CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 ROB-Bijlage 1 Quickscan Wnb Hitsertse Kade te Zuid-Beijerland Blomecologie 2022 06 22

Beeldvormende bijeenkomst 9 mei 2023, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Herinrichting Hitsertse kade Zuid-Beijerland8.633 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan Wet natuurbescherming Hitsertse Kade Zuid-Beijerland Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon

Status:

Definitief

Project:

2022-0635

Datum:

23 juni 2022

Samensteller:

ir. T.W.D. Schrader

Collegiale toets:

ing. D.F. Knoops

Opdrachtgever:

Pingo Projecten

Contactpersoon:

M. van der Linden

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud 1 Inleiding

4

1.1

Planlocatie

5

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep

6

2 Methode

8

2.1

Uitvoering onderzoek

8

2.2

Soortenbescherming

8

2.3

Gebiedsbescherming

9

2.4

Houtopstanden

11

2.5

Houdbaarheid en toepassing

11

3 Beoordeling

12

3.1

Soortenbescherming

12

3.2

Gebiedsbescherming

18

3.3

Houtopstanden

20

4 Samenvatting

21

4.1

Soortenbescherming

21

4.2

Gebiedsbescherming

21

4.3

Houtopstanden

21

5 Conclusie

22

5.1

Conclusie

22

5.2

Uitvoerbaarheid

22

5.3

Vervolgstappen

22

5.4

Te treffen maatregelen

23

1 Inleiding Aan de Hitsertse Kade te Zuid-Beijerland is een recreatiegebied met een kleine haven, recreatieve gebouwen, parkeerterrein en aanlegsteigers gesitueerd. De gemeente Hoeksche Waard en Vogelbescherming Nederland zijn voornemens het recreatieterrein, ook wel ‘De Kaai’ genoemd, op te waarderen en te voorzien van extra faciliteiten. Het terrein heeft al een bestemming in recreatie, groen en natuur en hoeft derhalve niet te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Pingo Projecten begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid.

Onderzoeksdoelen • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?

Figuur 1.1

De planlocatie is gelegen aan de Hitsertse Kade te Zuid-Beijerland.

4

1.1

Planlocatie De planlocatie is buitendijks gelegen aan de Hitsertse Kade te Zuid-Beijerland (figuur 1.2). De westzijde van het terrein heeft hoofdzakelijk een recreatieve functie, met onder andere een haven, parkeerterrein en ligweide met gazon. De oostzijde heeft een natuurlijke functie met een afgesloten ruig grasland. Dit grasland, met de naam ‘Slobbegors’, is nog geen definitief onderdeel van het plan. Onderstaande opsomming correspondeert met de letters in figuur 1.2. A. Kleine (jacht)haven B. Parkeerterrein voor auto’s en campers C. Zuidhelling van de dijk D. Basaltstenen oever met kribben E. Grasweide met zwembad en volleybalveld F. Struweel met beverburcht G. Ruig grasland met natuurbestemming (Slobbegors) In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Hitsertse Kade te Zuid-Beijerland. De planlocatie grenst aan de zuidzijde aan de Haringvliet, welke ter hoogte van de planlocatie ook wel het ‘Vuile gat’ wordt genoemd. Op ongeveer 700 meter ten zuidwesten is het eiland Tiengemeten gelegen. Binnendijks, ten noorden, zijn hoofdzakelijk akkers en overige agrarische percelen gelegen. De kern van Zuid-Beijerland ligt op circa 800 meter ten noorden van de planlocatie.

5

Figuur 1.3 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie. De letters corresponderen met de letters in figuur 1.2

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft het opwaarderen van het recreatieterrein. Hiervoor zijn een aantal voorlopige schetsen gemaakt (figuur 1.4, RO&AD Architecten). Onbekend is of er bomen gekapt dienen te worden. Daarnaast is het nog onbekend of het natuurterrein ‘Slobbegors’, vanwege extern eigenaarschap, in het plan kan worden betrokken. Onderstaand volgt een korte opsomming van de voorgestelde/mogelijke ingrepen: • • • •

toevoegen van steiger met vogelkijktoren; toevoegen van zwemtrap op de bestaande oever; toevoegen van restaurant/paviljoen met terras aan de steiger; realiseren van lieslaarzen-pad in de Slobbegors.

6

Figuur 1.4 Visuele representatie van de voorgestelde beoogde situatie (bron: RO&AD Architecten).

7

2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.

2.1

Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 13 juni 2022 en is uitgevoerd door ir. T.W.D. Schrader. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 7/8 bewolkt, 14 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

8

5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of

bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden.

Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.1

Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland.

Vrijgestelde soorten Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ree

Bastaardkikker

Gewone pad

Rosse woelmuis

Bosmuis

Haas

Veldmuis

Bruine kikker

Hermelijn

Vos

Bunzing

Huisspitsmuis

Wezel

Dwergmuis

Kleine watersalamander

Woelrat

Dwergspitsmuis

Konijn

Egel

Meerkikker

2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn.

9

Provinciaal beleid (provincie Zuid-Holland) Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuur en ecologische verbindingen, geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Mocht een ontwikkeling wel negatieve gevolgen hebben op de bovengenoemde aspecten, is deze ontwikkeling alleen mogelijk als er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarde, oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Voor dergelijke ontwikkelingen dient tevens een ontheffing voorhanden te zijn. In de provincie Zuid-Holland valt het Natuurnetwerk Nederland onder beschermingscategorie 1. Bescherming van de ruimtelijke kwaliteit Provincie Zuid-Holland heeft gebieden aangewezen met speciale bescherming van de ruimtelijke kwaliteit. Deze bescherming is opgedeeld in beschermingscategorie 1 en beschermingscategorie 2.

Beschermingscategorie 1 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot een wijziging van de bestaande gebiedsidentiteit op structuurniveau, of welke leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 1 betreffen Natuurnetwerk Nederland en Beschermd grasland in de Bollenstreek. Beschermingscategorie 2 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 2 betreffen Belangrijk weidevogelgebied en de Groene buffer.

10

2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.

4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.

11

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2012-2022). Ter hoogte van het recreatieterrein betreffen de groenstructuren vooral aangeplante en onderhouden bomen zoals schietwilg, ratelpopulier en grauwe abeel. In de singel ten noorden staan aanvullend o.a. gewone es, vlier, eenstijlige meidoorn en zomereik. Het gazon bestaat hoofdzakelijk uit raaigrassen met madeliefje, duizendblad en rode klaver. Aan de randen en bij de oever zijn o.a. gewone engelwortel, Jacobskruiskruid, koninginnekruid, kruipertje, smalle weegbree en zilverschoon aanwezig. Het natuurterrein ‘Slobbegors’ betreft een sterk verruigd grasland. Naast het opschot van jonge berken staat hier o.a.

braam, grote brandnetel, grote kaardenbol, kleefkruid, riet en vooral veel veldzuring, schapenzuring en schermbloemigen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. De planlocatie ligt buitendijks en betreft een overstromingsgebied. Momenteel zijn hier veelal soorten aanwezig die kenmerkend zijn voor verruigde en eutrofe groeiplaatsen. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bruine rat, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosmuis, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, noordse woelmuis, ree, rosse woelmuis, veldmuis, wezel en woelrat (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever en noordse woelmuis.

Tijdens het veldbezoek is de bever aangetroffen in zijn burcht op de planlocatie en zijn ook sporen aangetroffen van deze beschermde soort (figuur 1.3). Ter hoogte van het struweel tussen het recreatieterrein en de ‘Slobbegors’ zijn omgeknaagde boomstammen te zien met vraatsporen door bever. Aan de zijde van het recreatieterrein, in de noordoostelijke hoek, is een kleine en lage burcht aanwezig met een duidelijk en veelgebruikt sleepspoor of ‘beveropgang’. Uit deze burcht was ten tijde van het veldbezoek zachte bevergeluiden te horen, wat betekent dat de beverburcht momenteel actief in gebruik is. De aanwezigheid van de bever ter hoogte van de planlocatie is reeds langer bekend, o.a. door anekdotische zicht- en sporenwaarnemingen (NDFF 2019-2022) en door verspreidingsonderzoek door de Zoogdiervereniging (2016-2022). Op het recreatieterrein zijn een aantal grote bomen al voorzien van metalen beverwerend gaas, wat het omknagen van deze bomen moet voorkomen. Bevers leven in het overgangsgebied tussen water en land: moerassen, langs beken, rivieren, meren en kanalen. De aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever is een vereiste. Het voedsel bestaat in de zomer uit een divers dieet van waterplanten, kruiden, bladeren en scheuten van wortels die in de 12

overgangszone van oever naar water groeien. Als ze bereikbaar zijn, zijn gewassen als maïs, fruit en suikerbieten gewild voedsel. In de winter bestaat het voedsel vooral uit bast en twijgjes van voornamelijk wilg en populier. Om deze te bereiken worden de bomen langs de oever omgeknaagd. Tijdens dat proces laten ze grote hopen snippers en duidelijke vraatsporen achter in de boom. In de winter is de aanwezigheid van een bever daardoor makkelijk aan te tonen. In de zomer verblijven bevers overdag vaak in legers van houtsnippers in dichte vegetaties en onder struiken langs oevers. De meest kwetsbare periode van de bever is tussen begin mei en eind augustus. ’s Winters of in periodes waarin ze jongen hebben verblijven bevers in burchten van stammen en takken, die aan de waterkant liggen of boven het water uit wordt gebouwd. De ingang van een burcht ligt onder water om te voorkomen dat predatoren hierdoor naar binnen kunnen komen. In gebieden met steile oevers worden ook holen gegraven, die met takken soms wordt uitgebreid tot een burcht. Als tijdens hoogwater de burcht of het hol overstroomd, worden vluchtig bijburchten gebouwd. In stromend water bouwen zij dammen om het waterpeil te verhogen en zodoende hun territorium uit te breiden. Bij voorkeur worden hiervoor dunne boompjes omgeknaagd (BIJ12 kennisdocument Bever, 2017).

Gezien de aanwezige beverburcht en beverwaarnemingen is vooral de oostzijde (struweel en singel) van de planlocatie onderdeel van het leefgebied van de bever. Aantasting van oppervlaktewater of (graaf)werkzaamheden aan natuurlijke oevers kan tot gevolg hebben dat er sprake is van (tijdelijke) aantasting van het leefgebied van de bever of van verstoring van de bever. Wanneer de burcht en het leefgebied van de bever intact kan worden gehouden, is het mogelijk om met maatregelen te voorkomen dat er sprake is van een overtreding Wnb. Hiervoor dient te worden gewaarborgd dat er geen sprake is van verstoring, waarvoor in H5.4 te treffen maatregelen worden geadviseerd. Indien er werkzaamheden uitgevoerd gaan worden aan de oostzijde van het plangebied, grenzend aan natuurterrein ‘Slobbegors’ of werkzaamheden/activiteiten uitgevoerd worden met een verstorend effect op de bever dient vooraf een aanvullend onderzoek naar bever te worden uitgevoerd (zie H5.3). Indien er sprake is van een overtreding van een verbodsbepaling (wegnemen leefgebied en/of verstoring bever) dient een ontheffing Wet natuurbescherming voorhanden te zijn alvorens de ingreep uitgevoerd kan worden.

Figuur 3.1 Links: vraatsporen door bever. Rechts: aanwezige beverburcht (rode omlijning) met sleepspoor vanuit de oever (rode pijl). De noordse woelmuis leeft voornamelijk in hogere grasachtige vegetatietypen, waarbij er voldoende variatie in vegetatie aanwezig dient te zijn. De soort eet hoofdzakelijk plantendelen zoals groene delen van riet, biezen, zeggen en grassen maar ook wortels, zaden of schors. De soort is erg gevoelig voor concurrentie van andere woelmuissoorten zoals o.a. de algemeen voorkomende veldmuis en aardmuis. In gebieden waar concurrerende soorten voorkomen wordt de noordse woelmuis verdreven naar natte(re) terrein delen waaraan de soort zich goed heeft aangepast. Doordat concurrentie door algemeen voorkomende woelmuissoorten vaak aanwezig is, leeft de noordse woelmuis veel in natte terreinen, zoals rietland, moeras, zeer extensief gebruikte weilanden, drassige hooilanden, vochtige duinvalleien en periodiek overstroomde terreinen. Bij de afwezigheid van concurrenten wordt de noordse woelmuis ook wel aangetroffen in drogere gedeelten, zoals in wegbermen of zelfs in droog naaldbos. De dieren maken gangen onder de grond met nest- en voorraadkamers.

In gebieden met een lage grondwaterstand worden daarbij aardhoopjes (kleine ‘molshopen’) gevormd, in vochtige en natte gebieden bevinden zich de nesten in de vegetatie (Zoogdiervereniging noordse woelmuis, 2021; BIJ12 kennisdocument Noordse woelmuis, 2017). De verspreiding van noordse woelmuis op het nabijgelegen eiland Tiengemeten is goed bekend (NDFF 2012-2022). Ook op de Hoeksche Waard wordt de soort in 13

toenemende mate waargenomen. Het natte en ruige grasland op natuurterrein ‘Slobbegors’ biedt mogelijk functioneel leefgebied voor de noordse woelmuis. Indien er hier sprake is van werkzaamheden aan natuurlijke oevers of ruigtes dient vooraf een aanvullend onderzoek naar noordse woelmuis te worden uitgevoerd om de aan- of afwezigheid van deze soort vast te stellen (zie H5.3). Indien de oevers, de watergangen en de ‘Slobbegors’ intact worden gehouden hoeft er geen aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd. De planlocatie heeft daarnaast mogelijk een functie voor algemene zoogdiersoorten. Dit betreft met name egel, haas en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (NDFF 2012-2022). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5).

Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op het recreatieterrein zijn grote aantallen bomen aanwezig. Dit betreffen onder andere grotere solitaire bomen als bomen die in een singel staan. Momenteel is het nog onduidelijk óf, en zo ja welke, bomen worden weggenomen. Hierbij bestaat het uitgangspunt om de bomen zoveel mogelijk te behouden. Tijdens het veldbezoek zijn gedurende een oriënterende inspectie al enkele bomen aangetroffen met loshangende bastdelen en scheuren. Ook zijn spechtenholen aangetroffen. Dergelijke openingen in bomen kunnen dienen als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Het wordt geadviseerd om de definitieve plannen uit te werken en te bepalen of, en zo ja welke, bomen gekapt dienen te worden. Voor deze bomen dient vervolgens met een aanvullende technische inspectie te worden gecontroleerd of in deze bomen openingen aanwezig zijn die geschikt zijn voor vleermuisverblijfplaatsen (zie H5.3).

Figuur 3.2 Links: klein spechtengat. Rechts: loshangende bastdelen. Dergelijke openingen kunnen vleermuizen mogelijk toegang bieden tot een geschikte verblijfplaats. Voor de beoogde ruimtelijke ingreep worden geen gebouwen gesloopt. Momenteel staat er één kleine stacaravan waarvan onduidelijk is of deze zal worden verwijderd. De stacaravan is opgetrokken uit houten beplating met een bitumen dak. Alle onderdelen van de buitengevel sluiten nauw op elkaar aan (figuur 3.3). Er zijn geen geschikte plekken aanwezig waar vleermuizen gebruik van kunnen maken. Als deze plekken wel aanwezig zouden zijn is er geen sprake van geschikte in- en uitvliegopeningen. Het is uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis.

14

Figuur 3.3 Aanwezige stacaravan waarvan de geveldelen nauw aansluiten. Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie (bomen) gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De planlocatie en de directe omgeving hiervan voorziet in zeer ruime hoeveelheden groenstructuren voor foerageermogelijkheden en vliegbewegingen. Ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep worden deze structuren niet aangetast. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, kleine watersalamander, meerkikker en poelkikker (NDFF 2012-2022). Voor de poelkikker geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De poelkikker is waargenomen op circa 1 km afstand ten oosten van de planlocatie, buitendijks in de Oosterse Laagjes. De poelkikker leeft vooral in kleinschalige, stilstaande wateren met schoon en zwak zuur wateren. Het is een pionierssoort die nieuw ontstane poelen zonder vegetatie kunnen koloniseren, maar zich kan blijven handhaven als vegetatie zich sterker heeft ontwikkeld. Als de waterkwaliteit vermindert kan de soort echter snel verdwijnen.

De soort wordt echter steeds vaker waargenomen in agrarisch gebied in (half) natuurlijke watergangen. Buiten de voortplantingstijd kan de poelkikker ook voorkomen in weilanden en bossen verder gelegen van het water (BIJ12 kennisdocument Poelkikker, 2017). Het natte en ruige grasland op natuurterrein ‘Slobbegors’ biedt mogelijk functioneel leefgebied voor de poelkikker. Indien er hier sprake is van werkzaamheden aan natuurlijke oevers of ruigtes dient vooraf een aanvullend onderzoek naar poelkikker te worden uitgevoerd om de aan- of afwezigheid van deze soort vast te stellen (zie H5.3). Indien de oevers, de watergangen en de Slobbegors intact kunnen worden gehouden hoeft er geen aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad ook voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2012-2022).

Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Door de afwezigheid van bekend verspreidingsgebied van inheemse reptielen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.

15

Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20122022). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ruimtelijke ingreep bevindt zich oppervlaktewater. Mogelijk leiden de beoogde werkzaamheden (tijdelijk) tot verstoringen (geluid/trillingen), echter zijn er in de watergangen en in de Haringvliet ruim voldoende uitwijkmogelijkheden voorhanden buiten de verstoringszone. Gezien de ligging van het plangebied leent deze zich niet als functioneel leefgebied van beschermde vissoorten als grote modderkruiper, beekprik of steur. De Haringvliet is als Natura 2000-gebied ook aangewezen voor overige vissoorten met instandhoudingsdoelstellingen, deze worden onder Gebiedsbescherming behandeld (H3.2). Bij eventuele dempingswerkzaamheden in het natuurgebied ‘Slobbegors’ dienen enkele maatregelen getroffen te worden om onnodige verwonding of doden van vissen te voorkomen (zie H5.4). Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden niet bekend (NDFF 2012-2022). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen.

Op de planlocatie zijn geen habitats aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een optimaal leefgebied vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: boerenzwaluw, bosrietzanger, buizerd (overvliegend), ekster, gierzwaluw, grasmus, grauwe gans, houtduif, kleine karekiet, kleine mantelmeeuw, kokmeeuw, meerkoet, merel, scholekster, spreeuw, tjiftjaf, visdief, wilde eend, winterkoning, zilvermeeuw en zwarte kraai. Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2012-2022). Vogels – Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies.

Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De stacaravan is vanwege de bouwstijl ongeschikt als nestlocatie voor huismus. Ook zijn er op zeer korte afstand geen nesten bekend en zijn tijdens het veldbezoek geen huismussen waargenomen. Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt tot minimale aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor 16

een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. De stacaravan is vanwege de bouwstijl ongeschikt als nestlocatie voor gierzwaluw. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Bij de bebouwing zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Op de planlocatie is door het gazonbeheer geen sprake van optimaal functioneel jachtgebied van uilen. De aanwezigheid van nesten of essentieel leefgebied van kerkuil of steenuil ontbreekt. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. Daarnaast betreft het terrein een recreatiegebied wat juist in de broedperiode van boombroeders (voorjaar/zomer) veel wordt gebruikt door recreanten. Dit gaat gepaard met een bepaalde verstoring, waardoor het terrein voor deze soorten niet interessant is als nestlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van roofvogelsoorten.

Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of onder bruggen of stuwen. Voor deze zeldzame broedvogel zijn op het recreatieterrein geen geschikte nestlocaties of functioneel leefgebied aanwezig. Het natuurterrein ‘Slobbegors’ zou mogelijk leefgebied kunnen bieden, maar hier zijn geen waarnemingen bekend van grote gele kwikstaart (NDFF 2012-2022). Binnen een straal van 2 km wordt de grote gele kwikstaart wel sporadisch waargenomen, maar veelal in de winterperiode als doortrekker en er zijn geen indicaties bekend van territoria, zingende mannetjes of vastgestelde broedplaatsen. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en oevers vormen voor algemene broedvogels zoals meerkoet, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek zijn territoria aangetroffen van o.a. kleine karekiet en winterkoning. Ook worden regelmatig in de winterperiode ijsvogels (cat. 5 soort) waargenomen, maar biedt het recreatieterrein en de ‘Slobbegors’ door de afwezigheid van steile oeverwanden geen geschikt broedgebied.

Daarnaast zijn in natuurterrein ‘Slobbegors’ een drietal viskadavers van grote karperachtigen aangetroffen, wat mogelijk indicatief kan zijn voor een rustplaats van zeearend tijdens foerageeractiviteiten. Er zijn voor de zeearend echter geen geschikte broedplaatsen aanwezig. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Er zijn ook vogels die zich minder strikt aan deze periode houden en ook eerder of later kunnen broeden. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen eventuele kap- of rooiwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

17

3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie ligt deels binnen het Natura 2000-gebied ‘Haringvliet’ (figuur 3.1).

Figuur 3.2 De planlocatie ligt deels in het Natura 2000-gebied ‘Haringvliet’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft het opwaarderen en toevoegen van faciliteiten binnen een bestaand recreatieterrein. Hieronder valt mogelijk het toevoegen van een nieuwe steiger en vogelkijktoren binnen het Natura 2000-gebied. Hier kunnen mogelijk effecten ontstaan zoals trillingen, geluid, optische verstoring etc., op instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Derhalve wordt geadviseerd een Ecologische Voortoets op te stellen om te onderzoeken of deze effecten significant zijn voor de instandhoudingsdoelstellingen (zie H5.3). Het is momenteel nog onduidelijk in hoeverre de beoogde ruimtelijke ingreep resulteert in een toename van stikstofdepositie. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Haringvliet’ is niet stikstofgevoelig. Ten zuiden daarvan, op circa 4 km afstand, ligt het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Krammer-Volkerak’. Indien er faciliteiten worden toegevoegd die resulteren in een significante verkeersaantrekkende werking dient te worden onderzocht of dit resulteert in een stikstofdepositieverhoging.

Met de AERIUS Calculator kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van Natura 2000-gebieden (zie H5.3). Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wnb art. 2.9a). De juridische status van deze partiële vrijstelling kan in de toekomst wijzigen. Als

18

activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. Provinciaal aangewezen gebieden (Zuid-Holland) De planlocatie maakt deel uit van een beschermd gebied betreffende beschermingscategorie 1 (Natuurnetwerk Nederland en beschermd grasland in de Bollenstreek) of beschermingscategorie 2 (Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer). Het natuurgebied ‘Slobbegors’ ligt binnen het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3.2), waardoor het recreatieterrein hieraan grenst. Een omgevingsplan mag niet leiden tot een significante beperking van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze natuurgebieden of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang. Hierdoor is voor ontwikkelingen binnen het Natuurnetwerk Nederland een ‘nee, tenzij’toets vereist. De planlocatie is niet gelegen in de (buurt van de) Bollenstreek, Belangrijk weidevogelgebied of Groene buffer (minimaal 8 km afstand, geen kaartweergave).

Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

Figuur 3.3 De planlocatie valt met het natuurterrein ‘Slobbegors’ deels binnen het Natuurnetwerk Nederland (bron: provincie Zuid-Holland).

19

3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep is het onduidelijk of, en zo ja hoeveel, kapwerkzaamheden voorzien zijn. Op de planlocatie zijn echter geen bomen aanwezig die vallen onder aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

20

4 Samenvatting 4.1

Soortenbescherming De planlocatie heeft mogelijk essentiële betekenis voor beschermde soorten. Afhankelijk van de definitieve ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: bever, boombewonende vleermuissoorten, noordse woelmuis en poelkikker. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1

Overzicht van de Soortenbescherming. De adviezen voor soortspecifiek onderzoek zijn afhankelijk van de definitieve beoogde ruimtelijke ingreep.

Soortgroep Planten Grondgebonden zoogdieren Bever Noordse woelmuis Vleermuizen Amfibieën Poelkikker Reptielen

Bescherming Wnb

Soortspecifiek onderzoek

Mogelijke functie planlocatie

art. 3.5 art. 3.5 art. 3.5

Ja Ja Ja

Verblijfplaats en leefgebied Verblijfplaats en leefgebied Verblijfplaatsen in bomen

art. 3.5

Ja

Voortplanting en leefgebied

Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Vogels (Algemeen en cat. 5)

4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt onderdeel uit van het Natura 2000-gebied ‘Haringvliet’. Een Voortoets is noodzakelijk om te bepalen of er significante negatieve effecten op het Natura 2000-gebied te verwachten zijn. Wanneer de definitieve plannen gereed zijn kan bepaald worden of er sprake is van een toename in stikstofemissie. Het natuurgebied ‘Slobbegors’ maakt deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Voor ontwikkelingen hier is een ‘nee, tenzij’-toets is noodzakelijk. Tabel 4.2

Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Afstand

Natura 2000

0 km

Natuurnetwerk Nederland Belangrijk weidevogelgebied Groene buffer

0 km 10,6 km 8,6 km

Mogelijke effecten Aantasting, Verstoring & Stikstof Mogelijk Geen Geen

Nader onderzoek Voortoets & Stikstofberekening ‘Nee, tenzij’-toets N.v.t. N.v.t.

4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

21

5 Conclusie 5.1

Conclusie De beoogde ruimtelijke ingreep aan de Hitsertse Kade te Zuid-Beijerland is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.

5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient, afhankelijk van de definitieve planuitvoering, met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of het natuurterrein ‘Slobbegors’ een relevante functie heeft voor bever, noordse woelmuis en poelkikker. Wanneer bekend is of, en zo ja welke, bomen gekapt worden dient een aanvullende boominspectie te worden uitgevoerd. Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (habitatrichtlijnsoorten: er is sprake van een reden van sociale of economische aard) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd).

Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.

5.3 Vervolgstappen • Voor eventueel benodigde bomenkap dient een boominspectie te worden uitgevoerd om te controleren op mogelijke aanwezige openingen die geschikt zijn voor vleermuisverblijfplaatsen. Dit kan resulteren in een verder aanvullend onderzoek naar vleermuizen. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels minimaal vier gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB). Hiervan dienen twee rondes in het voorjaar en twee rondes in het najaar plaats te vinden. • Voor aantasting van natuurlijke oevers en watergangen van het natuurgebied ‘Slobbegors’ dient aanvullend onderzoek naar bever, noordse woelmuis en poelkikker te worden uitgevoerd. Voor onderzoek naar bever dienen minimaal twee veldbezoeken te worden uitgevoerd: één bij voorkeur in maart-april en de ander enkele maanden later in het begin van de zomer. Onderzoek naar noordse woelmuis kan uitgevoerd worden met inloopvallen (live-traps) in de periode augustus t/m oktober of middels e-DNA. Voor onderzoek naar poelkikker dient geschept te worden in de periode half april t/m september, met het luisteren van kooractiviteiten tussen half april en eind juni met minimaal twee veldbezoeken. • Voor ontwikkelingen in het Natura 2000-gebied dient een Ecologische Voortoets te worden uitgevoerd.

Hierbij wordt onderzocht of de ontwikkeling resulteert in significante negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen. • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient te worden onderzocht of er sprake is van een significante verkeersaantrekkende werking. Indien dit het geval is dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator.

22

• Voor een eventuele ontwikkeling binnen het natuurgebied ‘Slobbegors’ dient een ‘Nee, tenzij’-toets te worden uitgevoerd in het kader van Natuurnetwerk Nederland.

5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie minimaal verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Er dient te worden gewaarborgd dat verstoring van de aanwezige bever(s) wordt voorkomen, zowel gedurende de werkzaamheden als in de permanente situatie.

Voor de inrichting betekent dat het oostelijke struweel, die het recreatieterrein scheidt van het natuurterrein ‘Slobbegors’, volledig intact moet worden gelaten. Indien op het recreatieterrein de recreatiemogelijkheden significant wordt uitgebreid wordt geadviseerd om het oostelijke struweel te versterken tot een vrijwel ondoordringbaar struweel van minimaal 10 meter breed. Hierbij wordt geadviseerd om stevige takkenrillen te plaatsen als natuurlijke barrière, wat het spelen van kinderen in de struweel en eventueel op de burcht moet voorkomen. Indien het voorkomen van verstoring van bevers niet kan worden gewaarborgd dient aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd (zie H5.3) en mogelijk verdere vervolgstappen te worden genomen. Bij de uitvoering wordt geadviseerd om funderingen te schroeven in plaats van te heien, geen geluidsinstallaties te gebruiken tijdens het werk en uitsluitend bij daglicht te werken. De meest kwetsbare periode van de bever is tussen begin mei en eind augustus, waardoor het beter is om eventueel verstorende werkzaamheden zoveel mogelijk uit te voeren tussen 1 september en 30 april. • Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.

• De mogelijk beoogde dempwerkzaamheden tijdens de realisatie van het Lieslaarzenpad leiden niet tot aantasting van functioneel leefgebied van beschermde vissoorten. Tijdens de werkzaamheden dient wel rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht. De dempwerkzaamheden dienen in één werkrichting worden uitgevoerd om aanwezige vissen voldoende uitwijkmogelijkheden te bieden. • Eventuele kap- en rooiwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli, maar ook mogelijk buiten deze periode). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

23

Bronvermelding Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Bever (Castor fiber) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Noordse woelmuis (Alexandromys oeconomus arenicola) Kennisdocument Poelkikker (Pelophylax lessonae) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.pzh.maps.arcgis.com www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.ruimtelijkeplannenzuidholland.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

Bijlage 1 Bijlage 2

Fotografische impressie Vervolgstappen Wet natuurbescherming soortenbescherming

24

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Hitsertse Kade te Zuid-Beijerland en bestaat uit een recreatieterrein. De initiatiefnemers zijn voornemens om dit terrein op te waarderen en de faciliteiten uit te breiden.

Figuur 2

In de noordoostelijke hoek van het recreatieterrein is een kleine beverburcht aanwezig. Op de voorgrond is nog een gedeelte te zien, hier is vooral het sleepspoor/wissel te zien.

25

Figuur 3

De kade van het recreatieterrein is in de huidige situatie vrijwel volledig versteend. Ter hoogte van de kade is een nieuwe steiger met vogelkijktoren voorzien.

Figuur 4

Ten oosten ligt het natuurterrein ‘Slobbegors’, wat onderdeel is van zowel het Natuurnetwerk Nederland als Natura 2000. Momenteel is onbekend of dit gebied wordt betrokken bij de plannen.

26

Figuur 5

In het natuurgebied ‘Slobbegors’ is mogelijk leefgebied van bever, noordse woelmuis en poelkikker aanwezig.

Figuur 6

Het recreatieterrein wordt als gazon onderhouden.

27

Bijlage 2 Vervolgstappen Wnb Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.

28

Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; c) de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee).

De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5.

om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c) er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

29

Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven en zijn aanvullend op de belangen die voor Habitatrichtlijnsoorten kunnen worden aangevoerd (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2). 1. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het

daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 2. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen,

industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; 3. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter

plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 4. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 5. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 6. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 7. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of 8. in het algemeen belang.

30

Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12656375/1