CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 bestemmingsplan en bijlagen Molendijk 14 Puttershoek

Besluitvormende raad 17 september 2024, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan ’Molendijk 14 Puttershoek’21.681 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

- 34 -

7.2 Zienswijzen pm

- 35 -

‘Bestemmingsplan Molendijk 14, Puttershoek´ gemeente Hoeksche Waard Ontwerp: december 2023

Regels

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Tuin Artikel 4 Wonen – Linten en bebouwingsconcentraties Artikel 5 Waarde – archeologische verwachting middelhoog 1 Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Artikel 7 Algemene bouwregels Artikel 8 Algemene gebruiksregels Artikel 9 Algemene aanduidingsregels Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht Artikel 12 Slotregel

Bijlage: -Stedenbouwkundig visie (Wissing, 11 mei 2022)

1

HOOFDSTUK 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan het bestemmingsplan ´Molendijk 14, Puttershoek´ met identificatienummer NL.IMRO.1963.BPPTHMolen14-ON01 van de gemeente Hoeksche Waard; 1.2 bestemmingsplan de geometrische bepaalde planobjecten met bijbehorende regels; 1.3 verbeelding de analoge en digitale voorstelling van de in het bestemmingsplan opgenomen digitale ruimtelijke informatie; 1.4 aanbouw een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.5 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.6 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.7 aanduidingsvlak een vlak met eenzelfde aanduiding, begrensd door een aanduidingsgrens; 1.8 aan huis verbonden bedrijf een kleinschalig bedrijf dat wordt uitgeoefend door de gebruiker van een woning, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt, dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is en dat geen onevenredige hinder oplevert voor het woon- en

leefmilieu, niet zijnde horeca of detailhandel, met uitzondering van beperkte verkoop ten behoeve van het aan huis verbonden bedrijf; 2

1.9 aan huis verbonden beroep een dienstverlenend beroep op maatschappelijk, juridisch, administratief, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat wordt uitgeoefend door de gebruiker van een woning, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt, en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is, niet zijnde horeca of detailhandel, met uitzondering van beperkte verkoop ten behoeve van het aan huis verbonden beroep; 1.10 achtererf gedeelte van het erf dat aan de achterzijde van het gebouw is gelegen; 1.11 afwijken van de bouwregels en/of van de gebruiksregels een afwijking als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c van de Wet ruimtelijke ordening; 1.12 archeologisch onderzoek diverse vormen van onderzoek naar de archeologische waarden binnen een plangebied, uitgevoerd volgens de geldende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse archeologie; 1.13 archeologische verwachting de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten; 1.14 archeologische waarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten; 1.15 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.16 bed & breakfast een logiesaccommodatie op basis van het Besluit

omgevingsrecht met maximaal 10 personen en bestaande uit maximaal 7 kamers; 1.17 bedrijf een onderneming die is gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten;

3

1.18 bestaand a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan: 1. bestaat, of; 2. wordt gebouwd, of; 3. nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van terinzagelegging is ingediend; mits het bouwwerk in overeenstemming is met het voorheen geldend planologische regime; b. bij gebruik: het gebruik dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald; 1.19 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.20 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.21 bijgebouw een niet voor bewoning bestemd vrijstaand of aangebouwd gebouw, dat bouwkundig ondergeschikt en functioneel dienstbaar is aan een binnen hetzelfde bestemmingsvlak staande woning; 1.22 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.23 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 1.24 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.25 bouwperceelsgrens de grens van een bouwperceel;

4

1.26 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder; 1.27 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.28 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.29 dagrecreatie recreatie zonder nachtverblijf, zoals wandelen, paardrijden, fietsen, varen, zwemmen en vissen; 1.30 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of ter plaatse leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.31 (medische) dienstverlening bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van (medische) diensten aan derden, waaronder zijn begrepen tandarts-, dokter en fysiotherapie praktijken en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen; 1.32 eerste bouwlaag de bouwlaag op de begane grond; 1.33 erf al dan niet bebouwd perceel, of een

gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover dit bestemmingsplan deze inrichting niet verbiedt; 1.34 erotisch getinte vermaaksfunctie een vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop, een seksclub en een seksautomatenhal;

5

1.35 garage bouwwerk dat bedoeld is voor stallingsruimten voor vervoersmiddelen en de berging van niet voor handel en distributie bestemde goederen; 1.36 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.37 gebruiken gebruiken, het doen gebruiken, laten gebruiken en in gebruik geven; 1.38 grondwaterpeil bovenste niveau van het water dat zich in de bodem bevindt; 1.39 hoofdgebouw een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen, dan wel gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken; 1.40 horeca een bedrijf waar hoofdzakelijk dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin logies wordt verstrekt, zoals bijvoorbeeld een café, restaurant, hotel, pension, en naar de aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen bedrijven, een en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie; 1.41 maatvoeringsgrens de grens van een maatvoeringsvlak; 1.42 maatvoeringsvlak een geometrisch bepaald vlak waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels voor bepaalde bouwwerken eenzelfde maatvoering geldt; 1.43 mantelzorg het bieden van zorg in een woning aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak waarbij de woning in overwegende

mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.44 nadere eis een nadere eis als bedoeld in artikel 3.6 eerste lid onder d van de Wet ruimtelijke ordening;

6

1.45 nevenactiviteit een activiteit ondergeschikt aan de hoofdactiviteit in zowel omvang (m2), omzet (€) als de effecten op het woon- en leefklimaat; 1.46 normaal onderhoud, gebruik en beheer een gebruik gericht op het in zodanige conditie houden of brengen van objecten dat het voortbestaan van deze objecten op ten minste het bestaande kwaliteitsniveau wordt bereikt; 1.47 omgevingsvergunning een vergunning als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 1.48 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden een vergunning als bedoeld in artikel 3.3 onder a van de Wet ruimtelijke ordening; 1.49 omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk een vergunning als bedoeld in artikel 3.3.

onder b van de Wet ruimtelijke ordening; 1.50 permanente bewoning het gebruik van een recreatiewoning of kampeermiddel door eenzelfde persoon of groep van personen als feitelijk hoofdverblijf, in die zin dat deze persoon of groep van personen binnen een aaneengesloten periode van een jaar meer dan 240 overnachtingen in de recreatiewoning maakt; 1.51 prostitutiebedrijf een gebouw, voer- of vaartuig, dan wel enig gedeelte daarvan, geheel of gedeeltelijk bestemd, dan wel in gebruik voor het daar uitoefenen van prostitutie; prostitutie is het tegen betaling hebben van seksuele omgang met anderen op een naar buiten toe kenbare wijze; 1.52 recreatiewoning een gebouw, niet zijnde een stacaravan, dat dient voor periodiek recreatief nachtverblijf door personen die hun hoofdverblijf elders hebben; 1.53 seks- en/of pornobedrijf een inrichting bestemd voor het doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van erotische aard en/of pornografische aard, waaronder mede wordt begrepen:

7

a. seksbioscoop: een inrichting, bestemd voor het doen plaatsvinden van film- en/of videovoorstellingen van erotische en/of pornografische aard; b. seksclub: een inrichting, bestemd voor het doen plaatsvinden van vertoningen van erotische aard en/of pornografische aard; c. seksautomaat: een inrichting, bestemd voor het door middel van automaten doen plaatsvinden van filmen/of videovoorstellingen van erotische en/of pornografische aard; d. sekswinkel: een ruimte, bestemd voor het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van seksartikelen aan de uiteindelijke verbruiker of gebruiker; 1.54 stacaravan een kampeermiddel in de vorm van een caravan of soortgelijk onderkomen op wielen dat, mede gelet op de afmeting, kennelijk niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen ook over grotere afstanden als een aanhangsel van een auto te worden voortbewogen; 1.55 (straat)peil a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst of ten hoogste 5 m uit de weggrens is gelegen: de hoogte van de kruin van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang; b. in alle andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte maaiveld maar niet hoger dan de kruin van de weg het meest nabij het bouwwerk gelegen; c.

indien in of op het water wordt gebouwd: de hoogte van het terrein ter plaatse van het meest nabij gelegen punt waar het water, in het peilbesluit vastgestelde peil, grenst aan het vaste land; 1.56 uitbouw een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

8

1.57 uitvoeren uitvoeren, het doen uitvoeren, laten uitvoeren en in uitvoering geven; 1.58 voorerf gedeelte van een erf dat aan de voorkant (voor de voorgevel) van het gebouw is gelegen; 1.59 voorgevel de naar de weg gekeerde gevel(s) van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan kennelijk als zodanig diende te worden aangemerkt, dan wel de gevel naar die weg die volgens het straatnamenregister bepalend is voor de adressering; 1.60 wijziging een wijziging als bedoeld in artikel 3.6 eerste lid onder a van de Wet ruimtelijke ordening; 1.61 woning een (gedeelte) van een gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden;

9

Artikel 2 Wijze van meten 2.1 algemeen Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: de afstand tot een grens tussen de grens een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is; de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q.

de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; de hoogte van een windturbine vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine; de horizontale diepte van een gebouw de diepte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de gevel waaraan wordt gebouwd; de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; de oppervlakte van een overkapping tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping. verticale diepte van een ondergronds bouwwerk van het peil tot aan de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het ondergrondse (deel van het) bouwwerk. 2.2 inhoud van (bedrijfs)woningen Bij de bepaling van de inhoud van (bedrijfs)woningen worden ondergrondse bouwwerken niet meegerekend.

10

2.3 ondergeschikte bouwonderdelen Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt. 2.4 dakkapellen Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van bouwen wordt de goothoogte van een dakkapel buiten beschouwing gelaten mits de dakkapel voldoet aan de volgende eisen: a. b. c. d. e. f.

zijwanden ondoorzichtig; hoogte, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, minder dan 1,5 m; onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet; bovenzijde meer dan 0,5 onder de daknok; zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak, en niet gebouwd op een woning of woongebouw gebouwd met een tijdelijke vergunning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op een woonwagen of op een woning of woongebouw die niet voor permanente bewoning is bestemd.

2.5 meten Bij toepassing van deze regels wordt gemeten tot of vanuit het hart van een lijn en op de schaal waarin het plan is vastgesteld.

11

HOOFDSTUK 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Tuin 3.1 bestemmingsomschrijving De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen, alsmede voor paden. 3.2 bouwregels 3.2.1 Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en overkappingen worden gebouwd. 3.2.2 Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal: a. erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van het gebouw 1 m; b. erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het gebouw 2 m; c. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 1 m. 3.2.3 Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 3.1 bedoelde gronden oppervlakteverhardingen aan te brengen wegen > 100 m2.

12

Artikel 4 Wonen – Linten en bebouwinsgconcentraties 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen – Linten en bebouwingsconcentraties' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woningen; b. mantelzorg in de woning; c. aan huis verbonden beroepen, uitsluitend in de bestaande gebouwen met een vloeroppervlakte van maximaal 30% van het vloeroppervlak van de woning en bijgebouwen tot maximaal 50 m2 per woning; d. aan huis verbonden bedrijven, uitsluitend in de bestaande gebouwen met een vloeroppervlakte van maximaal 30% van het vloeroppervlak van de woning en bijgebouwen tot maximaal 50 m2 per woning; e. bed & breakfast in de woningen; een en ander met bijhorende bouwwerken en voorzieningen. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Toegestane bouwwerken Uitsluitend de volgende bouwwerken zijn toegestaan: a. Uitsluitend ter plaatse van het op de verbeelding aangeduide bouwvlak zijn overeenkomstig de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ ten hoogste vier woningen toegestaan, met dien verstande dat: 1. de inhoud van een woning met bijgebouwen gezamenlijk maximaal 650 m3 bedraagt; 2. de goothoogte van woningen, onverminderd het bepaalde in artikel 9.2, maximaal 6 m bedraagt; 3. de bouwhoogte van woningen, onverminderd het bepaalde in artikel 9.2, maximaal 9 m bedraagt; 4. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen binnen en buiten het bouwvlak zijn toegestaan; 5.

bijgebouwen niet voor de voorgevelrooilijn van woningen mogen worden gebouwd; 6. de goothoogte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen maximaal 3 m bedraagt; 7. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen maximaal 6 m bedraagt; 8. het gezamenlijke oppervlak van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen per vrijstaande woning maximaal: 13

a. 40 m2 bedraagt op een zij- en achtererf kleiner dan 400 m2; b. 50 m2 bedraagt op een zij- en achtererf groter dan 400 m2 en kleiner dan 500 m2; c. 70 m2 bedraagt op een zij- en achtererf groter dan 500 m2 en kleiner dan 700 m2; d. 80 m2 bedraagt op een zij- en achtererf groter dan 700 m2; 9. het zij- en achtererf voor niet meer dan 50% mag worden bebouwd, met dien verstande dat bij vrijstaande woningen het zij- en achtererf voor niet meer dan: a. 40% mag worden bebouwd bij een zij- en achtererf kleiner dan 400 m2; b. 35% mag worden bebouwd bij een zij- en achtererf groter dan 400 m2; 10. het overblijvende onbebouwde en onoverdekte gedeelte op het achtererf niet minder mag bedragen dan 25 m2 aaneengesloten oppervlak; 11. de afstand van aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en overkappingen tot de zijdelingse bouwperceelsgrens dan wel de achterbouwperceelsgrens 0 m dan wel minimaal 1 m dient te bedragen; 4.2.2 Voorwaardelijke verplichting a. Voordat ter plaatse van de bestemming ‘Wonen – Linten en bebouwingsconcentraties’ mag worden gebouwd moet alle bedrijfsbebouwing op het perceel Molendijk 14 te Puttershoek zijn verwijderd; b. de situering van de woningen en de kaprichting moet overeenstemmen met de stedenbouwkundige visie, die als bijlage bij deze regels is gevoegd. 4.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de situering van gebouwen in verband met de ruimtelijke kwaliteit.

4.4 Afwijken van de bouwregels 4.4.1 Vergroten woning Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4.2 , sub a, onder 1 voor een vergroting van de gezamenlijke inhoud van een woning en bijgebouwen, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de inhoud mag na vergroting niet meer bedragen dan 775 m3; b. er dient sprake te zijn van een goede streekeigen landschappelijke inpassing; c. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van in de omgeving aanwezige functies en waarden; d. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden. 14

4.5 Afwijken van de gebruiksregels 4.5.1 Mantelzorg Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4.1 voor het toestaan van mantelzorg in bestaande bijgebouwen bij een woning dan wel het toestaan van extra aan- of uitbouwen of vrijstaande bijgebouwen ten behoeve van mantelzorg, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de noodzaak van de mantelzorg dient te worden aangetoond met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur;

b. de oppervlakte aan extra gebouwen bedraagt maximaal 75 m2 en de bouwhoogte maximaal 3,5 m; c. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van in de omgeving aanwezige functies en waarden; d. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.

15

Artikel 5 Waarde - Archeologische verwachting middelhoog 1 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologische verwachting middelhoog 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. 5.2 Bouwregels In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag alleen worden gebouwd ten behoeve van aanvullend of definitief archeologisch onderzoek. 5.3 Afwijken van de bouwregels 5.3.1 Afwijking Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 5.2 ten behoeve van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemmingen, mits is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; 5.3.2 Uitzonderingen Afwijking als bedoeld in artikel 5.3.1 is niet vereist, indien: a. op basis van aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn; b. het bouwplan betrekking heeft op wijziging of vervanging van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut; c. het nieuw te bebouwen oppervlak kleiner is dan 500 m2.

5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.4.1 Omgevingsvergunningplichtige werken Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 5.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d. e.

het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden; het bodemverlagen of afgraven van gronden; het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,5 m vanaf maaiveld; het aanbrengen van diepwortelende beplantingen; het aanleggen of verharden van wegen, rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; 16

f. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport- energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies. 5.4.2 Toetsingscriterium Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4.1 wordt slechts verleend, indien door de werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad. 5.4.3 Uitzonderingen Het in artikel 5.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing, indien: a. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. er sprake is van bodemingrepen kleiner dan 500 m2 en niet dieper dan 0,5 m vanaf het maaiveld; c. op basis van bureauonderzoek, inventariserend of aanvullend archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn; d. de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning; e. de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden op aanvullend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht.

5.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor het verwijderen van de bestemming Waarde - Archeologische verwachting middelhoog 1, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat dit mogelijk is.

17

HOOFDSTUK 3 Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

18

Artikel 7 Algemene bouwregels 7.1 Bestaande afmetingen In die gevallen dat de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand zijn gekomen meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud in afwijking daarvan als maximaal toegestaan. 7.2 Bestaande afstanden In die gevallen dat de bestaande afstand van een bouwwerk tot enige op de verbeelding of in de regels aangegeven lijn dan wel tot een ander bouwwerk, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand is gekomen minder bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven, geldt die afstand in afwijking daarvan als minimaal toegestaan. 7.3 Bestaande percentages In die gevallen dat een bestaand bebouwingspercentage, dat in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand is gekomen, meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven, geldt dat bebouwingspercentage in afwijking daarvan als maximaal toegestaan.

19

Artikel 8 Algemene gebruiksregels 8.1 Strijdig gebruik Onder gebruik in strijd met alle bestemmingen wordt in ieder geval verstaan: a. een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud; b. een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud; c. een gebruik van gronden voor opslag van mest in mestzakken of in andere opslagmiddelen, niet zijnde een bouwwerk, anders dan als opslag voor normaal gebruik binnen het agrarisch bouwvlak d. een gebruik van gronden en bouwwerken voor (detail)handel, anders dan de regels van de bestemmingen toestaan; e. een gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting dan wel ten behoeve van prostitutie; f. een gebruik van gronden en bouwwerken voor verblijfsrecreatie, anders dan de regels van de bestemmingen toestaan; g. het gebruik van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van reclame-uitingen, anders dan voor de eigen bedrijfsvoering of de verkoop van eigen producten; h. een gebruik van recreatiewoningen en stacaravans ten behoeve van permanente bewoning.

20

Artikel 9 Algemene aanduidingsregels Vrijwaringszone - molenbiotoop 9.1. Aanduidingsomschrijving De gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de functie van de molen als werktuig en zijn waarde als landschapsbepalend element. 9.2 Bouwregels In afwijking van het bepaalde bij andere bestemmingen mogen: a. binnen een afstand van 100 m van de molen, bouwwerken niet worden gebouwd voor zover de bouwhoogte hoger is dan de hoogte van het onderste punt van de verticaal staande molenwiek; b. binnen een afstand van 100 m tot 400 m van de molen, bouwwerken niet worden gebouwd voor zover de bouwhoogte hoger is dan de hoogte van het onderste punt van de verticaal staande molenwiek vermeerderd met 1/100 van de afstand tussen het nieuw op te richten bouwwerk en de molen. 9.3 Afwijken van de bouwregels Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 9.2 voor het bouwen overeenkomstig het bepaalde in de andere bestemmingen, mits advies is verkregen van de beheerder van de molen.

9.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 9.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het ophogen van gronden hoger dan de hoogte die op grond van het bepaalde in artikel 9.2 is toegestaan voor bouwwerken; b. het aanleggen van bovengrondse constructies, installaties en apparatuur met een hoogte die hoger is dan op grond van het bepaalde in artikel 8.2 is toegestaan voor bouwwerken; c. het aanplanten van bomen en/of houtgewas en het aanbrengen van beplanting met een hoogte die hoger is dan op grond van het bepaalde in artikel 8.2 is toegestaan voor bouwwerken. 9.5 Verlening omgevingsvergunning a. een omgevingsvergunning wordt verleend indien: 1. er sprake is van een situatie waarin vrije windvang en het zicht op de molen al beperkt zijn door bebouwing, zolang de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt, óf: 2. zeker is gesteld dat de belemmering van de windvang en het zicht op de molen door maatregelen elders in de molenbeschermingszone worden gecompenseerd; b. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.4 wordt niet eerder verleend dan nadat advies is verkregen van de beheerder van de molen.

21

9.6 Uitzonderingen omgevingsvergunning Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.4 is nodig voor: a. werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen; b. werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende omgevingsvergunning.

22

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels 10.1 Algemeen Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van: a. in het plan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 10% van de goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen; b. de regels en worden toegestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 2,5 m, en deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing. 10.2 Uitzondering Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.1 onder a kan niet worden verleend ten behoeve van het vergroten van de inhoud van (bedrijfs)woningen; 10.3 Voorwaarden Afwijking als bedoeld in artikel 10.1 is slechts toegestaan, mits: a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; b. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad.

23

HOOFDSTUK 4 Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht 11.1 Overgangsrecht bouwwerken 1. Een bouwwerk, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 2. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 11.2 Overgangsrecht gebruik 1. Het gebruik van grond en bouwwerken, dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 2.

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerst lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

24

Artikel 12 Slotregel Deze regels worden aangehaald als Regels van het ‘Bestemmingsplan Molendijk 14, Puttershoek´.

25

nsd

e ijkj PTH01 E 284 8490 m²

o Sim

Plangebied Molendijk 14, Puttershoek

Bestemmingen

PTH01 E 287 1760 m²

T

Tuin

W-L

Wonen - Linten en bebouwingsconcentraties

Dubbelbestemmingen WR-A-MH1

Waarde - Archeologische verwachting middelhoog 1

Gebiedsaanduidingen

PTH01 E 285 355 m²

vrijwaringszone - molenbiotoop

PTH01 E 288 11695 m²

Bouwvlakken bouwvlak PTH01 E 207 1050 m²

PTH01 E 152 1795 m²

T

Maatvoeringen

8

maximum aantal wooneenheden

4

molenbiotoop PTH01 E 206 1160 m²

Verklaringen

PTH01 E 155 10070 m²

80

PTH01 E 155 10070 m²

W-L

topografische en kadastrale gegevens BGT, BRK juli 2018

4

len Mo k

dij

8

WR-A-MH1

14

30

23

PTH01 E 232 303 m² 16

18 PTH01 E 233 295 m²

PTH01 E 266 45 m²

12A

5 PTH01 E 261 770 m²

20

22

PTH01 E 265 13685 m² 12

PTH01 E 235 880 m²

GEMEENTE HOEKSCHE WAARD BESTEMMINGSPLAN Molendijk 14, Puttershoek

PTH01 E 118 187 m² 24

tek.

0609208-B-01

blad

1 van 1

26

PTH01 E 236 298 m²

Ontwerp

oktober 2020

schaal 1 : 1000

NL.IMRO.1963.BPPTHMolen14-

PTH01 E 237 599 m²

versie ON01

28

30

gew.

08-10-2020

get.

24-07-2018

pmw.

anDré Domburg

DRÉ

t. 0180 - 61 31 44

Bijlagen bij bestemmingsplan ‘Molendijk 14 Puttershoek’

-Verkennend (asbest) bodemonderzoek (Inventerra., 10 juli 2018, nr. 18-2131-R01JV) -Akoestisch onderzoek (Kraaij akoestisch advies, 18 mei 2018, VL-1822-R01) -Quick scan Wet natuurbescherming (Buijs Eco Consult, 13 november 2018, nr. 181113-153) -Nader onderzoek vleermuis (Buijs Eco Consult, 1 augustus 2022, nr. 220801) -Archeologisch onderzoek (SOB Research, september 2018, nr. 2599-1806) -Stedenbouwkundig plan (Wissing, 11 mei 2022) -Stikstofberekening (Mbh Consult, 6 oktober 2023) -Rapportage buisleidingen (Adromi, 20 oktober 2022, nr. 2201) -Verantwoording groepsrisico (Adromi 10 november 2022, nr. 2202a)

Verkennend (asbest)bodemonderzoe k Molendijk 14 Puttershoek 18-2131-R01JV

COLOFON

Opdrachtgever

Gowrings B.V. Lageweg 7 3299 AL Maasdam Contactpersoon: dhr. xx

Locatie

Molendijk 14 te Puttershoek

Type onderzoek

Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Verkennend asbestonderzoek NEN 5897

Rapportnummer

18-2131-R01JV

Datum rapport

10 juli 2018

Auteur

Dhr. xxt Projectleider Bodem

Kwaliteitscontrole

Mevr. xx Projectleider Bodem

Inventerra Nijverheidsweg 34 3341 LJ Hendrik-Ido-Ambacht (078) 682 24 55 info@inventerra.nl

Verkennend (asbest)bodemonderzoek Molendijk 14 te Puttershoek 18-2131-R01JV

INHOUDSOPGAVE

1.

INLEIDING .......................................................................................................................... 1

2.

VOORONDERZOEK NEN 5725 .............................................................................................. 2

3.

VERKENNEND BODEMONDERZOEK NEN 5740 ...................................................................... 5 3.1 3.2 3.3

4.

VERKENNEND ASBESTONDERZOEK NEN 5897 ..................................................................... 9 4.1 4.2

5.

Hypothese en onderzoeksstrategie .................................................................................... 5 Uitvoering veldwerk ......................................................................................................... 6 Uitvoering chemisch-analytisch onderzoek ......................................................................... 7

Onderzoeksstrategie ........................................................................................................ 9 Resultaten veldwerk en analyses ....................................................................................... 9

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .................................................................................... 10

BIJLAGEN 1.

2. 3. 4. 5. 6.

Weergave onderzoekslocatie 1.1 Kadastrale gegevens en omgevingskaart 1.2 Situatietekening 1.3 Foto’s Boorprofielen Analysecertificaten Toetsingskader Resultaten vooronderzoek Kwaliteitsaspecten van het onderzoek

Verkennend (asbest)bodemonderzoek Molendijk 14 te Puttershoek 18-2131-R01JV

1. INLEIDING

In opdracht van Gowrings B.V. heeft Inventerra in mei-juni 2018 een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 en een verkennend asbestonderzoek conform de NEN 5897 verricht op de locatie aan de Molendijk 14 te Puttershoek. De aanleiding voor deze onderzoeken zijn de voorgenomen nieuwbouwplannen (aanvraag Omgevingsvergunning) en daarmee samenhangende herinrichting op de locatie. Doel van het verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de huidige bodemkwaliteit en of deze bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde bestemming. Kwaliteit Inventerra is door Normec Certifications gecertificeerd voor de BRL SIKB 2000, protocol 2001, 2002 en 2018 (certificaatnummer EC-SIK-20241) en de BRL SIKB 6000, protocol 6001 en 6002 (certificaatnummer EC-SIK-60009) en is tevens door TÜV Nederland gecertificeerd voor de algemene kwaliteitsnorm NEN-ENISO 9001:2008. De genoemde beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000 is onderdeel van een certificatiesysteem voor het gehele proces van veldwerk bij milieuhygiënisch onderzoek, inclusief alle secundaire processen, dat begint bij de acceptatie van het veldwerk en dat eindigt bij de overdracht van veldgegevens en monsters, inclusief de daarbij horende veldwerkrapportage, aan de opdrachtgever.

Op dit bodemonderzoek zijn de volgende protocollen, behorende bij de BRL SIKB 2000, van toepassing: 2001 – Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van

☒ ☒ ☒

grondmonsters en waterpassen. 2002 – Het nemen van watermonsters. 2018 – Locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem.

De beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000 is niet van toepassing op: • de processen vóór het veldwerk, zoals vraagstelling, gegevens verzamelen en onderzoeksvoorstel; • de processen ná het veldwerk, zoals laboratoriumanalyses, interpretatie van analyse- en veldwerkresultaten en advies; • veldwerk anders dan middels de technieken boringen, steken en graven van sleuven, inclusief alle veldwerk dat volgt op deze technieken zoals plaatsen van peilbuizen of bemonsteren van peilbuizen; • de monsterneming in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Inventerra verklaart hierbij geen organisatorische, financiële of juridische binding te hebben met de opdrachtgever en/of de onderhavige onderzoekslocatie en verklaart daarmee te voldoen aan de vereisten zoals gesteld in Kwalibo (Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer).

Verkennend (asbest)bodemonderzoek Molendijk 14 te Puttershoek 18-2131-R01JV

pag. 1 van 11

2. VOORONDERZOEK NEN 5725

Conform de NEN 5740 zal eerst een hypothese worden opgesteld omtrent de aan- en afwezigheid, de aard en de ruimtelijke verspreiding van eventuele bodemverontreinigingen. Ten behoeve van het opstellen van een hypothese dient een vooronderzoek te worden uitgevoerd overeenkomstig de NEN 5725. Op basis van de verzamelde basisinformatie, de aanleiding van het onderzoek en de mate van verdachtheid van de onderzoekslocatie is gekozen voor een standaard vooronderzoek. Het standaard vooronderzoek richt zich in principe op alle percelen waarop het bodemonderzoek betrekking heeft én de direct hieraan grenzende percelen. Indien een direct aangrenzend perceel smal (< 10 m breed) is, worden ook de percelen hier weer aangrenzend meegenomen. Indien de aangrenzende percelen groter zijn, wordt alleen het gedeelte van deze percelen binnen 25 meter vanaf de grens van de onderzoekslocatie in beschouwing genomen, tenzij er aanleiding is om toch het gehele aangrenzende perceel te onderzoeken. De afstand van 25 meter is een arbitraire keus. De redenering hierachter is dat bij kleinschalige gevallen van bodemverontreiniging de verspreiding rond de verontreinigingsbron meestal niet verder is dan 25 meter. Grote punt-/oppervlaktebronnen komen veelal naar voren tijdens gesprekken met deskundige gemeenteambtenaren en/of het raadplegen van een gemeentelijke bodemkwaliteitskaart.

Tijdens het vooronderzoek wordt informatie verzameld over onderzoekslocatie: • (Financieel)juridische aspecten • Voormalig en huidig gebruik • Eerder uitgevoerde bodemonderzoeken en bodemsaneringen • Bodemopbouw en geohydrologie • Toekomstig gebruik

de

volgende

aspecten

van

de

Per onderdeel kunnen meerdere informatiebronnen worden geraadpleegd, zoals: • Informatie/interview(s) eigenaar en/of opdrachtgever • Archieven gemeente, milieudienst en/of provincie • Online bronnen zoals Bodemloket.nl en Topotijdreis.nl • Bodemkwaliteitskaarten • Topografische kaarten • Geohydrologische kaarten Vermeld dient te worden dat de verantwoordelijkheid voor de resultaten van onderhavig onderzoek wordt beperkt tot de aan deze resultaten ten grondslag liggende en op het moment van onderzoek ter beschikking staande gegevens, alsmede de bij de terreininspectie(s) ter plaatse van de onderzoekslocatie geconstateerde situatie.

In bijlage 1 zijn de foto’s, gemaakt tijdens de terreininspectie, en de situatietekening(en) bijgevoegd. In bijlage 5 zijn de verzamelde gegevens van het vooronderzoek opgenomen.

Verkennend (asbest)bodemonderzoek Molendijk 14 te Puttershoek 18-2131-R01JV

pag. 2 van 11

In de navolgende tabel is de tijdens het vooronderzoek verzamelde relevante informatie weergegeven. Tabel 1 Overzicht verzamelde informatie vooronderzoek

Gegevens onderzoekslocatie Adres

Molendijk 14 te Puttershoek

Kadaster

Puttershoek E 155

XY-coördinaten

X: 99.153

Oppervlakte

10.070 m2

Y: 424.041

Terreinbeschrijving Huidig gebruik

Loon-, verhuur- en hoveniersbedrijf. Het terrein is in gebruik als werkplaats met (bedrijfs)woning, erf, opslagterrein en grasland.

Toekomstig gebruik

Gepland is de beëindiging van de bestaande bedrijfsactiviteiten en sloop van de opstallen, waarna er enkele (vrijstaande) woningen met tuinen gerealiseerd worden. Het meest noordelijke deel van het perceel zal ingericht worden als tuin met ecologische slootranden.

Omgeving

Zuidwest: Molendijk Zuidoost: agrarisch bedrijf Overige zijden: akkerland

Terreininspectie

In de werkplaats, met een opp. van ca. 375 m2 en voorzien van een betonvloer, bevinden zich een bovengrondse opslagtank voor diesel, een bovengrondse tank voor afgewerkte olie en een opslagruimte voor olie in vaten. Buiten de werkplaats is, op een betonvloer, een tankplaats (afleverzuil) aanwezig met daar vlakbij een oliewaterafscheider. Het terreindeel voor de woning en de werkplaats (zuidwestzijde) is (grotendeels) verhard met asfalt (opp. ca. 2000 m2). Onder het asfalt is een funderingslaag van puin aanwezig. Het terreindeel achter de woning en de werkplaats (noordoostzijde) is gedeeltelijk verhard met asfalt, beton en puin (opp. ca. 3.300 m2); dit terreindeel wordt gebruikt voor de opslag van onder andere betonnen rioleringsbuizen en de stalling van (landbouw)voertuigen. Het resterende deel van de locatie (opp. ca. 4.300 m2) is onverhard en begroeid met gras. Met uitzondering van de plaatselijk aanwezige puinverharding zijn tijdens de terreininspectie op de locatie geen asbesthoudende bouw- of verhardingsmaterialen aangetroffen.

Informatie eigenaar / opdrachtgever

Geen informatie

Geraadpleegde (externe) bronnen Bouwjaar opstal(len) (BAG-viewer)

De werkplaats en de aangrenzende (bedrijfs)woning dateren uit 1978.

Kaartmateriaal

De locatie heeft altijd een agrarische bestemming gehad (akkerland). Er zijn binnen de onderzoekslocatie geen kassen, boomgaarden of sloten aanwezig geweest.

Bodemkwaliteitskaart

De locatie valt in een zone met bodemfunctie Landbouw/natuur en voor de boven- en ondergrond de ontgravingskwaliteit Klasse Achtergrondwaarde.

Geohydrologie (DinoLoket en Grondwaterkaarten TNO)

Holocene deklaag, bestaande uit zandige, kleiige en/of venige afzettingen: tot ca. 12 m-mv Zandige eenheid, bestaande uit zandige afzettingen van de Formatie van Kreftenheye: dikte circa 8 meter Scheidende laag, bestaande uit de kleiige afzettingen van de Formatie van Waalre: dikte ca. 9 meter Stromingsrichting van het freatisch grondwater: beïnvloed door lokale factoren Stromingsrichting grondwater in eerste watervoerend pakket: zuidelijk

Verkennend (asbest)bodemonderzoek Molendijk 14 te Puttershoek 18-2131-R01JV

pag. 3 van 11

Vervolg tabel 1

Overzicht verzamelde informatie vooronderzoek

Geraadpleegde (externe) bronnen - vervolg Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid

Bij de Omgevingsdienst zijn op de locatie een drietal bodemonderzoeken geregistreerd: 1. Verkennend bodemonderzoek tanklocatie Molendijk 14 te Puttershoek, UDM Adviesbureau, kenmerk udm97129, d.d. 8 dec. 1997. Het onderzoek is uitgevoerd ter plaatse van twee ondergrondse dieseltanks, die door de eigenaar zelf verwijderd zijn. De tanks (inhoud 3 en 6 m3) lagen aan weerszijden van de huidige oliewaterafscheider (zuidwesthoek werkplaats). De grond bleek van 0,7 – 2,0 m-mv sterk verontreinigd met minerale olie en van 1,5 – 2,0 m-mv ook licht verontreinigd met vluchtige aromaten. Het grondwater bleek matig verontreinigd met minerale olie en licht verontreinigd met vluchtige aromaten. 2.

Nader bodemonderzoek tanklocatie Molendijk 14 te Puttershoek, IDM Adviesbureau, kenmerk udm98056-1, d.d. 11 mei 1998. Het onderzoek is uitgevoerd om de eerder (1997) aangetoonde verontreiniging verder in kaart te brengen. Uit het onderzoek blijkt dat de verontreiniging met minerale olie in de grond aangetoond is van 0,3 – 3,5 m-mv. De omvang van de verontreiniging (>toenmalige streefwaarde) is ingeschat op ca. 125 m3, waarvan ca. 60 m3 sterke verontreiniging (>interventiewaarde). De omvang van de grondwaterverontreiniging (>streefwaarde) is ingeschat op ca. 75 m3. Het grondwater was niet sterk verontreinigd.

3.

Uitkarterend bodemonderzoek Molendijk 14 te Puttershoek, DeBodemOnderzoeker BV, kenmerk jn/BOZ-7010, d.d. 25 febr. 2008. Het onderzoek is uitgevoerd om vast te stellen of er op de locatie nabij de voormalige tank(s) sprake is van een verontreiniging met minerale olie. Uit het onderzoek bleek dat de grond sterk verontreinigd was met minerale olie. Het grondwater was niet verontreinigd met minerale olie en vluchtige aromaten.

Voor de verontreiniging met minerale olie nabij de voormalige ondergrondse tanks cq. huidige oliewaterafscheider geldt dat de omvang middels de genoemde 3 onderzoeken onvoldoende in kaart is gebracht. In de Omgevingsrapportage (opgenomen bijlage 5) is bij onderzoek nr. 3 een opmerking geplaatst dat er een aanvullend nader onderzoek naar de ernst en omvang uitgevoerd moet worden. Bij de Omgevingsdienst zijn de volgende brandstoftanks geregistreerd: • Ondergrondse dieseltank: 10.000 liter, verwijderd in 1997 door de eigenaar. • Ondergrondse dieseltank: 3.000 liter, verwijderd in 1997 door de eigenaar. • Bovengrondse olietank: 1.200 liter, in lekbak (motorolie) • Bovengrondse olietank: 1.200 liter, in lekbak (hydrauliekolie) • Bovengrondse olietank: 1.200 liter, in lekbak (smeerolie) • Bovengrondse dieseltank: 3.000 liter, gesaneerd in 2015 • Bovengrondse dieseltank: 10.000 liter, gesaneerd in 2015 Bodemloket.nl

Geen aanvullende informatie.

Verkennend (asbest)bodemonderzoek Molendijk 14 te Puttershoek 18-2131-R01JV

pag. 4 van 11

3. VERKENNEND BODEMONDERZOEK NEN 5740

3.1

Hypothese en onderzoeksstrategie

Op basis van het vooronderzoek zijn de volgende deellocaties te onderscheiden: • Deellocatie 1, werkplaats met bovengrondse opslag(tanks) van diesel en oliën, opp. ca. 375 m2: als gevolg van bijv. lekkage of morsingen kunnen verontreinigingen vanaf het maaiveld in de bodem dringen. Deze deellocatie is daarom verdacht voor een diffuse en heterogeen verdeelde verontreiniging met voornamelijk zware metalen, PAK, minerale olie en vluchtige aromaten (BTEXN, alleen in grondwater). De bovengrond of de bodemlaag direct onder de aanwezige verharding geldt vooralsnog als meest verdachte laag. Deze deellocatie wordt onderzocht conform de onderzoeksstrategie voor een ‘verdachte niet-lijnvormige locatie, heterogeen verdeelde verontreiniging’ (VED-HE-NL, NEN 5740). •

Deellocatie 2, tanklocatie met oliewaterafscheider, opp. <100 m2: als gevolg van bijv. lekkage of morsingen kunnen verontreinigingen in de bodem dringen. Deze deellocatie is daarom verdacht voor een plaatselijke verontreiniging met minerale olie (grond en grondwater) en vluchtige aromaten (grondwater). De bovengrond (tankplaats) en ondergrond rondom het grondwater (bij de oliewaterafscheider) gelden vooralsnog als meest verdachte lagen. Deze deellocatie wordt onderzocht conform de onderzoeksstrategie voor een ‘verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting’ (VEP, NEN 5740).

•

Deellocatie 3, overig terrein, opp. ca. 9.650 m2: het overige terrein is verdacht voor een diffuse en heterogeen verdeelde verontreiniging met onder andere zware metalen, PAK, minerale olie en ter plaatse van de puinverharding ook met asbest. Het overige terrein wordt daarom onderzoek conform de onderzoeksstrategie voor een voor een ‘verdachte niet-lijnvormige locatie, heterogeen verdeelde verontreiniging’ (VED-HE-NL, NEN 5740).

In navolgende tabel is aangegeven welke werkzaamheden en analyses er volgens de norm minimaal verricht moeten worden. Tabel 2 Veldwerkzaamheden en analyses Locatie

Strategie

Veldwerk

Analyses

boringen

peilbuizen

bg/vd

og/vd

gw

Deellocatie 1: bedrijfswerkplaats, opp. 375 m2

VED-HE-NL

3x 0,5 m-vd 1x 2,0 m-mv

1x

2x NENG

1x NENG

1x NENW

Deellocatie 2: tanklocatie met owa, opp. <100 m2

VEP

2x 2,5 m-mv

1x

1x MO

1x MO

1x OVAK

Deellocatie 3: overig terrein, opp. ca. 9.650 m2

VED-HE-NL

18x 0,5 in vd 4x 2,0 m-mv

2x *

4x NENG

2x NENG

2x NENW *

og: ondergrond

gw: grondwater

Verklaring tabel: m-mv: meter-maaiveld NENG MO NENW OVAK *

vd: verdachte laag

bg: bovengrond

: droge stofgehalte, organisch stof en lutumgehalte, 9 zware metalen, PAK, PCB, minerale olie, AS3000 : droge stofgehalte, organisch stofgehalte, minerale olie, AS3000 : 9 zware metalen, vluchtige aromatische en gehalogeneerde koolwaterstoffen, minerale olie, AS3000 : minerale olie, vluchtige aromatische koolwaterstoffen, AS3000 : 1 peilbuis wordt vooralsnog gecombineerd met deellocatie 1 of 2

Verkennend (asbest)bodemonderzoek Molendijk 14 te Puttershoek 18-2131-R01JV

pag. 5 van 11

3.2

Uitvoering veldwerk

De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform BRL SIKB 2000 en de daarbij horende protocollen 2001 en 2002. De veldwerkzaamheden conform protocol 2001 zijn deels uitbesteed aan Bodem Expert te Huissen. De uitvoerend veldmedewerker van Bodem Expert, dhr. M. Diek, is in dit kader geregistreerd bij Rijkswaterstaat Leefomgeving onder certificaatnr. K97733/01. Op 9 en 30 mei 2018 zijn in totaal 32 boringen (boringen 101 t/m 132) geplaatst, in diepte variërend van 0,5 – 3,0 m-mv. De boringen 101, 102 en 103 zijn afgewerkt met een peilbuis ten behoeve van het grondwateronderzoek. De situering van de boringen en de peilbuizen en enkele overzichtsfoto’s zijn weergegeven in bijlage 1.2 en 1.3. Het omhoog gebrachte bodemmateriaal is ter plaatse zintuiglijk beoordeeld, de vrijgekomen grond is geclassificeerd en bodemvreemde elementen en waarneembare afwijkingen (zoals kleur, geur, bijmengingen, verontreinigingen) zijn beschreven in boorprofielen, welke in bijlage 2 zijn bijgevoegd. Bij iedere boring zijn monsters genomen van de te onderscheiden bodemlagen. Op het terreindeel met een asfalt- en betonverharding komt onder die verharding eerst een stabilisatielaag voor tot 0,5 à 1,0 m-mv; de stabilisatielaag bestaat over het algemeen uit een mengsel van gebroken puin, beton en/of bakstenen.

De halfverharding, vooral op het achterterrein aanwezig, bestaat eveneens uit een mengsel van gebroken puin, beton en/of bakstenen. De (oorspronkelijke) bodem bestaat tot 1,0 à 1,5 m-mv uit klei, gevolgd door zand tot de maximale boordiepte. Ter plaatse van de boringen 103, 104 en 105 ontbreekt de kleiige toplaag. Bij deze drie boringen is visueel een verontreiniging met olie waargenomen in de bodem, vanaf onderkant verharding tot maximaal 3,0 m-mv. Ook ter plaatse van de boringen 110 en 111 (voorterrein met asfalt) is in de bodemlaag onder de asfalt- en puinlaag een zwakke oliewaterreactie waargenomen. Ter plaatse van de boringen 110, 111, 116 en 132 zijn in de kleiige ondergrond van 0,4 – 1,0 m-mv sporen baksteen aangetroffen. In het opgeboorde bodemmateriaal is visueel geen asbestverdacht (plaat)materiaal waargenomen (zie verder hoofdstuk 4). Het grondwater bevond zich tijdens het veldwerk op een diepte van 1,5 m-mv. Het grondwater uit de geplaatste peilbuizen 101, 102 en 103 is op 6 juni 2018 door dhr. P. van Achterberg zorgvuldig afgepompt en bemonsterd. De resultaten van de veldmetingen en eventuele bijzonderheden zijn weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 3 Resultaten veldmetingen en waarnemingen tijdens monstername grondwater Filterstelling (m-mv)

Grondwaterstand (m-mv)

pH

101

2,00 - 3,00

1,50

102

2,00 - 3,00

1,70

103

2,00 - 3,00

1,45

Peilbuis

Verklaring tabel:

pH: zuurgraad

EGV (µS/cm)

Troebelheid (NTU)

6,9

913

9,9

-

7,1

1012

14

-

7,3

1202

9,8

-

Bijzonderheden

EGV: elektrisch geleidend vermogen

Op basis van de troebelheidsmeting moet het grondwater uit peilbuis 102 als troebel worden beschouwd. Het grondwater uit de andere twee peilbuizen kan als helder worden beschouwd. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn geen kritieke afwijkingen van de proceseisen opgetreden.

Verkennend (asbest)bodemonderzoek Molendijk 14 te Puttershoek 18-2131-R01JV

pag. 6 van 11

3.3

Uitvoering chemisch-analytisch onderzoek

In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de geanalyseerde grond- en grondwatermonsters en de uitgevoerde analyses. Tabel 4 Overzicht grond- en grondwatermonsters Grond

Boring met traject (m-mv)

Analyse

Toelichting

103-1

103 (0,07 - 0,50)

Minerale olie

Bovengrond tanklocatie, visueel verontreinigd

104-4

104 (1,50 - 2,00)

Minerale olie

Ondergrond oliewaterafscheider, visueel verontreinigd

MM1

102 (0,60 - 1,10) 106 (0,60 - 1,00) 107 (0,60 - 1,10) 108 (0,60 - 1,00)

NENG

Bodemlaag onder betonvloer met puinfundering werkplaats

MM2

102 (1,20 - 1,70) 107 (1,50 - 2,00)

NENG

Ondergrond rondom grondwaterniveau werkplaats

MM3

110 (0,40 - 0,90) 111 (0,50 - 1,00)

NENG

Kleiige toplaag met asfalt verhard voorterrein, visueel verontreinigd met olie

MM4

117 (0,50 - 1,00) 118 (0,50 - 1,00)

NENG

Kleiige toplaag onder puinverharding

MM5

113 (1,00 - 1,50) 115 (0,20 - 0,70)

NENG

Zandige bodemlaag onder puinverharding

MM6

101 (0,50 - 1,00) 114 (0,60 - 1,00)

NENG

Kleiige bodem onder puinverharding, bijmenging met grind

MM7

116 (0,50 - 1,00) 132 (0,50 - 1,00)

NENG

Kleiige bodem onder puinverharding, bevat sporen baksteen

MM8

112 (0,60 - 0,90) 120 (0,08 - 0,50) 121 (0,00 - 0,50) 124 (0,00 - 0,50) 126 (0,00 - 0,50) 128 (0,00 - 0,50) 132 (0,50 - 1,00)

NENG

Kleiige grond overig terrein, wortelhoudend

MM9

101 (1,70 - 2,00) 111 (1,80 - 2,00) 123 (1,00 - 1,50) 129 (1,00 - 1,50)

NENG

Zandige ondergrond, houthoudend

Grondwater

Filterstelling (m-mv)

Analyse

Toelichting

101-1-1

2,00 - 3,00

NENW

Algemene kwaliteit buitenterrein

102-1-1

2,00 - 3,00

NENW

Algemene kwaliteit, i.c.m. werkplaats

103-1-1

2,00 - 3,00

NENW

Tanklocatie met oliewaterafscheider

Verklaring tabel: NENG : standaard pakket grond (9 zware metalen, PAK, PCB en minerale olie), organische stof en lutum NENW : standaard pakket grondwater (9 zware metalen, vluchtige aromatische en gehalogeneerde koolwaterstoffen en minerale olie)

Verkennend (asbest)bodemonderzoek Molendijk 14 te Puttershoek 18-2131-R01JV

pag. 7 van 11

De analyseresultaten zijn getoetst aan het vigerende bodembeleid. In navolgende tabel is de toetsing van de analyseresultaten weergegeven. Daarbij zijn alleen de parameters vermeld die verhoogd zijn ten opzichte van de achtergrond- c.q. streefwaarde(n). De volledige analysecertificaten zijn bijgevoegd in bijlage 3. In bijlage 4 is het wettelijk toetsingskader beschreven en is de uitgebreide toetsing van de analyseresultaten bijgevoegd. Tabel 5 Overschrijdingstabel grond- en grondwatermonsters Grond

Traject (m-mv)

> AW

>T

>I

103-1

0,07 - 0,50

-

-

Minerale olie (1,47)

104-4

1,50 - 2,00

-

-

Minerale olie (2,25)

MM1

0,60 - 1,10

-

-

-

MM2

1,20 - 2,00

-

-

-

MM3

0,40 - 1,00

Minerale olie (0,01) PAK (0,01)

-

-

MM4

0,50 - 1,00

-

-

-

MM5

0,20 - 1,50

-

-

-

0,50 - 1,00

Minerale olie (0,03) Lood (0,06) PAK (0,08)

-

-

MM7

0,50 - 1,00

Minerale olie (0,02) Cadmium (0,03) Kwik (-) Lood (-) PAK (0,12)

-

-

MM8

0,00 - 1,00

Kwik (-) Lood (0,03)

-

-

MM9

1,00 - 2,00

-

-

-

Grondwater

Filterstelling (m-mv)

>S

>T

>I

101-1-1

2,00 - 3,00

Barium (0,12)

-

-

102-1-1

2,00 - 3,00

Barium (0,16)

-

-

103-1-1

2,00 - 3,00

Minerale olie (0,27)

-

-

MM6

Verklaring tabel: > AW : overschrijding achtergrondwaarde(n) > S : overschrijding streefwaarde(n) > T : overschrijding voormalige tussenwaarde(n) > I : overschrijding interventiewaarde(n) : geen overschrijding (getal) : verontreinigingsfactor t.o.v. de interventiewaarde (interventiewaarde is factor 1) (-) : verontreinigingsfactor is kleiner dan 0,01

Verkennend (asbest)bodemonderzoek Molendijk 14 te Puttershoek 18-2131-R01JV

pag. 8 van 11

4. VERKENNEND ASBESTONDERZOEK NEN 5897

4.1

Onderzoeksstrategie

Voor het verkennend asbestonderzoek wordt er vanuit gegaan dat de puinverharding op het terrein achter de woning en werkplaats geen bodem betreft (>50% bodemvreemd materiaal) en dat daarom de NEN 5897 van toepassing is. We gaan uit van een halfverharding met een oppervlakte van ca. 3.300 m2 en een dikte van tenminste 50 cm. De werkzaamheden voor het verkennend asbestonderzoek conform de NEN 5897 betreffen: • Graven van 14 inspectiegaten tot onderzijde verhardingslaag (ca. 0,5 m-mv) • Zeven/uitharken van het opgegraven verhardingsmateriaal en visuele inspectie van het verhardingsmateriaal op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal (grove fractie >20 mm) • Samenstellen van 3 mengmonsters van het verhardingsmateriaal • Analyse van 3 mengmonsters op asbest (fijne fractie <20 mm) De veldwerkzaamheden worden gecombineerd uitgevoerd met het verkennend bodemonderzoek. Indien in het opgegraven verhardingsmaterieel asbestverdacht materiaal (AVM) wordt waargenomen, dan zal hiervan eveneens een analyse op asbest worden uitgevoerd. 4.2

Resultaten veldwerk en analyses

De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform BRL SIKB 2000 en de daarbij horende protocollen 2001 en 2018. De veldwerkzaamheden zijn uitbesteed aan Bodem Expert te Huissen. De uitvoerend veldmedewerker van Bodem Expert, dhr. M. Diek, is in dit kader geregistreerd bij Rijkswaterstaat Leefomgeving onder certificaatnr. K97733/01. Voor het verkennend asbestonderzoek zijn op 30 mei 2018 in totaal 14 inspectiegaten gegraven, genummerd G01 t/m G14. De inspectiegaten hebben een oppervlakte van 0,3 m x 0,3 m en een diepte van 0,5 m-mv. Vanwege de combinatie met het verkennend bodemonderzoek zijn diverse inspectiegaten met een Edelmanboor doorgeboord tot ruim onder de verhardingslaag. De situering van de inspectiegaten is weergegeven op de tekening in bijlage 1.2. Van de gegraven inspectiegaten zijn profielbeschrijvingen gemaakt, welke in bijlage 2 zijn bijgevoegd. In het opgegraven puin en de opgeboorde grond is visueel geen asbestverdacht plaatmateriaal (AVM) aangetroffen; onder asbestverdacht (plaat)materiaal wordt materiaal verstaan dat op basis van voorkennis en/of een visuele beoordeling een hoeveelheid asbest zou kunnen bevatten. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen zijn van de aanwezige puinlagen onder de asfalt- en betonverhardingen en de aanwezige puinverhardingen in totaal 6 mengmonsters samengesteld ter analyse op asbest (monsters AMM01 t/m AMM06).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14429103/1