CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage bij toelichting 9 - ecologische quickscan

Besluitvormende raad 5 juli 2022, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan Oud Bonaventurasedijk 26 Strijen2.520 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Memo

memonummer datum aan van project projectnr. betreft

190209-001 2 december 2019 De heer D. van Horssen Juridisch Planologisch Adviesbureau R3 R.J. Buijs Buijs Eco Consult B.V. Ontwikkeling woningbouw Oud Bonaventurasedijk 26 Strijen 190209 Ecologische quickscan Wet natuurbescherming

Ecologische veldcontrole (quickscan) Op 6 november 2019 heeft een terreinbezoek plaatsgevonden op bovengenoemde locatie. De globale locatie van de werkzaamheden is opgenomen in figuur 1.

Figuur 1: Globale planlocatie (Bron: opdrachtgever)

Aanleiding en doel Er wordt beoogd om op het perceel van de Oud Bonaventurasedijk 26 een appartementencomplex te bouwen. De bestaande woning met schuur zal worden geamoveerd. Omdat hier sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling dient de opdrachtgever op de hoogte te zijn van eventueel aanwezige natuurwaarden, danwel beschermde soorten flora en fauna in/nabij de planlocatie. In het kader van het aspect ‘ecologie’ van dit niet bestendig beheer/ruimtelijke ontwikkeling dient er een quickscan gedaan te worden om te bepalen of er mogelijk negatieve effecten voor aanwezige beschermde plant- en/of

blad 1 van 14

diersoorten in de (per 1-1-2017 van kracht geworden) Wet natuurbescherming als gevolg van de voorgenomen activiteiten ontstaan en vastleggen of de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd en welke voorwaarden hier eventueel voor gelden. De opdrachtgever heeft aan Buijs Eco Consult de opdracht gegeven om in dit kader een quickscan Wet natuurbescherming, onderdeel soortbescherming in het plangebied uit te voeren. Wettelijk kader Vanuit de Wet natuurbescherming is bij ruimtelijke ingrepen en niet bestendig beheer de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied. Het doel van de Wet natuurbescherming is o.a. het in standhouden van de inheemse flora en fauna. Door, voorafgaand aan ruimtelijke ingrepen en niet bestendig beheer, stil te staan bij aanwezige natuurwaarden, kan onnodige schade aan beschermde soorten worden voorkomen of beperkt. Voor een uitgebreide toelichting op de Wet natuurbescherming wordt verwezen naar bijlage 1. Voor vogels wordt voor niet bestendig beheer en ruimtelijke ontwikkelingen geen ontheffing verleend in het kader van de Wet natuurbescherming. Werkzaamheden zijn hierdoor enkel mogelijk buiten de kwetsbare periode (buiten het broedseizoen) of indien geen sprake is van aanwezige vogelnesten. Bestaande situatie De planlocatie ligt in het dorp Strijen.

Een overzichtsplaatje van de planlocatie is opgenomen in figuren 2 en 3. Hieruit blijkt eveneens dat de planlocatie niet in NNN-gebied en nabij Natura 2000 gebied gelegen is (en hier geen deel van uit maakt). Bovendien is de planlocatie ruimtelijk gescheiden van deze beschermde gebieden door overige bebouwing.

Figuur 2: Ligging plangebied in rode contour met in groen en paars NNN-gebied (bron: kaarten Zuid Holland)

blad 2 van 14

Figuur 3: Ligging plangebied in rode contour met groene arceringen Natura 2000 gebied Oude Land van Strijen (bron: kaarten Zuid Holland)

De locatie is niet gelegen in Natura 2000-gebied (Haringvliet, Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijngebied). Het perceel ligt tevens ligt op > 700 m afstand van het Natura 2000-gebied. Aangezien de werkzaamheden niet in Natura 2000-gebied en/of NNN-gebied plaatsvinden, vindt er geen kwaliteitsverlies of versnippering plaats. Het aspect stikstofdepositie van sloop en nieuwbouw zal in een separate rapportage behandeld moeten worden om de bijdrage op kwetsbare Natura 2000-gebieden te beoordelen en vormt geen onderdeel van deze quickscan. Toekomstige situatie Op de locatie is het voornemen om de bestaande woning en schuur te verwijderen. Uitvoering veldcontrole Op 6 november 2019 is door middel van een veldbezoek ter plaatse van het plangebied figuur 1 door R.J. Buijs van Buijs Eco Consult (hierna BEC) beoordeeld of er sprake is van rust en/of verblijfplaatsen van beschermde soorten volgens de Wet natuurbescherming. Bij de veldcontrole is een algemene beoordeling gemaakt voor de geschiktheid van het gebied voor overige (niet aangetroffen) beschermde soorten. In onderstaande figuur 4 t/m 13 is een impressie van de planlocatie opgenomen. Het de woning en schuur zijn ook inpandig beoordeeld.

blad 3 van 14

Figuur 4: Impressie plangebied

Figuur 5: Impressie plangebied

blad 4 van 14

Figuur 6: impressie plangebied

Figuur 7: impressie plangebied

blad 5 van 14

Figuur 8: impressie plangebied

Figuur 9: impressie plangebied

blad 6 van 14

Figuur 10: impressie plangebied

Figuur 11: impressie plangebied

blad 7 van 14

Figuur 12: impressie plangebied

Figuur 12: impressie plangebied

blad 8 van 14

Figuur 13: impressie plangebied

De opstallen bestaan uit een woonhuis waar een schuur rondom heen gebouwd is en enkele aanbouwtjes. De schuur heeft een beperkte bufferfunctie en bestaat grotendeels uit gladde metalen platen waardoor deze niet geschikt is voor vleermuizen. Het woonhuis en overgang woonhuis naar schuur (voorgevel) bevat enkele openingen die door vleermuizen gebruikt kunnen worden. Hiermee kunnen ze ruimtes betrekken waar wel sprake is van enige buffering (zie figuur 14 en 15). De aangebouwde opstallen hebben geen bufferfunctie voor vleermuizen wel kunnen er door open toegankelijkheid algemeen voorkomende broedvogels in tot broeden komen en/of algemene amfibiesoorten zoals de gewone pad in schuilen alsmede algemeen voorkomende muizen. In de beplanting rond het perceel kunnen algemene broedvogels voorkomen, jaarrond beschermde vogels worden niet aannemelijk geacht. De beplanting kan worden gebruikt als vliegroute en foerageergebied voor vleermuizen en algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren. Indien voorzienbaar is dat deze beplanting moet wijken is nader onderzoek naar de functies noodzakelijk. Tijdens de inpandige controle is geen vleermuisontlasting aangetroffen of andere sporen die op aanwezigheid vleermuizen duiden.

blad 9 van 14

Figuur 14: Openingen achter betimmering

Figuur 15: Openingen achter plaatmateriaal en open stootvoegen

In de directe omgeving van het plangebied zijn voldoende alternatieve verblijfplaatsen aanwezig voor eventueel aanwezige vleermuizen. Bij een eventuele aanwezigheid van vleermuizen zijn er veel betere alternatieven aanwezig. Bij de voorgenomen nieuwbouw kunnen bovendien geïntegreerde verblijfplaatsen worden gerealiseerd voor vleermuizen in het appartementencomplex door vleermuiskasten in te metselen in de spouwmuur. Geadviseerd wordt om nader onderzoek te doen naar de beplanting op het terrein, Wordt deze gebruikt als foerageergebied en vliegroute? Wordt het woonhuis gebruikt door vleermuizen (overgang woonhuis/schuur), zie ook tabel 1.

blad 10 van 14

Tabel 1 Soort/ functieaantasting Vogels met Jaarrond beschermde nesten Vogels

Aanwezigheid Ja, diverse soorten

Beschermingsregime Vogelrichtlijn, jaarrond beschermde nesten Vogelrichtlijn

Vleermuizen

Mogelijk diverse soorten in woonhuis

Habitatrichtlijn

Overige zoogdieren

Mogelijk algemeen voorkomende muizen

Amfibieën en reptielen

Mogelijk algemene soorten

Overige soorten en algemene vrijstellingsregeling overige soorten

Vissen Flora

-

-

Vervolg/actie (Voorbereidend) werk zoals amoveren bijgebouwen rooien beplanting buiten broedseizoen (maart – augustus) nader onderzoek beplanting en woonhuis cf. Vleermuisprotocol 2017 Zorgvuldig handelen toepassen (vluchtroute bieden bij amoveren) Zorgvuldig handelen toepassen (vluchtroute bieden bij amoveren) -

Resume en aandachtspunten: 1 De planlocatie is niet gelegen in en/of nabij Natura 2000-gebied/ NNN-gebied. Aangezien geen sprake is van werkzaamheden in Natura 2000 en/of NNN gebied is kwaliteitsverlies danwel versnippering van deze natuurgebieden als gevolg van de plannen is niet aan de orde. 2 Vanwege voorgenomen sloop en potentie voor vleermuizen is nader onderzoek naar vleermuizen bij de overgang woonhuis/schuur noodzakelijk en dient de functie van de beplanting voor vleermuizen te worden onderzocht. 3 Op de planlocatie zelf zijn verder algemeen voorkomende soorten te verwachten. Voor ruimtelijke ontwikkelingen geldt voor deze soorten een provinciale vrijstelling. 4 Door bepaalde werkzaamheden (rooien beplanting) buiten het broed-/voortplantingsseizoen (15 maart t/m 15 augustus) uit te voeren wordt invulling gegeven aan het principe van zorgvuldig handelen. Hiermee wordt voorkomen dat nesten van vogels worden verstoord. Indien werkzaamheden wel in deze periode uitgevoerd moeten worden is het noodzakelijk om voorafgaande het rooien te inspecteren op aanwezigheid vogelnesten (door deskundige). Literatuur • Bekker, D.L. & J.B.M Thijssen 2012. Verspreidingsonderzoek, Nederlandse Zoogdieren. VONZ 2011. Rapport 2012.03. Zoogdiervereniging, Nijmegen. • Diepenbeek, A. van, 1999. Veldgids diersporen, KNNV Uitgeverij, Utrec ht. • Strumpel, T. & Strijbosch H., 2006.

Veldgids amfibieën en reptiele n, KNNV Uitgeverij, Utrecht. • Wynhoff, I., Swaay, van C., & Made van der J., Veldgids Vlinders, KNNV Uitgeverij, Utrecht. • Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2017) Vleermuisprotocol 2017, maart 2017. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl Websites • www.zuidholland.nl • www.verspreidingsatlas.nl • www.telmee.nl

Volledigheid inventarisatie De inventarisatie is een uiteraard een steekproef. Het is dan ook mogelijk dat soorten en functies niet waargenomen zijn, terwijl dat ze (op een ander tijdstip) wel aanwezig zijn. Dit is echter acceptabel, de Wet natuurbeschermin g vraagt een initiatiefnemer om alles te doen wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Met de gekozen methode en inspanning is dan ook voldoende invulling gegeven aan artikel 1.11 (zorgplicht) van de Wet natuurbescherming. Wat betreft het vooronderzoek heeft de initiatiefnemer dan ook gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden.

blad 11 van 14

Bijlage 1 Wettelijk kader Hieronder volgt een algemene beschrijving van de Natuurwetgeving, gevolgd door betreffende onderdelen van de wetgeving. De Nederlandse natuurwetgeving De Nederlandse natuurwetgeving valt uiteen in gebiedsbescherming en soortbescherming. De gebiedsbescherming is geïmplementeerd in de Natuurbeschermingsweg 1998 en omvat de Natura 2000-gebieden. Per 01/01/2017 zijn beide onderdelen (en de Boswet) geïntegreerd in de Wet natuurbescherming (Wn). Gebiedsbescherming In de Natura 2000 gebieden zijn de beschermde natuurmonumenten alsmede de gebieden met de status Vogel- en/of de Habitatrichtlijngebied (Voorheen Speciale beschermingen Zones, Sbz’s) opgenomen. Globaal kan worden gesteld dat de gebiedsbescherming gericht is op de bescherming van de waarden waarvoor een gebied is aangewezen. Deze bescherming is gebiedsspecifiek, maar kent wel de zogenaamde externe werking. Dat wil zeggen dat ook handelingen buiten het beschermde gebied niet mogen leiden tot verlies aan kwaliteit in het beschermde gebied. Soortbescherming De soortbescherming is per 01/01/2017 ook opgenomen in de Wet natuurbescherming. Deze wet omvat ook de bescherming van Habitatrichtlijnsoorten buiten de aangewezen Natura 2000gebieden. Deze bescherming geldt overal in Nederland, ook in de beschermde gebieden. De soortbescherming kent geen externe werking.

Projecten worden getoetst aan de directe invloed op beschermde waarden binnen de grenzen van het projectgebied. Conform deze wet is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied. Vanuit deze kennis dienen plannen e projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Onder de werking van de soortbescherming vallen circa 930 dier- en plantensoorten. Alle inheemse zoogdieren, vogels, amfibieën, en reptielen zijn beschermd. Tevens hebben een aantal planten, vissen, insecten en ongewervelden een beschermde status. Voor de in het wild voorkomende planten en dieren geldt bovendien de algemene zorgplicht (art. 1.11). Volgens de Wet natuurbescherming mogen beschermde dier- en plantensoorten niet worden gedood, gevangen, opzettelijk worden verontrust of gedood. Voortplanting- of vaste rust of verblijfplaatsen mogen niet opzettelijk worden beschadigd of vernield. Habitatrichtlijnsoorten mogen tevens niet opzettelijk worden verstoord. Beschermde planten mogen niet opzettelijk van hun groeiplaats worden verwijderd of vernield. De verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (Wn) staan vernoemd in onderstaand kader.

blad 12 van 14

Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Wn)

Bron: Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, Ministerie van Economische Zaken

De werkingssfeer van de Wet natuurbescherming is niet beperkt tot of gerelateerd aan speciaal aangewezen gebieden, maar geeft de beschermde soorten overal in Nederland bescherming. In o.a. artikelen 3.3, 3.8 en 3.10 van de Wet natuurbeschermingswet worden de ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden weergegeven. Welke voorwaarden verbonden zijn aan de ontheffing- of vrijstelling (zoals werken met een goedgekeurde gedragscode) hangt af van de dier- of plantensoorten die voorkomen in het plangebied. • Beschermde soorten – met (Provinciale) vrijstelling: Voor deze soorten geldt een vrijstelling van een of meerdere verbodsbepalingen (zoals bijvoorbeeld het vangen van dieren en/of het vernielen van vaste verblijfsplaatsen. Voor deze soorten is derhalve in veel gevallen geen ontheffing nodig. Wel geldt ten aanzien van deze soorten de zorgplicht, die eveneens van de Wet natuurbescherming uitgaat. Soorten die vallen onder de vrijstelling betreft over het algemeen (en dus per Provincie verschillend) onder andere algemene zoogdiersoorten, zoals algemene muizen- en spitsmuizen, de woelrat, de egel, konijn, ree en vos, algemene amfibiesoorten, waaronder de bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander.

• Overige ‘nationaal beschermde’ soorten: Voor deze soorten geldt voor ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer een mogelijkheid voor ontheffing, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’.

blad 13 van 14

Voor deze soorten is derhalve een ontheffing nodig of kan gewerkt worden met een goedgekeurde gedragscode. Soorten die vallen onder dit nationale beschermingsregime vallen betreft onder andere algemene zoogdiersoorten, zoals das, boommarter, algemene amfibieën en reptielen alpenwatersalamander, hazelworm, flora als schubvaren en bokkenorchis en vissoorten waaronder de grote modderkruiper. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. • Habitatrichtlijnsoorten: Voor deze soorten geldt het zwaarste beschermingsregime en is voor ruimtelijke ontwikkeling geen vrijstelling mogelijk van de ontheffingsplicht. Voor deze soorten dient een ontheffing te worden aangevraagd, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Wel kan als voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang ook bij ruimtelijke ontwikkeling gewerkt worden met een goedgekeurd gedragscode. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. Tot dit beschermingsregime horen o.a. alle vleermuissoorten, de bever, otter, noordse woelmuis, verschillende amfibiesoorten waaronder rugstreeppad en kamsalamander. • Vogelrichtlijnsoorten: Alle vogels zijn in Nederland gelijk beschermd.

Voor deze soorten geldt het zwaarste beschermingsregime en is voor ruimtelijke ontwikkeling ook geen vrijstelling mogelijk van de ontheffingsplicht. Voor deze soorten dient een ontheffing te worden aangevraagd, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Wel kan als voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang ook bij ruimtelijke ontwikkeling gewerkt worden met een goedgekeurd gedragscode. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. Zorgplicht Voor alle in het wild voorkomende plant- en diersoorten, dus ook voor onbeschermde en beschermde soorten die zijn vrijgesteld geldt wel de ook ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wet natuurbescherming). Deze zorgplicht houdt in dat initiatiefnemer passende maatregelen moet nemen om schade aan beschermde gebieden en in het wild voorkomend plant en diersoorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden voor de verschillende soortgroepen zijn niet allen gelijk.

Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en diersoorten als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien een locatie in die periode bouwrijp wordt gemaakt, kan daarna gedurende het winterseizoen en het daaropvolgende voorjaar probleemloos worden gewerkt. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie gedurende het groeiseizoen kort gemaaid worden, zodat er geen vogels gaan broeden en het tegen de winter ook ongeschikt is voor kleine zoogdieren of amfibieën die in winterslaap gaan. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen genomen te worden om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen of terreindelen af te zetten en het werk ter plaatse stil te leggen). Ecologische begeleiding kan hierin voorzien.

blad 14 van 14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11560600/1