bijlage 3.7 vormvrije mer beoordeling bijlage gro
Tekst van het document
VORMVRIJE M.E.R.-BEOORDELING FLEXWONEN NUMANSDORP Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling 23 februari 2023
1/20
DATUM KENMERK
23 februari 2023 20220886.001/65382/
PROJECT PROJECTLEIDER
Flexwonen HW Numansdorp ing. S. la Grand
OPDRACHTGEVER HW Wonen PROJECTNUMMER 20220886.001 AUTEUR STATUS
2/20
Rho Adviseurs Concept
INHOUD 1.
2.
3.
4.
3/20
Inleiding
4
1.1 1.2 1.3
4 4 5
Aanleiding Wat houdt een m.e.r.-beoordeling in? Leeswijzer
Plaats en omvang van het project
6
2.1 2.2
Plaats van het project Omvang van het project 2.2.1 Programma 2.2.2 Stedenbouwkundig plan
6 9 9 9
2.3 2.4 2.5 2.6 2.7
Realisatiefase Verkeer Parkeren Gebruik natuurlijke hulpbronnen en productie van afvalstoffen Cumulatie met andere projecten
11 11 12 13 13
Kenmerken van de milieufactoren
14
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9
14 14 15 16 17 17 17 19 19
Geluid Bodem Water Natuur Luchtkwaliteit Externe veiligheid Landschap, cultuurhistorie en archeologie Gezondheid Mitigerende maatregelen
Conclusie
20
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding
In nagenoeg heel Nederland is er een tekort aan (betaalbare) woningen. De woningmarkt is krap, ook in de Hoeksche Waard. Er is behoefte aan een flexibele woningvoorraad in de vorm van tijdelijke huisvesting voor mensen die op korte termijn een woning nodig hebben. De gemeente wil aan de Wethouder van der Veldenweg in Numansdorp 40 tijdelijke woningen realiseren voor een periode van 10 tot 15 jaar. Hiermee wordt invulling gegeven aan de behoefte van spoedzoekers met en zonder recht op urgentie. Het initiatief geeft mede invulling aan de gemeentelijke taakstelling voor de huisvesting van statushouders.
Figuur 1. Ligging projectgebied In het Besluit milieueffectrapportage is in onderdeel D11.2 van de bijlage opgenomen dat aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 7 grondgebonden woningen en een functiewijziging naar wonen en kantoor in de pastorie. Hiermee blijft de ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’. Dit document bevat deze beoordeling.
1.2
Wat houdt een m.e.r.-beoordeling in?
In een m.e.r.- beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.-procedure is alleen noodzakelijk als sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij
4/20
moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: ● de plaats van het project; ● de omvang van het project; ● de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria). Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
1.3
Leeswijzer
Deze m.e.r.-beoordelingsnotitie: ● beschrijft in hoofdstuk 2 de plaats en omvang van het project; ● licht in hoofdstuk 3 de verwachte effecten voor de verschillende milieueffecten toe; ● geeft ten slotte in hoofdstuk 4 de conclusie weer voor de m.e.r.-beoordeling. Bij de analyse in hoofdstuk 2 en 3 is gebruik gemaakt van informatie uit de onderzoeken toegevoegd aan de bijlagen.
5/20
2. PLAATS EN OMVANG VAN HET PROJECT 2.1
Plaats van het project
Het projectgebied bevindt zich in Numansdorp ten zuiden/oosten van de Wethouder van der Veldenweg. De locatie is na een breed locatieonderzoek binnen de gemeente geschikt bevonden om tijdelijke woningen te realiseren. Het projectgebied heeft een grootte van ongeveer 3 hectare. De Gemeente Hoeksche Waard is eigenaar van het stuk grond. Voor de beoogde tijdelijke woningen is een deel van dit perceel nodig.
Figuur 2. Projectgebied Het projectgebied ligt niet in een kwetsbaar gebied en/of een gebied met beschermde status zoals grondwaterbeschermingsgebieden (zie figuur 3). Het projectgebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 of Natuurnetwerk Nederland. De dichtstbijzijnde delen van het Natuurnetwerk Nederland bevinden zich op circa 1 kilometer ten noorden van het projectgebied (figuur 4). Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Krammer - Volkerak’ bevindt zich op circa 5,7 kilometer (zie figuur 5). Ook bevindt het projectgebied zich niet in een stiltegebied (zie figuur 6).
6/20
Figuur 3. Grondwaterbeschermingsgebieden nabij het projectgebied (roze cirkel) (bron: Atlas Leefomgeving)
Figuur 4. Natuurnetwerk Nederland nabij projectgebied (bron: Atlas Leefomgeving)
7/20
Figuur 5. Ligging projectgebied (roze) ten opzichte van Natura 2000-gebied (bron AERIUS-calculator)
Figuur 6. Stiltegebieden nabij projectgebied (roze cirkel) (bron: Provincie Zuid-Holland)
8/20
2.2
Omvang van het project
2.2.1 Programma Voorliggend project maakt maximaal 40tijdelijke woningen mogelijk. Er wordt daarbij in eerste instantie uitgegaan van 40 tijdelijke woningen in een mix van 5 studio’s, 30 twee-kamerwoningen en 5 drie-kamerwoningen. 2.2.2 Stedenbouwkundig plan Aansluiting op omgeving Het stedenbouwkundig plan gaat uit van het benutten van een relatief beperkt oppervlak voor de nieuwe woningen en een efficiënte verkeerskundige aansluiting. De woningen worden in de zuidelijke hoek van het perceel geplaatst. Op deze manier is er een goede ruimtelijke aansluiting mogelijk met de bestaande woonbuurten aan de overzijde van de Wethouder van der Veldenweg. Door het realiseren van een langzaam-verkeerroute direct naar de overzijde wordt de aansluiting op de omgeving gemaakt. Ruimtelijke randvoorwaarden Voor de ontwikkeling gelden enkele duidelijke ruimtelijke randvoorwaarden: • Zo zal er voldoende afstand moeten worden gehouden tot de boomkwekerij aan de oostzijde (50 m). • Om een eenduidig profiel van de Wethouder van der Veldenweg te behouden zullen de woningen minimaal 30 m uit de rand van de weg moeten worden geplaatst. • Om de beleving van het landschap vanuit de bestaande woonbuurt aan de westzijde van de Wethouder van der Veldenweg voldoende te waarborgen zijn zichtlijnen door het gebied van belang.
Verkaveling en inrichting De woningen worden verkaveld in vier korte blokjes in twee bouwlagen (ca. 6 m hoog). Drie van de blokjes worden haaks op de Wethouder van der Veldenweg geplaatst in een licht verspringende rooilijn. Hierdoor worden de woningen enerzijds op een goede manier georiënteerd op de zon en wordt anderzijds voldoende afstand gehouden ten opzichte van de woningen aan de overzijde van de Wethouder van der Veldenweg. Daarnaast zorgt deze opstelling voor doorzicht en een luchtige verkaveling gezien vanuit de bestaande woningen. Het vierde blokje wordt haaks op de drie andere blokjes verkaveld. Op deze wijze kan een compact woonbuurtje worden gerealiseerd en ontstaat er een meer omsloten collectieve binnenruimte tussen de blokjes waar ruimte is voor zitplekken en bijvoorbeeld speelvoorzieningen voor jonge kinderen. Het geheel wordt parkachtig ingericht. Bergingen en fietsenstallingen worden op de koppen van de blokjes geplaatst.
Figuur 7. Impressies tijdelijke woningen
9/20
Figuur 8. Stedenbouwkundig inpassingsplan
10/20
2.3
Realisatiefase
De werkzaamheden vinden in 2023 plaats.
2.4
Verkeer
Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk project dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid. De parkeerbehoefte wordt bepaald aan de hand van de gemeentelijke parkeernormen ‘Parkeernormering gemeente Hoeksche Waard’ en de verkeersgeneratie wordt berekend op basis van de kencijfers uit CROW-publicatie 381. Hierbij wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het autobezit per kengetal het gemiddelde van de bandbreedte gehanteerd. Op basis van de parkeernormen van gemeente Hoeksche Waard is de stedelijkheidsgraad vastgesteld als ‘weinig stedelijk’. De beoogde ontwikkeling ligt in ‘rest bebouwde kom’. Gemotoriseerd verkeer Het projectgebied is gelegen aan de Wethouder Van der Veldenweg. De Wethouder Van der Veldenweg is gecategoriseerd als gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/u en is uitsluitend voor autoverkeer en heeft geen voetof fietspaden.
Langzaam verkeer Aan de overzijde van de aansluiting van het projectgebied op de Wethouder Van der Veldenweg sluit de weg aan op een woonwijk via de Maximiliaanstraat, een erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 30 km/u. Op de Maximiliaanstraat is een trottoir aanwezig aan de westzijde van de weg. Voor fietsers zijn geen aparte voorzieningen aanwezig, waardoor zij de rijbaan moeten delen met het gemotoriseerde verkeer. Dit komt echter overeen met de ontwerprichtlijnen voor erftoegangswegen uit het ASVV 2021. De verkeersveiligheid van de fietsers wordt dan ook gewaarborgd door middel van de lage maximumsnelheid en de snelheidsremmende maatregelen in de inrichting van de weg. Vanaf de Maximiliaanstraat leidt de Generaal Stafsingel in westelijke richting naar een vrijliggend fietspad. Dit fietspad functioneert als de noord-zuidverbinding voor de fietsers in de wijk. Langs de wegen rondom het projectgebied zijn voetpaden aanwezig. De ontsluiting van het projectgebied voor langzaam verkeer kan als voldoende verkeersveilig worden beoordeeld. Hiervoor dient er bij de bestaande rotonde ter hoogte van de een veilige oversteekvoorziening voor fietsers en voetgangers te worden aangelegd om de aansluiting met de omgeving te maken. Openbaar vervoer Op circa 850 meter loopafstand van het projectgebied ligt langs de Wethouder Van der Veldenweg een bushalte.
Hier halteren de volgende buslijnen: - Buslijn 164 halteert elk halfuur tussen Numansdorp en Heinenoord; - Buslijn 317 halteert elk kwartier tussen Numansdorp en Rotterdam, Zuidplein; De ontsluiting van het projectgebied per openbaar vervoer kan daarmee als voldoende worden beoordeeld. Verkeersgeneratie Bij het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van CROW-publicatie 381. Op basis van de parkeernormen van gemeente Hoeksche Waard is de stedelijkheidsgraad vastgesteld als ‘weinig stedelijk’. De beoogde ontwikkeling heeft de ligging ‘rest bebouwde kom’. Daarnaast wordt er, conform de gemeentelijke parkeernormen, uitgegaan van het gemiddelde van de bandbreedte. De verkeersgeneratie is bepaald voor een gemiddelde weekdag en een gemiddelde werkdag. De CROW-kentallen gaan uit van weekdagintensiteiten. De gemiddelde werkdagintensiteit is bepaald door gebruik te maken van een omrekenfactor 1,11 welke CROW-381 noemt voor woonfuncties.
11/20
Bestaande situatie In de bestaande situatie is op de locatie landbouwgrond aanwezig. Dit genereert geen verkeersomvang die van belang is. Toekomstige situatie De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 40 tijdelijke woningen. Op basis van het programma is de verkeersgeneratie bepaald voor op een gemiddelde weekdag en gemiddelde werkdag. Voor de tijdelijke woningen is geen specifiek kengetal bekend. Gezien het beperkte autobezit bij de doelgroep wordt daarom aangesloten bij de functie ‘kamerverhuur, zelfstandig (niet studenten)’. Tabel 1. Verkeersgeneratie beoogde ontwikkeling Functie
Functie CROW-381
Aantal
Kengetal
Verkeersgeneratie weekdag
Studio’s
werkdag
kamerverhuur, zelfstandig (niet studenten)
5
2,1 per woning 10,5
11,7
Tweekamerwoningen kamerverhuur, zelfstandig (niet studenten)
30
2,1 per woning 63,0
69,9
Driekamerwoningen
5
2,1 per woning 10,5
11,7
Totaal
kamerverhuur, zelfstandig (niet studenten)
84
94
Voor de beoordeling van de verkeersafwikkeling is de verkeersgeneratie tijdens het maatgevende uur van belang. Als vuistregel geldt dat de verkeersomvang tijdens het maatgevende uur circa 10% van de etmaalwaarde bedraagt. In dit geval gaat het in het drukste uur op werkdagen dan om (94 *10%) om 10 voertuigen. Deze geringe toename van verkeer kan zonder problemen worden afgewikkeld op de omliggende kruispunten en wegen en zal niet leiden tot een verslechtering van de verkeersafwikkeling. Het project wordt via de Wethouder Van der Veldenweg ontsloten. Beoordeling verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid De Wethouder van der Veldenweg is ingericht als een gebiedsontsluitingsweg- type II binnen de bebouwde kom. Binnen het verkeerskundig vakgebied wordt op basis van Duurzaam Veilig voor GOW-type II aangehouden dat een verkeersomvang van 6.000 à 15.000 mvt/etmaal probleemloos kan worden afgewikkeld. De beoogde ontwikkeling zal zorgen voor een verkeerstoename van 94 mvt/etmaal. Deze verkeerstoename is dermate laag dat het gegenereerde verkeer probleemloos kan worden afgewikkeld op het omliggende wegennet, waar nog voldoende capaciteit is. Voor de beoordeling van de verkeersveiligheid kan gesteld worden dat met de geringe toename van het verkeer na projectontwikkeling (10 motorvoertuigen in het drukste uur) dit geen effect heeft op de verkeersveiligheid.
De verkeersveiligheid wordt dan ook niet negatief beïnvloed als gevolg van het project.
2.5
Parkeren
De parkeerbehoefte is op basis van de gemeentelijke parkeernormen ‘Parkeernormering gemeente Hoeksche Waard’ berekend. Net zoals met de berekening van de verkeersgeneratie wordt voor het berekenen van de parkeerbehoefte uitgegaan van de functie ‘kamerverhuur, zelfstandig (niet studenten)’. In het project is enige overruimte opgenomen om eventuele extra parkeerdruk in te kunnen passen wanneer voor de gemengde en deels nieuwe doelgroep in de praktijk blijkt dat er meer autobezit is.
12/20
Beoogde ontwikkeling Functie
Functie CROW-381
Aantal
Parkeernorm
Studio’s
kamerverhuur, zelfstandig (niet studenten)
5
0,7 per woning 3,5
Tweekamerwoningen kamerverhuur, zelfstandig (niet studenten)
30
0,7 per woning 21,0
Driekamerwoningen
5
0,7 per woning 3,5
kamerverhuur, zelfstandig (niet studenten)
Totale normatieve parkeerbehoefte Tabel 2. Parkeerbehoefte beoogde ontwikkeling
Parkeerbehoefte
28
De totale normatieve parkeerbehoefte komt op 28 parkeerplaatsen. De volledige parkeerbehoefte dient binnen de projectgrenzen te worden voorzien. In het ontwerp is indien noodzakelijk rekening gehouden met ruimte om de parkeernorm uit te breiden naar 1 per woning, dit zal dan ten kosten gaan van het groen. Daarnaast worden voldoende fietsparkeerplaatsen aangelegd nabij de verschillende woonblokken.
2.6
Gebruik natuurlijke hulpbronnen en productie van afvalstoffen
Natuurlijke hulpbronnen worden gebruikt tijdens de bouw en het gebruik van de ontwikkeling. Het betreft hier natuurlijke hulpbronnen als energie, water en grondstoffen. De gevolgen hiervan zijn van een dusdanig beperkte omvang, dat hierdoor geen beslag wordt gelegd op natuurlijke hulpbronnen. Het ontstaan van afval tijdens de bouw van de ontwikkeling is vanzelfsprekend. Bouwafval wordt zoveel mogelijk hergebruikt of afgevoerd naar een erkende verwerker. Het afval van de medewerkers zal volgens de geldende regelgeving worden gerecycled/verwerkt. Dit zou op elke locatie het geval zijn. Er is geen aanleiding om dit aspect nader te laten onderzoeken in het kader van het opstellen van een milieueffectrapport.
2.7
Cumulatie met andere projecten
Voor zover bekend zijn er geen beoogde ontwikkelingen in de directe omgeving van het projectgebied. Er is daarom geen sprake van een cumulatie van milieueffecten vanwege omliggende projecten.
13/20
3. KENMERKEN VAN DE MILIEUFACTOREN 3.1
Geluid
Voor geluid wordt getoetst aan de bepalingen uit de Wet geluidhinder. De belangrijkste geluidsbronnen die in het kader van de ruimtelijke ordening van belang zijn, zijn wegverkeer, railverkeer en bedrijven/industrie. Het akoestisch onderzoek s als bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Onderzoek is verricht naar de geluidsbelasting vanwege het wegverkeerslawaai. De toekomstige woningen liggen in de wettelijke geluidzone van de Wethouder van der Veldenweg. De geluidbelasting vanwege deze weg is in het kader van de Wet geluidhinder berekend. Geconcludeerd is dat vanwege het wegverkeer op de Wethouder van der Veldenweg aan de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB wordt voldaan. Voor wegverkeerslawaai zijn er in het kader van de Wet geluidhinder geen belemmeringen voor het realiseren van het project. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uitstralingseffect In het kader van een goede ruimtelijke ordening is kwalitatief beoordeeld of de toename van verkeersgeluid door de ontwikkeling aanvaardbaar is ten opzichte van de autonome situatie. Een vuistregel is dat de geluidtoename akoestisch verwaarloosbaar is als de verkeersintensiteit op een weg of wegvak minder dan 40% toeneemt, wanneer andere variabelen (locatie bebouwing, samenstelling van het verkeer, verhardingssoort e.d.) onveranderd blijven.
Een toename van 40% komt dan overeen met een toename van 1,5 dB, zijnde het reconstructiecriterium uit de Wet geluidhinder. Een toename van de geluidbelasting tot 1,5 dB wordt vanuit de optiek van ‘akoestische herkenbaarheid’ als niet significant gezien. Bij een verkeerstoename van meer dan 40 % is er dan ook pas een significant effect op de geluidbelasting, deze is dan net waarneembaar met het menselijk gehoor. In paragraaf 2.5 wordt ingegaan op de toename aan verkeer. Op een werkdag bedraagt de toename 94 mvt/etmaal. In 2021 bedroeg de intensiteit op deze weg 2.748 mvt/etmaal (bron: Verkeersonderzoek Partiële herziening ruimtelijke plannen ‘Numansdorp-zuid’). De toename van circa 94 mvt is veel minder dan 40 %. Zodoende zal als gevolg van de ontwikkeling ook (geen) sprake zijn van een significante geluidtoename langs deze wegen.
3.2
Bodem
De bodemaspecten worden beoordeeld aan de hand van het gemeentelijk bodembeleid welke uitgaat van de algemene uitgangspunten uit de Wet bodembescherming. Het bodemonderzoek is als bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Huidige situatie Op basis van de beschikbare gegevens, als historische informatie, de zintuiglijke waarnemingen tijdens het veldwerk en de verkregen analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters, kan het volgende worden geconcludeerd: • De bovengrond is niet verontreinigd met één van de stoffen uit het standaardpakket en/of organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB); • De diepere bodem in de gedempte sloot is zeer licht verontreinigd met kobalt en nikkel. In de gedempte sloot zijn geen afwijkende bodemkenmerken waargenomen waarmee deze lichte verontreinigingen in verband zouden kunnen worden gebracht. In de overige monsters van de diepere bodem zijn geen verhoogde gehalten gemeten; • Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met barium. Het betreft vermoedelijk een van nature verhoogde achtergrondwaarde. De hypothese dat de locatie verdacht is van het voorkomen van verontreinigingen, dient op basis van de voorliggende onderzoeksresultaten formeel te worden bevestigd, met dien verstande dat er geen organochloor bestrijdingsmiddelen zijn aangetroffen en dat er geen noemenswaardige verontreinigingen in de gedempte sloot zijn aangetoond.
De licht verhoogde gehalten aan kobalt en nikkel in diepere bodem, geven geen aanleiding tot nader onderzoek en/of sanerende maatregelen. De locatie wordt geschikt geacht voor het beoogde gebruik, wonen met (collectieve) tuin.
14/20
Planvoornemen Met de beoogde ontwikkeling worden geen bodemvervuilende activiteiten mogelijk gemaakt. Conclusie Het project heeft geen negatieve effecten op de bodemkwaliteit, bodemsamenstelling of grondwaterstanden.
3.3
Water
Het projectgebied ligt binnen het beheergebied van het waterschap Hollandse Delta. Huidige situatie Algemeen Het projectgebied is momenteel onbebouwd en heeft de bestemming ‘Agrarisch. Bodem en grondwater Het projectgebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Vanwege de ligging in de bebouwde kom is het projectgebied niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. Het noorden, westen en oosten van het projectgebied bestaat uit klei. Het zuiden van het projectgebied bestaat uit zand. Het maaiveld ligt op circa 0,1 meter ten opzichte van het NAP. Waterkwantiteit Ten westen, zuiden en oosten van het projectgebied zijn watergangen in de categorie ‘overig’ aanwezig. Voor werkzaamheden in de beschermingszone van 1 meter van de watergang dient een watervergunning aangevraagd te worden. Het projectgebied is niet gelegen binnen de kern- en beschermingszone van een regionale of primaire waterkering. Waterkwaliteit en ecologie Binnen het projectgebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het projectgebied. Veiligheid en waterkeringen Het projectgebied bevindt zich niet in de kernzone van een waterkering.
Afvalwaterketen en riolering Het projectgebied is niet aangesloten op een rioolstelsel. Toekomstige situatie Toename in verharding dient gecompenseerd te worden. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m2 in stedelijk gebied dient er volgens het beleid van waterschap Hollandse Delta 10% van de toename aan functioneel open water gerealiseerd te worden. Er wordt circa 4.700 m2 verhard, er moet derhalve 470 m² oppervlaktewater gecompenseerd worden. Voor de watercompensatie is een zoekgebied voor water en natuurontwikkeling aangewezen aansluitend op het projectgebied. De inrichting hiervan is nog niet bekend maar dit zal voorzien in de benodigde watercompensatie. Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
15/20
3.4
Natuur
Gebiedsbescherming Het projectgebied ligt niet binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. De beoogde ontwikkeling mag niet leiden tot en een toename van stikstofdepositie op verzuringsgevoelige habitats binnen Natura 2000. In Aerius calculator is het projecteffect in de realisatie- en gebruiksfase berekend. Het projecteffect is de toevoeging van functies van het planvoornemen ten opzichte van de feitelijke, (planologisch) legale situatie. Berekenen projecteffect Om de effecten van de ontwikkeling op beschermde natuurgebieden in beeld te brengen, is een onderzoek uitgevoerd naar stikstofdepositie voor de realisatie- en gebruiksfase, zie de bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing. De beoogde ontwikkeling is gasloos en kent derhalve geen gebouwemissies van stikstof. In de gebruiksfase is er wel sprake van verkeersbewegingen met mogelijk relevante stikstofeffecten op de nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Krammer-Volkerak'. Met het programma AERIUS Calculator (versie 2022) is een berekening uitgevoerd om de gevolgen qua stikstofdepositie in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Wet natuurbescherming.
Uit de berekeningen met AERIUS Calculator (2022) voor de realisatie- en gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekening zijn significante negatieve effecten op Natura 2000- gebied in de realisatie- en gebruiksfase is uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Soortenbescherming In 2023 is een onderzoek gedaan naar het voorkomen van beschermde soorten in het projectgebied. Zie hiervoor de bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing. Uit het onderzoek blijkt dat, indien rekening wordt gehouden met de geadviseerde maatregelen, de beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. In de quickscan Wet natuurbescherming worden de volgende maatregelen geadviseerd: • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen.
Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig het projectgebied te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • Het projectgebied tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van functioneel leefgebied van beschermde vissoorten. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht. De werkzaamheden dienen in één werkrichting worden uitgevoerd om aanwezige vissen voldoende uitwijkmogelijkheden te bieden. • De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.
Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
16/20
Conclusie Op basis van de afstand tot beschermde natuur en de berekeningen van stikstofdepositie worden geen significant negatieve effecten op beschermde natuurgebieden zoals Natuur 2000 of NNN verwacht. Zolang de sloop- en bouwwerkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, zijn er geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten.
3.5
Luchtkwaliteit
In de Wet luchtkwaliteit zijn normen gesteld voor de concentratie-eis voor met name NO2, PM10 en PM2.5. Om de gevolgen van de ontwikkeling van het Knoopcomplex voor de concentraties van luchtverontreinigende stoffen in beeld te brengen, is een luchtkwaliteitsonderzoek, zie Bijlage 7 van het bestemmingsplan, uitgevoerd. Bekeken is welke invloed het project heeft op de luchtkwaliteit en om de concentraties luchtverontreinigende stoffen bij het project inzichtelijk te maken. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Groene Kruisweg, direct ten noordoosten van het projectgebied. Uit de NSLmonitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 17,1 µg/m³ voor NO 2, 15,0 µg/m³ voor PM10 en 7,8 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Conclusie De luchtkwaliteit ter plaatse voldoet aan de grenswaarden. De bijdrage van het project is beperkt. Er is geen significant negatief effect op de omgeving verwacht.
3.6
Externe veiligheid
Externe veiligheid wordt beoordeeld rondom risicobronnen waar opslag, gebruik en transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico’s worden getoetst aan het plaatsgevonden risico en beoordeeld aan het groepsrisico/invloedsgebied. Huidige situatie In en direct rond het projectgebied is een inventarisatie gedaan naar risico veroorzakende activiteiten. U Ten westen bevindt zich de A29 waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het projectgebied bevindt zich met een minimale afstand van 2,3 kilometer tot de weg niet in het invloedsgebied van 880 meter. Ten noorden bevindt zich een aardgasleiding met een invloedsgebied van 70 meter. Het projectgebied bevindt zich op een afstand van circa 760 meter en ligt daarmee niet in het invloedsgebied. Ten westen is een LPG-tankstation gelegen met een invloedsgebied van 150 meter en een effectafstand van 160 meter. De beoogde ontwikkeling is op minimaal 296 meter gelegen van de inrichting en bevindt zich daarmee niet in het invloedsgebied. Het groepsrisico hoeft niet berekend of verantwoord te worden. Planvoornemen Met de beoogde ontwikkeling worden geen nieuwe risicobronnen mogelijk gemaakt. Wel worden (beperkt) kwetsbare functies toegevoegd. In de huidige situatie is getoetst aan de aanwezige risicobronnen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
3.7
Landschap, cultuurhistorie en archeologie
Landschap Er zijn geen landschappelijke waarden waar met de planontwikkeling rekening dient te worden gehouden. Negatieve effecten kunnen vanuit het aspect cultuurhistorie uitgesloten worden. Cultuurhistorie Er zijn geen cultuurhistorische waarden waar met de planontwikkeling rekening dient te worden gehouden. Negatieve effecten kunnen vanuit het aspect cultuurhistorie uitgesloten worden.
17/20
Archeologie De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de Hoeksche waard (2009) grotendeels in een zone met een middelhoge archeologische verwachting. Voor een zuidelijke strook geldt een lage archeologische verwachting. Voor de zone met de middelhoge archeologische verwachting geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 30 centimeter onder maaiveld. Voor de zone met de lage archeologische verwachting geldt een onderzoek plicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 10 hectare en een verstoringsdiepte vanaf 30 centimeter onder maaiveld. De gemeente heeft middels deze kaart aangegeven dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt. In December 2022 is door Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd ter plaatse van het projectgebied. De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek is de voorgenomen (her)ontwikkeling van het projectgebied. De volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen bij de ruimtelijke onderbouwing. Ten tijde van de jager-verzamelaars was de omgeving van het projectgebied bewoonbaar. De top van de afzettingen uit het Weichselien bevindt zich op circa 8,80 meter -NAP. De top van het dekzand, het archeologisch niveau, is waarschijnlijk bewaard gebleven en afgedekt door het veen.
Op basis van de diepte van het Pleistocene zand geldt er een middelhoge verwachting voor de periode laat-paleolithicum tot en met mesolithicum. Als gevolg van de zeespiegelstijging in het vroeg- en midden neolithicum vernatte de omgeving van het projectgebied en lag de omgeving in een waddenlandschap. Er geldt een lage verwachting voor de periode vroeg- tot midden neolithicum. De omgeving van het projectgebied bestond na deze periode uit een uitgestrekt nat veengebied. De hoger gelegen oeverwallen van de rivierlopen, veenstroompjes en crevasses zullen aantrekkelijke vestigingsplaatsen zijn geweest. De verlaten crevasses raakte na verloop van tijd bedekt met veen. Hierdoor kunnen er verschillende bewoonbare niveaus aangetroffen worden in het veen. Indien het projectgebied niet op een hoger gelegen oeverwal ligt, dan was het projectgebied vermoedelijk te nat voor permanente bewoning en geldt er een lage archeologische verwachting vanaf het laat-neolithicum tot en met vroege middeleeuwen. Er zouden wel sporen en vondsten aanwezig kunnen zijn die samenhangen met nabijgelegen tijdelijke nederzettingen, off-site verschijnselen, of rituele deposities. Door ontginning en de ontwatering van het Hollandveen in de Romeinse tijd daalde de bodem en kreeg de zee steeds meer invloed op de omgeving van het projectgebied. Dit resulteerde in de vorming van een nieuw getijdengebied.
Het projectgebied lag tot in de vroege middeleeuwen in een veengebied. Daarna zijn er getijden- en kreekafzettingen afgezet. In het zuidelijk deel van het projectgebied is een getij-kreekbedding aanwezig. Op de zandige en hoger gelegen oeverwallen kan sprake zijn geweest van gunstige bewoningsomstandigheden. Op basis hiervan geldt er een middelhoge verwachting voor de periode late middeleeuwen. De Hoeksche waard werd vanaf de 16e eeuw ontgonnen en de Numanspolder, waar het projectgebied deel van uitmaakt, werd vanaf 1642 bedijkt. Het projectgebied maakte deel uit van de agrarische gronden. Voor de periode late middeleeuwen (tot aan de bedijking) en voor de nieuwe tijd (vanaf de bedijking) geldt daarom een middelhoge verwachting. Op basis van het uitgevoerde bureau- en verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de bodemopbouw binnen het projectgebied bestaat uit een bouwvoor op kalkrijke getijdenafzettingen (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren). Op grond van de natte omstandigheden en het ontbreken van mogelijk bewoonbare afzettingen geldt voor het projectgebied een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de periode late middeleeuwen – nieuwe tijd. Voor het projectgebied wordt om bovenstaande redenen geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht.
Conclusie De resultaten van het archeologische onderzoek dienen getoetst te worden door de bevoegde overheid (gemeente Hoeksche Waard), die op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit selectieadvies nog niet betekent dat er al bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. Als gevolg hiervan, is bij het aantreffen van archeologische resten, conform de Erfgoedwet van 2016. Het aspect cultuurhistorie en archeologie geeft geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
18/20
3.8
Gezondheid
Uit toetsing van de verschillende milieuthema’s op het gebied van leefomgevingskwaliteit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een belangrijke toename van risico’s voor de menselijke gezondheid. Er wordt voldaan aan de normen voor bodem, externe veiligheid en luchtkwaliteit. Een significant effect op de risico’s voor de menselijke gezondheid is daarmee uitgesloten.
3.9
Mitigerende maatregelen
Mitigerende maatregelen In de quickscan Wet natuurbescherming worden de volgende maatregelen geadviseerd. • • • • •
•
•
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig het projectgebied te verlaten. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Het projectgebied tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van functioneel leefgebied van beschermde vissoorten. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht.
De werkzaamheden dienen in één werkrichting worden uitgevoerd om aanwezige vissen voldoende uitwijkmogelijkheden te bieden. De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
Nader onderzoek Voor dit project zijn geen nadere onderzoeken benodigd.
19/20
4. CONCLUSIE Uit de informatie in deze notitie blijkt dat het projectgebied niet ligt in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. De aard en omvang van het project leiden niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Door rekening te houden met de mitigerende maatregelen uit paragraaf 3.10 is het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure niet noodzakelijk.
20/20