CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 3a toelichting en regels bp Gravin Sabinastraat 57 e.o. Zuid-Beijerland

Besluitvormende raad 15 februari 2022, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan Gravin Sabinastraat te Zuid-Beijerland25.613 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Er is daarom aangesloten bij een qua verkeersgeneratie vergelijkbare, doch zwaardere winkelcategorie, te weten een woonwarenhuis, gelegen in de centrumschil van Zuid-Beijerland. Uit de analyse blijkt er een additionele verkeersgeneratie te ontstaan, zoals hieronder weergegeven. Verkeersgeneratie gemiddelde weekdag

132 mvt / etmaal +/- 14 %

gemiddelde openingsdag

154 mvt / etmaal +/- 14 %

maatgevende openingsdag (gemiddelde maand)

278 mvt / etmaal +/- 14 % (zaterdag)

maatgevende openingsdag (maatgevende maand)

344 mvt / etmaal +/- 14 % (zaterdag / december)

De bestaande wegenstructuur in en rondom Zuid-Beijerland beschikt over voldoende capaciteit om deze additionele verkeersbewegingen ten gevolge van de winkeluitbreiding op te kunnen vangen en te verwerken richting de grotere ontsluitingswegen. 4

CROW Publicatie 317

Hoofdstuk 4

29

De winkeluitbreiding heeft tot gevolg dat er negen parkeerplaatsen naast winkel komen te vervallen. Echter, als compensatie voor het verdwijnen van deze parkeerhavens en ter opvanging van de additionele parkeervraag ten gevolge van de uitbreiding wordt tegenover de winkel een nieuw parkeerterrein ingericht. Op basis van de CROW gegevens ontstaat de volgende extra parkeervraag. Parkeren minimaal

23

parkeerplaatsen

maximaal

30

parkeerplaatsen

In totaal vervallen negen parkeerplaatsen. Hier staat tegenover dat er aan de overzijde van de straat vijftig nieuwe parkeerplaatsen worden gecreëerd. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de bijkomende parkeervraag voor de winkeluitbreiding. Uiteraard zal ook worden voorzien in voldoende fietsgelegenheid bij de winkel. Tegenover de winkel is een bushalte gelegen, waarmee de bereikbaarheid per openbaar vervoer een goed alternatief biedt voor de auto. Het nieuwe parkeerterrein krijgt een gescheiden in- en uitrit aan de Gravin Sabinastraat. Ook wordt de bestaande verkeerssituatie deels gewijzigd. De precieze uitwerking daarvan is op moment van schrijven nog niet bekend. Uiteraard zijn verkeersveiligheid en een goede verkeersafwikkeling daarbij voorname uitgangspunten voor het ontwerp. 4.1.3 Conclusie Vanuit de aspecten Verkeer en Parkeren bestaan er geen belemmeringen tegen de voorgenomen planontwikkeling.

4.2 Geluid 4.2.1 Toetsingskader Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:  de toevoeging van een woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;  de aanleg van een nieuwe weg;  de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten.

Hoofdstuk 4

30

Tabel 4.1: Breedte geluidszones langs wegen Stedelijk gebied Buiten stedelijk gebied

Aantal rijstroken

Zone breedte

1 of 2

200 meter

3 of meer

350 meter

1 of 2

250 meter

3 of 4

400 meter

5 of meer

600 meter

In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Tabel 4.2: Maximale ontheffingswaarden Situatie

Maximale ontheffings-

Artikel

waarde Stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

63 dB

Artikel 83, lid 2 Wgh

Vervangende nieuwbouw

68 dB

Artikel 83, lid 5 Wgh

Buiten stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

53 dB

Artikel 83, lid 1 Wgh

Agrarische bedrijfsbebouwing

58 dB

Artikel 83, lid 4 Wgh

Vervangende nieuwbouw

58 dB

Artikel 83, lid 7 Wgh

Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van

63 dB

Artikel 83, lid 6 Wgh

een autoweg of autosnelweg

*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.

Een vergelijkbare systematiek is van toepassing op projecten in de nabijheid van spoorwegen. Ook kent de Wgh een regime voor bedrijventerreinen waar geluidzoneringsplichtige bedrijven mogen vestigen. 4.2.2 Onderzoek Het bestemmingsplan voorziet niet de aanleg van wegen, spoorwegen of industrieterreinen met een geluidzone. Ook voorziet het plan niet in de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen of terreinen binnen de zones wegen, spoorwegen of industrieterreinen. Wel is er sprake van een kleinschalige reconstructie van de Gravin Sabinastraat. Deze straat is gelegen binnen een 30 km/u-zone, waardoor deze weg geen wettelijke geluidzone heeft. Bovendien is de verschuiving van de rijbaan dermate minimaal dat er geen wezenlijke verslechtering plaatsvindt bij de nabijgelegen woningen. 4.2.3 Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder bestaan er geen belemmeringen tegen de voorgenomen planontwikkeling. Wel is het zo dat er na de winkeluitbreiding en wegaanpassing nog altijd sprake moet zijn van een

Hoofdstuk 4

31

goed woon- en leefklimaat bij aangrenzende milieugevoelige functies, los van het feit dat wordt voldaan aan de Wet geluidhinder. Geluid vanuit de winkel of de nieuwe parkeerplaatsen kan namelijk zorgen voor nieuwe geluidbelasting, die niet onder de werking van de Wgh valt. Dit aspect komt verder aan de orde in paragraaf 4.4 Bedrijven en milieuzonering.

4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  het project behoort tot de lijst met categorieën van die is opgenomen in de Regeling NIBM;  het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m3).

4.3.2 Onderzoek NIBM In de Regeling NIBM zijn enkele categorieën aangewezen die per definitie niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit betreft woningbouw- en kantoorontwikkelingen vanaf een bepaalde omvang. Het onderhavige project, dat voorziet in een uitbreiding van een winkel, valt niet onder de categorieën van gevallen waarin toetsing aan de grenswaarden achterwege kan blijven. Aan de hand van de NIBM-tool dient inzichtelijk te worden gemaakt dat het project per saldo niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Hoofdstuk 4

32

Uit de worst case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit blijkt dat deze bijdrage niet in betekenende mate is, en aanvullend onderzoek achterwege kan blijven. Woon- en leefklimaat Op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is de luchtkwaliteit inzichtelijk gemaakt aan de hand van de aanwezigheid van de eerder genoemde concentratiewaarden. Stof NO2 PM10 PM2,5

Grenswaarde 40 40 25

2020 15,9 17,3 10,5

2030 11,8 15,1 8,7

Op zo`n 2,2 kilometer ten oosten van het plangebied is de Groene Kruisweg gelegen, waarlangs meetpunten zijn geplaatst voor de luchtkwaliteit. Via de NSL-monitoringstool kan worden nagegaan welke lucht-kwaliteitswaarden er langs weg worden gemeten. De NO2-waarde bedraagt minder dan 35 μg/m3, de PM10-concentratie bedraagt minder dan 35 μg/m3, het aantal PM10-overschrijdingsdagen bedraagt minder dan 35 dagen per jaar en de PM2,5-concentratie bedraagt minder dan 20 μg/m 3. Hiermee wordt het beeld van de GCDN-kaarten bevestigd. 4.3.3 Conclusie De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is goed. Er is bij lange na geen sprake van een overschrijding of dreigende overschrijding van de grenswaarden. Kijkend naar de omvang van het plan is het niet waarschijnlijk dat het plan zorgt voor een toename van 3% of meer van de gemiddelde jaarconcentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m 3). Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.

4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 5. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien

5

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

33

bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Onderzoek Het plan voorziet niet in de toevoeging van milieugevoelige functies, enkel in mogelijk milieubelastende functies.

Voor het plangebied geldt in de eerste plaats dat sprake is van een gemengd gebied. In de directe omgeving is een mix van verscheidene functies aanwezig. Vanuit een zorgvuldige besluitvorming wordt in onderhavige situatie uitgegaan van een ‘rustige woonwijk’. De winkeluitbreiding wordt op circa 10 meter van dichtstbijzijnde woningen aan de Lijsterbesstraat gerealiseerd. De parkeerplaatsen kennen een kortste onderlinge afstand van 12,5 meter tot aan de omliggende woningen. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet, voor zover relevant voor het aspect milieuzonering, in de uitbreiding van een kledingwinkel en het aanleggen van een nieuw parkeerterrein. Een winkel (SBI2008-code 47 A – detailhandel voor zover n.e.g.) is ingedeeld in milieucategorie 1, met een richtafstanden voor geluid van 10 meter. Daarbij is aangegeven dat potentieel geringe, verkeersaantrekkende werking (personenvervoer) of visuele hinder kan optreden. Een autoparkeerterrein (SBI2008-code 5221 1 – autoparkeerterreinen, parkeergarages) is ingedeeld in milieucategorie 2, met richtafstanden voor geur en geluid van respectievelijk 10 en 30 meter. Daarbij is middels indices aangegeven dat de optredende geluidbelasting continu van aard kan zijn en potentieel een zeer grote, verkeersaantrekkende werking kan hebben.

Voor de ontwikkeling is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd.6 In dit akoestisch onderzoek is de representatieve bedrijfssituatie inzichtelijk gemaakt. Uit het onderzoek blijkt dat kan worden voldaan aan de richt- en grenswaarden van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, zowel in de dag als in de avondperiode. Voor de maximale geluidsniveaus zal alleen in de dagperiode sprake zijn van overschrijding plaatsvinden van de richt- en grenswaarde op de woning Gravin Sabinastraat 53 als gevolg van activiteiten op het eigen terrein, met name door de remontluchting van een bevoorradende vrachtwagen. Het komen en gaan van de vrachtwagen ter bevoorrading kan worden gezien als ‘aan- en afrijdend verkeer’ volgens de afweging in stap 3 van de VNG-publicatie. Maximale geluidniveaus als gevolg van hiervan 6

Econsultancy, Onderzoek industrielawaai Gravin Sabinastraat te Zuid-Beijerland, rapportnummer 13945.001/D1, d.d. 9 december 2020

Hoofdstuk 4

34

worden uitgezonderd van toetsing aan de richtwaarde. Ook valt de activiteit aan te merken als ‘laden en lossen in de dagperiode’, hetgeen bij toetsing aan de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit buiten beschouwing gelaten. Omdat het bovendien een reeds bestaande activiteit betreft, die door de realisatie van het plan niet of niet significant wijzigt, wordt geoordeeld dat geen verslechtering van het woonen leefklimaat optreedt. Ter plaatse van de overige woningen treden geen geluidsniveaus van meer dan 70 dB(A) op en wordt aan richt- en grenswaarden voldaan. De uitbreiding van de modezaak aan de Gravin Sabinastraat leidt niet tot een verslechtering van het woon- en leefklimaat. Er is sprake van maximale geluidniveaus die de richtwaarden overschrijden. Voor het merendeel zijn dit echter activiteiten die reeds in de bestaande situatie voorkomen. Anderzijds zijn deze afkomstig van nieuw aan te leggen, openbaar beschikbare parkeervakken. Deze zijn zowel door bezoekers van de modezaak als bezoekers van het nabijgelegen partycentrum en de omwonenden zelf te gebruiken. De parkeervakken voorzien hiermee in de algemene plaatselijke behoefte. Door herinrichting van de Gravin Sabinastraat wordt de verkeersveiligheid en daarmee het woon- en leefklimaat verbeterd. Daarom wordt geconcludeerd dat ook na realisatie van het bestemmingsplan sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.4.3 Conclusie Door de ontwikkeling van het parkeerterrein en de winkeluitbreiding worden de voorgeschreven richtafstanden uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ in acht genomen. Omliggende bedrijven worden niet beperkt in hun mogelijkheden door de planontwikkeling. Het bestemmingsplan maakt de aanleg van een parkeerterrein en de uitbreiding van een modewinkel mogelijk. Dit betreffen potentieel milieubelastende functies. Kijkend naar de aard en omvang van de ontwikkeling zal, los beschouwd van de richtafstanden, geen sprake zijn van onacceptabele (geluid)hinder. Bij de omliggende woningen zal daardoor ook na planuitvoering sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering bestaat geen belemmering.

4.5 Geur agrarisch 4.5.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend .De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld.

Hoofdstuk 4

35

4.5.2 Conclusie In de wijde omgeving rondom het plangebied bevinden zich geen veehouderijen. Het plan voorziet niet in de vestiging van nieuwe agrarische bedrijven of geurgevoelige objecten. Vanuit het aspect geurhinder en veehouderijen bestaat geen belemmering tegen het planvoornemen.

4.6 Kabels en leidingen In en nabij het plangebied bevinden zich geen kabels en leidingen die van invloed zijn op het planvoornemen of in het bestemmingsplan een aanvullende regeling behoeven. Vanuit dit aspect bestaan er geen belemmeringen tegen het plan.

4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.

Hoofdstuk 4

36

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

4.7.2 Onderzoek Aan de hand van de risicokaart is een inventarisatie gemaakt van de potentiele externe veiligheidsrisico`s die in de omgeving van het plangebied voorkomen. Onderstaand een uitsnede van de kaart.

Figuur 13. Uitsnede risicokaart.nl Zuid-Beijerland en omgeving.

Het plan voorziet in de realisatie van een beperkt kwetsbaar object, in de vorm van een winkeluitbreiding, waar doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zullen zijn. Er dient te worden nagegaan of het toevoegen van een beperkt kwetsbaar object vanuit het oogpunt van externe veiligheid acceptabel is. Plaatsgebonden risico In de omgeving van het plangebied zijn op ruime afstand enkele risicovolle inrichtingen en transportroutes gelegen. Op circa 400 meter afstand is het Avia Xpress LPG tankstation gelegen en op circa 300 meter afstand is de Ridder van Dorplaan aangewezen als transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het plangebied bevindt zich echter niet binnen de plaatsgebonden risicocontouren van deze of andere wegen, spoorwegen, vaarwegen, buisleidingen of inrichtingen. Invloedsgebied groepsrisico Het plangebied bevindt zich niet binnen het invloedsgebied (100% tot 1% letaliteitsafstand) van inrichtingen. In de omgeving van het plangebied bevinden zich op geruime afstand enkele inrichtingen waarbij een of meerdere propaantanks aanwezig zijn. Deze inrichtingen hebben echter een zeer klein invloedsgebied. Op 3000 meter ten oosten van de beoogde winkeluitbreiding bevindt zich de Rijksweg A29, waarover het transport van gevaarlijke goederen plaatsvindt. Het betreft wegvak Z133, A29: afrit 21 (Oud Beijerland) - Knp.

Hellegatsplein. Aangezien er over dit wegvak onder andere transport plaatsvindt van categorie LT2, toxische vloeistof Propylamine, bedraagt het invloedsgebied voor dit wegvak 880 meter. Het plangebied is gelegen buiten deze afstand. Er vindt binnen een afstand van 4 kilometer rondom het plangebied geen transport plaats van gevaarlijke goederen via spoor- of vaarwegen. Deze zijn voor het groepsrisico niet van belang.

Hoofdstuk 4

37

Op 3,4 kilometer ten oosten van het plangebied bevindt zich een buisleiding van de Gasunie. Deze aardgasleiding (W-507-10) heeft een diameter van 168 mm en een werkdruk van 40 bar. Hierdoor bedraagt het invloedsgebied 100 meter. Het plangebied is daarbuiten gelegen. 4.7.3 Conclusie De planontwikkeling vindt plaats buiten de plaatsgebonden risicocontouren en buiten het invloedsgebied van inrichtingen, wegen, spoorwegen, vaarwegen en buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. Vanuit externe veiligheid bestaat er derhalve geen belemmering voor het planvoornemen.

4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Hoofdstuk 4

38

Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Volledigheidshalve is er voor onderhavige ontwikkeling een Aerius-berekening uitgevoerd, welke als bijlage is toegevoegd aan onderhavige toelichting. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling niet zal leiden tot een toename aan stikstofdepositie. Het is redelijkerwijs te verwachten dat de ontwikkeling niet zal leiden tot significanten gevolgen op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

4.8.2 Onderzoek Er is door EcoResult een Quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming en de Verordening ruimte7 uitgevoerd voor het plangebied, waar de winkeluitbreiding van Konijnendijk Mode wordt voorzien. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.

7

Ecoresult, Quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming en de Verordening Ruimte, plangebied Gravin Sabinastraat, Zuid-Beijerland, rapportkenmerk ER20180702v01, d.d. 4 juli 2018

Hoofdstuk 4

39

4.8.3 Conclusie Beschermde gebieden – Wet natuurbescherming Op basis van de afstand tot het plangebied en de aard van de werkzaamheden valt op voorhand uit te sluiten dat de activiteiten de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden zullen aantasten. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een ontheffing of vergunning is niet nodig. In het kader van stikstofdepositie is een aerius-berekening uitgevoerd voor onderhavige ontwikkeling. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling niet zal leiden tot een toename aan stikstofdepositie. Beschermde gebieden – Verordening Ruimte Op basis van de afstand tot het plangebied en de aard van de werkzaamheden valt op voorhand uit te sluiten dat de activiteiten negatieve effecten hebben op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Belangrijke weidevogelgebied. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een vergunning is niet nodig. Beschermde soorten Vogelrichtlijn – Jaarrond beschermde nesten Het plangebied is geschikt als leefgebied van de huismus en gierzwaluw (categorie 2). Aanvullend (veld)onderzoek naar de aanwezigheid van huismussen en gierzwaluwen is nodig om te bepalen hoe de dieren gebruik maken van het plangebied. Aanvullend onderzoek naar de huismus dient als volgt te worden uitgevoerd: twee bezoeken in de periode 1 april – 15 mei, of 4 bezoeken in de periode 10 maart – 20 juni.

Aanvullend onderzoek naar de gierzwaluw dient als volgt te worden uitgevoerd: drie bezoeken in de periode 15 mei – 15 juli. Beschermde soorten Vogelrichtlijn – Algemene vogels Het plangebied is potentieel geschikt als voortplantingsplaats voor algemene vogels. Nesten van algemene vogels vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van de wet. Tijdelijke schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van algemene vogels zijn onder andere te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Beschermde soorten Habitatrichtlijn – Vleermuizen In deze effectbeoordeling worden uitsluitend de habitatrichtlijnsoorten behandeld waarvoor het plangebied – op basis van dit oriënterende onderzoek – potentie biedt. Habitatrichtlijnsoorten zijn in het plangebied mogelijk aanwezig in de vorm van rust- en voortplantingsplaatsen van de gewone en ruige dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Aanvullend (veld)onderzoek is nodig om te bepalen hoe het plangebied gebruikt wordt door deze verwachte soorten.

Aanvullend onderzoek naar zomerverblijfplaatsen, kraamkolonies, winterverblijven en paarverblijven van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger dient als volgt te worden uitgevoerd: vijf (nacht-)bezoeken met twee personen, waarvan een ochtend- en twee avondbezoeken in de periode 15 mei – 15 juli en twee bezoeken in de periode 1 augustus – 1 oktober. Nationaal beschermde soorten Het plangebied is geschikt voor Nationaal beschermde soorten flora en fauna waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstellingsbesluit van kracht is. Voor deze soorten is er geen ontheffing vereist en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Wel geldt voor deze soorten de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect op soorten (spits)muizen zoveel mogelijk dient te worden

Hoofdstuk 4

40

voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden. 4.8.4 Aanvullend onderzoek Uit de bovenstaande conclusies blijkt dat aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Het onderstaande schema geeft een overzicht van de benodigde vervolgonderzoeken.

Figuur 14. Benodigd aanvullend onderzoek en onderzoeksperiodes.

Resultaten aanvullend onderzoek8 Vleermuizen Gewone dwergvleermuis  In het plangebied is één kraamverblijfplaats van 130 individuen en zijn 4 zomerverblijfplaatsen van solitaire dieren aanwezig.  Buiten het plangebied zijn 5 paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis aangetroffen, deze zijn aanwezig buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden.  Essentieel functioneel leefgebied is binnen het plangebied afwezig. Ruige dwergvleermuis  In het plangebied zijn 4 paarverblijfplaatsen van ruige dwergvleermuis aanwezig.  Buiten het plangebied zijn 5 paarverblijfplaatsen van ruige dwergvleermuis aangetroffen, deze zijn aanwezig buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden.  Essentieel functioneel leefgebied is binnen het plangebied afwezig. Laatvlieger  In het plangebied is één kraamverblijfplaats van 19 individuen aanwezig.  Buiten het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van laatvlieger aangetroffen.  Essentieel functioneel leefgebied is binnen het plangebied afwezig. Huismus  Binnen het plangebied zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen van huismus aanwezig.  Buiten het plangebied zijn 61 vaste rust- en verblijfplaatsen van huismus aangetroffen.  Binnen het plangebied is essentieel functioneel leefgebied (foerageergebied en kwetterplaatsen) van huismus aanwezig. Gierzwaluw  In het plangebied zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen van gierzwaluw aanwezig. 8

Ecoresult, Nader onderzoek vleermuizen, huismus en gierzwaluw. In het kader van de Wet natuurbescherming, rapportnummer ER20201020v01, versie 01, d.d. 13 november 2020.

Hoofdstuk 4

41

Buiten het plangebied zijn 17 vaste rust- en verblijfplaatsen van gierzwaluw aangetroffen, deze zijn aanwezig buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden.

Op basis van het vervolgonderzoek dient er een ontheffing te worden aangevraagd voor het wegnemen van:  één kraamverblijfplaats van gewone dwergvleermuis (130 individuen).  Één kraamverblijfplaats van laatvlieger (19 individuen).  4 zomerverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis.  4 paarverblijfplaatsen van ruige dwergvleermuis.  Essentieel leefgebied van huismus. Voor de aanvraag van de ontheffing op basis van de Wet natuurbescherming zal een activiteitenplan worden opgesteld, met onder andere compenserende en mitigerende maatregelen, alternatievenafwegingen en onderbouwing van het wettelijk belang. De aanvraag van de ontheffing zal voor de werkzaamheden worden ingediend bij het bevoegd gezag.

4.9 Bodem 4.9.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.9.2 Onderzoek Er is door Inventerra een vooronderzoek bodem en een verkennend bodemonderzoek9 (NEN 5725 en NEN 5740) uitgevoerd voor het plangebied, waar de uitbreiding van de winkel is beoogd en waar de nieuwe parkeerplaatsen worden aangelegd tegenover de winkel. De onderzoekslocatie heeft een totale oppervlakte van ca. 2.340 m 2 en betreft een deels bebouwd en verder volledig verhard terreindeel direct ten oosten van de modewinkel op nr. 57 en een onbebouwd terreindeel aan de overzijde van de weg.

In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. 4.9.3 Conclusie Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem, namelijk verdacht voor bodemverontreiniging. Verdachte

9

Inventerra, Verkennend bodemonderzoek Gravin Sabinastraat Zuid-Beijerland, rapportnummer 18-2188-R01JV, d.d. 2 augustus 2018

Hoofdstuk 4

42

parameters zijn zware metalen, PAK en minerale olie en op het noordelijke terreindeel ook organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd. Noordelijk terreindeel, uitbreiding modewinkel Konijnendijk, opp. 940 m2 De zintuiglijk onverdachte bovengrond (0,05 – 0,5 m-mv) en ondergrond (0,5 – 1,5 m-mv) en het grondwater ter plaatse (peilbuis 107) zijn niet verontreinigd met de onderzochte stoffen. De voor dit terreindeel gestelde hypothese ‘verdacht voor verontreiniging’ (onder andere met OCB) kan op basis van het onderzoek worden verworpen, aangezien er geen verontreinigingen zijn aangetoond. De resultaten vormen geen reden voor aanvullend onderzoek of het nemen van aanvullende (sanerings)maatregelen en vormen naar onze mening ook geen belemmering voor de geplande uitbreiding van de modewinkel. Zuidelijk terreindeel, onbebouwd terrein overzijde Gravin Sabinastraat, opp. 1.400 m 2 De bovengrond met daarin sporen puin (0 – 0,5 m-mv, MMB1) is niet verontreinigd met de onderzochte stoffen. De kleiige ondergrond met daarin een matige bijmenging met puin en zwakke bijmenging met koolas ter plaatse van boring 201 (0,5 – 1,5 m-mv, MMB2) is matig verontreinigd met lood, zink en PAK en is licht verontreinigd met diverse andere zware metalen en met minerale olie.

De ondergrond ter plaatse van boring 201 (1,5 – 2,0 m-mv), waar op basis van voorgaand onderzoek mogelijk nog een verontreiniging met minerale olie aanwezig zou zijn, is niet verontreinigd met minerale olie. De zwak tot matig puinhoudende ondergrond op het overige terreindeel (0,4 – 1,0 m-mv, MMB3) is licht verontreinigd met lood, zink, PAK en minerale olie. De zintuiglijk onverdachte, kleiige ondergrond onder de puinhoudende lagen (0,5 – 1,5 m-mv, MMB4) is licht verontreinigd met cadmium en nikkel. Het grondwater ter plaatse (peilbuis 201) is licht verontreinigd met barium, wat beschouwd wordt als een natuurlijk verhoogde achtergrondconcentratie. De voor dit terreindeel gestelde hypothese ‘verdacht voor verontreiniging’ is middels het onderzoek bevestigd. De aangetoonde verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK en minerale olie worden toegeschreven aan de bijmenging met puin en plaatselijk ook koolas. Door de plaatselijk aangetoonde matige verontreiniging met lood, zink en PAK is dit terreindeel vooralsnog niet in zijn geheel geschikt voor milieugevoelige functies als woningbouw, echter het gebruik als parkeerplaats is goed mogelijk, indien de parkeerplaatsen worden afgedekt met een duurzame aaneengesloten afdeklaag.

4.10 Water 4.10.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Bij het thema Water spelen regels en randvoorwaarden een belangrijke rol. De regelgeving en het beleid op het gebied van Water schrijven voor dat projecten de waterhuishouding niet negatief mogen beïnvloeden. In veel gevallen zijn mitigerende en/of compenserende maatregelen noodzakelijk (en verplicht) om negatieve effecten te beperken. Deze randvoorwaarden leiden er dan ook toe dat de uiteindelijke effecten, na mitigatie en compensatie, beperkt zullen zijn.

Hoofdstuk 4

43

Relevant beleid, wet- en regelgeving vanuit het Rijk is:  Nationaal Waterplan;  Nationaal Bestuursakkoord Water (actueel, 2008) - NBW;  Kader Afstromend Wegwater - KAW (Ministerie van I&M, 2014);  Waterwet (waaronder ook Blbi, artikel 3.4 en 3.5);  Wabo (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht);  Wro/Bro (Wet/Besluit ruimtelijke ordening). Relevant beleid, wet- en regelgeving vanuit de provincie is:  Omgevingsverordening Zuid-Holland (Water maakt hier onderdeel van uit);  Waterplan. Specifiek beleid voor Waterschap Hollandse Delta, waar het plangebied binnen is gelegen, betreft:  Waterbeheerprogramma (WBP);  Peilbesluiten;  Keur en Legger. Waterbeheerprogramma 2016-2021 Vanaf 2016 is er een nieuw waterbeheer programma van kracht. Het programma bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren. Het plan bevat doelen en maatregelen voor de thema’s Calamiteitenzorg, Water en Ruimte, Waterveiligheid, Voldoende Water, Schoon water en Waterketen. Voor het thema water en ruimte is de nadere uitwerking van de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie de belangrijkste ontwikkeling.

Hierbij wordt uitgegaan van meerlaagse veiligheid: preventie (laag 1), ruimtelijke inrichting (laag 2) en crisisbeheersing (laag 3). Voor Hollandse Delta ligt de nadruk op de eerste laag: een overstroming voorkomen door middel van (primaire) waterkeringen. Voor de tweede laag is als doel geformuleerd dat de ruimtelijke inrichting bijdraagt aan het beperken van de gevolgen van een overstroming. 4.10.2 Onderzoek Ten behoeve van het voorliggende plan is de watertoets doorlopen voor het onderdeel aanleggen van een parkeerterrein. De winkeluitbreiding en de wegaanpassing vinden namelijk plaats op reeds verhard terrein en de functiewijziging aan de Dorpsstraat heeft geen gevolgen voor de waterhuishouding. De relevante randvoorwaarden voor het plan zijn gerangschikt onder acht streefbeelden ingedeeld op basis van de drie waterthema`s Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water en het thema Wegen. Van streefbeeld naar randvoorwaarde vindt u de strategie, die erop gericht is het streefbeeld te verwezenlijken. Op deze manier ontstaat een goed overzicht van de randvoorwaarden en kan eveneens worden herleid waarop deze gebaseerd zijn. Deze dienen als goed uitgangspunt voor gesprek. De strategie en randvoorwaarden worden alleen vermeld als dit voor het plan relevant is.

Veiligheid - Streefbeeld Hoog water vanuit zee en de rivier vormt een reële bedreiging voor de veiligheid op de Hollandse eilanden. Waterkeringen beschermen tegen deze bedreiging. Het waterstap wil de veiligheid ook in de toekomst blijven waarborgen. Door te werken aan veilige, robuuste en duurzame waterkeringen anticipeert het waterschap op sociale ruimtelijke, economische en klimatologische ontwikkelingen.

Hoofdstuk 4

44

Voldoende water - wateroverlast Streefbeeld Een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. Zo n systeem kan het water, conform de daarvoor vastgestelde normen en zonder overlast te veroorzaken, verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Strategie Het watersysteem dient te voldoen aan het principe van waterneutraal bouwen, dit wil zeggen: waar het verharde oppervlak toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken en infiltratie van water mogelijk te maken. Uitgangspunt hierbij is de drietrap vasthouden-bergen-afvoeren. Bij het oplossen van waterhuishoudkundige problemen wordt afwenteling voorkomen. Randvoorwaarden Oplossingen voor eventuele waterhuishoudkundige problemen dienen bij voorkeur in het plangebied gevonden te worden. Indien dit niet mogelijk is dient dichtbij het plangebied compensatie gezocht te worden. Compensatie dient in ieder geval binnen hetzelfde peilgebied plaats te vinden. De verbindingen tussen wateren horen daar ook bij. De berekening van te realiseren berging is gebaseerd op de randvoorwaarde dat de afvoer maximaal 2 l/s/ha bedraagt. Bij een plan wordt gebruik gemaakt van de vuistregel dat 10% van de toename aan m 2 verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden. Hierbij geldt een ondergrens van 500 m 2 in het stedelijk gebied.

In het landelijke gebied is de ondergrens 1500 m 2; bij een kleiner oppervlak verhard is geen compenserende waterberging nodig. Dit volume wordt bij voorkeur gerealiseerd in de vorm van open water. In het stedelijk gebied mag het waterpeil maximaal tot aan maaiveld stijgen bij een maatgevende bui waarvan de kans van voorkomen eens per 100 per jaar is. Voor land- en tuinbouw is dat eens per 50 jaar, voor akkerbouw eens per 25 jaar en voor grasland eens per 10 jaar. Hierbij mag nergens inundatie optreden. De aanwezige ruimte voor berging mag niet afnemen. De waterberging wordt altijd berekend boven het streefpeil. De berging wordt niet later gerealiseerd dan de uitvoering van de rest van het plan. Voldoende water - Goed functionerend watersysteem Streefbeeld Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) Gewenste Grond- en Oppervlaktewater Regime (GGOR) mogelijk. Hollandse Delta streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties.

Strategie Het waterschap beheert het watersysteem en tracht daarbij de aan- en afvoer van water soepel te laten verlopen en ervoor te zorgen dat het water fysisch-chemisch en ecologisch goed van kwaliteit is en er geen problemen ontstaan van wateroverlast of wateronderlast. Een van de taken is het beheer van het oppervlaktewaterpeil. Een goed peilbeheer is een middel om de bovenstaande situatie te faciliteren. De keuze van het oppervlaktewaterpeil en het peilregime wordt

Hoofdstuk 4

45

in eerste instantie ingegeven door de gebruiksfunctie van het gebied. Daarnaast wordt er rekening gehouden met andere belangen in het betreffende gebied. Alvorens tot een peilbesluit te komen worden belanghebbende in de gelegenheid gesteld om hun wensen kenbaar te maken. Indien hieraan tegemoet kan worden gekomen zonder het algemeen belang te schaden zal het waterschap de wensen proberen te honoreren. In de afweging spelen een aantal uitgangspunten een rol: In zetting gevoelige gebieden streeft het waterschap naar vertragen van de maaivelddaling door het zo hoog mogelijk instellen van het peil. Het waterschap probeert zoveel mogelijk om onnodige versnippering van peilgebieden te voorkomen. Waar mogelijk en wenselijk streeft het waterschap naar het zoveel mogelijk vasthouden van het gebiedseigen water. Waar mogelijk wordt hiertoe een zo natuurlijk mogelijk flexibel peilregime gehanteerd. Het systeem moet robuust genoeg zijn om hevige neerslag binnen het peilgebied te kunnen opvangen alvorens af te wentelen op naburig gebied. Voor de oevers langs open water wordt gestreefd naar een onderhoudsvriendelijke inrichting (inclusief bereikbaarheid). Randvoorwaarden Met het oog op ongewenste kwel of inzijging dient de bodemgesteldheid bekeken te worden. In bepaalde situaties kan de goede kwaliteit van kwelwater benut worden.

Bij het ontwikkelen van een nieuw peilbesluit voor nieuw aan te leggen stedelijk gebied gelden enkele randvoorwaarden. Dit zal nog verder worden uitgewerkt. Bij de peilstelling wordt rekening gehouden met het risico op te hoge of te lage grondwaterstanden. Het in te stellen peil mag geen reden zijn voor problemen met de grondwaterstand. Er vindt altijd vooraf overleg plaats tussen projectontwikkelaar en waterschap. Gebieden die al een hoge grondwaterstand hebben moeten voor de nieuwbouw worden opgehoogd en/of gedraineerd worden. In gebieden waar op langere termijn sprake kan zijn van aanzienlijke bodemdaling moeten vooraf maatregelen worden genomen om problemen in de toekomstige situatie te voorkomen. Voldoende water - anticiperen op watertekort Streefbeeld Het waterschap wil een robuust watersysteem dat voorbereid is op de effecten van toekomstige klimaatveranderingen. Tot nu toe ligt de nadruk bij klimaatveranderingen met name op meer extreme neerslag en stijging van de zeespiegel. Ook extreem droge periodes zullen echter vaker voor komen. Het robuuste watersysteem dat het waterschap nastreeft moet hier ook op anticiperen. Schoon water - goede inrichting/structuurdiversiteit van het watersysteem Streefbeeld Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied.

Schoon water - goede oppervlaktewaterkwaliteit Streefbeeld Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor.

Hoofdstuk 4

46

Schoon water - goed omgaan met afvalwater Streefbeeld Menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het water doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Strategie Voor nieuw te ontwikkelen terreinen wordt uitgegaan van het niet aankoppelen van hemelwater op het rioolstelsel. Voor bestaande gebieden wordt gestreefd naar het afkoppelen van verhard oppervlak van de riolering. Afstromend hemelwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. Verontreinigingen door stedelijk afvalwater (huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater) worden voorkomen. Randvoorwaarden Bij nieuwbouwgebieden is de aanleg van een gescheiden rioolstelsel een voorwaarde. Gestreefd wordt om schoon hemelwater in bestaand gebied af te koppelen van het rioolstelsel. Het hemelwater afkomstig van schone oppervlakken wordt geïnfiltreerd of direct afgevoerd naar open water. Het hemelwater stroomt onder vrijverval af, direct of indirect (eventueel via een lokale zuivering) richting open water. Het afstromend hemelwater wordt vanaf de erfgrens, en waar mogelijk, bovengronds aangeboden. Verharde oppervlakken die vervuild zijn of waar de kans op vervuiling groot is worden afgevoerd via een (in)filtratievoorziening, (in)filtratieberm en/ of slibafscheider.

De afvoer van minder schone verharde oppervlakken via het rioolstelsel vindt plaats op basis van expert-judgement. De volgende afweging in het omgaan met stedelijk afvalwater wordt gehanteerd: Lozingen dan wel emissies worden voorkomen, Afvalwater wordt vergaand hergebruikt, Aansluiting afvalwaterstroom op riolering, Afvoer per as (transport), Opslag en gelijkmatige verspreiding. Wegen Streefbeeld Het waterschap streeft naar een afdoende bereikbaarheid van alle bestemmingen binnen het beheersgebied. Een optimale verkeersveiligheid en een goede doorstroming op de wegen die bij het waterschap in beheer en onderhoud zijn daar bij essentieel. 4.10.3 Conclusie De bovenstaande uitgangspunten in ogenschouw nemend, dient 10% van de toename aan verhard oppervlak (circa 100 m2) te worden gecompenseerd, bij voorkeur als open water binnen het plangebied. Echter, het noordelijk deel van het plangebied is reeds geheel verhard in de vorm van een parkeerterrein en het voormalig gemeentehuis, en het zuidelijk deel eveneens ter plaatse van de nieuwe parkeerplaatsen, wat voorheen in gebruik was als kerk en een gebouw voor maatschappelijke functies. Feitelijk vindt er daardoor geen uitbreiding plaats van verhard oppervlak en is compensatie niet aan de orde. Hemelwater mag niet worden afgevoerd op het gemeentelijk riool, maar wordt bij voorkeur binnen plangebied in de bodem geïnfiltreerd.

Dit geldt tevens voor de nieuwe winkeluitbreiding. Bij de bouw worden geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt. Het vuilwater zal worden afgevoerd via de bestaande persriolering.

Hoofdstuk 4

47

4.11 Archeologie 4.11.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. In opdracht van de Hoeksche Waard heeft ADC Heritage samen met ADC ArcheoProjecten een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart vervaardigd voor de Hoeksche Waard. Het doel van de archeologische beleidsadvieskaart is onder meer om de waardevolle archeologische elementen van de Hoeksche Waard te behouden en tegelijkertijd voor de noodzakelijke dynamiek te kunnen zorgen.

Daarbij is het belangrijk dat de gemeenten van de Hoeksche Waard zicht krijgen op de ontwikkeling van een eigen visie en archeologisch beleid in relatie tot de Hoeksche Waard als nationaal landschap. Het archeologische beleid is in mei 2014 vastgesteld. Op basis van de archeologische verwachtingskaart heeft het plangebied een middelhoge verwachtingswaarde. Deze is overgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Bij (bouw)werken groter dan 500 vierkante meter dient middels archeologisch onderzoek te worden aangetoond dat er geen archeologische waarden worden geschaad. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient namelijk te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.11.2 Onderzoek Er is door Transect een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek 10 uitgevoerd voor het plangebied, waar de winkeluitbreiding en nieuwe parkeerplaatsen zijn beoogd. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. 4.11.3 Conclusie Op basis van het archeologisch vooronderzoek is vastgesteld dat de verwachting op archeologische resten in het plangebied laag is.

Dit is hoofdzakelijk gebaseerd op de aanwezigheid van een dik pakket mariene zandafzettingen die een getijdegeul vermoedelijk onder doorgaans hoge stroomsnelheden in de periode vlak na de Sint-Elisabethsvloed (1421) in het plangebied heeft afgezet. De stroomsnelheid is ter plaatse van het plangebied vermoedelijk zodanig geweest dat de archeologisch relevante top van het veen geërodeerd is geraakt. Deze is immers niet (meer) binnen 4,0 m -Mv aanwezig. Eventuele resten uit de periode IJzertijd-Late Middeleeuwen (tot 1421) zijn zodoende verdwenen. 10

Transect, Zuid-Beijerland, Gravin Sabinastraat 57 Gemeente Korendijk (Z-H), een archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, Transect-rapport 1796, d.d. 17 juli 2018

Hoofdstuk 4

48

Voor wat betreft de Nieuwe tijd, de periode vanaf 1631, zullen uitsluitend sporen van landgebruik aanwezig kunnen zijn (kleine kavelsloten of akkerlagen). Deze hebben echter binnen de regionale archeologische context geen informatiewaarde en zijn mogelijk (gezien de mate van omwerking van de bodemlagen tot in het zandpakket) verstoord. Aanwijzingen voor bewoning (in de vorm van funderingen, aanduidingen op historisch kaartmateriaal en/of archeologisch relevante ophooglagen) zijn tijdens onderhavig onderzoek niet gevonden. Het plangebied heeft een feitelijk lage archeologische verwachting. Op grond hiervan zijn ten aanzien van de herontwikkelingen in het gebied geen aanvullende maatregelen noodzakelijk voor wat betreft het behoud van archeologische waarden. Wel geldt als er tijdens de graafwerkzaamheden toch zaken aan het licht komen, deze op grond van de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10, bij de gemeente dienen te worden gemeld. De gemeente Hoeksche Waard wordt geadviseerd deze conclusies over te nemen en het gebied vrij te geven ten aanzien van archeologische verwachtingen. Tot die tijd is de archeologische dubbelbestemming overgenomen in de regels van het bestemmingsplan. Vanuit het aspect Archeologie bestaan er echter geen belemmeringen tegen de voorgenomen planontwikkeling.

4.12 Cultuurhistorie 4.12.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Zuid-Holland sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. 4.12.2 Analyse en conclusie Aan de hand van beschikbare, openbare gegevens is een analyse uitgevoerd in en rondom het plangebied. Er zijn hiervoor twee onderzoeken uitgevoerd, een cultuurhistorische analyse en een bouwhistorische verkenning van het voormalige gemeentehuis.

Beide onderzoeken zijn ook als bijlage toegevoegd aan onderhavig bestemmingsplan. Binnen het plangebied bevinden zich geen rijks- of gemeentelijke monumenten. Wel bevindt het oude gemeentehuis van Zuid-Beijerland zich in het plangebied. Dit pand zal worden gesloopt om plaats te maken voor de winkeluitbreiding van Konijnendijk Mode. Dit pand heeft gezien haar historische functie als gemeentehuis enige cultuurhistorische waarde. Deze waarde is echter dermate gering dat behoud geen noodzaak is. Uit de onderzoeken is gebleken dat het pand qua bouwkunst in stijl afwijkt van zijn omgeving. Op het gebied van cultuurhistorie heeft het

Hoofdstuk 4

49

pand de oorspronkelijk functie reeds verloren. Wel zijn enkele elementen aanwezig in het gebouw zoals de atoomkelder en het glaskunstwerkt op het zijraam van de Raadszaal op de eerste verdieping. De atoomkelder en het glaskunstwerk hebben echter onvoldoende cultuurhistorische waarde om te behouden of her te gebruiken. De metalen deuren die in de atoomkelder zijn aangetroffen hebben wel een cultuurhistorische (symbool) waarde, in relatie met de periode van de Koude Oorlog. De huidige eigenaar heeft aangegeven deze wel te willen hergebruiken in de nieuwbouw die hier na afbraak van het gemeentehuis wordt gerealiseerd. Voor een verdere beschrijving worden verwezen naar de bijlagen. Er zijn verder geen monumentale bomen gelegen en het plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd stads- of dorpsgezicht. Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Zuid-Holland is de Dorpsstraat aangemerkt als historische lintbebouwing, maar daar heeft het voorliggende bestemmingsplan geen effect op. Vanuit Cultuurhistorie bestaan er geen belemmeringen tegen het planvoornemen.

4.13 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. In het Besluit m.e.r. is opgenomen in welke gevallen er een milieueffectrapportage of vormvrije m.e.r.beoordeling benodigd is. Deze gevallen staan benoemd in bijlagen C en D van het besluit. De activiteiten die met het voorliggende bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt (winkeluitbreiding en aanleg parkeerterrein) staan benoemd in bijlage D: D 11.2 de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De benoemde drempelwaarden worden echter niet overschreden. Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Geconcludeerd is dat er, rekening houdend met: 1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11178351/1