CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 9 ecologie

Besluitvormende raad 28 maart 2023, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Herstelbesluit bestemmingsplan Sportlaan Westzijde Strijen8.334 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan flora en fauna nieuwbouwprojecten Woningcorporatie HW Wonen 2019-2021 Oriënterend onderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming

Colofon

Project:

BE/2019/218nb

Datum:

9 mei 2019

Samensteller(s):

ing. J.E. Soethout

Collegiale toets

ir. T.W.D. Schrader

Opdrachtgever:

Woningcorporatie HW Wonen Lamborghinilaan 4 3261 ND Oud-Beijerland Contactpersonen:

Dhr. B. de Rooij Dhr. R. Reedijk Dhr. A. Gorissen

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. © Blom Ecologie B.V./ Woningcorporatie HW Wonen Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

1

Voorwoord Voor u ligt de rapportage ‘Quickscan flora en fauna nieuwbouwprojecten Woningcorporatie HW Wonen 2019-2021’. De rapportage is opgesteld in opdracht van Woningcorporatie HW Wonen. De quickscan is uitgevoerd ten behoeve van sloop- en/of nieuwbouwwerkzaamheden aan verscheidene woonblokken in de Hoeksche Waard. De werkzaamheden hebben mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en natuurwaarden. In het kader van de Wet natuurbescherming dient een oriënterend onderzoek uitgevoerd te worden naar de mogelijke negatieve effecten voor beschermde flora en fauna. Woningcorporatie HW Wonen heeft Blom Ecologie B.V. opdracht verleend om de betekenis van de complexen voor de aanwezig beschermde soorten te beoordelen en de effecten van de voorgenomen handelingen daarop. In deze rapportage worden de bevindingen beschreven en geadviseerd hoe deze te interpreteren en in de praktijk te hanteren.

2

3

Inhoud 1

2

3

4

5

Inleiding

6

1.1 Aanleiding en doel

6

1.2 Oriënterend onderzoek (quickscan)

6

1.3 Wettelijk kader Wet Natuurbescherming

7

Plangebied en voorgenomen ingrepen

10

2.1 Te verwachten soorten en functies

11

2.2 Molenaar te Oud-Beijerland

12

2.3 Wilhelminastraat 34 & Prins Bernhardlaan 6 – 8 te Puttershoek

15

2.4 Molenlaan ong. te Maasdam

18

2.5 Sportlaan 5 te Strijen

20

2.6 Suze Groenewegstraat 5 – 15 te Strijensas

22

2.7 Laan van Westmolen ong. te Mijnsheerenland

24

2.8 Ter Kuilestraat 17 t/m 23 te Mijnsheerenland

26

2.9 Voorgenomen ingrepen

28

Beoordeling Wet Natuurbescherming

29

3.1 Vaatplanten

29

3.2 Zoogdieren

30

3.3 Vleermuizen

32

3.4 Amfibieën en reptielen

37

3.5 Vissen

38

3.6 Vlinders, libellen en overige ongewervelden

39

3.7 Vogels

40

Gebiedsbescherming

47

4.1 Natura 2000 gebieden

47

4.2 Natuurnetwerk Nederland

48

Conclusies en aanbevelingen

51

5.1 Conclusies

51

5.2 Te treffen maatregelen en handelingen

52

5.3 Vervolgstappen

54

4

6

Literatuur

55

5

1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel Woningcorporatie HW Wonen is een woningcorporatie gevestigd te Oud-Beijerland. Haar werkveld bevindt zich in de Hoeksche Waard. De woningcorporatie is voornemens om verscheidene gebouwen/woningen

te

saneren

ten

behoeve

van

nieuwbouwprojecten.

De

beoogde

werkzaamheden hebben mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijk effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggende ecologische quickscan is de (potentiele) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Woningcorporatie HW Wonen heeft Blom Ecologie B.V. verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezige beschermde natuurwaarden en vervolgens deze te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en vigerend beleid. Onderzoeksdoel Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: •

Welke, krachtens de Wet Natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig in het plangebied?

•

Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de werkzaamheden?

•

Leiden de werkzaamheden, gelet op de verwachtte negatieve effecten, tot overtreding van de Wet Natuurbescherming en/of vigerend beleid?

1.2 Oriënterend onderzoek (quickscan) Quickscan Een quickscan is een oriënterend onderzoek waarbij een beoordeling wordt gegeven van de aanwezigheid van flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. De quickscan bestaat uit veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De quickscan geeft uitsluitsel voor het (direct) uit kunnen voeren van de werkzaamheden, vervolgonderzoek en/of een ontheffingsaanvraag. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek wordt het plangebied nauwkeurig onderzocht waarbij ook gelet wordt op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 26 maart 2019. De inventarisatie is uitgevoerd op de planlocatie. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren respectievelijk; afwisselend droog, 6-8/8 bewolkt, 7° Celsius en windkracht 1-2 (Bft.).

6

Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door het Natuurloket (www.natuurloket.nl). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

1.3 Wettelijk kader Wet Natuurbescherming Vogelrichtlijn Onder de vogelrichtlijn vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. De meeste vogels hebben in het broedseizoen (indicatief 15 maart t/m 15 juli) een nestlocatie. Voor alle vogels geldt, dat broedgevallen gedurende het broedseizoen beschermd zijn en de nestlocatie gedurende de periode dat de jongen hiervan afhankelijk zijn. De nestlocatie en de functionele leefomgeving van een aantal kwetsbare vogelsoorten is het gehele jaar beschermd. Hierbij wordt onderscheidt gemaakt in vijf categorieën waarvan categorie 1 t/m 4 het gehele jaar beschermd zijn en categorie 5 wanneer er zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. De huismus en gierzwaluw zijn onderverdeeld in categorie 2; nesten van (semi)koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast of afhankelijk van bebouwing of biotoop zijn. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Ontheffing voor ruimtelijke ontwikkelingen wordt alleen verleend na een zware toetsing en op basis van zwaarwegende criteria: dwingende redenen van groot openbaar belang, dreiging voor volksgezondheid en veiligheid en/of (voorkoming) van ernstige (economische) schade.

Ten aanzien van de vaste rust en verblijfplaatsen van vogels bestaat de mogelijkheid om mitigerende maatregelen toe te passen en daarmee overtreding van de verbodsbepalingen te voorkomen (mitigatieplan). Habitatrichtlijn Onder de habitatrichtlijn vallen alle soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. Afhankelijk van de werkzaamheden geldt een vrijstelling met een, door de provincie goedgekeurde gedragscode of een ontheffingsaanvraag (uitgebreide toets). Voor ruimtelijke ontwikkeling en –inrichting geldt altijd een ontheffingsaanvraag. Ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen wordt alleen in specifieke situaties verleend. Alle inheemse vleermuissoorten vallen onder de habitatrichtlijn. Vleermuizen maken gebruik van 4 typen verblijfplaatsen (kraam-, zomer-, paar- en winterverblijfplaats). Afhankelijk van de soort bevinden deze verblijfplaatsen zich in gebouwen, bomen, rotsen of andere specifieke locaties. In de schermer- en nachtperiode trekken vleermuizen van de verblijfplaats naar de foerageergebieden. Vleermuizen zijn opportunistisch waardoor er vaak sprake is van een geleidelijk diffuse verspreiding gedurende de avond. Vleermuizen oriënteren zich op elementen in het landschap tijdens de migratie tussen de verblijfplaats en foerageergebieden.

De verblijfplaatsen en de functionele leefomgeving (foerageergebieden en verbindingsroutes) zijn strikt beschermd. Wanneer er bij ruimtelijke ontwikkelingen sprake is van aantasting van de verblijfplaatsen en/of functionele leefomgeving leidt dit altijd tot een ontheffingsaanvraag.

7

Ontheffing voor ruimtelijke ontwikkelingen wordt alleen verleend na een zware toetsing en op basis van zwaarwegende criteria: dwingende redenen van groot openbaar belang, dreiging voor volksgezondheid en veiligheid en/of (voorkoming) van ernstige (economische) schade. De renovatie leidt tot een beter binnenklimaat (volksgezondheid) en een afname de CO 2 uitstoot (klimaatverandering; groot openbaar belang). Ten aanzien van de vaste rust- en verblijfplaatsen alsmede de functionele leefomgeving van vleermuizen bestaat de mogelijkheid om mitigerende maatregelen toe te passen en daarmee overtreding van de verbodsbepalingen te voorkomen (mitigatieplan). Nationaal beschermde soorten Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. In de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland. Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Meerkikker

Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker Bunzing Dwergmuis

Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander

Veldmuis Vos Wezel

Dwergspitsmuis

Konijn

Woelrat

Egel Nee, tenzij Het basisprincipe in de Wet natuurbescherming is het verbod op beschadiging van beschermde planten en dieren en hun leefomgeving. Ruimtelijke ingrepen mogen niet plaatsvinden tenzij beschermde flora en fauna niet beschadigd en verstoord worden. Bij sommige ruimtelijke ingrepen is schade echter onvermijdelijk. Een wettelijk verplichte natuurtoets geeft vervolgens uitsluiting voor een vrijstelling, een ontheffingsaanvraag of een afkeuring. Belangrijke verbodsbepalingen ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen zijn de §3.1 artikel 3.1 – 3.4 (Vogelrichtlijn), §3.2 artikel 3.5 – 3.9 (Habitatrichtlijn) en §3.3 artikel 3.10 – 3.11 (Nationaal Beschermde Soorten). De belangrijkste artikelen zijn hieronder weergegeven. Artikel 3.1. Vogelrichtlijn 1:

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen.

2:

Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

3:

Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben.

4:

Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen.

5:

Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

8

Artikel 3.5. Habitatrichtlijn 1:

Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

2:

Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

3:

Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

4:

Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

5:

Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Zorgplicht Naast de door de Wet Natuurbescherming beschermde diersoorten geldt voor alle in het wild levende dieren de algemene zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht nemen moet nemen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving.

9

2 Plangebied en voorgenomen ingrepen Woningcorporatie HW Wonen is voornemens om nieuwbouwprojecten te realiseren verspreid over verscheidene gebieden in de Hoeksche Waard. Voor sommige projecten dienen alvorens sloopwerkzaamheden uitgevoerd te worden. De sloopwerkzaamheden bevatten het saneren van woningen, loodsen of bedrijfspanden. Daarnaast vindt één nieuwbouwproject plaats op een braakliggend perceel. In figuur 1 is weergegeven waar de zeven gebieden, waarin de renovaties aan de woningen plaatsvinden, zich bevinden in de Hoeksche Waard.

Figuur 1

De rode cirkels weergeven bij benadering de ligging van de gebieden waarin de locaties verspreid over de Hoeksche Waard zijn gelegen (bron: arcgis.com).

10

2.1 Te verwachten soorten en functies De te saneren woningen zijn visueel geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële in- en uitvliegopeningen. Vleermuizen kunnen op verschillende plaatsen in een woning een verblijfplaats hebben (figuur 2). Mogelijke invliegopeningen voor vleermuizen zijn open stootvoegen, open ventilatieroosters, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen en niet aansluitende kant- en/of nokpannen. In hoeverre een potentiële verblijfplaats geschikt is voor vleermuizen is onder andere afhankelijk van (a)biotische factoren, klimatologische omstandigheden, het type verblijfplaats en de vleermuissoort. Afhankelijk van het type werkzaamheden of ingrepen, het moment van uitvoeren en de toegepaste werkwijze kunnen effecten optreden voor vleermuizen.

Figuur 2

Vleermuizen kunnen op verschillende plaatsen in een woning een verblijfplaats hebben (bron afbeelding: www.ivnvechtplassen.org).

De huismus broedt vrijwel altijd bij menselijke bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen tegen het isolerende dakbeschot of in kieren in de muur. Daarbij geldt dat het onder het dak niet te heet moet worden in de middagzon, maar ook niet te koud. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene planten, plaatsen met stof of grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken. Een nest maakt hij in bijvoorbeeld ventilatieschachten, spleten in muren, onder dakpannen en in kerktorens (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is vaak te vinden in woonwijken en is vrij zeldzaam in landelijk gebied. De openingen in de bebouwing moeten vrij zijn van versperringen zodat een invliegroute mogelijk is. Bovendien gebruiken ze hoogte om zich te laten vallen en zo snelheid te maken waardoor ze bij het wegvliegen minder gemakkelijk gegrepen kunnen worden door roofvogels. De openingen dienen derhalve op minimaal 2,5 m of hoger te zitten. 11

2.2 Molenaar te Oud-Beijerland De planlocatie is in het westen van Oud-Beijerland gelegen en het betreft voormalige bedrijfspanden aan de Molenaar 2 – 32 (figuur 3). De voormalige bedrijfspanden staan leeg en zijn niet meer in gebruik. De bebouwing is opgetrokken uit een gemetselde stenenmuur, met luchtspouw, en draagt een plat bitumen dak. De noord- en westzijde van de bebouwing is enkel opgetrokken uit een stenenmuur. De oostzijde bezit een overkapping en heeft een glazen pui. Het omliggende terrein bestaat met name uit parkeergelegenheid, trottoirs, wegen en bebouwing.

Geen potentiële invliegopeningen •

Dakoverstek sluit nauw aan op gevel.

Potentiële invliegopeningen •

Hoge open stootvoegen;

•

Open ruimte boven de regenpijp;

•

Kierende daklijsten.

Figuur 3

De rode omlijning weergeeft de te saneren bebouwing aan de Molenaar 2 – 32 te Oud-Beijerland aan bij benadering (bron: acrgis.com).

12

Figuur 4

De planlocatie aan de Molenaar 2 t/m 32 te Oud-Beijerland betreffen voormalige winkelpanden welke niet meer in gebruik zijn.

Figuur 5

De bebouwing bestaat uit één bouwlaag en bezit een plat bitumen dak.

13

Figuur 6

Voorbeelden van potentiële invliegopeningen voor vleermuizen in de bebouwing aan de Molenaar 2 t/m 32 te Oud-Beijerland.

14

2.3 Wilhelminastraat 34 & Prins Bernhardlaan 6 – 8 te Puttershoek De planlocatie is in het noordoosten van Puttershoek gelegen en het betreft één woning en diverse loodsen verdeeld over de Wilhelminastraat 34 & de Prins Bernhardlaan 6 – 8 te Puttershoek (figuur 7). De woning is opgetrokken uit een gemetselde stenenmuur, met luchtspouw, en draagt een zadeldak met dakpannen. De loods aan de Prins Bernhardlaan 6 is opgetrokken uit een gemetselde stenenmuur en draagt een zadeldak bedekt met golfplaten. De loods op nummer 8 is deels opgetrokken uit een gemetselde stenenmuur, waarboven een glazen pui is gesitueerd en damwandplaten zijn bevestigd. De loods draagt een plat bitumen dak. Het omliggende terrein bestaat met name uit voor- en achtertuinen, wegen, trottoirs, parkeerplaatsen en enkele gemeentelijke groenstroken met solitaire bomen en lage struiken.

Geen potentiële invliegopeningen •

Geen hoge open stootvoegen (Wilhelminastraat);

Potentiële invliegopeningen •

Opening tussen gevel en boeibord door ontbrekende specie;

•

Openingen kantpannen;

•

Onderste rij dakpannen is toegankelijk.

Figuur 7

De rode omlijning weergeeft de te saneren bebouwing aan de Wilhelminastraat 34 & de Prins Bernhardlaan 6-8 te Puttershoek aan bij benadering (bron: arcgis.com).

15

Figuur 8

De woning aan de Wilhelminastraat 34 te Puttershoek bezit 2 bouwlagen.

Figuur 9

De loodsen aan de Prins Bernhardlaan 6-8 te Puttershoek bezitten 1 bouwlaag.

16

Figuur 10

Voorbeelden van potentiële invliegopeningen voor vleermuizen of gierzwaluwen in de woningen aan de Wilhelminastraat 34 & Prins Bernhardlaan 6-8 te Puttershoek. Tevens zijn de onderste rij dakpannen toegankelijk voor huismussen.

17

2.4 Molenlaan ong. te Maasdam De planlocatie is in het zuiden van Maasdam gelegen en het betreft een braakliggend terrein (figuur 11). Het betreffende terrein bestaat uit een grasperceel met een hoog kwaliteitsbeeld met daarop een bomenlaan en verschillende struiken gesitueerd. Het omliggende terrein bestaat met name uit woningen, achtertuinen, trottoirs, parkeergelegenheid en enkel gemeentelijke groenstroken met solitaire bomen en kleine struiken.

Geen potentiële invliegopeningen •

Geen geschikte boomholtes aanwezig.

Figuur 11

De rode omlijning weergeeft de planlocatie aan voor het nieuwbouwproject aan de Molenlaan ong. te Maasdam bij benadering (bron: arcgis.com).

18

Figuur 12

De planlocatie aan de Molenlaan ong. te Maasdam betreft een braakliggend terrein.

Figuur 13

Het grasperceel heeft een hoog kwaliteitsbeeld en er zijn bomenlanen aanwezig op de planlocatie, net zoals diverse struiken.

19

2.5 Sportlaan 5 te Strijen De planlocatie is centraal gelegen in Strijen en het betreft een kassencomplex aan de Sportlaan 5 te Strijen, waarvan de bedrijfswoning behouden blijft (figuur 14). Op de planlocatie zijn vier schuren en één kas aanwezig. Schuur I is opgetrokken uit een gemetselde stenenmuur, waarvan het bovenste gedeelte bedekt is met houten planken, en het draagt een zadeldak met golfplaten. De kas (II) is opgetrokken uit glazenpanelen en heeft ook een dak bedekt met glazenpanelen. Schuur III is opgetrokken uit betonblokken en draagt een zadeldak bedekt met golfplaten. Schuur IV is opgetrokken uit een gemetselde stenenmuur en draagt een zadeldak met golfplaten. Ook schuur V is opgetrokken uit betonblokken en draagt een zadeldak met golfplaten. De schuren dienen als opslag, enkel schuur IV dient als koelcel. Het omliggende terrein bestaat met name uit (agrarische)percelen,

woningen,

parkeergelegenheden,

trottoirs

en

enkele

gemeentelijke

groenstroken met solitaire bomen en kleine struiken.

Geen potentiële invliegopeningen •

Geen openingen tussen houten planken en gevel;

•

Geen (hoge) open stootvoegen aanwezig;

•

Geen openingen in gevel die toegang geven tot de binnenzijde;

•

Geen open ruimte tussen gevel en dak.

Figuur 14

De rode omlijning weergeeft de te saneren bebouwing aan de Sportlaan 5 te Strijen aan bij benadering. De woning is rood ingekleurd en blijft behouden (bron: arcgis.com).

20

Figuur 15

De planlocatie aan de Sportlaan 5 te Strijen betreft een kassencomplex.

Figuur 16

Op de planlocatie zijn vier schuren en één kas gesitueerd, welke in de beoogde ontwikkelingen worden gesaneerd.

21

2.6 Suze Groenewegstraat 5 – 15 te Strijensas De planlocatie is in het noorden van Strijensas gelegen en het betreft een blok rijtjeswoningen aan de Suze Groenewegstraat 5 t/m 15 (oneven) (figuur 17). Het betreffen bungalowwoningen welke één bouwlaag bezitten. Ze zijn opgebouwd uit een gemetselde stenenmuur en dragen een zadeldak met dakpannen. Het omliggende terrein bestaat met name uit voor- en achtertuinen, wegen, trottoirs, parkeerplaatsen en (agrarische)percelen.

Geen potentiële invliegopeningen •

Kantpannen zijn dicht gespecied;

•

Geen (hoge) open stootvoegen aanwezig;

•

Geen openingen tussen gevel en dakgoot.

Figuur 17

De rode omlijning weergeven de te renoveren bebouwing aan de Rembrandtstraat te Puttershoek aan bij benadering (bron: acrgis.com).

22

Figuur 18

De planlocatie aan de Rembrandtstraat betreffen seniorenwoningen met één woonlaag.

Figuur 19

De kantpannen zijn dicht gespecied en daardoor niet toegankelijk voor vleermuizen.

23

2.7 Laan van Westmolen ong. te Mijnsheerenland De planlocatie is in het zuidwesten gelegen van Mijnsheerenland en het betreft verschillende gebouwen aan de Laan van Westmolen ong. te Mijnsheerenland (figuur 20). Het betreffen twee opslagschuren en een groenstrook met berken erop gesitueerd. De schuren bezitten dezelfde bouwstijl. Ze zijn beide opgetrokken uit een gemetselde stenenmuur en dragen een zadeldak bedekt met golfplaten. Het omliggende terrein bestaat met name uit woningen met voor- en achtertuinen, wegen, trottoirs, parkeerplaatsen en enkel gemeentelijke groenstroken met solitaire bomen en kleine struiken.

Geen potentiële invliegopeningen •

Boeibord voorkomt toegang naar het dakbeschot;

•

Geen geschikte boomholten aanwezig;

•

Geen (hoge) open stootvoegen aanwezig.

Potentiële invliegopeningen •

Ruimte tussen gevel en boeibord;

•

Openingen in boeibord;

•

Onderkant golfplaten open.

Figuur 20

De rode omlijning weergeven de te saneren bebouwing aan Laan van Westmolen te Mijnsheerenland aan bij benadering (bron: acrgis.com).

24

Figuur 21

De planlocatie aan de Laan van Westmolen te Mijnsheerenland betreffen 2 opslagloodsen in dezelfde bouwstijl.

Figuur 22

Voorbeelden van potentiële invliegopeningen voor vleermuizen in de opslagloodsen.

25

2.8 Ter Kuilestraat 17 t/m 23 te Mijnsheerenland De planlocatie is centraal gelegen in het dorp Mijnsheerenland en gelegen aan de Ter Kuilestraat 17 t/m 23 (oneven) (figuur 23). Het betreft een blok rijtjeswoningen welke zijn opgetrokken uit een gemetselde stenenmuur, met luchtspouw, en draagt een zadeldak met dakpannen. Het omliggende terrein bestaat met name uit voor- en achtertuinen, wegen, trottoirs, parkeerplaatsen en enkel gemeentelijke groenstroken met solitaire bomen en kleine struiken.

Geen potentiële invliegopeningen •

Vogelschroot aanwezig.

Potentiële invliegopeningen •

Kierende en/of kapotte kantpannen;

•

Openingen tussen gevel en dak (enkele keer met krijtsporen);

•

Hoge open stootvoegen aanwezig;

•

Zestal gierzwaluw kasten aan de noordzijde.

Figuur 23

De rode omlijning weergeven de te saneren bebouwing aan de ter Kuilestraat te Mijnsheerenland aan bij benadering (bron: acrgis.com).

26

Figuur 24

De planlocatie aan de ter Kuilestraat betreffen rijtjeswoningen in dezelfde bouwstijl met 2 bouwlagen.

Figuur 25

Voorbeelden van potentiële invliegopeningen voor gierzwaluwen en vleermuizen in de rijtjeswoningen. Tevens wijzen de krijtsporen tegen de gevel op aanwezigheid van een (oud) gierzwaluwnest en is de onderste rij dakpannen ontoegankelijk voor huismussen door de aanwezigheid van vogelschroot.

27

2.9 Voorgenomen ingrepen Woningcorporatie HW Wonen is voornemens om nieuwbouwprojecten te realiseren op de bovengenoemde planlocaties. Hiervoor dient de aanwezige bebouwing gesaneerd te worden en/of de terreininrichting. Ten aanzien van beschermde flora en fauna is het relevant of de planlocaties deel uitmaken van het leefgebied.

Ruimtelijke ingreep De ruimtelijke activiteiten zullen op hoofdlijnen bestaan uit de volgende werkzaamheden: •

Sloop woningen: sloopwerkzaamheden, afvoer materiaal;

•

Terrein bouwrijp maken; aanbrengen puinbed, aanleg nutsvoorzieningen e.d.;

•

Realisatie nieuwbouwwoningen: algemene bouwwerkzaamheden;

•

Revitalisatie terrein: algemene hoveniers- en overige werkzaamheden.

Effecten Naar aanleiding van de beoogde ruimtelijke ingrepen kunnen de volgende effecten voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen optreden: •

Beschadigen, doden en verwonden van eieren, nest gebonden, juveniele of individuen van huismus, gierzwaluw en/of vleermuizen;

•

Wegnemen/vernietigen van voortplantings- of vaste- rust en verblijfplaatsen van huismus, gierzwaluw en vleermuizen.

28

3 Beoordeling Wet Natuurbescherming 3.1 Vaatplanten Gedurende het veldbezoek zijn er geen beschermde planten en/of sporen en delen hiervan aangetroffen op de planlocaties. De planlocaties betreffen opslagschuren of -loodsen, rijtjeswoningen of wooncomplexen al dan niet met voor- en/of achtertuinen. De directe omgeving van de complexen bestaat uit verharding (wegen en trottoirs), stedelijk gebied en openbaar groen. De openbare ruimten en particuliere tuinen worden vrijwel altijd intensief onderhouden c.q. beheerd met een hoog kwaliteitsbeeld. Door de aanzienlijke aanwezigheid van verharding ontbreekt het habitat van kwetsbare en zeldzame soorten. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie waargenomen. In het algemeen komen muurvegetaties in ons land voor op stenige, steile tot verticale standplaatsen. Van nature groeien ze op gebergten en rotsen. Een alternatieve standplaats zijn voegen op verweerde muren. Vegetatie binnen het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit algemene vaatplanten en aangeplante gecultiveerde en/of algemene inheemse vaatplanten. De aangetroffen vegetatie betreft onder andere: berk, rozenbottel, veelbloemige roos, hulst, haagbeuk, laurier, hedera, braam, narcis, buxus, taxus, madelief en conifeer. De aanwezigheid van beschermde flora binnen de invloedsfeer van de ruimtelijke ontwikkelingen is uitgesloten.

De beoogde ontwikkelingen leiden niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond, of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie en het gebruik van de locatie in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten, wordt de aanwezigheid hiervan tevens niet verwacht. Negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten kunnen derhalve worden uitgesloten. Tabel 3

Overzicht van de (mogelijk) potentie en effecten voor beschermde vaatplanten per deelgebied.

Alle complexen

Potentie*

Beschrijving

Overtreding**

geen

algemene soorten zonder beschermde status

nee

* potentie: geen – onwaarschijnlijk – mogelijk – ja ** overtreding: in het kader van verbodsbepalingen opgenomen in de Wet natuurbescherming

Tabel 4 Overzicht van de (mogelijk) aanwezige beschermde vaatplanten conform de Wet Natuurbescherming

Alle complexen

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

Geschikt habitat overige soort

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n.v.t.

x

x

x

invulling: x = ongeschikt/ ja = geschikt/ m (mogelijk) = nader te bepalen of mits maatregelen getroffen worden

29

3.2 Zoogdieren Zoogdieren

prefereren

een

leefomgeving

waarin

voldoende

voedsel,

rust-

en

voortplantingsmogelijkheden. De locaties zijn ongeschikt voor grote in het wild levende zoogdieren middels de ruime aanwezigheid van verharding en de locatieliggingen binnen dorpen. Voor soorten die in relatief natuurlijke omstandigheden leven is de planlocatie ongeschikt. Daarbij is sprake van een hoge mate van verstoring door de aanwezigheid van mensen en (vracht)verkeer op alle voorgenoemde planlocaties. De tuinen en openbare groenstroken hebben mogelijk een functie voor kleine grondgebonden fauna. Gelet op de gebruiksfuncties, ligging en schaalgrootte van de locatie, landelijke verspreiding en habitatpreferentie betreffen het slechts algemene en tolerante zoogdiersoorten. Voor soorten als de vos, mol en egel hebben de locaties mogelijk een (beperkte) functie. In de directe omgeving van de planlocaties is onder andere de aanwezigheid van de bever, bunzing, damhert, hermelijn, Noordse woelmuis en wezel bekend. Echter ontbreekt het functioneel leefgebied van de beschermde soorten, zoals natuurlijke structuren van houtwallen en bomenlanen. Daarnaast lopen in woonwijken vaak huiskatten en honden en is er een continue verstoring door de aanwezigheid van mensen en allerhande activiteiten.

Verblijven van marterachtigen, waaronder de bunzing, hermelijn en wezel, gaan samen met prooiresten (leeggegeten eieren, huiden van kleine(re) zoogdieren, afgebeten veren etc.), nesten, pootafdrukken of loopsporen, uitwerpselen, latrines en andere geurmarkeringen. Bij de inspectie op en rondom de planlocaties zijn deze sporen niet aangetroffen. Het plangebied is per definitie ongeschikt als verblijfplaats of leefgebied vaan deze marterachtigen door de hoge mate van menselijke verstoring, loslopende katten en honden en het ontbreken van vegetatierijke structuren. Bovendien geldt voor de kleine marterachtigen de vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen en zijn ze derhalve niet beschermd. De beoogde ingrepen leiden niet tot een afname van het leefgebied of aantasting van alle vorengenoemde soorten. Alle soorten die mogelijk gebruik maken van de planlocatie betreffen tolerante en algemeen voorkomende soorten. Voor deze soorten geldt de vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Een gedeelte van de planlocatie is na ingreep weer geschikt leefgebied voor een aantal soorten. In de directe omgeving is voldoende vergelijkbaar habitat waar potentieel aanwezige zoogdieren zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Negatieve effecten ten aanzien van grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten. Tabel 5

Overzicht van de (mogelijk) potentie en effecten voor beschermde zoogdieren per deelgebied.

Alle complexen

**

Potentie*

Beschrijving

mogelijk

algemene soorten vrijstellingsbesluit ontwikkelingen

Overtreding** opgenomen in het voor ruimtelijke

nee

* potentie: geen – onwaarschijnlijk – mogelijk – ja overtreding: in het kader van verbodsbepalingen opgenomen in de Wet natuurbescherming

30

Tabel 6

Overzicht van de (mogelijk) aanwezige beschermde grondgebonden zoogdieren conform de Wet Natuurbescherming.

Alle complexen

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

Geschikt habitat overige soort

Soort specifiek onderzoek noodzakelijk

n.v.t.

x

ja

x

invulling: x = ongeschikt/ ja = geschikt/ m (mogelijk) = nader te bepalen of mits maatregelen getroffen worden

31

3.3 Vleermuizen De directe omgeving van het plangebied bestaat uit laanvormige elementen, gebouwen en open terrein wat geschikt foerageer- en verblijfgebied is voor vleermuizen (Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). In de Hoeksche waard waar de projectlocaties zijn gelegen is het voorkomen bekend van tenminste de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF, 2000-2019). Met name de gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn typische gebouwbewonende soorten die relatief veel voorkomen in dorpen en/of stedelijk gebied. Op verschillende locaties in het plangebied is sprake van laanvorming, lineaire structuren of geschikt foerageergebied. Essentiële vlieg- en foerageerroutes maken onderdeel uit van het functionele habitat van vleermuizen. Echter leiden de beoogde ingrepen aan de woningen niet tot aantasting van het foerageergebied of de structurele indeling ervan. Tijdens de werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen.

Tijdens de ontwikkeling dient derhalve vleermuisvriendelijke verlichting te worden toegepast of de werkzaamheden moeten tussen zonsopkomst en zonsondergang plaatsvinden. Vleermuizen foerageren opportunistisch, waarbij het insectenaanbod de duur van het foerageren bepaald. Het grootste deel van de planlocaties is matig geschikt foerageergebied. Op de planlocatie zijn geen bomen aanwezig welke potentieel geschikt zijn als vaste rust- en/of verblijfplaats van boom bewonende vleermuizen, door het ontbreken van geschikt openingen. Het is derhalve uitgesloten dat de ontwikkelingen leiden tot een afname van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuizen. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende (kant)pannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. In figuren 26 t/m 32 wordt weergegeven waar aanvullend onderzoek uitgevoerd dient te worden om de aan- dan wel afwezigheid van vleermuizen aan te tonen per deelgebied. Bij de conclusies in paragraaf 5.1 worden deze effecten genuanceerd.

32

Figuur 26

De bebouwing waar wel aanvullend onderzoek (groen) plaats dient te vinden ten aanzien van vleermuizen aan de Molenaar 2 t/m 32 te Oud-Beijerland (bron: arcgis.com).

Figuur 27

De wooncomplexen waar wel aanvullend onderzoek (groen) en waar geen (rood) plaats dient te vinden ten aanzien van vleermuizen aan de Wilhelminastraat & Prins Bernhardlaan te Puttershoek (bron: arcgis.com).

33

Figuur 28

Er hoeft geen aanvullend onderzoek (rood) plaats te vinden ten aanzien van vleermuizen aan de Molenlaan ong. te Maasdam (bron: arcgis.com).

Figuur 29

De wooncomplexen waar geen aanvullend onderzoek (rood) plaats dient te vinden ten aanzien van vleermuizen aan de Sportlaan 5 te Strijen (bron: arcgis.com).

34

Figuur 30

De wooncomplexen waar geen aanvullend onderzoek (rood) plaats dient te vinden ten aanzien van vleermuizen aan de Suze Groenewegstraat te Strijensas (bron: arcgis.com).

Figuur 31

De bebouwing waar wel aanvullend onderzoek (groen) plaats dient te vinden ten aanzien van vleermuizen aan de Laan van Westmolen te Mijnsheerenland (bron: arcgis.com).

35

Figuur 32

De wooncomplexen waar wel aanvullend onderzoek (groen) plaats dient te vinden ten aanzien van vleermuizen aan de ter Kuilestraat te Mijnsheerenland (bron: arcgis.com).

36

3.4 Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. In de omgeving is het voorkomen bekend van: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker (Creemers & Van Delft, 2009, NDFF). Het voorkomen van inheemse reptielen is niet bekend in deze regio. Tevens kan het voorkomen op de planlocatie worden uitgesloten aangezien deze over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen. Door het ontbreken van geschikt habitat is de aanwezigheid van reptielen op de planlocatie uitgesloten. In de directe omgeving van de planlocaties is geen oppervlaktewater of slechts kunstmatig aangelegde vijvers aanwezig. Amfibieën leven in een terrestrisch (m.n. herfst/winter) en aquatisch (m.n. lente/zomer) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De tuinen en groenstroken zijn potentieel geschikt terrestrisch habitat voor algemene amfibieën. De beoogde werkzaamheden leiden niet tot aantasting van belangrijk leefgebied van amfibieën. Daarnaast geldt voor de algemene soorten een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Negatieve effecten op beschermde amfibieën en reptielen kunnen worden uitgesloten, mits indien nodig maatregelen getroffen worden ten aanzien van rugstreeppad. Tabel 7

Overzicht van de (mogelijk) potentie en effecten voor beschermde amfibieën en reptielen per deelgebied. Potentie*

Alle complexen

Beschrijving

onwaarschijnlijk

Overtreding**

Algemene soorten; welke vallen onder het vrijstellingsbesluit voor ruimtelijke ontwikkelingen. Indien sloopen nieuwbouwwerkzaamheden plaatsvinden tevens rugstreeppad

Nee

* potentie: geen – onwaarschijnlijk – mogelijk – ja ** overtreding: in het kader van verbodsbepalingen opgenomen in de Wet natuurbescherming

Tabel 8 Overzicht van de (mogelijk) aanwezige beschermde amfibieën en reptielen conform de Wet Natuurbescherming.

Alle complexen

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

Geschikt habitat overige soort

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n.v.t.

x

ja

x

invulling: x = ongeschikt/ ja = geschikt/ m (mogelijk) = nader te bepalen of mits maatregelen getroffen worden

37

3.5 Vissen Er zijn geen ingrepen voorzien aan of nabij oppervlaktewater. Effecten op vissen kunnen derhalve worden uitgesloten. Tabel 9

Overzicht van de (mogelijk) potentie en effecten voor beschermde vissen per deelgebied.

Alle complexen

Potentie*

Beschrijving

Overtreding**

geen

Geen ingrepen aan of nabij oppervlaktewater

nee

* potentie: geen – onwaarschijnlijk – mogelijk – ja ** overtreding: in het kader van verbodsbepalingen opgenomen in de Wet natuurbescherming

Tabel 10

Overzicht van de (mogelijk) aanwezige beschermde vissen conform de Wet Natuurbescherming.

Alle complexen

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

Geschikt habitat overige soort

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n.v.t.

x

x

x

invulling: x = ongeschikt/ ja = geschikt/ m (mogelijk) = nader te bepalen of mits maatregelen getroffen worden

38

3.6 Vlinders, libellen en overige ongewervelden Op de projectlocaties zijn tijdens het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of overige ongewervelden aangetroffen. De meeste dag-actieve insecten zijn in de winterperiode niet zichtbaar. Op de locaties zijn diverse (gedomesticeerde) heesters en bomen aanwezig. De vegetatie is voor veel algemene insecten geschikt ten behoeve van voedsel, voortplanting, opgroei (larvale stadium), popstadium en verblijfplaats. Er zijn geen plantensoorten aangetroffen nabij de woningen die voor een specifieke soort een waardplant vormen. In de tuinen rondom de woningen kunnen veel verschillende, algemene (niet beschermde) insecten voorkomen, ter indicatie: vlinders, bijen, wespen, hommels, loopkevers, spinnen, mijten, mieren, lieveheersbeestjes, et cetera. Effecten ten aanzien van beschermde insecten als gevolg van de beoogde werkzaamheden zijn uitgesloten. Tabel 11

Overzicht van de (mogelijk) potentie en effecten voor beschermde vlinders, libellen en overige ongewervelden per deelgebied.

Alle complexen

Potentie*

Beschrijving

Overtreding**

geen

Algemene soorten zonder beschermde status

nee

* potentie: geen – onwaarschijnlijk – mogelijk – ja ** overtreding: in het kader van verbodsbepalingen opgenomen in de Wet natuurbescherming

Tabel 12

Overzicht van de beschermingsregimes betreffende vlinders, libellen en overige ongewervelde in de verschillende deelgebieden alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de renovatie.

Alle complexen

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

Geschikt habitat overige soort

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n.v.t.

x

x

x

invulling: x = ongeschikt/ ja = geschikt/ m (mogelijk) = nader te bepalen of mits maatregelen getroffen worden

39

3.7 Vogels In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en rustende vogels waargenomen. De vogelsoorten betreffen: huismus, vink, zwarte kraai, kleine mantelmeeuw, gaai, pimpelmees, buizerd, Turkse tortel, scholekster, kauw, houtduif, koolmees, kokmeeuw, ekster, tjiftjaf en halsbandparkiet. Alle bebouwing is geïnspecteerd op de geschiktheid voor soorten met jaarrond beschermde onderdelen van het leefgebied als bijvoorbeeld nestlocaties in bebouwing. Dit betreft met name huismus en gierzwaluw. De huismus is een kleine zangvogel welke sterk is verbonden met de mens. De soort leeft het gehele jaar op dezelfde locatie in de directe omgeving van bebouwing. De huismus nestelt graag op beschutte plekken onder (pannen)daken. Daarbij stelt de huismus een aantal eisen aan zijn leefgebied. Zo moet het habitat voldoende voedselbronnen bieden, groenblijvende hagen bezitten, drinkwater aanwezig zijn en grind/zand bezitten om stofbaden te nemen. De huismus is een standvogel en verblijft binnen enkele honderden meters van zijn broedplek. De verschillende habitateisen moeten dan ook binnen het bereik van zijn broedplaats aanwezig zijn. De huismus is sterk verbonden met de mens en nestelt graag op beschutte plekken onder daken. Daarbij stelt de huismus een aantal eisen aan zijn leefgebied.

Zo moeten er genoeg voedselbronnen, groenblijvende hagen, drinkwater, grind/zand (voor stofbaden) aanwezig zijn. De huismus is een standvogel en verblijft binnen enkele honderden meters van zijn broedplek. De verschillende habitateisen moeten dan ook binnen het bereik van de broedplaats aanwezig zijn. Op en/of nabij bijna alle planlocaties zijn waarnemingen van huismus en/of nestlocaties van de soort bekend. Tevens zijn gedurende het veldbezoek op meerdere locaties groepen huismussen waargenomen. Bovendien is het aannemelijk dat alle habitateigenschappen van huismus aanwezig zijn in de tuinen en het openbare groen. Beperkingen voor nestgelegenheid van de huismus zijn voornamelijk de aanwezigheid van vogelwering of dat de bebouwing te laag gelegen is, zodat huiskatten er gemakkelijk bij kunnen. Gelet op de constructie van de bebouwing, het ontbreken van vogelschroot bij de meeste complexen en de potentiële invliegopeningen en inkruipmogelijkheden is de aanwezigheid van nestlocaties van huismus niet uit te sluiten en dient bij verschillende wooncomplexen aanvullend onderzoek plaats vinden. In figuren 33 t/m 39 is weergegeven waar door middel van aanvullend onderzoek de aan- dan wel afwezigheid van huismussen aangetoond moet worden.

Figuur 33

De bebouwing waar geen (rood) aanvullend onderzoek plaats dient te vinden ten aanzien van huismussen aan Molenaar 2 t/m 32 te Oud-Beijerland (bron: arcgis.com).

40

Figuur 34

De bebouwing waar wel aanvullend onderzoek (groen) plaats dient te vinden ten aanzien van huismussen aan de Wilhelminastraat & Prins Bernhardlaan te Puttershoek (bron: arcgis.com).

Figuur 35

Er hoeft geen aanvullend onderzoek (rood) plaats te vinden ten aanzien van huismussen aan Molenlaan te Maasdam (bron: arcgis.com).

41

Figuur 36

De bebouwing waar geen aanvullend onderzoek (rood) plaats dient te vinden ten aanzien van huismussen aan de Sportlaan te Strijen (bron: arcgis.com).

Figuur 37

De bebouwing waar geen aanvullend onderzoek (rood) plaats dient te vinden ten aanzien van huismussen aan de Suze van Groenewegstraat te Strijensas (bron: arcgis.com).

Figuur 38

De bebouwing waar wel aanvullend onderzoek (groen) plaats dient te vinden ten aanzien van huismussen aan de Laan van Westmolen te Mijnsheerenland (bron: arcgis.com).

42

Figuur 39

De bebouwing waar geen aanvullend onderzoek (rood) plaats dient te vinden ten aanzien van huismussen aan de ter Kuilestraat te Mijnsheerenland (bron: arcgis.com).

De gierzwaluw leeft evenals als de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens in gevels en onder (pannen)daken. De gierzwaluw is echter niet het gehele jaar aanwezig in Nederland, maar verblijft hier slechts in de broedperiode van mei tot augustus. De gierzwaluw verblijft met uitzondering van de broedperiode zijn hele leven in de lucht. Op en/of nabij de planlocaties zijn waarnemingen van gierzwaluw en/of nestlocaties van de soort bekend. Gelet op de constructie van de bebouwing en de potentiële invliegopeningen en inkruipmogelijkheden, is de aanwezigheid van nestlocaties van gierzwaluw niet uit te sluiten en dient bij verschillende wooncomplexen aanvullend onderzoek plaats te vinden (figuren 40 t/m 46).

Figuur 40

De bebouwing waar geen aanvullend onderzoek (rood) plaats dient te vinden ten aanzien van gierzwaluwen aan de Molenaar te Oud-Beijerland (bron: arcgis.com).

43

Figuur 41

De bebouwing waar wel (groen) en geen(rood) aanvullend onderzoek plaats dient te vinden ten aanzien van gierzwaluwen aan de Wilhelminastraat & Prins Bernhardlaan te Puttershoek (bron: arcgis.com).

Figuur 42

Er hoeft geen aanvullend onderzoek (rood) plaats te vinden ten aanzien van gierzwaluwen aan de Molenlaan te Maasdam (bron: arcgis.com).

44

Figuur 43

De bebouwing waar geen aanvullend onderzoek (rood) plaats dient te vinden ten aanzien van gierzwaluwen aan de Sportlaan te Strijen (bron: arcgis.com).

Figuur 44

De bebouwing waar geen aanvullend onderzoek (rood) plaats dient te vinden ten aanzien van gierzwaluwen aan de Suze Groenewegstraat te Strijensas (bron: arcgis.com).

45

Figuur 45

De bebouwing waar geen aanvullend onderzoek (rood) plaats dient te vinden ten aanzien van gierzwaluwen aan de Laan van Westmolen te Mijnsheerenland (bron: arcgis.com).

Figuur 46

De bebouwing waar wel aanvullend onderzoek (groen) plaats dient te vinden ten aanzien van gierzwaluwen aan de ter Kuilestraat te Mijnsheerenland (bron: arcgis.com).

De bomen, struiken, hagen en nestkastjes aan en nabij de te renoveren woningen bieden voor broedvogels gelegenheid om te foerageren en te nestelen. De werkzaamheden hebben een significant negatief effect op zangvogels als gebruiksfuncties tijdelijk of permanent ernstig worden aangetast. Tijdelijke aantasting van gebruiksfuncties zijn o.a. geluids- en lichtverstoring tijdens de broedperiode waardoor vogels niet tot een broedsel komen of er niet in slagen jongen groot te brengen. Ten aanzien van algemene broedvogels wordt geadviseerd om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren (indicatieve periode: 15 maart- 15 juli) om potentieel verstorende effecten op broedvogels te voorkomen. Het verwijderen van broedgelegenheden en het daarmee voorkomen van broedgevallen in de herfst- en winterperiode is eveneens een effectieve maatregel.

46

4 Gebiedsbescherming 4.1 Natura 2000 gebieden De planlocaties maken geen deel uit van een Natura 2000-gebied (figuur 47). In de omgeving van de planlocaties liggen de Natura2000-gebieden: Oudeland van Strijen, Biesbosch, Haringvliet en Hollands Diep. De planlocatie in Strijensas ligt het dichtstbij een Natura 2000-gebied (het Hollands Diep). De beoogde ingrepen leidt niet tot een verkeerstrekkende werking. De werkzaamheden zullen waarschijnlijk leiden tot een tijdelijke en beperkte toename in stikstofdepositie (projecteffect). In de toekomst zal in geval van nieuwbouw sprake zijn van een relatief lage uitstoot (hogere isolatiewaarden en een hoogrenderende stookinstallatie aangezien deze aan de nieuwste bouweisen moeten voldoen). Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Echter leert de ervaring dat het projecteffect bij soortgelijke en grotere projecten en de afstand tot kwetsbare habitats dat de stikstofdepositie onder de drempelwaarde van 0,05 mol/hectare blijft. Tevens geldt voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) dat de afstand tot omliggende Natura 2000 gebieden per definitie te groot is. Sinds 1 januari 2017 is de beleidsvoering en beoordeling gedecentraliseerd van de overheid naar de provincie.

Als gevolg van deze decentralisatie zijn er verschillen in interpretatie, toetsing en beoordeling van ruimtelijke ingrepen in relatie tot de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Ondanks dat er geen effecten verwacht worden kan het derhalve, ten behoeve van een feitelijke rekenkundige onderbouwing, door de provincie wenselijk worden geacht een Aerius berekening uit te voeren.

Figuur 47

In de omgeving van de planlocaties in de Hoeksche Waard (rode cirkel) liggen de Natura 2000 gebieden: Biesbosch, Haringvliet, Hollands Diep en Oudeland van Strijen (bron: pzh.maps.arcgis.com).

47

4.2 Natuurnetwerk Nederland De planlocaties zijn geen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 48 t/m 53). Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Oud-Beijerland

Figuur 48

De planlocatie in Oud-Beijerland maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (bron: pzh.maps.arcgis.com).

Puttershoek

Figuur 49

De planlocatie in Puttershoek maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (bron: pzh.maps.arcgis.com).

48

Maasdam

Figuur 50

De planlocatie in Maasdam maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (bron: pzh.maps.arcgis.com).

Strijen

Figuur 51

De planlocatie in Strijen maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (bron: pzh.maps.arcgis.com).

49

Strijensas

Figuur 52

De planlocatie in Strijensas maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (bron: pzh.maps.arcgis.com).

Mijnsheerenland

Figuur 53

De planlocaties in Mijnsheerenland maken geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (bron: pzh.maps.arcgis.com).

50

5 Conclusies en aanbevelingen 5.1 Conclusies In onderstaande tabel worden de effecten op flora en fauna naar aanleiding van de beoogde ingrepen beschreven. Bij welke bebouwing exact aanvullend onderzoek uitgevoerd dient te worden, is terug te vinden in 3.3 Vleermuizen en 3.7 Vogels. Effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden en de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland zijn uitgesloten. Tabel 13

Effecten op beschermde soorten per locatie. De volgende afkortingen zijn gebruikt: (-) geen effect op zwaarder of strik beschermde soorten, vanzelfsprekend dient de algemene Zorgplicht gerespecteerd te worden, (m.m.) mitigerende maatregelen treffen, (a.o.) aanvullend onderzoek

vleermuizen

vogels

huismus .gierzwaluw

uit voeren om effecten uit te sluiten.

Molenaar Oud-Beijerland

a.o.*

m.m.

-

Wilhelminastraat & Prins Bernhardlaan Puttershoek

a.o.*

m.m.

a.o.*

Molenlaan Maasdam

-

m.m.

-

Sportlaan Strijen

-

m.m.

-

Suze Groenewegstraat Strijensas

-

m.m.

a.o.*

Laan van Westmolen Mijnsheerenland

a.o.*

m.m.

a.o.*

ter Kuilestraat Mijnsheerenland

a.o.*

m.m.

a.o.*

Locatie

*

Verblijfplaatsen van eventueel aanwezige soorten (m.n. wordt de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, huismus of gierzwaluw verwacht) zijn goed te compenseren. Het is dan ook de reële verwachting dat bevoegd gezag (provincie Zuid-Holland) bij het treffen van de juiste mitigerende en compenserende maatregelen ontheffing zal verlenen voor het verwijderen van verblijfplaatsen (indien deze aanwezig zijn).

51

5.2 Te treffen maatregelen en handelingen De onderstaande maatregelen hebben betrekking op de algemene Zorgplicht betreffende alle flora en fauna alsmede soorten waarvoor vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op basis van de nadere onderzoeken kunnen deze maatregelen worden uitgebreid. •

Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig gehandeld worden met alle voorkomende flora en fauna.

•

Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige1.

•

Indien van toepassing al het losliggend materiaal in het werkgebied gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te geven in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.

•

Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

•

De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen (15 maart t/m 15 juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.

•

Werkzaamheden dienen tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden of een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze dient toegepast te worden teneinde verstoring van vleermuizen in directe omgeving te voorkomen. Hieronder kan onder ander worden verstaan; beperkte hoogte van lichtmasten, verlichting naar beneden richten en convergeren, toepassing van UV-vrije verlichting, gebruik van sterk bundellicht vermijden et cetera.

•

Indien de bebouwing potentie biedt voor gierzwaluwen dient een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Dit om de aan- of afwezigheid van nestlocaties van de gierzwaluw in de renoveren bebouwing uit te sluiten. Dit kan door middel van een drie gerichte veldbezoeken in de periode van 15 mei – 15 juli met minstens 10 dagen tussen ieder veldbezoek. Eén veldbezoek dient uitgevoerd tussen 20 juni – 5 juli.

•

Ten aanzien van vleermuizen dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanof afwezigheid van verblijflocaties bij de bebouwing die potentie bieden voor de vleermuis. Het aanvullende onderzoek dient uitgevoerd te worden conform de richtlijnen uit het vleermuisprotocol, met vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 mei t/m 1 oktober. Na uitvoering van eventuele maatregelen dienen de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlicht te worden en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze

1 Het ministerie van El&I verstaat onder een deskundige persoon die; (1) Op HBO, dan wel universitair niveau een opleiding

heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie en/of (2) Als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau dat is aangesloten bij het netwerk Groene Bureaus en/of (3) Zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van soortenbescherming en is aangesloten bij de daarvoor in Nederland bestaande organisaties.

52

toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). •

Bij de bebouwing die een potentie bieden voor de huismus, dient een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden om de functie van de bebouwing ten aanzien van de huismus vast te stellen. Dit kan middels twee veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei.

53

5.3 Vervolgstappen Ten aanzien van huismus, gierzwaluw en vleermuizen dient voor een deel van de ingrepen en een deel van de woningen (3.3 Vleermuizen en 3.7 Vogels) een nader aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd om de aan- dan wel afwezigheid uit te sluiten. Broedvogels Ten aanzien van broedvogels dient er aanvullend onderzoek gedaan te worden naar de aan- dan wel afwezigheid van broedlocaties van huismussen en gierzwaluwen. In navolging van het kennisdocument Huismus dient ten behoeve van het huismusonderzoek 2 bezoeken te worden afgelegd in de periode 1 april t/m 15 mei. Of een technische inspectie kan uitgevoerd worden buiten de kwetsbare periode (broedseizoen en periode van vorst). Mogelijk dient in het verlengde hiervan een ontheffing te worden aangevraagd. In navolging van het kennisdocument Gierzwaluw dient ten behoeve van het gierzwaluwonderzoek 3 bezoeken te worden afgelegd in de periode 1 juni t/m 15 juli. Waarvan er minsten 1 moet plaatsvinden tussen 20 juni en 7 juli. Mogelijk dient in het verlengde hiervan een ontheffing te worden aangevraagd. Vleermuizen Ten aanzien van vleermuizen dient er aanvullend onderzoek gedaan te worden naar welke functie de bestaande bebouwing al dan niet heeft ten behoeve van vleermuizen.

In navolging van het vleermuisprotocol dienen voor dit onderzoek 5 bezoeken te worden afgelegd in de periode (1 april) 15 mei t/m 1 oktober (15 oktober). Weersomstandigheden; minimale temperatuur 5 °C, maximale windkracht 3 Bft en als neerslag maximaal motregen. Mogelijk dient in het verlengde hiervan een ontheffing te worden aangevraagd.

54

6 Literatuur Bang, P. & P. Dahlström, 2005. Tierspuren. Fährten, Fraβspuren, Losungen, Gewölle und andere. BLV Buchverlag GmbH & Co. KG, München Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (ravon)(redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Hustings, F. & J.W. Vergeer (sovon)(redactie), 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 19982000. -Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden Limpens, H., K. Mostert en W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij. Twisk, P., A. van Diepenbeek & J.P. Bekker, 2010. Veldgids Europese Zoogdieren, KNNV Uitgeverij, Zeist

Geraadpleegde Kennisdocumenten (BIJ12) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Kennisdocument Gierzwaluw Kennisdocument Huismus

Geraadpleegde websites www.natura2000.eea.europa.eu www.arcgis.com www.ndff-ecogrid.nl www.pzh.maps.arcgis.com www.ruimtelijkeplannen.nl www.rvo.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlindernet.nl

55

56

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12454844/1