale doelen in 2050. De Nationale Landschapsparken kunnen via 1) voedselproductie en 2) hout en vezels bijdragen aan de transitie naar een duurzame en circulaire plattelandseconomie. Ad 1) Voedsel De agrarische cultuurlandschappen die als ‘buffer’ naast de natuurkernen van de Nationale Landschapsparken liggen hebben betekenis als cultuurhistorisch waardevol gebied. Ook zijn het aantrekkelijke landschappen voor recreatie. Dat betekent dat in deze gebieden de toekomst van de landbouw ligt in grondgebonden landbouw en niet in de gebouwgebonden land- en tuinbouw. Dit

28

laatste leidt namelijk tot ongewenste verstening en verstedelijking van de landschappen en daarmee tot verlies van waarde. Om in een Nationaal Landschapspark het landschapssysteem duurzaam in stand te houden en de natuurlijke processen daarbinnen te herstellen, is het van belang dat het landbouwkundig gebruik of geen impact heeft op dit systeem of nog beter: daar een positieve bijdrage aan levert. Het gaat om vormen van landbouw die zoveel mogelijk emissieloos zijn, geen grondstoffen verspillen en de natuurlijke rijkdom van het milieu niet verarmen. Redenerend vanuit dit streefbeeld zijn er binnen de Nationale Landschapsparken twee verschillende richtingen denkbaar voor de ontwikkeling van de landbouw: • natuurinclusieve kringlooplandbouw, waarbij een deel van de grond van een bedrijf extensief wordt gebruikt (bv grasland voor weidevogels of houtwallen tussen de kavels); dit vraagt bij gelijkblijvende productie om meer ruimte of om minder productie op dezelfde ruimte. • high-tech kringlooplandbouw (precisielandbouw) die optimaal de productiemogelijkheid op een plek benut en daardoor juist minder ruimte nodig heeft. Deze vorm van landbouw kan specifiek profiteren van de beschikbaarheid van kwalitatief goed water in de Nationale Landschapsparken (wanneer voldoende waterberging in grond- en oppervlaktewater gerealiseerd wordt).

Beide vormen van landbouw hebben als randvoorwaarde dat ze de natuurlijke bodemvruchtbaarheid niet verstoren. Met name op zandgronden en veengronden stelt dat randvoorwaarden aan de productie en het gebruik van mest en bestrijdingsmiddelen. In de komende jaren wordt in Nederland een groot aantal bedrijfsbeëindigingen in de landbouw verwacht. Vanuit het thema circulariteit kunnen de Nationale Landschapsparken juist proeftuinen zijn om het landbouwbedrijf op andere – duurzame – manieren voort te zetten en om agrarische bebouwing te ‘hergebruiken’ voor bijvoorbeeld recreatieve functies, culturele functies of woonfuncties. Ad 2) Hout en natuurvezels In Nederland wordt jaarlijks 1 miljoen m3 hout geoogst. Dit voorziet voor acht procent in de Nederlandse houtbehoefte. Jaarlijks groeit er twee keer zoveel hout aan in de Nederlandse bossen. Op dit moment beslaat het Nederlandse bosareaal 360.000 ha, waarvan 46% loofhout en 54% naaldhout (loofhout legt meer CO2 vast dan naaldhout). Het Kabinet heeft recent een uitbreiding van het bosareaal met 10% aangekondigd. Vanuit het oogpunt circulariteit/ hergebruik van materialen – en CO2-opslag – is hout als bouwmateriaal de laatste jaren herontdekt. De verwachting is dat hierdoor de vraag naar hout zal stijgen. Bij het beheer van natuurgebieden en in de landbouw komen veel natuurvezels vrij, zoals riet, waterplanten en vlas.

Nu worden deze nog vaak gecomposteerd, terwijl inmiddels bekend is dat deze als grondstof kunnen dienen voor textiel of de basis kunnen vormen voor zogenaamde ‘biocomposieten’. Biocomposieten kunnen worden gebruikt ter vervanging van reguliere materialen zoals aluminium of glasvezels. De Nationale Landschapsparken bieden kansen om het bosareaal uit te breiden. Door middel van een verantwoord bosbeheer kan de houtoogst worden vergroot ten behoeve van duurzaam bouwen, zonder de natuurwaarden aan te tasten. Bovendien kan de oogst van riet, waterplanten en struweel deels voorzien aan de behoefte aan vezels, evenals de productie van vezelgewassen op landbouwgrond in de Nationale Landschapsparken.

29

3.5.6 Bevorderen van de gezondheid De Nationale Landschapsparken kunnen in ons steeds voller rakend land, met een ouder wordende bevolking, bijdragen aan een betere volksgezondheid en de inspiratiebron worden voor meer groen elders. In de vorige eeuw werd naar de relatie stad-land vooral gekeken als een probleem van openbaar toegankelijk groen voor een recreatiebehoeftige en groeiende stedelijke bevolking. Tekorten aan stedelijk groen werden berekend op basis van een minimum aan vierkante meters groen per inwoner en er werden overheidsprogramma’s uitgevoerd om die tekorten te verminderen. Gaandeweg is het achterliggende motief voor die openluchtrecreatie, het wandelen en fietsen, meer en meer op gezondheid(bevordering) komen te liggen. Nationale Landschapsparken kunnen onder andere ruimte, rust en schone lucht bieden. De Gezondheidsraad stelde in 2017 33: “Recreatie in het groen is belangrijk voor de volksgezondheid in Nederland. De afgelopen decennia zijn de mogelijkheden hiervoor in en om de steden achtergebleven bij de vraag van een groeiende bevolking. Een bevolking die bovendien vergrijst en die daardoor meer tijd heeft om buiten te verpozen. De Gezondheidsraad beveelt in dit advies aan om de mogelijkheden voor ‘groene recreatie’ in de stedelijke omgeving uit te breiden. Daarbij wordt ‘groen’ opgevat als natuur in brede zin, watercomponenten inbegrepen”.

De grote behoefte aan buitenruimte tijdens de huidige Corona lockdown is helaas een schrijnende onderstreping van de blijvende tekorten aan groene ruimte. De Universiteit Antwerpen publiceerde op 30 april 2020 de eerste onderzoeksresultaten waaruit blijkt dat van het extra natuurbezoek in coronatijd 90% van de respondenten zich ”.. fitter, positiever, meer ontspannen, minder angstig en gelukkiger” voelt. De Nationale Landschapsparken kunnen fungeren als groene proeftuinen voor een gezonde samenleving. Ze zijn een tegenwicht tegen verstening van de ruimte, door megastallen, distributiecentra en dichtbevolkte steden. Daarmee zijn ze tegelijkertijd een inspiratiebron voor meer groen elders, ook in steden.

33

Gezondheidsraad (2017). Gezond groen in en om de stad. Gezondheidsraad Nr. 2017/05, Den Haag

30

4 Onderbouwing per Nationaal Landschapspark 4.1 Het Waddengebied Het Waddengebied in het kort Uitzonderlijke universele waarden: • Zeldzame binnenzee, die bij eb voor een groot deel droogvalt. • Bijzondere internationale natuurwaarden, zoals grote aantallen trekvogels. • Unieke voorbeelden van de menselijke strijd tegen het water, zoals kwelderwerken, de Afsluitdijk en historische dijken. Aantal Natura 2000-gebieden: 8 Aantal Nationale Parken (oude stijl): 3 Aantal Belvedere-gebieden: 4 Aantal Nationale Landschappen: Aantal UNESCO Werelderfgoed: 1 De begrenzing De Waddenzee, die zich over een lengte van 500 kilometer uitstrekt langs de Deense, Duitse en Nederlandse kust, is al 2009 internationaal erkend als UNESCO Werelderfgoed. Het is één van de grootste getijdengebieden ter wereld, waar bij eb grote delen droogvallen in de vorm van wadplaten. Met deze aanwijzing is de bescherming van de natuurwaarden internationaal geborgd, maar om te kunnen functioneren als Nationaal Landschapspark waarin natuur, cultuurhistorisch erfgoed en landschap verbonden zijn, vindt de commissie uitbreiding van de begrenzing gewenst. Net als bij de Hollandse Vastelandsduinen (zie paragraaf 4.2) is het voor de zonering van de recreatief-toeristische ontwikkeling gewenst om binnendijks cultuurlandschap toe te voegen: de Waddeneilanden en het Fries-Groningse terpenlandschap.

Vanwege de kustverdedigingsstrategie wordt ook de ondiepe zone van de Noordzee, tot de NAP-20 meter zone, binnen de begrenzing van het Nationaal Landschapspark getrokken. Langs de Deense en Duitse kust is deze zone ook onderdeel van het Werelderfgoed. Ook de Eems-Dollard, die buiten de begrenzing van het Werelderfgoed valt maar wel Natura 2000-gebied is hoort volgens de commissie bij het geselecteerde gebied. De basis voor de voorgestelde begrenzing wordt gevormd door het UNESCO-Werelderfgoed Waddenzee op Nederlands grondgebied, waaraan voor de toekomstige robuustheid de volgende zones zijn toegevoegd: • De Eems Dollard en ondiepe Noordzeezone tot de NAP -20 meter lijn; deze zijn nu al Natura 2000 gebied. • De kwelders langs de Friese, Groningse en Noord-Hollandse Waddenkust; deze zijn al Natura 2000 gebied. • De vijf Waddeneilanden; met uitzondering van Texel zijn deze Waddeneilanden nu al grotendeels Natura 2000 gebied. Texel en Schiermonnikoog zijn deels Nationaal Park. • Het Lauwersmeer; dit is een bestaand Nationaal Park en Natura 2000 gebied.

Om tot een begrenzing van een samenhangend Nationaal Landschapspark Waddengebied te komen waarbinnen zowel unieke natuur, landschap en cultuurhistorie vertegenwoordigd zijn, heeft de commissie de genoemde basis uitgebreid met binnendijkse landschappen die een sterke cultuurhistorische en ecologische relatie hebben met de Waddenzee en waar kansen liggen voor het versterken van de recreatie en specifieke landbouwteelten:

31

• •

De klei-terpenlandschappen (voormalige Belvederegebieden) langs de Friese en Groningse Waddenkust, voor zover ze samenvallen met de legenda-eenheid “karakteristieke ruimtelijke patronen” uit de kaart Essenties van het Nederlandse Landschap (zie Bijlage 4). Het voormalige eiland Wieringen.

Uitzonderlijke universele waarden De uitzonderlijke universele waarden van het Waddengebied zijn al eerder door UNESCO erkend, niet alleen in het Nederlandse deel, maar ook in het Duitse en Deense. De aanwijzing als UNESCO Werelderfgoed (in de categorie natuur) was gebaseerd op de unieke natuur en natuurlijke processen in het gebied. Nederland hanteert tot nu toe een krappere begrenzing dan Duitsland en Denemarken. Door de eilanden en de vastelandskust bij het gebied te betrekken komen ook de universele waarden vanwege de uitzonderlijke menselijke ingrepen in het gebied en de bijzondere culturele waarden in beeld. Natuurwaarden van internationale betekenis De Nederlandse Waddenzee is een aaneengesloten zoutwatergetijdengebied met een grote omvang, ook in vergelijking met zoutwatergetijdegebieden elders ter wereld. Het beslaat ongeveer dertig procent van de internationale Waddenzee. Overeenkomstige binnenzeeën zijn uiterst zeldzaam. Binnen Europa doen alleen de Lagune van Venetië en de lagunes ten zuiden van Adana in Turkije aan het Waddengebied denken, maar die zijn veel kleiner. De Waddenzee is groot genoeg om haar bijzondere natuurwaarden te kunnen behouden en te verbeteren.

Samen met de Duitse en Deense delen van de Waddenzee is de internationale betekenis nog groter, alleen al vanwege de enorme aantallen steltlopers, ganzen en andere vogels die in deze voedselrijke binnenzee jaarlijks overwinteren. In het Waddengebied liggen maar liefst acht Natura 2000-gebieden met een groot aantal beschermde soorten en habitattypen. Door een tijverschil van ongeveer anderhalve meter vallen zand- en slikplaten twee keer per dag droog om daarna weer onder te lopen. Het planten- en dierenleven is op vernuftige wijze aangepast aan deze bijzondere omstandigheden, die rijk zijn aan overgangen tussen zout, brak en zoet water. De duinen van de Nederlandse Waddenkust maken deel uit van een groot Noordwest-Europees duingebied, dat zich uitstrekt langs de Noordzee van Jutland in het noorden van Denemarken tot in Noord-Frankrijk. De Nederlandse duinen onderscheiden zich daarbinnen door hun omvang en uitgestrektheid en door hun hoge biologische kwaliteit. Landschapswaarden van internationale betekenis In landschappelijk opzicht is de geleidelijke overgang van land naar zee uniek. Kenmerkend voor de eilanden is de herkenbare overgang van strand, duinen, duinrand, polders, waddendijk en kwelders naar slikkig wad.

Deze geleidelijke overgang bepaalt ook het landgebruik, met vooral veeteelt (schapen en melkvee) in de polders en kwelders en kleinschalige akkerbouw en tuinbouw op de drogere oudste delen van de eilanden. Ook op het vasteland bestaan vanouds geleidelijke overgangen van land naar water. Zowel op de eilanden als op het vasteland zijn deze overgangen in de loop van de tijd scherper geworden door bedijkingen en inpolderingen. Zeer bijzonder is het fenomeen van de “wandelende eilanden” in oostelijke richting. Deze wandelende eilanden ontstaan door de overwegend oostelijke zeestroom langs de kust, waardoor de eilanden aan de oostzijde aangroeien en er afslag plaatsvindt aan de westzijde. Door verschillen in aangroei en afslag zouden zonder menselijk ingrijpen de eilanden uiteenvallen en van bewoond terugvallen naar onbewoond. Een ander zeer bijzonder fenomeen is het bij tijd en wijle binnendringen van zeewater in de duinen, waardoor bijzondere en internationale zeldzame overgangen van zoet naar zout zijn ontstaan.

32

De bodem in de Waddenzee daalt door natuurlijke beweging en vervorming van de aardkorst. Die bodemdaling is in subtiel evenwicht met de voortgaande ophoging van de bodem door het toestromen van slib. Een groot deel van de Waddenzee bestaat daardoor uit platen die bij eb droogvallen en waarvan sommige alleen bij springvloed onder water lopen. Kenmerkend zijn ook de diepere geulen in de Waddenzee, die deels aansluiten bij de oude riviermonden van o.a. Vlie, Reitdiep en Eems. Cultuurhistorische waarden van internationale betekenis Door de eeuwen heen heeft zich een diversiteit aan unieke cultuurhistorische waarden ontwikkeld in het Waddengebied. Langs de vastelandskusten van Groningen en Friesland bevinden zich de zogenaamde kwelderwerken, waarmee in het verleden strook voor strook land op zee gewonnen en ingepolderd werd. De hoge bewoonde terpen laten zien hoe het dankzij menselijk vernuft mogelijk was om in de tijd van voor de bedijkingen in dit dynamische gebied te overleven. De Waddenzee is van belang om haar archeologische waarden, bestaande uit sporen van menselijke activiteiten op later verdronken land (zoals de Moerwaard en de verloren stad Griend) en scheeps- en vliegtuigwrakken.

De Waddeneilanden vertegenwoordigen een scala aan historisch-landschappelijke, archeologische en architectuurhistorische waarden, zoals de oude aarden perceelscheidingen (de zogenoemde tuunwallen) en schuilplaatsen voor schapen (de zogeheten schapenboeten) op Texel, de eendenkooien, door de mens aangelegde zandwallen waartegen zand opstoof (de stuifdijken), kwelders, kleinschalige, maar verlaten inpolderingen zoals de Kroon’ s Polders op Vlieland en de bedijkingshistorie vanaf 1300. Op een klein oppervlak is er sprake van een zeer hoge dichtheid aan landschapselementen. Grote delen van het beoogde Nationaal Park van Wereldklasse waren eerder aangewezen als Belvedere-gebied, zowel op de Waddeneilanden, de Waddenzee als de noordelijke delen van Friesland en Groningen. Uitdagingen en toekomstperspectief. De toerisme- en recreatiedruk op het Waddengebied is groot en vraagt om een vorm van zonering en regulering. Op de vastelandskust van de Wadden zijn er veel ruimte en mogelijkheden voor toeristische ontwikkelingen, waarvan het Werelderfgoedcentrum en Holwerd aan Zee mooie voorbeelden zijn. De Waddeneilanden zijn nu al een voorbeeld van planologisch beleid dat prioriteit geeft aan duurzaam toerisme en streekeigen landbouw.

Deze keuze voor de ontwikkeling van de eilanden als ‘slow landscape’ laat zien dat een langzame en duurzame ontwikkeling toch een economisch gezonde regio mogelijk maakt. De laatste jaren is de visserij door overheidsingrijpen in intensiteit teruggebracht en is de mechanische kokkelvisserij verboden. Ook voor de visserij is het nodig om nieuwe vormen van kleinschalige bedrijvigheid te ontwikkelen die in overeenstemming zijn met de unieke en kwetsbare natuurwaarden. De onderwaternatuur in het gebied moet hersteld worden, vooral de zeegrasvelden en de oesterbanken. Het zeer succesvolle herstel van de zeehondenpopulaties maakt dat deze soort nu uit de gevarenzone lijkt. Ook de gaswinning is gewijzigd van een winning in de Waddenzee zelf naar een innovatieve methodiek met schuin boren vanaf de Noordzee. Door de versnelde zeespiegelstijging en vanwege de extra bodemdaling die het gevolg is van de gaswinning dreigen zandplaten, schorren 34 en slikken te verdwijnen. Deze zogenaamde ‘zandhonger’ maakt extra aanvoer van zand (zandsuppletie) noodzakelijk. Zandsuppleties kunnen ten dienste komen van zowel de natuurwaarden 34

Schorren zijn begroeide, hoger gelegen buitendijkse gebieden die voor een groot deel dagelijks tweemaal door zeewater worden overstroomd. In het noorden van ons land worden ze kwelders genoemd. De kale slikken heten in het noorden wadden.

33

(instandhouding van de zandplaten, schorren en slikken) als aan de kustverdediging (“bouwen met natuur”). Bijvoorbeeld: langs de kusten van de Waddenzee, zowel langs het vasteland als langs de eilanden, zorgt het maken van meer natuurlijke overgangen, door buitendijkse kwelders of binnendijkse lagunes te creëren, tegelijk voor versterking van de veiligheid en voor het vergroten van de natuur- en landschapswaarde. Deze opgaven kunnen worden uitgewerkt in een samenhangend inrichtings- en beheerplan voor het gehele Waddengebied.

4.2 De Hollandse Vastelandsduinen De Hollandse Vastelandsduinen in het kort Uitzonderlijke universele waarden: • Omvangrijke aaneengesloten duinketen, relatief ongerept en met een hoge biologische kwaliteit en vele internationaal beschermde soorten. • Zeldzame overgangen tussen strand, verschillende typen natuurgebied en cultuurhistorisch unieke van oudsher bewoonde gebieden. • Oudste bewoonde delen van het laagland. Eeuwenlange bewoning en gebruik van het gebied heeft geleid tot unieke erfgoedwaarden. • Unieke voorbeelden van de menselijke strijd tegen het water en de ontwikkeling daarin, zoals de Hondsbossche Zeewering en de recente Zandmotor. Aantal Natura 2000-gebieden: 10 Aantal Nationale Parken (oude stijl): 1 Aantal Belvedere-gebieden: 3 Aantal Nationale Landschappen: Aantal UNESCO Werelderfgoed: De begrenzing Langs de kustlijn van Noord- en Zuid-Holland ligt nu al een vrijwel aaneengesloten duingebied met een grote waarde als natuurgebied, voor drinkwaterwinning, toerisme en kustverdediging. Slechts een heel klein deel van de duinen is nu aangewezen als Nationaal Park. Het vergroten van dit gebied over de volle lengte van de Hollandse kustzone, inclusief de ondiepe zee en de cultuurhistorisch en ecologisch waardevolle delen van de binnenduinrand maakt het gebied robuuster voor de toekomst.

Het toenemende recreatiegebruik vanuit de Randstad kan in de binnenduinrand beter een plek krijgen als dit onderdeel wordt van het Nationaal Landschapspark. Door de hele ondiepe kust (tot de -20 m dieptelijn) te betrekken kan de kustverdediging worden aangepakt in samenhang met het herstel van de natuurlijke dynamiek in de duingebieden. De basis voor de begrenzing wordt gevormd door (basislaag, zie Bijlage 4): • Bestaande Natura 2000 gebieden van de duinen en binnenduinrand en de ondiepe kustzone van Hoek van Holland tot Bergen. • De ondiepe zee tot aan de NAP- 20 meter lijn; in de kop van Noord-Holland is dit Natura 2000 gebied. Deze lijn wordt langs de hele kustlijn doorgetrokken om eenzelfde strategie van kustverdediging te kunnen voeren. • Aaneengesloten duingebieden van Hoek van Holland tot Den Helder, plus de polders achter de Hondsbossche zeewering; dit zijn nu al Natura 2000 gebieden Om natuurlandschap en cultuurlandschap van de kust te combineren tot één samenhangend Nationaal Landschapspark, neemt de commissie een deel van het strandwalgebied in de

34

binnenduinrand waar grote cultuurhistorische en ecologische waarden aanwezig zijn binnen de begrenzing (systeemlaag, zie Bijlage 4): • de landgoederenzones van Wassenaar, Noordwijkerhout, en Haarlem, voor zover deze nu al onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Nederland. • een grotere zone in de binnenduinrand, bestaande uit aangewezen NNN gebieden en uit de voormalige EHS gebieden in de binnenduinrand van Heemskerk tot Camperduin. Uitzonderlijke universele waarden De Hollandse Vastelandsduinen zijn van uitzonderlijke universele waarde omdat de menselijke ingrepen om de kustzone te beschermen door de eeuwen heen van uitzonderlijk vernuft getuigen, met als meest recente voorbeeld de zogenaamde Zandmotor (zie hierna). Bovendien kenmerken de Vastelandsduinen zich door de combinatie van en overgangen tussen unieke natuur en bijzondere historische en culturele plekken die getuigen van eeuwenlange menselijke aanwezigheid en interactie met het landschap. Natuurwaarden van internationale betekenis De Nederlandse kustduinen maken deel uit van een groot Noordwest-Europees duingebied, dat zich uitstrekt langs de Noordzee van Jutland in het noorden van Denemarken tot in Noord-Frankrijk. De Nederlandse duinen onderscheiden zich daarbinnen door hun omvang en uitgestrektheid en door hun hoge biologische kwaliteit.

Ter hoogte van Bergen loopt een belangrijke ecologische grens: ten noorden van deze grens zijn de duinen in hoofdzaak kalkarm, ten zuiden merendeels kalkrijk. In het gebied liggen maar liefst tien Natura 2000-gebieden met een groot aantal beschermde soorten en habitattypen. De Natura 2000-gebieden vertegenwoordigen onder meer de stuivende duinen op de grens met het strand, soortenrijke duingraslanden met als grote bijzonderheid de begroeiingen van het zogeheten zeedorpenlandschap (zie hierna), natte duinvalleien (in een zeer grote oppervlakte), duinheiden (in het noordelijke kalkarme deel), uitgestrekte struwelen (door struiken bepaalde begroeiingen) met veel besdragende soorten en bossen, met name in de binnenduinrand met zijn landgoederen. Elders in Europa komen ook fameuze duingebieden voor, zoals het Dune du Pilat aan de Franse Atlantische kust, de duinen van de Coto de Doñana in Spanje, de wandelende Leba duinen in Polen en de duinen van de Kurische Nehrung in Rusland/Litouwen. De aaneengesloten duinketen van de Hollandse Vastelandsduinen onderscheidt zich daarvan omdat de oppervlakte veel groter is en door zijn veel grotere biodiversiteit. Landschapswaarden van internationale betekenis Het Nederlandse duingebied is weinig geschonden en samenhangend. Anders dan bijvoorbeeld in België is de kustzone in ons land nauwelijks bebouwd.

Verder is er in tegenstelling tot vele andere kusten in de wereld geen uitgebreid netwerk van doorgaande grote wegen aangelegd. Kenmerkend is de overgang van strand via dynamische duinen, waar invloed van de wind en kustafslag vrij spel hebben, via de grotendeels tot rust gekomen middenduinen naar de zogenaamde binnenduinrand. In de dynamische duinen vindt voortdurend nieuwe duinvorming plaats met een grote verscheidenheid aan vormen. Cultuurhistorische waarden van internationale betekenis De hoge cultuurhistorische waarden die het duingebied kenmerken, zijn het gevolg van eeuwenoude bewoning en landgebruik, waarbij de verschillende delen een eigen geschiedenis laten zien, die tot op de dag van vandaag nog herkenbaar is. Niet voor niets werden drie grote delen van de vastelandsduinen (Bergen-Egmond-Schoorl, Zuid-Kennemerland en Den Haag-Wassenaar) aangewezen als Belvederegebied.

35

De smalle, langgerekte zandlichamen die tussen ongeveer 3000 en 1500 voor Christus door de zee zijn opgeworpen (strandwallen) behoren tot de oudste bewoonde delen van het laagland. Ze worden afgewisseld met eveneens smalle en langgerekte laagten (de strandvlakten). De afwisseling van deze langgerekte hoge en lage gronden uit zich in het landgebruik: op de wallen bewoning, bouwland en landgoederen met veel bos en in de vlakten kleinschalige graslanden. Waar de oude duinen zijn afgegraven vinden we nu karakteristieke bloembollenvelden. Uniek ook is het zeedorpenlandschap in de jonge duinen, waar in de omgeving van oude vissersdopen, zoals Scheveningen, Katwijk en Egmond, kleinschalige activiteiten plaatsvonden zoals het boeten (repareren) en drogen van netten, het bleken van linnen in de zon en de aanleg van kleine aardappelakkertjes. Bovendien wordt nergens anders in Europa de duinengordel aan de landzijde begrensd door een zone met landgoederen. De duinen vormen de eerste verdedigingslinie tegen de zee. Bij zwakke plekken werd een kunstmatige dijk aangelegd, zoals de Hondsbossche Zeewering bij Petten. Het water uit de duinen is van goede kwaliteit en heeft in de tweede helft van de negentiende eeuw geleid tot de oprichting van waterleidingbedrijven, die het aanzien van de duinen in de loop van de tijd sterk hebben veranderd, o.a.

door de aanleg van kanalen waar water uit de grote rivieren in de zandondergrond kon doordringen en aldus werd gezuiverd. Verder zijn de duinen cultuurhistorisch van belang vanwege de aanwezigheid van het Nederlandse deel van de Atlantikwall met vele militaire kunstwerken (bunkers, geschutskoepels, radarstations, enzovoorts). Ten slotte zijn de Hollandse duinen ook inspiratiebron geweest voor een mondiaal beroemde stroming in de schilderkunst, de zogenaamde Haagse School, met als markante internationale toeristische trekpleister het Panorama Mesdag. Uitdagingen en toekomstperspectief. De duinen zijn onmisbaar voor de kustverdediging en belangrijk voor de drinkwatervoorziening van de Randstad. De laatste decennia zijn nieuwe inzichten opgedaan over de verandering van de kust onder invloed van getijden en stromingen. Op basis daarvan is besloten tot het experimenteren met nieuwe vormen van kustverdediging, waaronder de zogenaamde Zandmotor. De Zandmotor is een soort schiereiland van zand voor de kust van Ter Heijde dat is aangelegd door zandopspuiting. De bedoeling is dat het zand zich naar verloop van tijd langs de kust verspreidt, om er zo voor te zorgen dat de kustduinen in stand blijven. Het is een aansprekend voorbeeld van bouwen met de natuur, wereldwijd enig in zijn soort.

Ook zorgen de zandsuppleties voor nieuwe mogelijkheden voor de ontwikkeling van natuur die afhankelijk is van stuivend zand. Voor de toekomst zullen wonen en recreëren moeten passen bij de zorg voor de combinatie van natuurwaarden en het cultuurlandschap in het gebied. In het Nationaal Park kan de strategie van zonering van de bebouwing, waar in het Kustpact 35 een aanzet voor is gegeven, worden voortgezet.

35

Het kustpact is een convenant tussen onder andere de minister van I&M, de provincies Zeeland, Zuid-Holland, Noord-Holland en Fryslân, kustgemeenten, waterschappen, natuur en milieuorganisaties, waarin afspraken zijn vastgelegd om de openheid van de kust te behouden met een goede balans tussen de waarden en ontwikkeling van de kust.

36

4.3 De Zuidwestelijke Delta De Zuidwestelijke Delta in het kort Uitzonderlijke universele waarden: • Een van de grootste zoutwatergetijdengebieden in Europa in een uiterst gevarieerd deltalandschap. • Met het zoetwatergetijdengebied van de Biesbosch omvat het een van de zeldzaamste landschappen ter wereld. • Op de voormalige eilanden omvangrijke aaneengesloten duingebieden, relatief ongerept en met een hoge biologische kwaliteit en vele internationaal beschermde soorten. • Bijzondere zeenatuur, waaronder trekvissen en zeezoogdieren. Zeldzame overgangen tussen strand, verschillende typen natuur en cultuurhistorisch uitzonderlijke en van oudsher bewoonde gebieden. • De Deltawerken vormen indringende voorbeelden van de menselijke strijd tegen het water en de ontwikkeling daarin; denk aan de Oosterscheldekering, het herstel van getijdewerking door middel van ‘De Kier’ in de Haringvlietsluis of de ontwikkeling van ‘wisselpolders’. Aantal Natura 2000-gebieden: 22 Aantal Nationale Parken (oude stijl): 3 Aantal Belvedere-gebieden: 9 Aantal Nationale Landschappen: 2 Aantal UNESCO Werelderfgoed: De begrenzing In het landschap van de eilanden en zeearmen in de Zuidwestelijke Delta kan het unieke karakter van Nederland als delta van Europa in volle omvang beleefd worden.

De eeuwenlange strijd tegen de zee is herkenbaar in de historische inpolderingen en in de Deltawerken uit de twintigste eeuw. Gelegen naast de stedenboog van Rotterdam en Dordrecht naar Antwerpen is de delta een oase van rust en ruimte met een grote toeristische aantrekkingskracht. De rijkdom van de deltanatuur is nog aanwezig, maar er liggen in dit gebied ook grote opgaven voor herstel van natuurlijke processen van sedimentatie en erosie in de (afgedamde) zeearmen en voor het voorbereiden van de laaggelegen delta op zeespiegelstijging. De Oosterschelde is nu al een Nationaal Park, maar om werkelijk robuust genoeg te zijn als Nationaal Landschapspark moet dit volgens de commissie worden uitgebreid met het gehele buitendijkse gebied van alle zeearmen, tot aan het zoetwatergetijde gebied van de Biesbosch. Om de delta toekomstbestendig te maken ligt de grens van het Nationaal Landschapspark niet op de dijken maar liggen ook de duinen en de binnendijkse contactzones tussen land en water binnen de begrenzing. Ook de Voordelta (de zone voor de kust van Zuid-Holland en Zeeland) hoort bij het gebied, omdat deze kuststrook van groot strategisch belang is in de kustverdediging. De Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden met hun havenstadjes hebben een grote culturele rijkdom en laten de strijd tegen de zee zien.

Vanwege de huidige economische en agrarische ontwikkeling op de eilanden passen deze niet allemaal binnen de voorgestelde begrenzing. Daarom stelt de commissie voor om – vanwege hun bijzondere landschapswaarden – minimaal de drie voormalige Nationale Landschappen tot onderdeel van het Nationaal Landschapspark te maken. De basis van het Nationaal Landschapspark wordt gevormd door de reeds bestaande aangewezen natuurgebieden (Natura 2000 en Natuur Netwerk Nederland) en uit de drie voormalige Nationale Landschappen, namelijk:

37

• • • •

Het gehele buitendijkse gebied van de zeearmen, schorren en slikken en de Voordelta, met het Markiezaat en de Biesbosch, inclusief Tiengemeten. Dit zijn nu al aangewezen Natura 2000 gebieden. De duinen op de koppen van de eilanden die nu al Natura 2000 gebied zijn. De binnendijkse aanwaspolders langs de kustlijn die onderdeel zijn van het Natuur Netwerk Nederland De voormalige Nationale Landschappen West Zeeuws-Vlaanderen, Walcheren en ZuidBeveland.

Om beter te kunnen inspelen op klimaatadaptatie heeft de commissie de begrenzing van het Nationale Landschapspark uitgebreid met bredere zones op de overgang tussen land en water (systeemlaag, zie Bijlage 4), als volgt: • Ruimere contactzones tussen land en water op basis van de invloed van brakke kwel. • Grotere gebieden met cultuurlandschap op de koppen van de eilanden. • De Noordwaard als uitbreiding van de Biesbosch, die in het kader van Ruimte voor de Rivier is ontpolderd en tot onderdeel van het dynamische riviersysteem is gemaakt. Uitzonderlijke universele waarden De Zuidwestelijke Delta is van uitzonderlijke universele waarde vanwege de unieke en toonaangevende voorbeelden van menselijke ingrepen om het land en gemeenschappen tegen het oprukkende water te beschermen, in combinatie met de aanwezigheid en het behoud van natuurwaarden van internationale betekenis. Naast de ‘nieuwe’ cultuurhistorische betekenis van de Deltawerken laat het gebied bijzondere voorbeelden zien van eeuwenoud landgebruik en de daarmee samenhangende cultuur. Natuurwaarden van internationale betekenis De Zuidwestelijke Delta beslaat samen met het Waddengebied het grootste zoutwatergetijdengebied in de gematigde zone van Europa. De continue beweging van eb en vloed zorgt voor een afwisseling van schorren en platen in de kustzone.

De Westerschelde is met een oppervlakte van zo’n 35.000 ha de grootste riviermonding (estuarium) in Europa. Landinwaarts omvat de delta ook het zoetwatergetijdengebied van de benedenrivieren (met de Biesbosch). Dit is niet alleen een van de zeldzaamste landschappen in de wereld, maar ook internationaal gezien een zeer uitgestrekt natuurgebied. Alleen al de Biesbosch beslaat een oppervlakte van bijna 10.000 ha. Zoetwatergetijdengebieden elders ter wereld zijn in tegenstelling tot de Biesbosch voor verreweg het grootste deel bewoond en bebouwd geraakt. De Zuidwestelijke Delta herbergt maar liefst 22 Natura 2000-gebieden. Net als het Waddengebied omvat het potentiële Nationale Park van Wereldklasse belangrijke duinen die aansluiten bij de Hollandse Vastelandsduinen. Anders dan de duinen van het Waddengebied zijn deze in de Zuidwestelijke Delta (evenals het zuidelijke deel van de Hollandse Duinen) in principe kalkrijk. Oorspronkelijk werden de natuurwaarden in het Zuidwestelijke Deltagebied in hoge mate bepaald door de geleidelijke overgangen tussen zoet en zout water, dat via de weidse watergangen ononderbroken met elkaar in verbinding stond. De Deltawerken hebben deze situatie op veel plaatsen letterlijk een halt toe geroepen, maar nog steeds bestaan er in het gebied voorbeelden van zulke zoet-zout overgangen op grote schaal, zoals in de Westerschelde.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12641657/1