Bijlage 20 - Quickscan Torensteepolder, ATKB, 10 juni 2025
Tekst van het document
QUICKSCAN OMGEVINGSWET TORENSTEEPOLDER FASE D NUMANSDORP
QUICKSCAN OMGEVINGSWET TORENSTEEPOLDER FASE D NUMANSDORP Kenmerk: Versie: Datum:
20240684/1 2 10-06-2025
Auteur: Projectleider: Veldwerk: Kwaliteitscontrole: Opdrachtgever:
J. (Jeroen) van Kuijk M. (Marlies) Kreutz J. (Jeroen) van Kuijk E. (Erwin) Vinke KuiperCompagnons B.V. Van Nelleweg 3042 3044 BC, Rotterdam
De inhoud van de rapportage is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven. © ATKB voor natuur en leefomgeving. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding. Foto's: ATKB, tenzij anders vermeld
INHOUD Inleiding Aanleiding en doel Kwaliteitstoetsing Leeswijzer
3 3 4 4
Plangebied en initiatief Ligging en beschrijving plangebied Voorgenomen ontwikkeling
5 5 6
Juridisch kader Omgevingswet Soortenbescherming Gebiedsbescherming Planologische gebiedsbescherming Bescherming houtopstanden
7 7 7 9 9 10
Onderzoeksmethode Soortenbescherming Gebiedsbescherming Houtopstanden
11 11 11 12
Effectanalyse soortenbescherming Flora Broedvogels cat. 1 t/m 4 Broedvogels cat. 5 Overige broedvogels Vleermuizen Grondgebonden zoogdieren Amfibieën Reptielen Vissen Vlinders, libellen en overige ongewervelden Invulling zorgplicht Invulling specifieke zorgplicht
13 13 13 14 14 15 16 17 17 18 18 19 19
Effectanalyse gebiedsbescherming Natura 2000 Planologische gebiedsbescherming
20 20 21
Effectanalyse beschermde houtopstanden
22
Conclusies en vervolgstappen
23
Soortenbescherming Gebiedsbescherming Houtopstanden
Quickscan Omgevingswet Torensteepolder fase d Numansdorp | versie 2 | 20240684/1
23 24 24
1 van 25
Literatuurlijst
Quickscan Omgevingswet Torensteepolder fase d Numansdorp | versie 2 | 20240684/1
25
2 van 25
INLEIDING AANLEIDING EN DOEL KuijperCompagnons B.V. heeft het voornemen om een nieuwe woonwijk ten zuiden van Numansdorp te realiseren als onderdeel van gebiedsontwikkelings project “Torensteepolder”. Daarnaast bestaat er het voornemen om een nieuw fietspad naar de betreffende wijk te ontwikkelen langs de Torensteelaan. Om te bepalen of de voorgenomen plannen (mogelijk) leiden tot een overtreding van de huidige natuurwetgeving, is een quickscan Omgevingswet (Ow) uitgevoerd. De quickscan is een verkennende toets om na te gaan of door uitvoering van de voorgenomen plannen mogelijk overtreding van de Ow (soortenbescherming en bescherming Natura 2000-gebieden) of planologische gebiedsbescherming optreedt. Daarnaast wordt het project aan het onderdeel ‘houtopstanden’ uit de Ow getoetst. Het doel van de quickscan is geformuleerd in enkele onderzoeksvragen. Onderzoeksvragen voor het onderdeel soortenbescherming: • • • • •
Welke beschermde soorten maken (mogelijk) gebruik van de planlocatie? Wat zijn de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op deze soorten? Is er aanvullend ecologisch onderzoek naar een of meerdere soorten noodzakelijk? Welke voorzorgsmaatregelen en/of vervolgstappen dienen genomen te worden om schadelijke gevolgen op beschermde soorten te voorkomen? Welke voorzorgsmaatregelen en/of vervolgstappen dienen genomen te worden om nadelige gevolgen op soorten die vallen onder de specifieke zorgplicht te voorkomen?
Onderzoeksvragen voor de onderdelen gebiedsbescherming en houtopstanden: • • • •
Ligt het plangebied in of nabij een Natura 2000-gebied, het NNN of binnen belangrijke weidevogelgebieden? Kunnen negatieve effecten op beschermde gebieden bij voorbaat worden uitgesloten? Is een aanvullende toetsing aan de gebiedsbescherming (voortoets, passende beoordeling en/of toetsing Natuurnetwerk Nederland) noodzakelijk? Zijn vervolgstappen noodzakelijk wat betreft het onderdeel ‘houtopstanden’?
Kader Er wordt tijdens de quickscan soortenbescherming een volledige beoordeling van de geschiktheid van het plangebied als leefgebied voor beschermde en onder de specifieke zorgplicht vallende soorten uitgevoerd. Een quickscan is echter geen volledig ecologisch onderzoek naar alle mogelijk voorkomende soorten, in de daarvoor geschikte perioden van het jaar. Hierdoor is een quickscan vaak niet voldoende als onderbouwing van een eventuele aanvraag voor een vergunning voor de Omgevingswet. Indien uit de quickscan echter blijkt dat er geen noodzaak bestaat tot nader onderzoek of een omgevingsvergunning, is een quickscan een afdoende ecologische onderbouwing voor het bevoegd gezag. Dit geldt ook als de quickscan onderdeel vormt van de ruimtelijke onderbouwing van een bestemmingsplan. De bevindingen uit de quickscan Omgevingswet zijn drie jaar geldig, tenzij het gebied in de tussentijd dermate is gewijzigd dat er een andere biotoop is ontstaan.
Quickscan Omgevingswet Torensteepolder fase d Numansdorp | versie 2 | 20240684/1
3 van 25
KWALITEITSTOETSING De quickscan is uitgevoerd door een ervaren ecoloog van ATKB. De ecoloog voldoet aan de definitie die Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) hanteert van een ter zake kundige voor het opstellen van toetsingen aan de Ow. Daarnaast is ATKB aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); een brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. De quickscan is opgesteld conform de definitielijst van het NGB.
LEESWIJZER In hoofdstuk 2 is een beschrijving van het plangebied weergegeven en de uit te voeren werkzaamheden zijn hier benoemd. Hoofdstuk 3 geeft het juridisch kader weer, waaraan getoetst is. In hoofdstuk 4 is de wijze beschreven waarop de quickscan Ow is uitgevoerd. Hoofdstuk 5 gaat in op de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde en onder de specifieke zorgplicht vallende soorten. Hierbij worden globaal de effecten bepaald van het plan op de soorten die (mogelijk) gebruikmaken van het plangebied. Vervolgens worden, waar nodig, beknopt maatregelen voorgesteld om zorgvuldig te handelen ten aanzien van beschermde soorten. In hoofdstuk 6 is een beknopte toetsing aan de gebiedsbescherming opgenomen en in hoofdstuk 7 is beknopt getoetst aan het onderdeel ‘houtopstanden’. In hoofdstuk 8 zijn (door beantwoording van de onderzoeksvragen uit paragraaf 1.1) de conclusies en aanbevelingen uit voorliggend rapport op een rij gezet.
Quickscan Omgevingswet Torensteepolder fase d Numansdorp | versie 2 | 20240684/1
4 van 25
PLANGEBIED EN INITIATIEF LIGGING EN BESCHRIJVING PLANGEBIED Het plangebied is gelegen in gemeente Hoeksche Waard in provincie Zuid-Holland (zie Figuur 1), in het ontwikkelingsgebied “Torensteeppolder” als bouwveld D. Het gebied betreft twee verruigde akkers van ongeveer 8 hectare, parallel aan elkaar gelegen, bestaande uit zware klei. Op de akkers groeien op het moment van schrijven geen bomen, enkel een ruige pioniersvegetatie. Het gebied is aan alle zijdes begrenst door diepe sloten met een lage rietopslag. De beoogde locatie voor het fietspad ligt ten noorden van het plangebied en loopt parallel aan de toegangsweg (Torensteelaan) van de wijk. De berm bestaat voornamelijk uit kort gemaaid raaigras en loopt over in de naastgelegen sloot. Op de oevers van de sloot is een lage rietvegetatie aanwezig.
Figuur 1.
Globale ligging plangebied (rood omlijnd). Bron: OpenStreetMap.
Quickscan Omgevingswet Torensteepolder fase d Numansdorp | versie 2 | 20240684/1
5 van 25
Figuur 2.
Huidige situatie plangebied. Bron: veldbezoek uitgevoerd op 28-11-2024
VOORGENOMEN ONTWIKKELING Aanlegfase Tijdens de aanlegfase zal het gebied bouwrijp gemaakt worden en zal de benodigde infrastructuur aangelegd worden. Hierbij zal de huidige pioniersvegetatie verloren gaan. In de hier opvolgende fases zal de nieuwbouw voor bouwveld D gebouwd worden. Het fietspad zal naast de bestaande weg, in de berm, worden gerealiseerd Gebruiksfase Op het moment van schrijven is de huidige invulling van de gebruiksfase nog niet bekend.
Quickscan Omgevingswet Torensteepolder fase d Numansdorp | versie 2 | 20240684/1
6 van 25
JURIDISCH KADER OMGEVINGSWET In de Omgevingswet (Ow) is de bescherming van diverse inheemse planten en dieren in Nederland vastgelegd. De Omgevingswet zelf bestaat uit algemene regels, waaronder de algemene zorgplicht en een algemeen verbod om zonder omgevingsvergunning bepaalde activiteiten (ingrepen) met schadelijke gevolgen voor beschermde waarden te mogen verrichten. Een nadere uitwerking van de algemene regels van de Omgevingswet vindt plaats in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s), waarbij in dit kader het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) het belangrijkst is. Hierin is een uitwerking gegeven van het toetsingskader voor activiteiten met mogelijk schadelijke gevolgen voor beschermde soorten. Deze zijn onderverdeeld in ‘flora- en fauna-activiteit’ (soortenbescherming; zie volgende paragraaf) en ‘Natura 2000-activiteit’ (gebiedsbescherming; zie paragraaf 3.3).
SOORTENBESCHERMING De soortenbescherming onder de Omgevingswet omvat drie pijlers: de algemene zorgplicht, de specifieke zorgplicht en de geldende beschermingsregimes. De specifieke zorgplicht is nieuw ten opzichte van de voorheen geldende Wet natuurbescherming. 3.2.1 ALGEMENE ZORGPLICHT De algemene zorgplicht (Afdeling 1.3 van de Ow) geldt in alle situaties en houdt in dat de initiatiefnemer redelijkerwijs alles in het werk stelt om aanzienlijke negatieve gevolgen voor de fysieke leefomgeving te voorkomen. De algemene zorgplicht geldt in de context van deze quickscan voor alle in het wild levende soorten. 3.2.2 SPECIFIEKE ZORGPLICHT De specifieke zorgplicht (uitgewerkt in art. 11.27 Bal) is een uitbreiding op de algemene zorgplicht en bepaalt dat iedereen die activiteiten uitvoert die nadelige gevolgen op plant- en diersoorten kunnen hebben, deze nadelige gevolgen zoveel mogelijk moet voorkomen, beperken of ongedaan maken. De specifieke zorgplicht staat los van de vergunningplicht bij schadelijke gevolgen op beschermde soorten.
De specifieke zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten geldt voor de volgende soorten: • alle van nature in Nederland in het wild levende vogels inclusief de geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten (conform Vogelrichtlijn); • van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V van de Habitatrichtlijn; • dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX van het Bal of in de Rode lijsten; en • voor bovengenoemde soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. De specifieke zorgplicht bepaalt dat voorafgaand aan de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn voor aanwezigheid van bovengenoemde soorten. Als deze aanwijzingen er zijn, dient op basis van objectieve gegevens vastgesteld te worden of nadelige gevolgen op de staat van instandhouding kunnen worden uitgesloten. Dit kan zowel de landelijke staat van instandhouding betreffen als die van een (lokale) populatie. Wanneer gevolgen hierop niet zijn uit te sluiten, dienen passende preventieve of herstelmaatregelen getroffen te worden om deze nadelige gevolgen te voorkomen. Dergelijke maatregelen horen in verhouding te staan tot de aard en omvang van de ingreep en de effecten. Hierbij is er tevens de verplichting om na te gaan of deze maatregelen de beoogde effecten hebben.
Quickscan Omgevingswet Torensteepolder fase d Numansdorp | versie 2 | 20240684/1
7 van 25
De specifieke zorgplicht staat los van de vergunningplicht bij schadelijke gevolgen op beschermde soorten en wordt daarom in deze rapportage steeds apart behandeld. De formulering van deze specifieke zorgplicht is in de wet zodanig uitgewerkt dat strafrechtelijke handhaving ervan mogelijk is. Wanneer bij een ingreep of activiteit de specifieke zorgplicht niet of onvoldoende is toegepast, kan dit een reden zijn voor handhaving. 3.2.3 BESCHERMINGSREGIMES SOORTENBESCHERMING Naast de algemeen geldende zorgplicht en de specifieke zorgplicht geldt voor een aantal soorten en hun leefgebieden een beschermingsregime. Deze beschermde soorten zijn onderverdeeld in drie groepen, met daaraan gekoppelde soortenlijsten en beschermingsregimes, namelijk: • vogels (artikel 11.37 Bal; alle soorten uit de Europese Vogelrichtlijn); • overige strikt beschermde soorten, waaronder soorten uit de Europese Habitatrichtlijn (artikel 11.46 Bal; dit betreft onder andere vleermuizen); • nationaal beschermde soorten (artikel 11.54 Bal). Het is onder de Ow niet toegestaan om (het leefgebied van) beschermde soorten aan te tasten. Dit is vastgelegd in verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden1.
3.2.4 VRIJSTELLING NATIONALE SOORTEN BINNEN PROVINCIE ZUID-HOLLAND Provincies hebben de bevoegdheid om via een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten in het kader van bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke ontwikkeling. In het geval van de provincie Zuid-Holland worden de volgende nationaal beschermde soorten vrijgesteld: Bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker, bastaardkikker, aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat (bron: Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland, d.d. 9 november 2016). 3.2.5 BROEDVOGELS MET JAARROND BESCHERMDE NESTEN Jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) Een aantal vogels heeft nesten met een jaarrond beschermde status omdat de vogelsoorten het gehele jaar gebruikmaken van het nest, geen eigen nesten bouwen (en dus niet gemakkelijk een nieuw nest kunnen maken), van gebouwen afhankelijk zijn of in kolonieverband broeden (deze verschillen zijn in de wetgeving weergegeven in de categorieën 1 t/m 4). De meeste vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zijn roofvogels en uilen, maar ook de nesten van de in gebouwen broedende gierzwaluw en huismus zijn jaarrond beschermd.
Categorie 5-broedvogels De zogenaamde Categorie 5-soorten zijn vogelsoorten waarvan de nesten niet standaard jaarrond beschermd zijn omdat deze soorten meer flexibel zijn in het vinden van een nestplaats dan vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest. Onder bepaalde ecologische omstandigheden (zoals de aanwezigheid van een zwaartepunt van een populatie binnen het plangebied of weinig uitwijkmogelijkheden in de omgeving) kunnen deze nesten wel jaarronde bescherming hebben.
1
In artikelen 11.37, 11.46 en 11.54 van het Bal wordt meerdere malen gesproken over het verbod tot opzettelijke handelingen (o.a. opzettelijke doding, verstoring en vernieling). Binnen de Omgevingswet omvat de term ‘opzettelijk’ tevens voorwaardelijk opzet, waardoor (evenals onder de voormalige Wet natuurbeheer) een groot aantal handelingen onder de verbodsbepalingen vallen. In verband met de leesbaarheid wordt de term ‘opzettelijk’ in voorliggende rapportage niet meer aangehaald. Uiteraard wordt dit (in de situaties waarvoor dit van toepassing is) wel bedoeld.
Quickscan Omgevingswet Torensteepolder fase d Numansdorp | versie 2 | 20240684/1
8 van 25
3.2.6 VOORZORGSMAATREGELEN Een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Ow is soms te voorkomen door (voorafgaand aan de werkzaamheden) voorzorgsmaatregelen te treffen. Deze voorzorgsmaatregelen zijn gericht op het behoud van de functionaliteit van de groeiplaats van flora en de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaats van fauna. Daarnaast voorkomen de voorzorgsmaatregelen de schadelijke gevolgen van een activiteit op individuen (o.a. doding en verwonding). 3.2.7 VERGUNNINGPLICHT Een vergunningplicht (artikel 8.74j, 8.74k en 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving) is van toepassing als een overtreding van de verbodsbepalingen uit het Bal niet kan worden voorkomen door het nemen van voorzorgsmaatregelen. Het is mogelijk om met een goed onderbouwd projectplan een omgevingsvergunning aan te vragen in het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO). Het bevoegd gezag toetst de aanvraag vervolgens aan de volgende drie criteria: • Voldoet het planvoornemen aan een van de in de wet genoemde belangen? • Is een ‘andere bevredigende oplossing’ mogelijk? • Doet de vergunning afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort?
GEBIEDSBESCHERMING Via de Ow is tevens de bescherming van Natura 2000-gebieden vastgelegd. De Ow stelt dat het verboden is om zonder vergunning van Gedeputeerde Staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Voor projecten die een significant negatief effect kunnen hebben op de doelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied, dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd en is een vergunningaanvraag noodzakelijk. Via een voortoets kan worden onderzocht of significant negatieve effecten op voorhand kunnen worden uitgesloten. Indien dit het geval is, zijn een passende beoordeling en vergunningsaanvraag niet noodzakelijk. Indien significant negatieve effecten als gevolg van de projectdepositie in de voortoets niet kunnen worden uitgesloten, zijn een passende beoordeling en vergunningsaanvraag wél noodzakelijk. Naast projecten in of nabij Natura 2000-gebieden, kunnen ook plannen op grotere afstand van Natura 2000gebieden significant negatieve effecten op kwalificerende habitats en/of soorten tot gevolg hebben door toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden.
Een toename van meer dan 0,00 mol N/ha/jr vraagt om een nadere ecologische beoordeling van de gevolgen. Daarnaast kunnen projecten een negatief effect hebben op (leefgebied van) kwalificerende soorten buiten een Natura 2000-gebied, waardoor nadelige effecten optreden op de doelstellingen van het betreffende Natura 2000gebied. Dit kan het geval zijn wanneer essentieel foerageergebied van een kwalificerende soort van een Natura 2000-gebied binnen het plangebied ligt. Effecten op het foerageergebied kunnen leiden tot afname van aantallen binnen het Natura 2000-gebied. Dit kan bijvoorbeeld spelen bij bruine kiekendief, kleine zwanen en ganzen.
PLANOLOGISCHE GEBIEDSBESCHERMING Het beschermingsregime van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl; art. 7.8) en moet verzekeren dat de kwaliteit en het oppervlak van de NNN niet achteruitgaan, de samenhang tussen gebieden wordt behouden en nadelige gevolgen op wezenlijke kenmerken en waarden door
Quickscan Omgevingswet Torensteepolder fase d Numansdorp | versie 2 | 20240684/1
9 van 25
activiteiten worden gecompenseerd. De wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN zijn vastgelegd in provinciale omgevingsverordeningen en kunnen bestaan uit bodemkenmerken, landschappelijke waarden en natuurwaarden. In deze verordeningen is eveneens het gehanteerde toetsingskader vermeld; dit kan per provincie verschillen. Voor de NNN geldt geen specifieke zorgplicht. Naast het NNN zijn in sommige provincies tevens weidevogelgebieden, gebieden met strategische reserveringen voor natuur, groene ontwikkelingszones e.d. aangewezen. Binnen dergelijke gebieden geldt doorgaans het Nee, tenzij-regime: significante aantasting is niet toegestaan, tenzij sprake is van een groot openbaar belang en er geen alternatieven zijn.
BESCHERMING HOUTOPSTANDEN Volgens artikel 11.126 van het Bal is het verboden een houtopstand buiten de bebouwde kom geheel of gedeeltelijk te vellen zonder melding bij het bevoegd gezag. Bovendien geldt een herplantplicht. Een houtopstand beslaat 10 are of meer of betreft een rijbeplanting van meer dan twintig bomen en moet aan een aantal voorwaarden voldoen. Voor houtopstanden binnen de bebouwde kom is de Ow niet van toepassing, maar geldt het beleid van de gemeente waarbinnen de projectlocatie gelegen is. Voor een aantal gevallen geldt een uitzondering: • • • • • • •
het betreft een houtopstand op een erf of in een tuin; het betreft een houtopstand van fruitbomen of een windscherm rondom fruitbomen; het betreft naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; het betreft kweekgoed; het betreft populieren of wilgen als wegbeplanting, beplanting langs waterwegen of eenrijige beplanting langs landbouwgrond; het betreft het dunnen van een houtopstand; het betreft een houtopstand van uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: o ten minste eens per tien jaar wordt geoogst; o bestaat uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter; én o is aangelegd na 1 januari 2013.
Binnen de bescherming houtopstanden geldt de specifieke zorgplicht (art. 11.116 Bal). Hierin wordt gesteld dat als een activiteit nadelige gevolgen heeft voor ‘oogmerken’ voor houtopstanden (art. 11.112 Bal), de verplichting geldt om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken, ongedaan te maken of achterwege te laten. Deze oogmerken zijn omschreven als doelstellingen: natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland en bescherming van landschappelijke waarden. Hoewel niet nader uitgewerkt, zijn deze oogmerken wel bestuursrechtelijk én strafrechtelijk handhaafbaar. Zo kan er bijvoorbeeld beter worden gehandhaafd tegen illegale kap.
Quickscan Omgevingswet Torensteepolder fase d Numansdorp | versie 2 | 20240684/1
10 van 25
ONDERZOEKSMETHODE In onderstaand hoofdstuk wordt kort per onderdeel van de natuurwetgeving toegelicht hoe de toetsing is uitgevoerd.
SOORTENBESCHERMING Het onderdeel soortenbescherming betreft een eenmalige beoordeling van het plangebied, waarin globaal wordt gekeken naar aanwezige en te verwachten (beschermde) soorten. Hiervoor zijn een literatuur- en veldonderzoek uitgevoerd. 4.1.1 BRONNENONDERZOEK Het bronnenonderzoek heeft tot doel een beeld te krijgen van (eventueel) aanwezige beschermde en onder de specifieke zorgplicht vallende soorten in (de omgeving van) het plangebied. Voor het bronnenonderzoek is gebruikgemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF); dit is de meest complete databank in Nederland met verspreidingsinformatie van flora en fauna. Ten aanzien van flora is een zoekgebied van circa 5 kilometer rondom het plangebied gehanteerd. Voor fauna is een zoekgebied van circa 3 kilometer rondom het plangebied gehanteerd. De NDFF is geraadpleegd op 27-11-2024. Hierbij zijn waarnemingen tot vijf jaar terug ingezien. Aangezien ook de NDFF niet volledig is, is tevens gebruikgemaakt van informatie uit de Beschermde Soortenindicator (BeSi) van Bij12, overige beschikbare vakliteratuur en eigen soort- en gebiedskennis (expert judgement).
4.1.2 VELDONDERZOEK Het veldonderzoek heeft tot doel te bepalen of de beschermde en onder de specifieke zorgplicht vallende soorten die in de omgeving van het plangebied zijn vastgesteld (deze volgen uit het literatuuronderzoek) tevens in het plangebied (kunnen) voorkomen. Op 29-11-2024 is het veldbezoek uitgevoerd; hierbij was sprake van een droge en half bewolkte dag van 14°C . Tijdens het veldbezoek is aan de hand van terreinkenmerken gekeken naar de geschiktheid van het plangebied als groeiplaats/verblijfplaats voor (in de omgeving aanwezige) beschermde en onder de specifieke zorgplicht vallende soorten (habitatcheck). Tevens is tijdens het veldbezoek gelet op de aanwezigheid van beschermde soorten en sporen hiervan (zoals uitwerpselen, pootafdrukken, vraatsporen en aanwezige (oude) nesten/verblijfplaatsen).
GEBIEDSBESCHERMING In hoofdstuk 6 van deze quickscan is een beknopte beoordeling opgenomen ten aanzien van gebiedsbescherming. Hierbij is getoetst hoe de invloedssfeer van het planvoornemen ten opzichte van de beschermde gebieden gelegen is. Bepaald is of er eventuele negatieve effecten van het planvoornemen op Natura 2000-instandhoudingsdoelen of wezenlijke kenmerken of waarden van planologisch beschermde gebieden zijn te verwachten. Daarbij is aangegeven of een aanvullende effectanalyse (zoals een Natura 2000-voortoets, toetsing NNN en/of AERIUSberekening) nodig is.
Quickscan Omgevingswet Torensteepolder fase d Numansdorp | versie 2 | 20240684/1
11 van 25
HOUTOPSTANDEN Ten slotte is in hoofdstuk 7 een beknopte beoordeling uitgevoerd ten aanzien van het onderdeel ‘houtopstanden’. Hier is, in het geval van rooi- en kapwerkzaamheden, getoetst of een overtreding van de Ow als gevolg van het voornemen aan de orde is.
Quickscan Omgevingswet Torensteepolder fase d Numansdorp | versie 2 | 20240684/1
12 van 25
EFFECTANALYSE SOORTENBESCHERMING Onderstaande effectenanalyse richt zich op de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten en op de overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van de beschermde soorten (artikelen 11.37, 11.46 en 11.54 van het Bal) die mogelijk hun leefgebied hebben binnen het plangebied. Daarnaast worden benodigde vervolgstappen benoemd om negatieve effecten te voorkomen en wordt de algemeen geldende zorgplicht behandeld die voor alle in het wild levende planten en dieren geldt die mogelijk binnen het plangebied voorkomen. Ten slotte is er aandacht voor de gevolgen van de ingreep op de soorten die onder de specifieke zorgplicht vallen .
FLORA RESULTATEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in het plangebied de volgende beschermde soorten voor (kunnen) komen: Dreps.
Uit het Beschermingsplan Akkerplanten (Floron, 2002) blijkt dat dreps tegenwoordig niet meer natuurlijk voorkomt in Nederland, met uitzondering van een enkele akker op de Utrechtse heuvelrug. Dreps wordt soms ingezaaid in taluds via zadenmengsels, echter betreft dit geen natuurlijke verspreiding. Tijdens het veldonderzoek is er geen dreps aangetroffen binnen het plangebied.
BROEDVOGELS CAT. 1 T/M 4 Categorie 1-4 broedvogels betreffen broedvogels waarvan de nesten aangewezen zijn als jaarrond beschermde nesten. RESULTATEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in en rond het plangebied de volgende broedvogels met jaarrond beschermde nesten voorkomen: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, slechtvalk, sperwer en steenuil. Uit het veldonderzoek blijkt dat geen van de bovenstaande soorten maakt gebruik van ruige akkers als broedgebied. Tijdens het bezoek zijn er geen nesten binnen het plangebied aangetroffen. De bomenrij aan de zuidelijke zijde van het plangebied zijn mogelijk wel geschikt als nestlocatie voor de bovenstaande soorten, met uitzondering van de huismus, grote gele kwikstaart, kerkuil, slechtvalk en steenuil doordat deze soorten specifiek aan bebouwing zijn verbonden. EFFECTEN Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden worden geen nestlocaties van deze soorten vernield. Hierdoor is geen sprake van overtreding van de Ow (artikel 11.37 van het Bal). Door de toename in woningbouw in het gebied rondom Numansdorp verdwijnt er meer potentieel leef- en jachtgebied in de directe omgeving. Op dit moment is er alternatief gebied voorhanden, echter kan dit in de toekomst veranderen door cumulatieve effecten.
Quickscan Omgevingswet Torensteepolder fase d Numansdorp | versie 2 | 20240684/1
13 van 25
BROEDVOGELS CAT. 5 Categorie 5-broedvogels betreffen broedvogels die in principe niet jaarrond beschermd zijn, maar waarvan het ministerie van LNNV wel een inventarisatie verlangt. Deze soorten zijn enkel jaarrond beschermd als de ecologische omstandigheden dit rechtvaardigen, oftewel als verwacht wordt dat uitvoering van de plannen grote nadelige effecten zouden kunnen hebben op de staat van instandhouding van de lokale populatie van een soort. RESULTATEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in en rond het plangebied de volgende categorie 5-broedvogels voor (kunnen) komen: blauwe reiger, boerenzwaluw, boomklever, boomkruiper, bosuil, ekster, gekraagde roodstaart, grauwe vliegenvanger, groene specht, ijsvogel, oeverzwaluw, pimpelmees, spreeuw, torenvalk, zwarte roodstaart. Uit het veldonderzoek blijkt dat binnen het plangebied geen broedbiotoop aanwezig is voor de bovenstaande soorten, met uitzondering van de oeverzwaluw, door de afwezigheid van bomen, struwelen en bebouwing. De bomenrij ten zuiden van het plangebied is mogelijk geschikt als broedlocatie, echter zijn er tijdens het veldbezoek geen nesten aangetroffen. Er worden dan ook geen nesten van de bovenstaande soorten in het plangebied verwacht. EFFECTEN Het plangebied is potentieel geschikt als broedbiotoop voor de oeverzwaluw door de aanwezigheid van enkele zandhopen aan de zuidelijke zijde van het plangebied.
Zonder voldoende voorzorg kunnen nesten van bovengenoemde soorten worden verstoord en/of vernield. Verstoring of vernieling van nesten is een overtreding van Art. 11.37 lid 1 a, b en c van het Bal. Het plangebied is voor de overige (mogelijk) aanwezige categorie 5-broedvogels niet van ecologisch hoog belang, omdat het hooguit om enkele broedparen gaat. Bovendien zijn in de omgeving voldoende alternatieve nestlocaties te vinden in tuinen en bos in omgeving. De te verwachten soorten zijn daarnaast algemeen in Nederland. Als gevolg hiervan zijn de nesten van categorie 5-broedvogels binnen het plangebied niet jaarrond beschermd. Wel zijn nesten van deze broedvogels (net als het geval is voor algemene broedvogels) beschermd tijdens het broedseizoen. De mogelijke effecten en benodigde maatregelen ten aanzien van categorie 5-broedvogels worden daarom (tezamen met de algemene broedvogels) besproken in paragraaf 5.4.
OVERIGE BROEDVOGELS Overige soorten broedvogels betreffen broedvogels die niet beschermd worden onder soorten in de categorie 1-5. RESULTATEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in en rond het plangebied diverse overige broedvogels voor (kunnen) komen, waaronder de grauwe gans, meerkoet en winterkoning. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied geschikt is als broedgebied voor de grauwe gans. Ook zijn er meerdere individuen aangetroffen tijdens het veldbezoek. De oevers zijn geschikt als nestlocatie voor de meerkoet. De winterkoning kan het plangebied gebruiken als foerageergebied, van broedgebied is echter geen sprake door het gebrek aan struwelen.
Quickscan Omgevingswet Torensteepolder fase d Numansdorp | versie 2 | 20240684/1
14 van 25
EFFECTEN Zonder voldoende voorzorg kunnen nesten van bovengenoemde soorten worden verstoord en/of vernield. Verstoring of vernieling van nesten is een overtreding van Art. 11.37 lid 1 a, b en c van het Bal. De verstoring van individuen die als gevolg van de werkzaamheden kan optreden, is echter niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding. Dit aangezien de te verwachten soorten algemeen in Nederland voorkomen en de verstoring slechts van tijdelijke aard is. VERVOLGSTAPPEN In alle gevallen dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedgevallencheck te worden uitgevoerd, tenzij op voorhand duidelijk is dat broedgevallen uitdrukkelijk kunnen worden uitgesloten. Dat laatste dient door een ter zake kundige ecoloog te worden aangegeven. Bij het niet kunnen uitsluiten van broedgevallen dienen de betreffende bomen en struiken en de omringende bomen en struiken buiten de werkzaamheden te worden gehouden om de functionaliteit van de broedlocatie intact te laten. De daarvoor vereiste verstoringsvrije zone dient door een ter zake kundige ecoloog in het veld te worden gemarkeerd met bijvoorbeeld afzettingslint. Door de genoemde voorzorgsmaatregelen te treffen, treedt er geen verstoring met een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van individuen van vogels op.
Derhalve is er geen sprake van een overtreding van artikel 11.37, lid 1a, b en c van het Bal en kunnen de werkzaamheden ten aanzien van dit punt worden uitgevoerd.
VLEERMUIZEN RESULTATEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in en rond het plangebied de volgende vleermuizen voor (kunnen) komen: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied geschikt is als foerageergebied voor de bovenstaande soorten. Het betreft echter niet essentieel foerageergebied. EFFECTEN Verblijfplaatsen Binnen het plangebied zijn er geen verblijfplaatsen van de bovenstaande soorten aanwezig. Effecten op verblijfplaatsen zijn daardoor uitgesloten. Vliegroutes Er zijn geen vliegroutes in het plangebied aanwezig. De watergangen aan de zijdes van het plangebied zijn geschikt als vliegroute, maar zijn niet essentieel doordat er voldoende lijnvormige elementen in de omgeving aanwezig zijn. Foerageergebied Binnen het plangebied is sprake van niet-essentieel foerageergebied, omdat er meerdere soortgelijke foerageerplekken aanwezig zijn buiten het plangebied. Vleermuizen maken gebruik van groenelementen, zoals tuinen, bomenrijen en luwte van gebouwen en parken, die in de omgeving in ruime mate aanwezig zijn. Het plangebied maakt deel uit van een veel groter gebied waarin geschikt foerageergebied in ruime mate aanwezig is. Essentieel en onmisbaar foerageergebied is daarom niet aanwezig in het plangebied (zie Figuur 3).
Wel kunnen foeragerende vleermuizen verstoord worden (overtreding van artikel 11.46, lid 1b van het Bal).
Quickscan Omgevingswet Torensteepolder fase d Numansdorp | versie 2 | 20240684/1
15 van 25
Figuur 3.
Het kaartje toont dat in de omgeving voldoende groenstructuren aanwezig zijn die als alternatieve vliegroute/foerageermogelijkheid kunnen dienen.
VERVOLGSTAPPEN De werkzaamheden dienen in de periode 1 april – 1 november overdag uitgevoerd te worden om verstoring van foeragerende vleermuizen binnen het foerageergebied te voorkomen.
GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN RESULTATEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in het plangebied de volgende beschermde grondgebonden zoogdieren voor (kunnen) komen: bever, boommarter, damhert, noordse woelmuis, wolf, gewone zeehond Uit het veldonderzoek blijkt dat de randen van het plangebied naast de sloot geschikt zijn voor de bever en noordse woelmuis. Er zijn echter geen knaagsporen en of burchten van de bever aangetroffen tijdens het bezoek. Het plangebied is niet geschikt voor de boommarter en damhert door het open karakter en gebrek aan struwelen. De wolf en gewone zeehond worden niet verwacht binnen het plangebied. De waarnemingen van de wolf betreffen sporadische waarnemingen van dwalende individuen. De gewone zeehond is sporadisch in het Hollands Diep aangetroffen, ook hier is er geen sprake van een aanwezige populatie. Hierdoor kunnen effecten op deze soorten worden uitgesloten.
Quickscan Omgevingswet Torensteepolder fase d Numansdorp | versie 2 | 20240684/1
16 van 25
EFFECTEN De voorgenomen werkzaamheden kunnen leiden tot het verstoren en of onopzettelijk doden van de noordse woelmuis. Verstoring en of het doden van de noordse woelmuis zijn een overtreding van de Ow, (artikel 11.46, lid 1a van het bal). VERVOLGSTAPPEN Er is mogelijk essentieel leefgebied aanwezig, en de voorgenomen werkzaamheden kunnen aanwezige soorten doden en of verstoren, hierdoor is nader onderzoek naar verblijfplaatsen en aanwezigheid van de noordse woelmuis noodzakelijk.
AMFIBIEËN RESULTATEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in het plangebied de volgende beschermde amfibieën voor (kunnen) komen: bruine kikker, meerkikker, kleine watersalamander, gewone pad. Uit het veldonderzoek blijkt dat de watergangen rondom het plangebied en de oevers geschikt zijn voor de bovenstaande soorten door de aanwezigheid van lage oevervegetatie, waterplanten en toegankelijke oevers. Daarnaast is het plangebied ook geschikt voor de rugstreeppad, echter zijn er geen waarnemingen in Zuid-Beijerland bekend. Ook vormen de Spui, Hollands Diep en Oude Maas een obstakel voor de rugstreeppad om het gebied te bereiken. De rugstreeppad wordt dan ook niet verwacht binnen het plangebied. EFFECTEN Het plangebied is geschikt voor bruine kikker, meerkikker, kleine watersalamander, gewone pad. Als gevolg van de voorgenomen bouw wordt artikel 11.54, lid 1 van het bal overtreden. VERVOLGSTAPPEN De bovenstaande soorten, met uitzondering van de rugstreeppad, zijn vrijgesteld van een vergunningsaanvraag voor projecten omtrent ruimtelijke ontwikkeling. Een nader onderzoek naar de aanwezigheid van de bovenstaande soorten is dan ook niet noodzakelijk. Wel vallen deze soorten ten alle tijden onder de zorgplicht.
REPTIELEN RESULTATEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in het plangebied geen beschermde reptielen voorkomen. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied geschikt is voor de ringslang. Echter kan de aanwezigheid van ringslang in het plangebied worden uitgesloten door het ontbreken van waarnemingen in de wijde omgeving van het plangebied.
Quickscan Omgevingswet Torensteepolder fase d Numansdorp | versie 2 | 20240684/1
17 van 25
VISSEN RESULTATEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in het plangebied de volgende beschermde vissen voor (kunnen) komen: grote modderkruiper. Uit het veldonderzoek blijkt dat de aanwezige sloten langs de randen van het plangebied geschikt zijn als leefgebied voor de grote modderkuiper. EFFECTEN Het plangebied zelf is niet geschikt voor grote modderkruiper, echter kan de soort voorkomen in de watergangen langs de randen van het plangebied. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden worden er hoogstens tijdelijke verstorende effecten verwachten tijdens het heien. Tijdelijke verstoring is geen overtreding op artikel 11.54, lid a, van het bal. Hierdoor is er geen nader onderzoek naar de grote modderkruiper noodzakelijk. Op het moment van schrijven was er geen sprake van werkzaamheden in de watergangen rondom het plangebied. Indien er wel werkzaamheden in de watergang zullen plaatsvinden is aanvullend ecologisch onderzoek naar de grote modderkruiper alsnog noodzakelijk doordat er hierbij individuen onbedoeld gedood kunnen worden. Dit is een overtreding op artikel 11.54, lid a, van het bal.
VLINDERS, LIBELLEN EN OVERIGE ONGEWERVELDEN RESULTATEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in het plangebied de volgende beschermde ongewervelden voor (kunnen) komen: grote vos, teunisbloempijlstaart. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied mogelijk geschikt is voor de grote vos en teunisbloempijlstaart door de aanwezigheid van geschikte waardplanten. De populieren aan de zuidelijke zijde zijn geschikte waardplanten voor de grote vos, deze bomenrij blijft echter behouden. De teunisbloempijlstaart is aan de teunisbloem verbonden. Het plangebied is door het ruige karakter mogelijk geschikt voor de teunisbloem. Tijdens het veldbezoek zijn er geen teunisbloemen en/of overblijfselen aangetroffen. EFFECTEN Het plangebied is geschikt voor de teunisbloempijlstaart. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden worden er mogelijk individuen verstoord en treedt er verlies van bestaande voortplantingsplaatsen op, wat een overtreding van artikelen 11.46, lid 1 en 11.54, lid 1 van het Bal is. VERVOLGSTAPPEN Het is noodzakelijk nader onderzoek naar de teunisbloempijlstaart uit te voeren. Dit onderzoek zal gericht worden op het inventariseren van eventueel aanwezige voortplantingsplaatsen.
Quickscan Omgevingswet Torensteepolder fase d Numansdorp | versie 2 | 20240684/1
18 van 25
INVULLING ZORGPLICHT Bij het planvoornemen dient men rekening te houden met de (potentieel) aanwezige beschermde soorten. Daarnaast dient men (in het kader van de zorgplicht) tevens rekening te houden met de (binnen de provincie ZuidHolland) van bescherming vrijgestelde soorten (o.a. gewone pad en konijn en overige in het wild levende flora en fauna. Om een zorgvuldige omgang met alle in het wild levende soorten (zorgplicht) te garanderen, zijn de volgende maatregelen geformuleerd: • aanwezige beplanting binnen het plangebied (met name bomen en struiken) zoveel mogelijk behouden; • werken van één kant af om fauna de kans te geven zelfstandig te vluchten; • enkel bij daglicht werken om verstoring van nacht-actieve soorten (zoals vleermuizen) te voorkomen. Om tussentijdse vestiging van beschermde (pionier)soorten te voorkomen, zijn nog enkele aanvullende voorzorgsmaatregelen geformuleerd: •
vorming van grote zandhopen voorkomen; dit vormt een geschikte broedlocatie voor oeverzwaluwen. Indien er alsnog sprake is van zandopslag dient dit afgedekt te worden om broedgevallen te voorkomen.
INVULLING SPECIFIEKE ZORGPLICHT In de vorige paragrafen zijn de mogelijke gevolgen van de activiteit op beschermde soorten flora en fauna besproken. Daarnaast kan het project gevolgen hebben voor soorten die onder de specifieke zorgplicht vallen. In het plangebied worden de volgende habitats negatief door de beoogde ingrepen beïnvloed: ruige akkers. Dergelijke habitats bieden leefgebied aan algemene soorten flora en fauna, waaronder het konijn en de haas, waarvan de gunstige staat van instandhouding in het geding is. Nadelige gevolgen van de beoogde ingrepen op soorten die onder de specifieke zorgplicht vallen, zijn aan de orde en vervolgstappen hiervoor zijn nodig.
Quickscan Omgevingswet Torensteepolder fase d Numansdorp | versie 2 | 20240684/1
19 van 25
EFFECTANALYSE GEBIEDSBESCHERMING NATURA 2000 Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied (zie Figuur 4), waardoor directe negatieve effecten op beschermde natuurgebieden bij voorbaat kunnen worden uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling op enige afstand van Natura 2000-gebieden (circa 600 meter, zie Figuur 44 plaatsvindt, worden tevens geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (door visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trillingen en licht) verwacht.
Figuur 4.
Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Bron: https://www.natura2000.nl/gebieden.
Het plangebied is binnen 25 km van Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige natuur gelegen. Het project kan mogelijk door de beoogde werkzaamheden, waaronder de inzet van werktuigen tijdens de bouw, en de toename in verkeersbewegingen een toename aan stikstofdepositie in deze Natura 2000-gebieden veroorzaken en zodoende het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige habitats in gevaar brengen. Met een stikstofberekening dient onderzocht te worden of sprake is van een toename in de stikstofdepositie (> 0,00 mol N/ha/j). In de stikstofberekening kan eventueel rekening worden gehouden met interne of externe saldering. Wanneer het project per saldo een depositie boven 0,00 mol N/ha/j tot gevolg heeft, dient een nadere ecologische beoordeling van de gevolgen voor stikstofgevoelige natuur te worden uitgevoerd. Hierin worden de
Quickscan Omgevingswet Torensteepolder fase d Numansdorp | versie 2 | 20240684/1
20 van 25
ecologische gevolgen uitgebreid onderzocht en gewogen tegen de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-waarden waarop de stikstofdepositie plaatsvindt. Op basis van bovenstaande is een Natura 2000-voortoets (gericht op directe effecten en/of externe werking als gevolg van geluid, licht e.d.) niet van toepassing. Er dient daarnaast echter wel een stikstofberekening met de AERIUS Calculator te worden uitgevoerd. Indien uit de AERIUS-berekening blijkt dat de depositie als gevolg van het voornemen meer dan 0,00 mol N/ha/jr bedraagt, dient nog een ‘voortoets stikstof’ uit te worden gevoerd.
PLANOLOGISCHE GEBIEDSBESCHERMING Het plangebied ligt niet in het NNN of overige planologisch beschermde gebieden (weidevogelgebieden, gebieden met strategische reserveringen voor natuur, groene ontwikkelingszones e.d.) (zie 5). Direct negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling op enige afstand (circa 300 meter) van NNN gebieden plaatsvindt, worden tevens geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (via visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht. Op basis van bovenstaande is toetsing aan de planologische gebiedenbescherming van het NNN en/of weidevogelgebieden niet van toepassing.
Figuur 5.
Ligging plangebied ten opzichte van het NNN en/of belangrijke weidevogelgebieden. Bron: Provincie Zuid-Holland.
Quickscan Omgevingswet Torensteepolder fase d Numansdorp | versie 2 | 20240684/1
21 van 25
EFFECTANALYSE BESCHERMDE HOUTOPSTANDEN Binnen het project is geen sprake van de kap van een houtopstand die beschermd is onder de Ow (art. 11.126 en 11.129 van het Bal). Dit aangezien binnen het planvoornemen geen te kappen bomen binnen de bebouwde kom aanwezig zijn. Om deze reden is nadere toetsing aan de Omgevingswet, onderdeel ‘houtopstanden, hout en houtproducten’, niet van toepassing.
Quickscan Omgevingswet Torensteepolder fase d Numansdorp | versie 2 | 20240684/1
22 van 25
CONCLUSIES EN VERVOLGSTAPPEN SOORTENBESCHERMING 8.1.1 BESCHERMDE SOORTEN Op basis van de uitgevoerde quickscan kunnen de onderzoeksvragen voor het onderdeel soortenbescherming worden beantwoord: Welke beschermde soorten maken (mogelijk) gebruik van de planlocatie? De noordse woelmuis en teunisbloempijlstaart maken mogelijk gebruik van het plangebied2. Wat zijn de (mogelijke) effecten van de voorgenomen werkzaamheden op deze beschermde soorten? De werkzaamheden kunnen mogelijk aanwezige soorten doden en/of verstoren. Is aanvullend ecologisch onderzoek naar een of meerdere soorten noodzakelijk? Er is aanvullend ecologisch onderzoek nodig naar de functie van het plangebied als essentieel leefgebied, en de aanwezigheid van de noordse woelmuis en teunisbloempijlstaart noodzakelijk3. Welke voorzorgsmaatregelen en/of vervolgstappen dienen genomen te worden om schadelijke effecten op beschermde soorten te voorkomen? In onderstaande tabel zijn de benodigde voorzorgsmaatregelen opgenomen. Tabel 1
Overzicht benodigde voorzorgsmaatregelen en nader onderzoek
(Mogelijk) aanwezige soort(groep)en Broedvogels Vleermuizen Grondgebonden zoogdieren Vissen Vlinders, libellen en overige ongewervelden
Benodigde voorzorgsmaatregelen en nader onderzoek t.a.v. soorten met aanvullend beschermingsregime (art. 11.37, 11.46 en 11.54 van het Bal) Er is een broedvogelcheck noodzakelijk voorafgaande aan de werkzaamheden door de aanwezigheid van de grauwe gans en oeverzwaluw. De werkzaamheden dienen in de periode 1 april – 1 november overdag uitgevoerd te worden om verstoring van foeragerende vleermuizen binnen het foerageergebied te voorkomen. Er is aanvullend ecologisch onderzoek naar de aanwezigheid van essentieel leefgebied van de noordse woelmuis nodig. Er is aanvullend ecologisch onderzoek noodzakelijk wanneer er alsnog werkzaamheden in en/of aan de omringende watergang plaatsvinden. Het is noodzakelijk aanvullend ecologisch onderzoek naar de teunisbloempijlstaart uit te voeren. Dit onderzoek zal gericht worden op het inventariseren van eventueel aanwezige voortplantingsplaatsen.
Aanvullende voorzorgsmaatregelen (t.a.v. zorgplicht en pioniersoorten) -
aanwezige beplanting binnen het plangebied (met name bomen en struiken) zoveel mogelijk behouden. werken van één kant af om fauna de kans te geven zelfstandig te vluchten. enkel bij daglicht werken om verstoring van nacht-actieve soorten (zoals vleermuizen) te voorkomen. vorming van grote zandhopen voorkomen; dit vormt een geschikte broedlocatie voor oeverzwaluwen. nieuwe zandhopen afdekken wanneer deze niet gebruikt worden om broedgevallen van de oeverzwaluw te voorkomen.
2 De grote modderkruiper maakt mogelijk gebruik van de watergang rondom het plangebied. 3 Er is aanvullend ecologisch onderzoek noodzakelijk, naar de functie van het plangebied als essentieel leefgebied en aanwezigheid van de grote modderkrui-
per, wanneer er in de watergang werkzaamheden zullen plaatsvinden.
Quickscan Omgevingswet Torensteepolder fase d Numansdorp | versie 2 | 20240684/1
23 van 25
8.1.2 SPECIFIEKE ZORGPLICHT Op basis van de uitgevoerde habitatcheck kan onderstaande onderzoeksvraag voor de specifieke zorgplicht binnen de soortenbescherming worden beantwoord: Welke voorzorgsmaatregelen en/of vervolgstappen dienen genomen te worden om nadelige gevolgen te voorkomen voor soorten die onder de specifieke zorgplicht vallen? De in het projectgebied aanwezige en door de beoogde ingrepen negatief beïnvloede habitats bieden hoogstens leefgebied aan algemene soorten flora en fauna, waarvan de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Nadelige gevolgen op soorten die onder de specifieke zorgplicht vallen, zijn niet aan de orde en vervolgstappen hiervoor zijn niet nodig.
GEBIEDSBESCHERMING Op basis van de uitgevoerde quickscan kunnen de onderzoeksvragen voor het onderdeel gebiedsbescherming worden beantwoord: Ligt het plangebied in of nabij een Natura 2000-gebied of het NNN? Het plangebied ligt nabij een Natura 2000-gebied en een NNN gebied. Kunnen negatieve effecten op beschermde gebieden bij voorbaat worden uitgesloten? Directe negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen op voorbaat worden uitgesloten. Is een toetsing aan de gebiedsbescherming noodzakelijk? Er is een AERIUS berekening nodig om de stikstofdepositie in kaart te brengen.
HOUTOPSTANDEN Op basis van de uitgevoerde quickscan kan de onderzoeksvraag voor het onderdeel houtopstanden worden beantwoord: Zijn vervolgstappen noodzakelijk wat betreft het onderdeel ‘houtopstanden’? Er zijn geen vervolgstappen wat betreft het onderdeel “houtopstanden” noodzakelijk.
Quickscan Omgevingswet Torensteepolder fase d Numansdorp | versie 2 | 20240684/1
24 van 25
LITERATUURLIJST
-
-
Bij12 (2017); Kennisdocument Buizerd versie 1.0 juli 2017 Bij12 (2017); Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis versie 1.0 juli 2017 Bij12 (2017); Kennisdocument Poelkikker versie 1.0 juli 2017 Bij12 (2017); Kennisdocument Rosse vleermuis versie 1.0 juli 2017 Bij12 (2017); Kennisdocument Ruige dwergvleermuis versie 1.0 juli 2017 Bij12 (2017); Kennisdocument Watervleermuis versie 1.0 juli 2017 Bij12 (2024); Kennisdocument kleine marterachtigen versie 1.0 januari 2024 Bij12 (2024); Kennisdocument Gewone dwergvleermuis versie 2.0 april 2024 Nationale Databank Flora en Fauna. Geraadpleegd 10 november 2024. SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998 - 2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2021) Vleermuisprotocol 2021, www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl
Websites: - www.zoogdiervereniging.nl - www.bij12.nl - www.ravon.nl - www.vlinderstichting.nl - www.vogelbescherming.nl - www.sovon.nl - www.verspreidingsatlas.nl - www.googlemaps.nl
Quickscan Omgevingswet Torensteepolder fase d Numansdorp | versie 2 | 20240684/1
25 van 25