bijlage bij toelichting 10 - aanvullend ecologisch onderzoek
Tekst van het document
Huismus, gierzwaluw- en vleermuisonderzoek aan de Oud Bonaventurasedijk 26 te Strijen Aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming
1
Colofon
Status:
Definitief
Project:
BE/2021/022
Datum:
12 november 2021
Samensteller(s):
ing. L. Pieterman
Collegiale toets:
ir. ing. K.J. Rebergen
Opdrachtgever:
BURO SRO B.V. ’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht Contactpersoon:
MSc. R. van der Made
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. © Blom Ecologie B.V./ Buro SRO B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ......................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding en doel
4
1.2 Plangebied
5
1.3 Werkzaamheden
5
1.4 Mogelijk aanwezige soorten
5
1.5 Kader Wet natuurbescherming
7
2 Methode .......................................................................................................................................... 8 2.1 Theoretisch kader
8
2.2 Praktische uitvoering
9
2.3 Inventarisaties
11
2.4 Specifieke omstandigheden
12
3 Resultaten ..................................................................................................................................... 13 3.1 Huismus
13
3.2 Gierzwaluw
13
3.3 Vleermuizen
13
3.4 Overige soorten
16
4 Conclusie ...................................................................................................................................... 17 4.1 Huismus
17
4.2 Gierzwaluw
17
4.3 Vleermuizen
17
4.4 Overige soorten
18
4.5 Vervolgstappen
18
5 Bronnen ......................................................................................................................................... 19
3
1 Inleiding 1.1
Aanleiding en doel Aan de Oud Bonaventurasedijk 26 te Strijen is een perceel met woning en schuur gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing op de planlocatie te saneren ten behoeve van nieuwbouw. Gezien de beoogde ingreep mogelijk leidt tot de aantasting van beschermde natuurwaarden is een oriënterend onderzoek uitgevoerd naar de potentie van de planlocatie en mogelijke negatieve effecten ten gevolge van de beoogde ingreep (Buijs, 2019).
Figuur 1.1
Het plangebied is gelegen aan de Oud Bonaventurasedijk 26 te Strijen (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Op
basis
van
het
oriënterende
onderzoek
kon
de
aanwezigheid
van
nestlocaties/verblijfplaatsen en/of leefgebied van beschermde soorten niet uitgesloten worden (zie tabel 1.1). Om vast te stellen of de woning daadwerkelijk een functie hebben voor vorengenoemde soorten was aanvullend onderzoek noodzakelijk. Buro SRO B.V. heeft Blom Ecologie B.V. verzocht dit aanvullend onderzoek uit te voeren. In voorliggende rapportage worden de bevindingen beschreven. Onderzoeksdoel In dit aanvullende onderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen centraal gesteld: •
Zijn huismus, gierzwaluw en vleermuizen aanwezig in het plangebied?
•
Op welke wijze maken de huismus, gierzwaluw en vleermuizen gebruik van het plangebied? Zijn in het plangebied nesten en/of vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig?
•
Hebben de voorgenomen activiteiten een negatief effect op de voorkomende soorten en/of de functionaliteit van de nesten en/of verblijfplaatsen van huismus, gierzwaluw en vleermuizen?
4
1.2
Plangebied Het plangebied bestaat uit een perceel met woning en schuur welke gesloopt dienen te worden binnen de beoogde ontwikkeling (figuur 1.2). De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door de woonwijken en het agrarisch gebied van Strijen.
Figuur 1.2
1.3
De bebouwing op de planlocatie betreft een woning en schuur.
Werkzaamheden De werkzaamheden zullen op hoofdlijnen bestaan uit: 1. 2. 3. 4. 5.
1.4
Saneren van bebouwing; Verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen; Egaliseren terrein; Realisatie nieuwbouw; Revitalisatie terrein en aanleg verharding.
Mogelijk aanwezige soorten Uit het oriënterend onderzoek (Buijs, 2019) is gebleken dat de woningen op de planlocatie mogelijk geschikt zijn als nestlocatie voor de huismus en/of gierzwaluw en verblijfplaats van vleermuizen (tabel 1.1).
5
Tabel 1.1
Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is. Soortenbescherming
Soortgroep
Beschermings-regime Wet nb
Soortspecifiek onderzoek
Vaatplanten
n.v.t.
Nee
Grondgebonden zoogdieren
n.v.t
Nee
Vleermuizen
Artikel 3.5
Ja
Amfibieën
n.v.t.
Nee
Reptielen
n.v.t.
Nee
Vissen
n.v.t.
Nee
Insecten en andere
n.v.t.
Nee
Vogels Huismus Gierzwaluw
Artikel 3.1 Artikel 3.1
Ja Ja
Tabel 1.2
Mogelijk functie plangebied
Verblijfplaatsen
Nestlocaties Nestlocaties
Overzicht van de potentie voor verblijfplaatsen van de verschillende vleermuissoorten (soortenbescherming) en essentiële vliegroute en/of foerageergebied.
Vleermuissoort
Potentie
Boom bewonend
Gebouw bewonend
Onderbouwing
Gewone dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
Potentiële openingen in bebouwing
(Massa)winterverblijfplaats gewone dwergvleermuis
Nee
n.v.t.
n.v.t.
Geen hoge bebouwing met bufferende vermogen
Ruige dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
Potentiële openingen in bebouwing
Laatvlieger
Ja
Nee
Ja
Potentiële openingen van voldoende grootte in bebouwing
Meervleermuis
Nee
Nee
Ja
Afwezigheid groot oppervlaktewater in de omgeving
Watervleermuis
Nee
Ja
Nee
Afwezigheid groot oppervlaktewater in de omgeving
Franjestaart
Nee
Ja
Nee
Geen boomholte(s) met voldoende inrotting
Gewone grootoorvleermuis
Nee
Ja
Ja
Geen sprake van agrarisch gebied zonder (te) veel lichtverstoring
Rosse vleermuis
Nee
Ja
Nee
Geen boomholte(s) met voldoende inrotting
Tabel 1.3
6
Overzicht van de potentie type verblijfplaats per soort.
Vleermuissoort
Zomer
Kraam
Paar
Winter
Gewone dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
Nee
Ruige dwergvleermuis
Ja
Nee
Ja
Nee
Laatvlieger
Ja
Ja
Ja
Nee
1.5
Kader Wet natuurbescherming De soortenbescherming van Wet natuurbescherming valt op grond van internationale verdragen
en
nationaal
beschermde
soorten,
uiteen
in
drie
verschillende
beschermingsregimes. Deze beschermingsregimes betreffen de Vogelrichtlijn (art. 3.1), Habitatrichtlijn (art. 3.5) en de nationaal beschermde soorten (art. 3.10). De bescherming van de gierzwaluw en huismus valt onder de vogelrichtlijn. Binnen de Vogelrichtlijn wordt onderscheid gemaakt tussen soorten waarvan het leefgebied en de nestplaats jaarrond beschermd zijn en de overige broedvogels waarvan de nestplaats en het leefgebied enkel beschermd zijn tijdens de broedperiode. Vleermuizen vallen onder de bescherming van de Habitatrichtlijn. Naar aanleiding van de beoogde werkzaamheden (paragraaf 1.3) kan overtreding van de volgende verbodsbepalingen optreden:
Wnb, art 3.1 lid 2 en 4 (Vogelrichtlijnsoorten) Lid 2: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid (huismus en/of gierzwaluw) te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels (huismus en/of gierzwaluw) weg te nemen. Lid 4: Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Wnb, art 3.5 lid 2 en 4 (Habitatrichtlijnsoorten) Lid 2: Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren Lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid (alle vleermuissoorten) te beschadigen of te vernielen.
7
2 Methode 2.1
Theoretisch kader Ten behoeve van ecologische onderzoek naar een aantal beschermde soorten in Nederland zijn door experts richtlijnen opgesteld. Deze richtlijnen zijn in zekere mate juridische kaders gaan vormen bij de toetsing van onderzoeken op juistheid en volledigheid. Voor de huismus en de gierzwaluw zijn deze richtlijnen vastgelegd in de Kennisdocumenten (BIJ12, 2017). Voor vleermuizen geldt het Vleermuisprotocol (NGB, 2021) als richtlijn. De richtlijnen worden met enige regelmaat door de opstellers geëvalueerd en indien noodzakelijk aangepast. De uitgangspunten zoals deze zijn geformuleerd in de richtlijnen vormen de basis voor het soortspecifieke onderzoek wat wordt uitgevoerd door Blom Ecologie B.V. In tabel 2.1 wordt voor de desbetreffende beschermde gebouwbewonende soorten beknopt weergeven wat de onderzoeksperioden en methode zijn. Tabel 2.1
Samenvatting van de uitgangspunten ten behoeve van huismus-, gierzwaluw- en vleermuisonderzoek zoals deze zijn geformuleerd in het Kennisdocument huismus (BIJ12, 2017), Kennisdocument gierzwaluw (BIJ12, 2017) en het Vleermuisprotocol (NGB, 2021).
Huismus Nest: Aantoonbaar door: - Visueel onderzoek in periode 1 april t/m 15 mei (2x veldbezoek avond/ochtend) - Visueel onderzoek in de periode 10 maart t/m 20 juni (4x veldbezoek avond/ochtend) - Inspectie (oplichten dakpannen) in de periode 15 september/1 maart (1x veldbezoek) Functioneel leefgebied: Bestaat met name uit foerageer en slaapplekken. Wordt vastgesteld door waarnemingen en gedrag van alle aanwezige huismussen. (Kennisdocument huismus BIJ12) Gierzwaluw Nest: Aantoonbaar door onderzoek in de periode 15 mei t/m 15 juli (3x veldbezoek in de avond) waarbij minimaal 1 inventarisatie plaatsvindt tussen 20 juni t/m 7 juli. Onderzoek is visueel (e.v.t. met verrekijker) en specifiek voor nest indicerend gedrag. Functioneel leefgebied: De gierzwaluw heeft geen specifiek functioneel leefgebied, dieren kunnen op grote afstand (1.000 km) en meerdere dagen wegblijven van het nest om te foerageren. De voorgenomen ingreep heeft dus ook geen negatief effect op het functioneel leefgebied. (Kennisdocument gierzwaluw BIJ12) Vervolg op volgende pagina.
8
Vleermuizen Kraamverblijfplaats: Aantoonbaar door onderzoek in de periode (10 mei) 15 mei t/m 15 juli (20 juli) (2x veldbezoek), waarvan minimaal 1 veldbezoek in juni. Indien meerdere soorten worden meegenomen kan het aantal veldbezoeken oplopen tot 3. Onderzoek is visueel en gericht op in- of uitvliegende individuen. Onderzoek wordt uitgevoerd m.b.v. een batdetector. Zomerverblijfplaats: Aantoonbaar door onderzoek in de periode (1 april) 15 mei t/m 15 augustus (1 december) (2x veldbezoek). Onderzoek is visueel en gericht op in- of uitvliegende individuen. Onderzoek wordt uitgevoerd m.b.v. een batdetector. Paarverblijfplaats: Aantoonbaar door onderzoek in de periode (15 juli) 15 augustus t/m 1 oktober (1 november) (2x veldbezoek). De periode is sterk afhankelijk van de soort. Onderzoek is visueel en gericht op in- of uitvliegende individuen, territoriaal gedrag en sociale geluiden. Onderzoek wordt uitgevoerd m.b.v. een batdetector. (Kennisdocument gewone dwergvleermuis, BIJ12 & Vleermuisprotocol, januari 2021)
2.2
Praktische uitvoering De praktische uitvoering valt uiteen in standaardprocedure tijdens elk veldbezoek, de reactieve onderzoekswijze die gehanteerd wordt en, indien van toepassing, de aanvullende onderzoeksmethodes. Procedure Op basis van de te verwachten soorten en de relatieve potentie voor deze soorten binnen het plangebied wordt het aanvullende onderzoek ingericht. Voorafgaand aan de daadwerkelijke uitvoering wordt bekeken vanaf welke posities de planlocatie (gevels/daken/dakranden met potentie) het meest efficiënt (strategisch) kan worden onderzocht. De strategische punten, looproute en zichtlijnen zijn afhankelijk van de aanwezigheid van schuttingen, struiken/bomen, verlichting en diverse typen van bebouwing. Tevens zijn deze afhankelijk van de te onderzoeken soortgroep. De procedure voor ieder veldbezoek is als volgt: 1. Bepalen strategische punten voorafgaand aan start onderzoek. 2. Overleg met collega(‘s) uit vorige veldbezoeken over mogelijke strategische punten en looproutes. Als het een vervolgronde betreft worden de resultaten van de eerdere rondes hierin meegenomen; 3. Controle gevels op aanwezigheid van uitwerpselen onder en/of tegen de gevels. Eventueel navraag bij bewoners op (recente) activiteit van huismus, gierzwaluw en vleermuizen 1; 4. Start/uitvoering onderzoek/bezetting strategische punten en uitvoering conform reactieve onderzoekswijze; 5.
Afronding onderzoek, bespreken met collega(’s) van tussentijds resultaat, eventuele onduidelijkheden over verblijfplaatsen en waarnemingen worden in dit stadia goed ondervangen.
9
Reactieve onderzoekswijze Binnen de kaders van de Kennisdocumenten en het Vleermuisprotocol (tabel 2.1) is de onderzoekswijze vormvrij. Afhankelijk van omstandigheden zoals de relatieve potentie, ervaring, moment van onderzoek het aantal onderzoekers, en dergelijke, worden door de diverse onderzoeksbureaus op verschillende wijze onderzoek uitgevoerd. Aangezien de te onderzoeken soorten veelal voorkeur hebben voor bepaalde type verblijfsplaatsen en leefgebied wordt door Blom Ecologie B.V. reactief onderzoek uitgevoerd. Dit type onderzoek houdt vast aan strategische punten en looproutes waarbij het geobserveerde gedrag van de te onderzoeken soort en de lokale omstandigheden leidend zijn voor de keuze van de strategische punten of looproute en de verblijfsduur per punt. De strategische punten worden bepaald op locatie voorafgaand aan de start van een onderzoek door een visuele beoordeling op de actuele potentie voor de soort in kwestie. Deze punten kenmerken zich door goed overzicht binnen het plangebied en zicht op zoveel mogelijk potentiële in- of uitvliegopeningen. Tijdens het aanvullend onderzoek gierzwaluw wordt met name gebruik gemaakt van strategische punten. Deze strategische punten worden gekozen op basis van overzicht van het plangebied, relatieve potentie, sporen van nesten en in latere rondes de gegevens van de eerdere bezoeken.
Tijdens het gehele veldbezoek worden het aantal laagvliegende gierzwaluwen geteld voor het inschatten van het aantal nesten op locatie. De wisseling van de strategische punten is een reactie op het gedrag van de gierzwaluw, de waarnemer verandert van strategisch punt is als er sprake is van laagvliegende, bouncende en roepende gierzwaluwen in een bepaald deel van het plangebied. Het onderzoek wordt afgerond rond zonsondergang. De onderzoeker verlaat de planlocatie echter pas wanneer alle gierzwaluwen zijn ingevlogen of uit het gebied weggetrokken zijn. Afhankelijk van de periode kan het onderzoek daardoor doorlopen tot circa 30 minuten na zonsondergang. Tijdens deze laatste 30 minuten is er vaak sprake van relatief lage activiteit waardoor dit onderzoek zonder kwaliteitsrisico’s kan overlopen in de veldbezoeken ten aanzien van vleermuizen. Het aanvullend onderzoek vleermuizen wordt uitgevoerd door een combinatie van strategische punten en looproutes. Tijdens het eerste veldbezoek (zowel in het voorjaar als najaar) worden strategische punten ingenomen. Op het moment dat er sprake is van uitvliegende vleermuizen beweegt de onderzoeker zich in tegenovergestelde richting (dus de vleermuis tegemoet) naar het volgende strategische punt om zo een eventueel tweede of daaropvolgende uitvliegend individu, en uiteindelijk zo mogelijk de kolonieverblijfplaats, te lokaliseren.
Hierbij blijft de nadruk op de woningen die binnen het plangebied vallen. Tijdens de vervolgonderzoeken wordt per seizoen de strategische punten ingenomen waar op dat moment de hoogste trefkans is. Afhankelijk van het doel van het aanvullend onderzoek (e.g. kraamverblijfplaatsen, functioneel leefgebied e.d.) wordt de nadruk gelegd op strategische punten (zomerverblijfplaatsen, vliegroutes) of strategische looproutes (paarverblijfplaatsen, winterzwermverblijfplaatsen).
10
Voor alle onderzoeken geldt dat tijdens de rondes de keuze van strategische punten en/of looproutes beïnvloed worden door veranderende omstandigheden. Dit kan zijn een plotselinge verandering van windrichting, sterke toename of afname van windkracht, defecte straatverlichting en dergelijke. Het aantal factoren dat bepaalt waarom een onderzoeker juist de ene richting meer op kijkt dan de andere of er juist voor kiest af te wijken van een gebruikelijke route. De wijze van onderzoek verschilt, met in achtneming van de randvoorwaarden van het Vleermuisprotocol en Kennisdocumenten, dus per datum, per loopronde en per moment. Er is derhalve geen sprake van vaste transecten maar veel eerder van diverse looproutes naar strategische punten waarbij de frequentie van stilstaan en beweging afhankelijk zijn van de omstandigheden op dat moment.
2.3
Inventarisaties Veldbezoeken De planlocatie is 9x bezocht door medewerkers van Blom Ecologie B.V. (tabel 2.2). Tijdens de gierzwaluw- en vleermuisbezoeken zijn de planlocatie en de directe omgeving onderzocht op de aanwezigheid van gierzwaluwen en vleermuizen. Tijdens het onderzoek is met name gelet op nest indicerend gedrag van gierzwaluw alsmede foeragerende/communicerende vleermuizen. Tevens is gelet op de veelgebruikte structuren door vleermuis voor het bepalen van het functioneel leefgebied. Voor het bepalen van mogelijke nestlocaties van de huismus is een technische inspectie huismus uitgevoerd. Tabel 2.2
Veldbezoeken op de planlocatie, met per veldbezoek welke functies onderzocht worden en het aantal waarnemers dat is ingezet. De weersomstandigheden voldeden aan de minimumcriteria zoals opgenomen in de Kennisdocumenten huismus en gierzwaluw en het Vleermuisprotocol (2021).
Veldbezoek
Functie
Aantal
Datum
Zon ▼ ▲
Tijd
Weersomstandigheden
pers. Huismus*
Nest
1
11-11-2021
n.v.t.
10.30-13.00
8/8, miezer, 0-1 Bft, 11˚C
Gierzwaluw 1
Nest
1
31-05-2021
21.48
19.45-22.00
0/8, droog, 0-1 Bft, 17˚C
Gierzwaluw 2
Nest
1
24-06-2021
22.04
19.50-22.04
0/8, droog, 2 Bft, 18˚C
Gierzwaluw 3
Nest
1
12-07-2021
21.56
19.45-22.15
4/8, droog, 2 Bft, 20˚C
Vleermuizen 1
Kraam + zomer
1
31-05-2021
21.48
21.40-00.05
0/8, droog, 0-1 Bft, 13˚C
Vleermuizen 2
Kraam + zomer
1
24-06-2021
22.04
22.04-00.15
0/8, droog, 2 Bft, 18˚C
Vleermuizen 3
(Kraam +) zomer
1
27-07-2021
05.57
03.45-06.00
2/8, droog, 1-2 Bft, 16˚C
Vleermuizen 4
Paar
1
07-09-2021
20.12
23.00-01.00
0/8, droog, 2 Bft, 20˚C
Vleermuizen 5
Paar
1
29-09-2021
19.21
20.30-22.30
8/8, droog, 3 Bft, 11˚C
* Het veldbezoek huismus betreft een technische inspectie.
Gebruikte materialen Het
gierzwaluwonderzoek
is
uitgevoerd
met
behulp
van
een
verrekijker.
Het
vleermuisonderzoek is uitgevoerd met behulp van een verrekijker en batdetector, type Petterson D-200x. De technische inspectie huismus is uitgevoerd met behulp van een ladder, fotocamera, zaklamp, verrekijker, liniaal en endoscoop. Geluidswaarnemingen zijn eventueel opgenomen met een opnameapparaat van het merk Roland, type R-07. Indien inventarisatie in het veld niet mogelijk was zijn geluiden geanalyseerd met behulp van de software BATSOUND. 11
2.4
Specifieke omstandigheden Tijdens de uitvoering van het onderzoek kan er sprake van dusdanig omstandigheden dat er mogelijk een vertekend beeld optreedt van de verzamelde resultaten. Hiermee wordt niet bedoeld het gemotiveerd afwijken van uitgangspunten zoals geformuleerd in de Kennisdocumenten en Vleermuisprotocol. Tijdens het onderzoek was er (voor zover de onderzoekers hebben kunnen nagaan) geen sprake van omstandigheden die mogelijk effect sorteren op de onderzoeksresultaten.
12
3 Resultaten 3.1
Huismus Waarnemingen en aantallen Voor het huismusonderzoek is een technische inspectie uitgevoerd. Tijdens de inspectie zijn geen huismussen (Passer domesticus) waargenomen en/of gehoord. Ook zijn tijdens de gierzwaluwrondes (m.n. 1e en 2e ronde) geen huismussen waargenomen. In de periodes eind mei – juni bevinden de meeste huismusbroedparen zich nog in de omgeving van hun nesten. Nesten Tijdens de technische inspectie is geen nestmateriaal van de huismus waargenomen onder de dakbedekking van de te slopen bebouwing op de planlocatie. Functioneel leefgebied Er zijn geen huismussen waargenomen tijdens de 1e en 2 gierzwaluwronde en tijdens de technische inspectie op de planlocatie of de directe omgeving ervan.
3.2
Gierzwaluw Waarnemingen en aantallen Tijdens de onderzoek rondes zijn in totaal circa 2 gierzwaluwen (Apus apus) waargenomen tijdens de piekmomenten. Boven de planlocatie en in de directe omgeving ervan zijn geen gierzwaluwen waargenomen. Sporadisch overvliegende gierzwaluwen zijn boven het stedelijk gebied van Strijen waargenomen. Gezien gierzwaluwen koloniebroeders zijn welke gebonden zijn aan het stedelijk gebied worden ze op de planlocatie, welke zich aan de rand van het stedelijk gebied bevindt, niet verwacht. Laagvliegende individuen zijn niet waargenomen binnen de planlocatie Nesten Gedurende het onderzoek zijn geen nesten van de gierzwaluw vastgesteld op de planlocatie en in de directe omgeving ervan.
3.3
Vleermuizen Waarnemingen, soorten en aantallen Tijdens de onderzoeksrondes zijn in totaal een drietal soorten waargenomen binnen of in de directe nabijheid van het plangebied (tabel 3.3). Waargenomen soorten betreffen de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), rosse vleermuis (Nyctalus noctula) en ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii). De meest waargenomen soort betrof de gewone dwergvleermuis. Tijdens piekmomenten tijdens de voorjaarsrondes zijn in totaal 10 individuen waargenomen, tijdens de najaarsrondes betrof dit circa 3 individuen. De rosse vleermuis is enkel waargenomen in het voorjaar en de ruige dwergvleermuis enkel in het najaar.
13
Tabel 3.3
Waarnemingen en aantallen van vleermuizen gedurende de veldbezoeken.
Veldbezoek
Soort
Aantal
Gedrag
Vleermuis 1
Gewone dwergvleermuis
5
Foeragerend
31-5-2021
Gewone dwergvleermuis
5
Foeragerend
Rosse vleermuis
1
Foeragerend
Vleermuis 2
Gewone dwergvleermuis
5
Foeragerend
24-6-2021
Gewone dwergvleermuis
5
Foeragerend
Vleermuis 3
Gewone dwergvleermuis
1
Foeragerend
27-7-2021
Gewone dwergvleermuis
3
Foeragerend
Vleermuis 4
Gewone dwergvleermuis
3
Overvliegend
7-9-2021
Ruige dwergvleermuis
2
Overvliegend
Gewone dwergvleermuis
4
Foeragerend
Gewone dwergvleermuis
1
Paarverblijf (buiten planlocatie)
Vleermuis 5
Gewone dwergvleermuis
5
Foeragerend
29-9-2021
Ruige dwergvleermuis
1
Foeragerend
Verblijfplaatsen Gedurende het onderzoek is één verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Het verblijf betreft een paarverblijf en is gelegen buiten het plangebied. De exacte vindplaats van de verblijfslocaties zijn weergeven in tabel 3.1. In figuur 3.1 worden de ruimtelijke spreiding van de verblijfslocaties weergeven. Tabel 3.1
Overzicht waargenomen verblijfplaatsen van vleermuizen. Per type verblijfplaats wordt de functie, het aantal individuen en de omschrijving van de locatie benoemd. GD = gewone dwergvleermuis.
14
Adres
Soort
Functie
Aantal
Gleede 14
GD
Paar
1
Omschrijving kantpan
Figuur 3.1
Overzicht van de verblijfslocaties van vleermuizen op de planlocatie en in de directe omgeving hiervan.
De
foerageergebieden
binnen
de
planlocatie
betreffen
niet
essentiële
foerageergebieden (verantwoording: het kaartmateriaal is vervaardigd in QGIS).
Vliegroutes en foerageergebieden Gedurende het vleermuisonderzoek is geen essentiële vliegroute en/of foerageergebied vastgesteld binnen de planlocatie. Op de planlocatie is enkel sporadisch foerageeractiviteit van maximaal 2 gewone dwergvleermuizen waargenomen. De bomenrij aan de zuidwestzijde van de planlocatie ter hoogte van de Trambaan valt gedeeltelijk in het plangebied en wordt regelmatig door vleermuizen gebruikt als foerageergebied. Daarnaast wordt het waterlichaam en de bomenrij ten noorden van de planlocatie veelvuldig gebruikt als foerageergebied door vleermuizen (figuur 3.1). Binnen de beoogde ontwikkeling wordt een appartementencomplex gerealiseerd welke eenzelfde aanbod aan foerageergebied zal bevatten als de huidige situatie. Daarnaast zal de bomenrij ten zuidwesten van de planlocatie uitgedund worden. Hierbij zullen dus enkele bomen gekapt dienen te worden. De lijnvormige structuur blijft echter behouden. Gezien het ruime aanbod aan foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis in de directe omgeving van de planlocatie, maakt de uit te dunnen bomenrij nabij de planlocatie geen onderdeel uit van een essentieel foerageergebied. Daarnaast zal binnen de beoogde ontwikkeling de functie van de bomenrij behouden blijven. Hierbij dient wel rekening gehouden te worden met lichtuitstraling gedurende de werkzaamheden en in de toekomstige situatie.
15
3.4
Overige soorten Naast de te onderzoeken soorten waarvoor het voorliggend onderzoek is uitgevoerd zijn tijdens de veldbezoeken overige soorten waargenomen. De volgende vogelsoorten zijn gedurende
de
veldbezoeken
waargenomen:
blauwe
reiger,
boerenzwaluw,
gaai,
halsbandparkiet, holenduif, houtduif, kauw, meerkoet, merel, scholekster, soepeend, spreeuw, tjiftjaf, Turkse tortel, zanglijster, zwarte kraai en zwartkop. Deze waarnemingen bestaan met name uit overvliegende, rustende of foeragerende vogels. Tevens is de egel twee keer waargenomen, bieden keren buiten de planlocatie. Tijdens de technische inspectie huismus zijn 3 kauwennesten waargenomen onder de dakbedekking van de te slopen bebouwing op de planlocatie. Verder zijn geen nesten of verblijven van overige soorten waargenomen op de planlocatie of de directe omgeving ervan. Voor de kauw dienen enkele maatregelen getroffen te worden.
16
4 Conclusie 4.1
Huismus Op 11 november 2021 is een technische inspectie uitgevoerd naar de aanwezigheid van huismusnesten in de bebouwing aan het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument huismus (BIJ12, 2017a). Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat in de bebouwing op de planlocatie geen nesten van de huismus aanwezig zijn. Er zijn echter wel meerdere nesten van kauwen vastgesteld onder de dakbedekking aan de zuidwestzijde van de bebouwing op de planlocatie. Kauwen prederen op jonge, nestgebonden huismussen. Gezien de hoge predatiedruk, er geen waarnemingen van huismussen zijn gedaan tijdens de overige onderzoeken en uit verspreidingsgegevens (NDFF 2011-2021) op de planlocatie en de directe omgeving en er geen nesten zijn vastgesteld tijdens de technische inspectie, kan worden geconcludeerd dat de planlocatie geen functionele betekenis kent voor de huismus. De beoogde ontwikkeling leidt derhalve niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art 3.1, lid 2. Een ontheffing op de Wet natuurbescherming met betrekking tot de huismus is derhalve niet aan de orde.
4.2
Gierzwaluw In de periode mei – juli 2021 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van nesten van de gierzwaluw op het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument gierzwaluw (BIJ12, 2017b). Tijdens het onderzoek zijn géén nesten van de gierzwaluw vastgesteld. De beoogde ontwikkeling leidt derhalve niet tot een overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art 3.1, lid 2. Een ontheffing op de Wet natuurbescherming met betrekking tot de gierzwaluw is derhalve niet aan de orde.
4.3
Vleermuizen In de periode mei – september 2021 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen in de woningen aan het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Vleermuisprotocol (NGB, 2021). Tijdens het onderzoek zijn géén verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld binnen het plangebied. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art 3.5, lid 4 (wegnemen vaste rust- en/of verblijfplaatsen). De uit te dunnen bomenrij aan de zuidwestzijde van de planlocatie dient echter onbelicht te blijven tijdens de beoogde ontwikkeling en in de toekomstige situatie. Indien verlichting noodzakelijk is wordt geadviseerd om geconvergeerde, naar beneden gerichte lichtbundels toe te passen welke in ieder geval niet de kruinlaag van de bomen bereikt. Als gevolg van de verstoring van de verblijfplaatsen, het functionele leefgebied en overige verstoring door de werkzaamheden leiden de werkzaamheden niet tot overtreding van Wet natuurbescherming art. 3.5, lid 2. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming met betrekking tot vleermuizen is derhalve niet aan de orde.
17
4.4
Overige soorten Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot het vaststellen van de aan- dan wel afwezigheid van huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op nesten en/of verblijflocaties van andere soorten op de planlocatie. Er zijn 3 kauwennesten aangetroffen in de bebouwing binnen het plangebied tijdens de technische inspectie huismus. Gedurende het broedseizoen van de kauw is diens nest beschermd en mag deze niet verstoord worden. Derhalve wordt geadviseerd de nestlocaties van de kauwen ongeschikt of ontoegankelijk te maken óf de werkzaamheden uit te voeren buiten het algemene broedseizoen (indicatief medio maart t/m medio juli).
4.5
Te treffen maatregelen Voor de kauw dient de dakruimte buiten het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden óf dienen de werkzaamheden uitgevoerd te worden buiten het algemene broedseizoen (indicatief medio maart t/m medio juli). Voor vleermuizen dient de uit te dunnen bomenrij onbelicht te blijven tijdens de beoogde ontwikkeling en in de nieuwe situatie. Indien verlichting noodzakelijk is wordt geadviseerd om geconvergeerde, naar beneden gerichte lichtbundels toe te passen welke in ieder geval niet de kruinlaag van de bomen bereikt.
4.6
Vervolgstappen Er zijn géén vervolgstappen binnen de Wet natuurbescherming noodzakelijk.
18
5 Bronnen BIJ12, 2017. Kennisdocument huismus, Passer domesticus. BIJ12, Utrecht BIJ12, 2017. Kennisdocument gierzwaluw, Apus apus. BIJ12, Utrecht BIJ12, 2017. Kennisdocument gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. BIJ12, Utrecht BIJ12, 2017. Kennisdocument ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii. BIJ12, Utrecht Buijs, R.J., 2019. Ecologische veldcontrole (quickscan). Oriënterend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming, rapportage 2 december 2019. Buijs Eco Consult B.V. NGB, Zoogdiervereniging en GaN, 2021. Vleermuisprotocol, versie januari 2021
Gebruikte websites www.arcgis.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.sovon.nl www.vleermuisprotocol.nl
19
WW.BLOMECOLOGIE.NL
20