Bijlage 3 Artikel 2.1.1 Besluit ruimtelijke ordening met toelichting (zoals geld voor structuurvisies en deelstructuurvisies)
Tekst van het document
Besluit ruimtelijke ordening met toelichting Artikel 2.1.1 Bij een structuurvisie wordt aangegeven op welke wijze burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding daarvan zijn betrokken.
De voorbereiding van een structuurvisie Bij de opstelling van het Bro is rekening gehouden met het uitgangspunt van de Wro dat de structuurvisie zoveel mogelijk vorm- en procedurevrij dient te zijn. Overleg, afstemming en bestuurlijke arrangementen kenmerken al decennia de ruimtelijke ordening in ons land. Ook in de Code Interbestuurlijke Verhoudingen4 is vastgelegd dat de overheidsniveaus elkaar informeren over en betrekken bij nieuwe beleidsvoornemens en knelpunten die een ander overheidsniveau raken. Structuurvisies komen dus tot stand in overleg en samenspraak met de verschillende bestuurslagen en overheidsorganen. Voor goede ruimtelijke plannen en een snelle totstandkoming en uitvoering daarvan is ook het creëren van maatschappelijk draagvlak essentieel. Door (groepen) burgers en maatschappelijke organisaties in een vroeg stadium bij de ontwikkeling van ruimtelijk beleid te betrekken en te laten meedenken over de formulering van het beleid kan in een vroeg stadium draagvlak ontstaan. Dat vermindert de kans dat later in het planproces vertragende discussies ontstaan. Daarin ligt de reden om burgers en maatschappelijke organisaties te betrekken bij de totstandkoming van structuurvisies.
Tijdens de behandeling van de Wro en van Wet tot wijziging van de Wro inzake de grondexploitatie bleek dat het parlement het wenselijk vond om voorafgaande aan de ruimtelijke besluitvorming meer garanties te geven voor tijdige informatie aan en betrokkenheid van burgers en maatschappelijke organisaties. Na overleg met het IPO en de VNG is daarom in het onderhavige besluit een bepaling opgenomen voor ruimtelijke ontwikkelingsinitiatieven die vergelijkbaar is met de meldingsplicht in artikel 7.11c van de Wet milieubeheer. Het betreft de fase van de vroege planvoorbereiding. Artikel 1.3.1 regelt dat bij de voorbereiding op verzoek of na het opvatten van een voornemen door een bestuursorgaan tot voorbereiding van een structuurvisie, een bestemmingsplan of een projectbesluit, het bestuursorgaan hiervan kennis geeft in de dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze. Het Rijk dient de kennisgeving in ieder geval in de Staatscourant te doen. In de kennisgeving wordt vermeld of en op welke wijze participatie van in elk geval het publiek, plaats zal vinden. De regeling geldt in aanvulling op artikel 7.11c Wet milieubeheer voor niet-merplichtige plannen en besluiten. Het is de bedoeling op deze wijze voor alle ruimtelijke plannen eenzelfde meldingsregeling te laten gelden.
Indien het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel tot modernisering van de mer leidt tot wijzigingen in de regeling voor mer-plichtige plannen zal het onderhavige besluit daaraan worden aangepast. Met artikel 150 van de Gemeentewet wordt aan de gemeenteraad de opdracht gegeven een verordening vast te stellen, waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en andere belanghebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken. In deze verordening wordt de wijze geregeld waarop de eigen inwoners en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen in staat worden gesteld hun mening omtrent beleidsvoornemens kenbaar te maken alsmede de wijze van rapportering over de uitkomsten daarvan. Ik acht het zeer goed denkbaar dat burgemeester en wethouders in vervolg op de melding van een ontwikkelingsinitiatief, zoals hiervoor beschreven, over dit initiatief of over de daaruit voortvloeiende ontwerp-structuurvisie inspraak organiseren met toepassing van de gemeentelijke inspraakverordening. De open regeling van de Gemeentewet doet recht aan het uitgangspunt dat niet bij alle bestuurshandelingen altijd op dezelfde wijze inspraak moet worden verleend.
Artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet bepaalt dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor dergelijke beleidsstukken wordt doorlopen, als de verordening daarover geen bepalingen bevat. Artikel 147 van de Provinciewet bevat een vergelijkbare regeling voor het provinciale beleid.
Voor structuurvisies die kaderstellend zijn voor mer-plichtige en mer-beoordelingsplichtige besluiten, gelden nog additionele procedurele eisen. In die gevallen zal de besluitvormingsprocedure moeten voldoen aan de eisen die de Wet milieubeheer daaraan stelt. Tenslotte is ervoor gekozen om in het Bro ten aanzien van de inspraak en participatie van burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van de structuurvisie een verantwoordingsplicht op te nemen: in artikel 2.1.1 is bepaald dat bij de structuurvisie moet worden aangegeven op welke wijze burgers en maatschappelijke organisaties bij die voorbereiding zijn betrokken. De hiervoor beschreven regeling van de meldingsplicht ten aanzien van het voornemen voor bepaalde ontwikkelingen, de mogelijkheid van inspraak via de inspraakverordening en de verantwoordingsplicht achteraf tezamen bieden een adequate wettelijke regeling die enerzijds recht doet aan de gewenste vorm- en procedurevrijheid van de inspraak en anderzijds aan de wens deze inspraak daadwerkelijk te laten plaatsvinden.