CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 2.2.5. Archeologisch onderzoek Hoeksche Waard

Oordeelsvormende vergadering 13 mei 2025, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het realiseren van 21 tijdelijke woningen8.571 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen Tijdelijke woningen Randweg Oud-Beijerland, Gemeente Hoeksche Waard

J. Ras J. E. van den Bosch

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen Tijdelijke woningen Randweg Oud-Beijerland, Gemeente Hoeksche Waard J. Ras J. E. van den Bosch

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen Tijdelijke woningen Randweg Oud-Beijerland, Gemeente Hoeksche Waard J. Ras J. E. van den Bosch SOB Research Instituut voor Archeologisch en Aardkundig Onderzoek ©SOB Research Heinenoord, januari 2025 ISBN/EAN: 978-94-6497-080-7 SOB Research Project nr.: 4011-2411

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen Tijdelijke woningen Randweg Oud-Beijerland, Gemeente Hoeksche Waard

Inhoud 1.

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Planontwikkeling Archeologisch onderzoek Opdrachtverlening en fasering Doel van het onderzoek Onderzoeksteam

3 3 4 4 5

2.

Onderzoekssysteem: gehanteerde methoden en technieken

7

2.1 2.2 2.3 2.4

Archeologisch Bureauonderzoek Archeologisch Verwachtingsmodel Veldonderzoek Uitwerking en rapportage

7 7 7 8

3.

Archeologisch Bureauonderzoek

9

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6

Geologische gegevens Archeologische gegevens Historische gegevens Luchtfoto’s Actueel Hoogtebestand Nederland Archeologisch Verwachtingsmodel

9 13 14 18 19 20

4.

Resultaten veldonderzoek

21

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5

Inleiding Booronderzoek Bodemopbouw Archeologische indicatoren Resultaten oppervlaktekartering

21 21 21 25 25

5.

Samenvatting, conclusies en aanbevelingen

27

5.1 5.2

Samenvatting en conclusies Aanbevelingen

27 29

1

Literatuur

31

Verklarende woordenlijst

33

Bijlage 1

Administratieve gegevens

35

Bijlage 2

Archeologische en geologische tijdschaal

37

Bijlage 3

Overzicht voor het Holocene gebied van de gebruikelijke, klassieke lithostratigrafische indeling en de vertaling naar de lithostratigrafie van De Mulder et al., 2003

39

Overzicht Boorgegevens

41

Bijlage 4

2

1. Inleiding 1.1 Planontwikkeling Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanwijziging en vergunningprocedure (omgevingsvergunning) voor de bouw van tijdelijke woningen ter plaatse van de Randweg te Oud-Beijerland (Gemeente Hoeksche Waard). De oppervlakte van het onderzoeksgebied van het Archeologisch Bureauonderzoek en het Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen bedroeg circa 4.5 hectare (zie Afbeelding 2 en 3). Dit betrof het zoekgebied voor de woningbouwlocatie. Na de afronding van het archeologisch onderzoek is de uiteindelijke locatie van het plangebied bepaald (zie Afbeelding 21 en 28). De oppervlakte van het uiteindelijke plangebied bedraagt circa 0.5 hectare. Er zijn nog geen concrete bouwplannen beschikbaar.

Afbeelding 1. De ligging van het plangebied (gemarkeerd met een rode stip) in Nederland.

1.2 Archeologisch onderzoek Op de kaart van het vigerende bestemmingsplan ‘Parapluplan Archeologie en Parkeren’ 1 wordt ter plaatse van het grootste deel van het onderzoeksgebied een zone met een archeologische dubbelbestemming weergegeven (Waarde Archeologie - 4). 2 Voor een dergelijke zone geldt op basis van artikel 6 van de bestemmingsplanregels een onderzoeksverplichting wanneer daar in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning bodemverstoringen worden voorzien met een oppervlakte van meer dan 500 m² en een diepte van meer dan 0.5 meter beneden het maaiveld. Op de bestemmingsplankaart wordt ter plaatse van het zuidwestelijke deel van het onderzoeksgebied een zone weergegeven met de archeologische dubbelbestemming Waarde Archeologie - 5. Voor een dergelijke zone geldt op basis van artikel 7 van de bestemmingsplanregels een onderzoeksverplichting wanneer daar in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning bodemverstoringen worden voorzien met een oppervlakte van meer dan 10 hectare en een diepte van meer dan 0.5 meter beneden het maaiveld. In het kader van de bestemmingsplanwijziging/ vergunningprocedure moest dan ook eerst een Archeologisch Bureauonderzoek en een verkennend archeologisch booronderzoek (IVOOverig) moest worden uitgevoerd, als eerste stap in de Archeologische Monumentenzorgcyclus.

Dit bestemmingsplan is door de Gemeente Oud-Beijerland vastgesteld op 9 mei 2017. De Gemeente OudBeijerland is per 1 januari 2019 samengevoegd met andere gemeenten in de nieuwe Gemeente Hoeksche Waard. 2 Deze dubbelbestemming en de daarbij behorende bestemmingsplanregels zijn gebaseerd op de Archeologische Verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de Hoeksche Waard, Kaartbijlage 2, Deelgebied II, Oud-BeijerlandBinnenmaas-Cromstrijen, waarop ter plaatse van dit deel van het plangebied en de omgeving daarvan een zone wordt weergegeven met een middelhoge verwachting voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische waarden (Huizer, Benjamins en Van der A, 2009). 1

3

1.3 Opdrachtverlening en fasering Op basis van de door SOB Research opgestelde offerte (d.d. 23 september 2024) heeft RHO Adviseurs op 14 november 2024 aan SOB Research opdracht verleend om het archeologisch onderzoek uit te voeren. In eerste instantie is het Archeologisch Bureauonderzoek uitgevoerd en is het daarop gebaseerde, gespecificeerde Archeologisch Verwachtingsmodel opgesteld. Vervolgens is - ter toetsing en ter aanvulling van het Archeologisch Verwachtingsmodel - op 30 november en 2 december 2024 het veldonderzoek (IVO-Overig) uitgevoerd. Daarbij zijn 30 boringen gezet tot een diepte van 4.0 meter beneden het maaiveld. De verkregen gegevens, de daaraan verbonden conclusies en het daarop gebaseerde advies, zijn uitgewerkt in een conceptrapport dat op 12 december 2024 is aangeleverd aan de opdrachtgever, die het conceptrapport vervolgens ter beoordeling heeft voorgelegd aan de Gemeente Hoeksche Waard. Na de ontvangst van de goedkeuring van het conceptrapport door de gemeentelijk archeoloog, op 27 januari 2025, is de gevraagde aanpassing in het rapport verwerkt en is het rapport definitief gemaakt.

1.4 Doel van het onderzoek Het doel van het Archeologisch Bureauonderzoek was om op basis van de bestaande archeologische, historische en geologische informatie de gespecificeerde archeologische verwachting voor deze locatie nader vast te stellen. Daarnaast zijn gegevens verzameld over de (sub-)recente bouwgeschiedenis ter plaatse van het onderzoeksgebied en is een inventarisatie gemaakt van de als gevolg van de planrealisatie te verwachten bodemverstoringen. Het doel van het verkennend booronderzoek (IVOOverig) was om deze gespecificeerde archeologische verwachting nader te toetsen. Het onderzoek was gericht op het in kaart brengen van de bodemopbouw, de kans op de aanwezigheid van archeologische resten en de diepteligging daarvan en de kans dat mogelijk aanwezige archeologische resten als gevolg van de met de planrealisatie samenhangende bodemverstoringen verloren zouden kunnen gaan.

Afbeelding 2. De ligging van het onderzoeksgebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron Topografische Kaart: Kadaster Geo-Informatie, 2024. Schaal 1: 25.000.

4

1.5 Onderzoeksteam Het onderzoek is uitgevoerd door: J. Ras E. G. Noels J. E. van den Bosch

bureauonderzoek en rapportage veldonderzoek, uitwerking gegevens veldonderzoek rapportage, eindredactie en interne autorisatie

Afbeelding 3. De ligging van het onderzoeksgebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de GBKN. De bestaande bebouwing is grijs gemarkeerd. Bron GBKN: Kadaster Geo-Informatie, 2024. Schaal 1: 5.000.

5

6

2. Onderzoekssysteem: gehanteerde methoden en technieken 2.1 Archeologisch Bureauonderzoek Het doel van het Archeologisch Bureauonderzoek was het verwerven van informatie, op basis van bestaande bronnen, over bekende of te verwachten archeologische waarden, ter plaatse van het onderzoeksgebied, om op basis daarvan een gespecificeerde, archeologische verwachting vast te stellen. In het kader van de uitvoering van het Archeologisch Bureauonderzoek zijn diverse archieven geraadpleegd, waaronder de archieven van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (Archis3) en Dans Easy (KNAW), de TNO-GDN (DINO-loket), het Kadaster Geo-Informatie en de Stichting Archeologie Hoeksche Waard (SAH). Daarnaast is er over het onderzoeksgebied en de directe omgeving daarvan nadere archeologische en historische informatie vergaard uit meerdere bronnen. Het Archeologisch Bureauonderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de BRL SIKB 4000 Archeologie (versie 4.2) en de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.2, Protocol 4002 Bureauonderzoek.

2.2 Archeologisch Verwachtingsmodel Op basis van de bij het Archeologisch Bureauonderzoek verworven informatie is het Archeologisch Verwachtingsmodel opgesteld. Dit betreft de gespecificeerde archeologische verwachting ten aanzien van de mogelijk aanwezige archeologische vondstcomplexen (mogelijke aard, gaafheid en ouderdom), in relatie tot de geologische ondergrond (mogelijke diepteligging en context).

2.3 Veldonderzoek 2.3.1 Booronderzoek Op basis van het hiertoe opgestelde Plan van Aanpak is ter plaatse van het onderzoeksgebied het booronderzoek (IVO-Overig, verkennend) uitgevoerd. Dit ter toetsing en aanvulling van het op basis van het bureauonderzoek opgestelde Archeologische Verwachtingsmodel. Het Inventariserend Veldonderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de BRL SIKB 4000 Archeologie (versie 4.2, 2024) en de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.2, Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek. Er zijn 30 boringen uitgevoerd. De boringen zijn tot een maximale diepte van 0.5 meter beneden het maaiveld uitgevoerd met een edelmanboor met een diameter van 7 centimeter en zijn vervolgens dieper doorgezet met een gutsboor met een diameter van 3 centimeter, tot een diepte van 4.0 meter beneden het maaiveld. Bij deze boringen zijn de verschillende geologische afzettingen ingemeten ten opzichte van het maaiveld. De NAP-hoogte is vastgesteld op basis van het AHN. Het AHN heeft een onnauwkeurigheid van 6 tot 10 centimeter. De locatie van de boringen is bepaald met gebruikmaking van een meetlint. De geologische beschrijvingen zijn in overeenstemming met de NEN 5104. Door middel van boringen kan de aard en de mate van intactheid van de bodemopbouw worden bepaald en kan inzicht worden verkregen in de geologische opbouw van een gebied.

Dit is vooral van belang omdat de bewoningsmogelijkheden in Nederland tot de Romeinse Tijd volledig afhankelijk waren van de landschappelijke situatie. Ook voor wat betreft de Romeinse Tijd en de Middeleeuwen was er, ondanks de toegenomen mogelijkheden om door middel van bedijking, afdamming of kanalisering het landschap vorm te geven, nog steeds sprake van een sterke relatie tussen het natuurlijke landschap en de mogelijkheden tot bewoning.

7

Booronderzoek is geen valide methode voor het opsporen van archeologische vindplaatsen. Wel kan met een booronderzoek de stratigrafie en de aard van mogelijk archeologisch interessante grondlagen globaal worden bepaald. Soms kunnen ook direct al archeologische indicatoren worden getraceerd. Indicatoren voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen zijn onder meer de aanwezigheid van houtskool, verbrand bot, aardewerkfragmenten, potgruis, vuursteen, puin of verstoorde grondlagen. 2.3.2 Oppervlaktekartering Bij een oppervlaktekartering wordt een terrein onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten op het maaiveld. In gebieden waar archeologisch belangrijke lagen op geringe diepte beneden het maaiveld liggen kan het uitvoeren van een oppervlaktekartering zinvol zijn. Vooral recent geploegde akkers bieden goede mogelijkheden voor de toepassing van deze onderzoeksmethodiek. Ter plaatse van het onderzoeksgebied was ten tijde van het veldonderzoek een akker aanwezig. De uitvoering van een oppervlaktekartering was daarom mogelijk. Deze is uitgevoerd tussen de boorpunten.

2.4 Uitwerking en rapportage Na het onderzoek zijn de onderzoeksgegevens uitgewerkt en geanalyseerd. Tevens is een advies opgesteld, op basis waarvan een beslissing kan worden genomen ten aanzien van de noodzaak tot een vervolgonderzoek of een planaanpassing. Ter afronding van het Archeologisch Bureauonderzoek en het Inventariserend Veldonderzoek is het nu voorliggende eindrapport opgesteld. SOB Research hanteert voor dit gebied de klassieke nomenclatuur, zoals deze ook door de Rijks Geologische Dienst is gehanteerd bij het opstellen van de Geologische Kaart van Nederland. De door de Mulder et al. (2003) voorgestelde nieuwe lithostratigrafie biedt geen meerwaarde voor wat betreft de koppeling tussen archeologie en geologie. Integendeel, met name in het Holocene gebied gaat hierdoor de mogelijkheid voor een dergelijke koppeling volledig verloren. Daarnaast is er daarbij ook geen goede koppeling mogelijk tussen het reeds sinds 1950 uitgevoerde archeologisch en geologisch onderzoek en de voorgestelde nieuwe lithostratigrafische terminologie. Tevens ontbreken ook geologische kaarten, waarbij deze terminologie is gehanteerd, zodat een betrouwbare presentatie niet mogelijk is. Het is vanuit haar eigen kwaliteitsborging dat SOB Research, zeker voor wat betreft het Holocene deel van Nederland, de gangbare lithostratigrafie toepast en vooralsnog zal blijven toepassen.

Voor een overzicht van de klassieke geologische nomenclatuur en de voorgestelde nieuwe terminologie wordt verwezen naar Bijlage 3. De documentatie is in beheer bij SOB Research. Na de definitieve oplevering van het eindrapport zullen het rapport en de digitale informatie worden aangeleverd aan het landelijke E-depot (Danseasy) en zal het rapport tevens worden gedeponeerd in de database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (Archis3). Alle kaarten in het rapport zijn zuid (onder) - noord (boven) georiënteerd, of wanneer dat niet het geval is, voorzien van een noordpijl.

8

3. Archeologisch Bureauonderzoek 3.1 Geologische gegevens 3.1.1 Inleiding Voor het verkrijgen van inzicht in de geologische opbouw ter plaatse van het onderzoeksgebied en de directe omgeving daarvan, is gebruik gemaakt van de Geologische Kaart van Nederland, 1: 50.000, Blad Rotterdam Oost (37 O). 3 Deze door de Rijks Geologische Dienst in 1998 gepubliceerde kaart en de bijbehorende toelichting bieden een gedegen beeld voor wat betreft de geologische opbouw in dit deel van Nederland. Daarnaast is gebruik gemaakt van de Bodemkaart van Nederland (Archis3/ Alterra) en van de Geomorfologische kaart van Nederland (Archis3/ Alterra) en is het archief van TNO-GDN (DINOloket) geraadpleegd. Een nadeel bij het gebruik van de kaarten is de relatieve grofschaligheid van de informatie. De informatie is niet bedoeld en ook niet bruikbaar voor een beoordeling op perceelniveau. Wel bieden de kaarten kaders voor een globale inschatting van de geologische en paleogeografische situatie. 3.1.2 Regionale geologische context Het onderzoeksgebied is gelegen in een gebied, waar de landschapsontwikkeling tijdens de laatste 10.000 jaar vooral is bepaald door de invloed van de rivieren en van de zee.

Perioden met verhoogde rivieractiviteit (transgressiefasen), waarbij de rivieren zand en klei afzetten tot ver buiten de hoofd- en zijgeulen (Afzettingen van Calais en Duinkerke), werden afgewisseld door perioden waarin de rivierafzettingen alleen binnen de oeverzones werden afgezet (regressiefasen). Tijdens de laatstgenoemde fasen was ook sprake van veenontwikkeling in de komgebieden (het Hollandveen). Ter plaatse van het onderzoeksgebied is sprake van een gebied waar de bodemopbouw tot circa 1300 A.D. bestond uit Hollandveen, op Afzettingen van Calais IV. Het onderzoeksgebied ligt ten westen van de voormalige geul van het Binnenmaassysteem. Deze geul was vanaf het einde van de laatste IJstijd (circa 12000 jaar geleden) de belangrijkste Rijn-/ Maasarm in deze regio en is dat ook tot in de Late Middeleeuwen gebleven. De huidige Binnenbedijkte Maas kan worden beschouwd als een bewaard gebleven restgeul van het oude Rijn-/ Maassysteem, die hier vanaf het einde van de laatste IJstijd actief is geweest. Vanaf circa 1000 A.D was sprake van steeds hogere waterstanden en werden delen van het gebied met toenemende regelmaat getroffen door overstromingen. Vanaf de 12de eeuw werd dan ook begonnen met de bedijking van het gebied. Desondanks vonden er gedurende de Late Middeleeuwen vele overstromingen plaats, met name tijdens de stormvloeden die tot dijkdoorbraken leidden.

In de tweede helft van de Late Middeleeuwen werden in het gebied Afzettingen van Duinkerke IIIb afgezet. Het Hollandveen werd daardoor afgedekt. Het betreft klei- en zandafzettingen die op basis van archeologische en historische gegevens kunnen worden gedateerd in de periode tussen circa 1300 en 1450 A.D. De Afzettingen van Duinkerke IIIb zijn ontstaan toen het gebied onder invloed van zee stond (na één of meerdere overstromingen) en deel uitmaakte van een kweldergebied. De zandafzettingen zijn niet overal direct erosief geweest: terpjes en dijkjes uit de Late Middeleeuwen en het Hollandveen zijn onder deze zandafzettingen nog redelijk intact aangetroffen. 4

3 4

Kok en De Groot, 1998 Ras, 2003 9

Pas na de aanleg van zwaardere dijken en de zeedijken in de 16de en 17de eeuw werden bij de overstromingen, die nog steeds met regelmaat plaatsvonden, geen afzettingen van betekenis meer afgezet. Het onderzoeksgebied ligt ter plaatse van de in 1581 A.D. aangelegde Polder NieuwBeijerland. De watersnoodramp in 1953 kan worden beschouwd als de vooralsnog laatste grote overstroming die deel uitmaakte van deze reeks van overstromingen. 3.1.3 Geologische opbouw ter plaatse van het onderzoeksgebied Op de Geologische Kaart van Nederland, 1: 50.000, Blad Rotterdam Oost (37 O) wordt ter plaatse van het onderzoeksgebied een zone weergegeven met de code AO.3. Daar kan een bodemopbouw worden verwacht met Afzettingen van Duinkerke IIIb, op Hollandveen, op Afzettingen van Calais (zie Afbeelding 4).

Afbeelding 4. De ligging van het onderzoeksgebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Geologische Kaart van Nederland 1: 50.000, Blad Rotterdam Oost (37 O).

In het DINO-loket (TNO-GDN) zijn de boorgegevens gearchiveerd van boringen die in het verleden zijn uitgevoerd. In het kader van het onderzoek zijn de gegevens geanalyseerd van vier in het DINOloket gearchiveerde boring die in het verleden ter plaatse van het onderzoeksgebied en in de omgeving daarvan zijn uitgevoerd. Dit betreft Boring nr. B37G0951, B37G0952, B37G0946 en B37G1140 (zie Afbeelding 5, respectievelijk genummerd 1 t/m 4). De ter plaatse van deze boringen aangetroffen bodemopbouw komt op hoofdlijnen overeen met de bodemopbouw die op basis van de Geologische Kaart van Nederland 1: 50.000 kon worden verwacht. Op basis van de analyse en de interpretatie van de boorgegevens kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van Boring nr. 1 en 3 sprake is van een bodemopbouw met (klei- en zand-) Afzettingen van Duinkerke IIIb, op Hollandveen (top op een diepte van 1.2 - 2.0 meter beneden het maaiveld/ 1.8 - 2.4 meter –NAP), op (klei- en zand-) Afzettingen van Gorkum/ Calais IV (top op een diepte van 2.3 - 3.0 meter beneden het maaiveld/ 2.8 - 3.5 meter –NAP). Ter plaatse van Boring nr. 2 en 4 is sprake van de aanwezigheid van een geul die is ingesneden tot in het Hollandveen. Daar werd de top van het niet meer intacte Hollandveen aangetroffen op een diepte van 3.4 - 3.7 meter beneden het maaiveld (3.4 - 3.6 meter –NAP).

10

Afbeelding 5. De locatie van de in het DINO-loket gearchiveerde boringen (blauw gemarkeerd en genummerd), in de omgeving van het onderzoeksgebied (rood omkaderd). Schaal 1: 10.000.

Op de Bodemkaart van Nederland (Archis3/ Alterra) wordt ter plaatse van het grootste deel van het onderzoeksgebied een zone weergegeven met de code Mn82A/ Mn35A (zie Afbeelding 6). Dat betreft een zone met ‘kalkrijke Poldervaaggronden; klei’. Ter plaatse van het noordwestelijke deel en het noordoostelijke deel van het onderzoeksgebied wordt een zone weergegeven met de code Mn22A/ Mn25A (‘kalkrijke poldervaaggronden; zware zavel’). Ter plaatse van het zuidoostelijke deel van het onderzoeksgebied wordt een zone weergegeven met de code Mn35A (‘kalkrijke poldervaaggronden; lichte klei’).

Afbeelding 6. De ligging van het onderzoeksgebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Bodemkaart van Nederland. Bron: Archis3/ Alterra, 2024.

11

Afbeelding 7. De ligging van het onderzoeksgebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Bron: Archis3/ Alterra, 2024.

Op de Geomorfologische Kaart van Nederland (Archis3/ Alterra) wordt ter plaatse van het grootste deel van het onderzoeksgebied een zone weergegeven met de code 2M72 (zie Afbeelding 7). Dat betreft een ‘vlakte van getij-afzettingen’. Ter plaatse van het oostelijke deel van het onderzoeksgebied wordt een niet gekarteerde, bebouwde zone weergegeven. Ter plaatse van het zuidelijke deel van het onderzoeksgebied wordt een zone weergegeven met de code 2R71 (‘getij-kreekbedding’).

Afbeelding 8. De ligging van het onderzoeksgebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de Hoeksche Waard, Kaartbijlage 2, Deelgebied II, Oud-Beijerland-BinnenmaasCromstrijen. Ter plaatse van het grootste deel van het onderzoeksgebied wordt een zone weergegeven met een middelhoge verwachting voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische waarden (de groen gemarkeerde zone). Ter plaatse van het zuidwestelijke deel van het onderzoeksgebied wordt een zone weergegeven met een lage verwachting voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische waarden (de geel gemarkeerde zone). Bron: Huizer et al., 2009.

12

3.2 Archeologische gegevens Voor een overzicht van de reeds bestaande kennis ten aanzien van archeologische vindplaatsen ter plaatse - en in de omgeving - van het onderzoeksgebied zijn onder meer de Archeologische Verwachtingskaart, Kaartbijlage 2, Deelgebied II, Oud-Beijerland-Binnenmaas-Cromstrijen, van de Gemeente Oud-Beijerland, het archief van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (Archis3) en het archief van Stichting Archeologie Hoeksche Waard (SAH) geraadpleegd. Op de Archeologische Verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de Hoeksche Waard, Kaartbijlage 2, Deelgebied II, Oud-Beijerland-Binnenmaas-Cromstrijen, wordt ter plaatse van het grootste deel van het onderzoeksgebied een zone weergegeven met een middelhoge verwachting voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische waarden (zie Afbeelding 8). Ter plaatse van het zuidwestelijke deel van het onderzoeksgebied wordt een zone weergegeven met een lage verwachting voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische waarden (zie Afbeelding 8). Dit betreft een voormalige kreekbedding. Op de kaart van Archis3 (het centrale archief voor de bekende archeologische vindplaatsen in Nederland) worden ter plaatse van het onderzoeksgebied en in de directe omgeving daarvan geen archeologische monumenten weergegeven (zie Afbeelding 9).

De op grotere afstand van het onderzoeksgebied gelegen archeologische monumenten zijn buiten beschouwing gelaten.

Afbeelding 9. De ligging van de in Archis3 geregistreerde archeologische monumenten (niet aanwezig) en vondstmeldingen en waarnemingen (blauw gemarkeerd, genummerd), in de omgeving van het onderzoeksgebied (rood omkaderd). Bron: Archis3, 2024. Schaal 1: 10.000.

Op de kaart van Archis3 worden ter plaatse van het onderzoeksgebied geen archeologische waarnemingen of vondstmeldingen weergegeven. In de directe omgeving van het onderzoeksgebied worden op de kaart van Archis3 wel archeologische waarnemingen en vondstmeldingen weergegeven. Dat betreft:

13

- Archis Zaakidentificatie nr. 3244158100, Oud-Beijerland, Groeneweg. Daar is, op basis van een kaart uit de 17de eeuw, een boerderij aanwezig geweest(zie Afbeelding 9, nummer 1). - Archis Zaakidentificatie nr. 3160630100, Oud-Beijerland, Groeneweg. Daar werd, tijdens het verbreden van een waterpartij, een veendijk uit de 12de of de 13de eeuw waargenomen (zie Afbeelding 9, nummer 2). - Archis Zaakidentificatie nr. 2421019100, Goudswaard, dijkversterking Spui-Oost. Daar werden resten aangetroffen van boerderijen uit de Nieuwe Tijd (zie Afbeelding 9, nummer 3). De overige, op grotere afstand van het onderzoeksgebied gelegen archeologische waarnemingen en vondstmeldingen zijn buiten beschouwing gelaten.

3.3 Historische gegevens Het onderzoeksgebied ligt ten westen van de bebouwde kom van Oud-Beijerland, ten westen van de Randweg. Op basis van geologische en archeologische archiefgegevens kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het onderzoeksgebied tussen circa 1300 en 1450 A.D. een kweldergebied was gelegen dat onder invloed stond van de zee. In dit kweldergebied werd voornamelijk zand afgezet. Archeologische resten uit de periode van voor circa 1300 A.D. (voor wat betreft de dijkjes en terpjes uit de Late Middeleeuwen) werden door deze zandafzettingen afgedekt. 5 Na circa 1450 A.D. was er ter plaatse van het onderzoeksgebied en de wijde omgeving daarvan een zandplaat aanwezig die grotendeels boven water lag. Uit deze periode dateert ook de eerste historische vermelding van het gebied waar het onderzoeksgebied is gelegen. In 1480 werd het gebied vermeld toen Cornelis van Dorp in het erfelijk bezit van het gebied ten oosten van het onderzoeksgebied kwam en het plan opvatte om dit te bedijken. Vanaf 1491 kwamen deze gronden in bezit van Jan van Egmond. Diens kleinzoon Lamoraal, die het land in 1554 in bezit kreeg, maakte plannen voor bedijking en voerde deze ook daadwerkelijk uit. Al voordat de bedijking werd aangelegd, in 1556 en 1557, had Van Egmond een groot deel van de gronden verkocht.

Daarbij waren de kopers hoogstwaarschijnlijk verplicht bij te dragen aan de kosten van de bedijking. 6 Het onderzoeksgebied ligt ter plaatse van Polder Nieuw-Beijerland. Deze polder kwam in 1581 A.D. gereed. 7 De plannen voor de bedijking hadden tot gevolg dat het gebied cartografisch werd gedocumenteerd. Dat betreft de situatie van het gebied voorafgaand aan de bedijking door Van Egmond in 1557. Op de kaart die in opdracht van Van Egmond in 1552 werd vervaardigd is het gebied waarbinnen het onderzoeksgebied is gelegen gedetailleerd weergegeven. Het onderzoeksgebied lag ten westen van een gebied dat door zomerkaden was omgeven. Ter plaatse van het onderzoeksgebied wordt op deze kaart geen bebouwing weergegeven, wel wordt een kreek weergegeven. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de locaties van de topografische eenheden niet altijd exact op de geprojecteerde locaties zullen liggen, het betreft een reconstructie en een interpretatie 8 (zie Afbeelding 10). In het kader van de analyse van de historische informatie zijn de kaart van Colom uit 1680, de Kadastrale Kaart (Minuutplan) uit 1811 - 1832 en de Topografische Kaart uit 1889 - 1903, 1940, 1975, 1995 en 2015 geraadpleegd. Op de Kaart van Colom uit 1680 en de Kadastrale Kaart (Minuutplan) uit 1811 - 1832 wordt ter plaatse van het onderzoeksgebied geen bebouwing weergegeven (zie Afbeelding 11 en 12).

Dat geldt ook voor de kaarten uit 1905 en 1940 (zie Afbeelding 13 en 14), zij het dat er in 1940 een weg werd aangegeven die het onderzoeksgebied doorsneed. Voor 1970 werd een ruilverkaveling uitgevoerd waarbij veel sloten werden gedempt. Na 1995 werd de weg die het onderzoeksgebied doorsneed verwijderd. Het onderzoeksgebied bleef tot in de huidige tijd onbebouwd.

Ras, 2003 Ras, 2003 7 Allewijn, 1953 8 Ras, 2003 5 6

14

Afbeelding 10. De ligging van waterlopen, dijkjes, wegen en bewoningslocaties (roos gemarkeerd en rood omkaderd),

zoals deze zijn weergegeven op een kaart die in opdracht van Van Egmond in 1552 is vervaardigd, geprojecteerd op de hedendaagse topografie. De locatie van het onderzoeksgebied is geel omkaderd. Bron: Prins, in Ras, 2003.

Afbeelding 11. De ligging van het onderzoeksgebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Kaart van Colom uit circa 1680.

15

Afbeelding 12. De ligging van het onderzoeksgebied (blauw omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Kadastrale Kaart (Minuutplan) uit 1811 - 1832. Bron: RCE, 2024.

Afbeelding 13. De ligging van het onderzoeksgebied (blauw omkaderd), geprojecteerd op een uitvergrote uitsnede van de Topografische Kaart uit 1889 - 1905.

16

Afbeelding 14. De ligging van het onderzoeksgebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitvergrote uitsnede van de Topografische Kaart uit 1940.

Afbeelding 15. De ligging van het onderzoeksgebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitvergrote uitsnede van de Topografische Kaart uit 1970.

Afbeelding 16. De ligging van het onderzoeksgebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitvergrote uitsnede van de Topografische Kaart uit 1995.

17

Afbeelding 17. De ligging van het onderzoeksgebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitvergrote uitsnede van de Topografische Kaart uit 2015.

3.4 Luchtfoto’s In het kader van het onderzoek is een luchtfoto uit 2019 geraadpleegd (zie Afbeelding 18). Het onderzoeksgebied was onbebouwd en bestond uit akkerland en grasland. Er zijn op de luchtfoto geen aanwijzingen zichtbaar voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen ter plaatse van het onderzoeksgebied. De kwaliteit van deze foto is feitelijk ook onvoldoende voor een gedegen luchtfoto-analyse. Alleen zeer evidente archeologische en/of geologische fenomenen zouden op deze foto kunnen worden waargenomen.

Afbeelding 18. De ligging van het onderzoeksgebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van een luchtfoto uit 2019. Bron: Google-Earth, 2024.

18

3.5 Actueel Hoogtebestand Nederland In het kader van het onderzoek is het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) geraadpleegd (zie Afbeelding 19). Het maaiveld ligt ter plaatse van het onderzoeksgebied op een hoogte van circa 0.0 0.5 meter –NAP. Op de AHN is zichtbaar dat het onderzoeksgebied direct ten oosten van een lager gelegen zone ligt. Dit betreft een verlandde getijdenkreek (zie Afbeelding 20). De ligging van deze kreek komt overeen met de gegevens van de in het DINO-loket gearchiveerde boringen.

Afbeelding 19. De ligging van het onderzoeksgebied (paars omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). De rode, oranje en gele zones betreffen de hoger gelegen zones, de blauwe zones betreffen de lager gelegen zones. Bron: AHN (http://www.ahn.nl), 2024.

Afbeelding 20. De ligging van het onderzoeksgebied (paars omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van het Actueel

Hoogtebestand Nederland (AHN). De ligging van de voormalige kreek is geel omkaderd. Dit betreft een lager gelegen zone. Bron: AHN (http://www.ahn.nl), 2024.

19

3.6 Archeologisch Verwachtingsmodel Ter plaatse van het onderzoeksgebied is hoogstwaarschijnlijk een bodemopbouw aanwezig met een ploegvoor, ingesneden in en op (kom-) Afzettingen van Duinkerke IIIb, op Hollandveen, op (kom-) Afzettingen van Calais IV. Het onderzoeksgebied ligt direct ten oosten van een verlandde getijdenkreek. De top van de (kom-) Afzettingen van Duinkerke IIIb ligt waarschijnlijk op een diepte van circa 0.3 meter beneden het maaiveld (circa 0.3 - 0.8 meter –NAP). De Afzettingen van Duinkerke IIIb zijn voornamelijk afgezet tussen 1300 en 1450 A.D. Op basis van de geologische en archeologische informatie kan worden geconcludeerd dat tussen circa 1300 en 1450 A.D. ter plaatse van het onderzoeksgebied - en de wijde omgeving daarvan - een kweldergebied was gelegen, waar voornamelijk zand werd afgezet. Na circa 1450 A.D. lag in dit gebied een zandplaat die grotendeels boven water lag. In 1581 A.D. werd dit gebied definitief ingepolderd. De top van het Hollandveen ligt ter plaatse van het onderzoeksgebied waarschijnlijk op een diepte van circa 1.5 - 2.0 meter beneden het maaiveld (circa 1.8 - 2.4 meter –NAP). De top van de Afzettingen van Calais IV ligt ter plaatse van het onderzoeksgebied waarschijnlijk op een diepte van circa 2.3 - 3.0 meter beneden het maaiveld (circa 2.8 - 3.5 meter –NAP).

Archeologische vindplaatsen uit de Nieuwe Tijd (vanaf circa 1581 A.D.) kunnen hier dagzomend of direct beneden de bouwvoor aanwezig zijn, op en in de top van de Afzettingen van Duinkerke IIIb. Op basis van historische gegevens wordt deze kans echter zeer klein geacht. De kans op de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode tussen circa 1450 A.D. en circa 1581 A.D. wordt nihil geacht. Ter plaatse van het onderzoeksgebied was toen een kweldergebied gelegen. Archeologische resten uit de IJzertijd, de Romeinse Tijd en de Middeleeuwen (tot circa 1400 A.D.) kunnen worden verwacht op en in de top van het Hollandveen op een diepte van circa 2.0 meter beneden het maaiveld (circa 2.1 - 2.5 meter –NAP). Omdat de top van het Hollandveen hier mogelijk intact aanwezig is wordt deze kans redelijk groot geacht. Archeologische resten uit het Laat Neolithicum en de Vroege Bronstijd kunnen aanwezig zijn op en in de top van de Afzettingen van Calais IV op een diepte van circa 3.0 meter beneden het maaiveld (circa 3.1 - 3.5 meter –NAP). Voor mogelijk aanwezige archeologische vindplaatsen geldt dat vrijwel alle in deze regio bekende complextypen uit de voornoemde perioden aanwezig zouden kunnen zijn Het zou immers kunnen gaan om nederzettingsterreinen, activiteitenzones, grafvelden, maar ook om akker- en/of weidegebieden, enz.

Over de daadwerkelijke aanwezigheid of de omvang van de hier mogelijk aanwezige archeologische sporen kunnen op basis van het Archeologisch Bureauonderzoek geen conclusies worden getrokken.

20

4. Resultaten veldonderzoek 4.1 Inleiding Ten tijde van het booronderzoek (IVO-Overig) was ter plaatse van het onderzoeksgebied akkerland aanwezig. De uitvoering van een oppervlaktekartering was hierdoor mogelijk. Het maaiveld lag op een hoogte van circa 0.0 - 0.5 meter –NAP.

4.2 Booronderzoek Ter plaatse van het onderzoeksgebied zijn 30 boringen uitgevoerd, tot een diepte van 4.0 meter beneden het maaiveld (zie Afbeelding 21 tot en met 27).

Afbeelding 21. Het onderzoeksgebied (rood omkaderd) en de locaties van de boringen (gemarkeerd met blauwe stippen), geprojecteerd op een uitsnede van de GBKN. De locatie van het uiteindelijke plangebied is blauw omkaderd. Bron GBKN: Kadaster Geo-Informatie, 2024. Schaal 1: 5.000.

4.3 Bodemopbouw Op basis van de resultaten van het booronderzoek kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het onderzoeksgebied een bodemopbouw aanwezig is met (kom-) Afzettingen van Duinkerke IIIb, op Hollandveen, op Afzettingen van Gorkum/ Calais IV. De vrijwel onverstoorde top van de (zand-) Afzettingen van Duinkerke IIIb werd ter plaatse van de boringen direct onder de bouwvoor aangetroffen, op een diepte van circa 0.3 - 0.5 meter beneden het maaiveld. De hooggelegen top van het bruine/ roodbruine Hollandveen werd aangetroffen op een diepte van 1.7 - 1.8 meter beneden het maaiveld (1.7 - 2.3 meter –NAP). Op basis van deze hoge ligging mag worden aangenomen dat de top van het Hollandveen hier intact is.

21

Afbeelding 22. Grafische weergave van Boring nr. 1 t/m 6.

Afbeelding 23. Grafische weergave van Boring nr. 7 t/m 11.

22

Afbeelding 24. Grafische weergave van Boring nr. 12 t/m 16.

Afbeelding 25. Grafische weergave van Boring nr. 17 t/m 21.

23

Afbeelding 26. Grafische weergave van Boring nr. 22 t/m 25.

Afbeelding 27. Grafische weergave van Boring nr. 26 t/m 30.

24

Het Hollandveen bevatte plantenresten, maar ook houtresten. Het betreft dus bosveen. Ter plaatse van het zuidelijke deel van het onderzoeksgebied (Boring nr. 1 t/m 5, 7, 8, 10 t/m 13 en 15) was de horizont met Hollandveen relatief dun (0.5 - 0.7 meter). De top van de daar zeer hooggelegen Afzettingen van Gorkum/ Calais IV werd aangetroffen op een diepte van 2.3 - 2.4 meter beneden het maaiveld (2.5 - 2.9 meter –NAP). Dit betrof bruine, licht humeuze klei. Circa 1.1 meter beneden de top van de Afzettingen van Gorkum/ Calais IV werd ter plaatse van al deze boringen in deze afzettingen een inschakeling van Hollandveen aangetroffen met een dikte van circa 0.15 - 0.20 meter. De hoge ligging van de top van de Afzettingen van Gorkum/ Calais IV duidt op de aanwezigheid van een stroomrug. De inschakeling van een horizont met Hollandveen in deze afzettingen duidt op de aanwezigheid van een oeverzone/ de flank van de stroomrug. Voor het uiteindelijke plangebied zijn met name Boring nr. 5, 6, 10, 11, 15 en 16 relevant. Op basis daarvan kan worden geconcludeerd dat het plangebied is gelegen ter plaatse van de flank van de stroomrug. Ter plaatse van de overige boringen was de horizont met Hollandveen veel dikker (1.7 - 1.8 meter). De top van de Afzettingen van Gorkum/ Calais IV is daar aangetroffen op een diepte van 3.5 - 3.6 meter beneden het maaiveld (3.5 - 4.1 meter –NAP).

Deze zone kan worden geïnterpreteerd als een voormalig komgebied.

4.4 Archeologische indicatoren In de boringen werden geen archeologische indicatoren aangetroffen. Daarbij dient te worden opgemerkt dat het booronderzoek niet was gericht op het opsporen van archeologische indicatoren. Daarvoor is deze methode niet geschikt. De afwezigheid van archeologische indicatoren in boringen kan dan ook niet worden beschouwd als een indicatie dat er geen archeologische resten aanwezig zijn.

4.5 Resultaten oppervlaktekartering Ter plaatse van het onderzoeksgebied zijn tijdens de uitgevoerde oppervlaktekartering geen archeologische vondsten aangetroffen.

25

26

5. Samenvatting, conclusies en aanbevelingen 5.1 Samenvatting en conclusies Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanwijziging en vergunningprocedure (omgevingsvergunning) voor de bouw van tijdelijke woningen ter plaatse van de Randweg te Oud-Beijerland (Gemeente Hoeksche Waard). De oppervlakte van het onderzoeksgebied van het Archeologisch Bureauonderzoek en het Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen bedroeg circa 4.5 hectare (zie Afbeelding 2 en 3). Dit betrof het zoekgebied voor de woningbouwlocatie. Na de afronding van het archeologisch onderzoek is de uiteindelijke locatie van het plangebied bepaald (zie Afbeelding 21 en 28). De oppervlakte van het uiteindelijke plangebied bedraagt circa 0.5 hectare. Er zijn nog geen concrete bouwplannen beschikbaar. Op de kaart van het vigerende bestemmingsplan ‘Parapluplan Archeologie en Parkeren’ wordt ter plaatse van het grootste deel van het onderzoeksgebied een zone met een archeologische dubbelbestemming weergegeven (Waarde Archeologie - 4). Voor een dergelijke zone geldt op basis van artikel 6 van de bestemmingsplanregels een onderzoeksverplichting wanneer daar in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning bodemverstoringen worden voorzien met een oppervlakte van meer dan 500 m² en een diepte van meer dan 0.5 meter beneden het maaiveld.

Op de bestemmingsplankaart wordt ter plaatse van het zuidwestelijke deel van het onderzoeksgebied een zone weergegeven met de archeologische dubbelbestemming Waarde Archeologie - 5. Voor een dergelijke zone geldt op basis van artikel 7 van de bestemmingsplanregels een onderzoeksverplichting wanneer daar in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning bodemverstoringen worden voorzien met een oppervlakte van meer dan 10 hectare en een diepte van meer dan 0.5 meter beneden het maaiveld. In het kader van de bestemmingsplanwijziging/ vergunningprocedure moest dan ook eerst een Archeologisch Bureauonderzoek en een verkennend archeologisch booronderzoek (IVOOverig) moest worden uitgevoerd, als eerste stap in de Archeologische Monumentenzorgcyclus. Op basis van de door SOB Research opgestelde offerte (d.d. 23 september 2024) heeft RHO Adviseurs op 14 november 2024 aan SOB Research opdracht verleend om het archeologisch onderzoek uit te voeren. In eerste instantie is het Archeologisch Bureauonderzoek uitgevoerd en is het daarop gebaseerde, gespecificeerde Archeologisch Verwachtingsmodel opgesteld. Vervolgens is - ter toetsing en ter aanvulling van het Archeologisch Verwachtingsmodel - op 30 november en 2 december 2024 het veldonderzoek (IVO-Overig) uitgevoerd. Daarbij zijn 30 boringen gezet tot een diepte van 4.0 meter beneden het maaiveld.

De verkregen gegevens, de daaraan verbonden conclusies en het daarop gebaseerde advies, zijn uitgewerkt in een conceptrapport dat op 12 december 2024 is aangeleverd aan de opdrachtgever, die het conceptrapport vervolgens ter beoordeling heeft voorgelegd aan de Gemeente Hoeksche Waard. Na de ontvangst van de goedkeuring van het conceptrapport door de gemeentelijk archeoloog, op 27 januari 2025, is de gevraagde aanpassing in het rapport verwerkt en is het rapport definitief gemaakt. Op basis van het Archeologisch Bureauonderzoek en het IVO-Overig kunnen de volgende conclusies worden getrokken: - Ter plaatse van het onderzoeksgebied is een bodemopbouw aanwezig met een ploegvoor, ingesneden in en op (kom-) Afzettingen van Duinkerke IIIb, op Hollandveen, op Afzettingen van Gorkum/ Calais IV. Het maaiveld lag op een hoogte van circa 0.0 - 0.5 meter –NAP. De vrijwel onverstoorde top van de (zand-) Afzettingen van Duinkerke IIIb werd ter plaatse van alle boringen direct onder de bouwvoor aangetroffen, op een diepte van circa 0.3 - 0.5 meter beneden het maaiveld (circa 0.4 - 0.8 meter –NAP). De Afzettingen van Duinkerke IIIb zijn voornamelijk afgezet tussen 1300 en 1450 A.D.

27

Op basis van de geologische en archeologische informatie kan worden geconcludeerd dat tussen circa 1300 en 1450 A.D. ter plaatse van het onderzoeksgebied - en de wijde omgeving daarvan - een kweldergebied was gelegen, waar voornamelijk zand werd afgezet. Na circa 1450 A.D. lag in dit gebied een zandplaat die grotendeels boven water lag. In 1581 A.D. werd dit gebied definitief ingepolderd. De hooggelegen top van het bruine/ roodbruine Hollandveen is ter plaatse van alle boringen aangetroffen op een diepte van 1.7 - 1.8 meter beneden het maaiveld (1.7 - 2.3 meter –NAP). Op basis van deze hoge ligging mag worden aangenomen dat de top van het Hollandveen hier intact is. Het Hollandveen bevatte plantenresten, maar ook houtresten. Het betreft dus bosveen. Op basis van het booronderzoek kan worden geconcludeerd dat de projectie van de kaart uit 1552 op de huidige topografische kaart voor wat betreft het plangebied niet correct is (zie Afbeelding 10). Voor de aanwezigheid van de daar geprojecteerde watergang zijn immers ter plaatse van het onderzoekgebied geen aanwijzingen gevonden. Ter plaatse van het zuidelijke deel van het onderzoeksgebied (Boring nr. 1 t/m 5, 7, 8, 10 t/m 13 en 15) was de horizont met Hollandveen relatief dun (0.5 - 0.7 meter).

De top van de daar zeer hooggelegen Afzettingen van Gorkum/ Calais IV werd aangetroffen op een diepte van 2.3 - 2.4 meter beneden het maaiveld (2.5 - 2.9 meter –NAP). Dit betrof bruine, licht humeuze klei. Circa 1.1 meter beneden de top van de Afzettingen van Gorkum/ Calais IV werd ter plaatse van al deze boringen in deze afzettingen een inschakeling van Hollandveen aangetroffen met een dikte van circa 0.15 - 0.20 meter. De hoge ligging van de top van de Afzettingen van Gorkum/ Calais IV duidt op de aanwezigheid van een stroomrug. De inschakeling van een horizont met Hollandveen in deze afzettingen duidt op de aanwezigheid van een oeverzone/ de flank van de stroomrug. Het is mogelijk dat de op de Geomorfologische Kaart weergegeven getijdegeul de ligging van deze stroomrug weerspiegelt. Voor het uiteindelijke plangebied zijn met name Boring nr. 5, 6, 10, 11, 15 en 16 relevant. Op basis daarvan kan worden geconcludeerd dat het plangebied is gelegen ter plaatse van de flank van de stroomrug. Ter plaatse van de overige boringen was de horizont met Hollandveen veel dikker (1.7 - 1.8 meter). De top van de Afzettingen van Gorkum/ Calais IV is daar aangetroffen op een diepte van 3.5 - 3.6 meter beneden het maaiveld (3.5 - 4.1 meter –NAP). Deze zone kan worden geïnterpreteerd als een voormalig komgebied.

- Archeologische resten uit de Nieuwe Tijd (vanaf circa 1581 A.D.) zouden hier direct beneden de bouwvoor aanwezig kunnen zijn, op en in de top van de Afzettingen van Duinkerke IIIb. Op basis van historische gegevens wordt deze kans echter zeer klein geacht. De kans op de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode tussen circa 1450 A.D. en circa 1581 A.D. wordt nihil geacht. Ter plaatse van het onderzoeksgebied was toen een kweldergebied gelegen. - Archeologische resten uit de IJzertijd, de Romeinse Tijd en de Middeleeuwen (tot circa 1400 A.D.) kunnen aanwezig zijn op en in de top van het zeer hooggelegen Hollandveen, op een diepte van circa 1.7 - 1.8 meter beneden het maaiveld (circa 1.7 - 2.3 meter –NAP). Omdat de top van het Hollandveen hier intact aanwezig is wordt deze kans redelijk groot geacht. - Archeologische resten uit het Laat Neolithicum en de Vroege Bronstijd kunnen aanwezig zijn op en in de top van de Afzettingen van Gorkum/ Calais IV. Dit met name ter plaatse van de hooggelegen top van deze afzettingen ter plaatse van de stroomrug in het zuidelijke deel van het onderzoeksgebied, op een diepte van circa 2.3 - 2.4 meter beneden het maaiveld (2.5 - 2.9 meter –NAP).

- Voor mogelijk aanwezige archeologische vindplaatsen geldt dat vrijwel alle in deze regio bekende complextypen uit de voornoemde perioden aanwezig zouden kunnen zijn Over de daadwerkelijke aanwezigheid of de omvang van de hier mogelijk aanwezige archeologische sporen kunnen op basis van het onderzoek geen conclusies worden getrokken.

28

- De op de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de Hoeksche Waard, Kaartbijlage 2, Deelgebied II, Oud-Beijerland-Binnenmaas-Cromstrijen weergegeven zone met een lage verwachting voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische resten ter plaatse van het zuidwestelijke deel van het onderzoeksgebied (zie Afbeelding 8) zal moeten worden bijgesteld naar een zone met een hoge verwachting voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische resten.

5.2 Aanbevelingen Op basis van het archeologisch bureau- en booronderzoek moet worden geconcludeerd dat de voorgenomen planrealisatie zou kunnen leiden tot de verstoring van archeologische resten ter plaatse van die locaties waar bodemverstoringen plaatsvinden tot een diepte van meer dan 1.4 meter beneden het maaiveld (de top van het Hollandveen minus de door de Gemeente Hoeksche waard gehanteerde bufferzone van 0.3 meter). Dat zal hoogstwaarschijnlijk niet het geval zijn bij de realisatie van de woningbouw (tenzij deze wordt onderkelderd), maar mogelijk wel bij de aanleg van het rioolsysteem en eventuele waterpartijen. Wanneer dat het geval zou zijn wordt vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Dit vervolgonderzoek zou kunnen bestaan uit de uitvoering van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven.

Afbeelding 28. De ligging van het uiteindelijke plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een recente luchtfoto. Bron: opdrachtgever, 2024.

29

30

Literatuur -

Allewijn, M.: Van Grooten Waert tot Hoeksche Waard: vijf eeuwen eilandhistorie; OudBeijerland: 1953

-

Bosch, J. E. van den: Nota Bodemarchief en Ruimtelijk Inrichtingsbeleid in de Hoeksche Waard; SOB Hoeksche Waard, Mijnsheerenland: 1996

-

Huizer, J., M. Benjamins en S. van der A: De Archeologische Verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de Hoeksche Waard; ADC, Amersfoort: 2009

-

Kok, H. en Th. de Groot: De Geologische Kaart van Nederland 1: 50.000, Blad Rotterdam Oost (37O); Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen TNO (NITG-TNO), Haarlem: 1998

-

Mulder, E. F. J. de, M. C. Geluk, I. L. Ritsema, W. E. Westerhof en T. E. Wong: De ondergrond van Nederland; Groningen: 2003

-

Ras, J., en F. A van Meurs: Archeologisch Onderzoek Project Natuurvriendelijke Oevers 1999, Waterschap de Groote Waard: Heinenoord, 2000

-

Ras, J.: Archeologisch Beleidsplan Gemeente Oud-Beijerland; SOB Research, Heinenoord: 2003

-

Robas-producties/ Topografische Dienst: Foto-atlas van Zuid-Holland; Den Ilp: 1989

-

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE): Archeologisch Informatie Systeem (Archis3); RCE, Amersfoort: 2024

Geraadpleegde internetsites: - http://ahn.geodan.nl - http://www.noaa.nl - http://www.ruimtelijkeplannen.nl - https://archis.cultureelerfgoed.nl/#/ - https://www.dinoloket.nl - https://www.google.nl - http://www.topotijdreis.nl

31

32

Verklarende woordenlijst antropogeen

door menselijk handelen

C14 datering

bepaling van het gehalte aan radioactieve koolstof (C14) van organisch materiaal (hout, houtskool, schelpen, etc.) waaruit de ouderdom kan worden afgeleid. Deze ouderdom wordt opgegeven in jaren voor 1950 A.D.

dekzand

Tijdens het Pleistoceen door de wind afgezette zandafzettingen

differentiële klink

verschijnsel waarbij zones door geologische of fysische processen laag of hoog ten opzichte van elkaar komen te liggen; ook wel omgekeerde klink of reliëfinversie genoemd

dy

organische afzetting, bestaande uit fijn verdeelde afgestorven plantenresten, in stilstaand water bezonken

erosie

verzamelnaam voor processen die het aardoppervlak aantasten en los materiaal afvoeren. Dit vindt voornamelijk plaats door de inwerking van wind, ijs of stromend water

eutroof veen

veen dat is ontstaan in een voedselrijk milieu

fluviatiel

onder invloed van een rivier

geul

rivier- of kreekbedding

gorzenlandschap

gebied dat boven het gemiddelde hoogwaterpeil ligt en pas bij de hoogste vloeden onderloopt

gyttja

organische afzetting, bestaande uit fijn verdeelde afgestorven plantenresten, in stilstaand water bezonken

Hollandveen

alle veenpakketten die gedurende het Holoceen zijn ontstaan met uitzondering van het basisveen. De definitie van ‘Hollandveen’ betreft dus in feite bijna alle veenpakketten die gedurende de afgelopen 8.000 jaar zijn ontstaan

Holoceen

jongste geologisch tijdvak (vanaf de laatste IJstijd: circa 10.000 jaar voor Chr. tot heden)

in situ

bewaard gebleven binnen de oorspronkelijke context/ locatie; dit met name met betrekking tot onverstoorde archeologische sporen en vondsten

klink

maaivelddaling van veen- en kleigronden door ontwatering, oxidatie van organisch materiaal en krimp

lagunair, lagune

ondiepe baai, beschermd tegen open zee door een strandwal of haf

marien

het milieu waar sedimentatie plaatsvindt die direct wordt beïnvloed door de zee

meanderen

zich bochtig door het landschap slingeren (van waterlopen)

33

mesotroof veen

veen, dat in matig voedselrijk milieu is ontstaan

modderklei

afzettingen in het perimariene gebied, bestaande uit kleiige venen en venige kleien

moernering

veenafgraving, hoofdzakelijk ten behoeve van zoutwinning en de winning van brandstof (turf)

oligotroof veen

veen dat is ontstaan in voedselarm, relatief droog milieu

oxidatie

(traag) verbrandingsproces van organisch materiaal in reactie met zuurstof

perimarien

het milieu, waarin de sedimentatie wordt beïnvloed door de zee (via het rivieren kreekstelsel), maar waar mariene afzettingen van betekenis ontbreken

Pleistoceen

geologisch tijdperk dat ongeveer 2.6 miljoen jaar geleden begon. De tijd van de IJstijden, maar ook van gematigd warme perioden. Het Pleistoceen eindigde met het begin van het Holoceen

pollenanalyse

statistische studie van stuifmeelkorrels en sporen, die in sedimenten gevonden worden. Doel is onder meer milieureconstructie

regressiefase

periode waarin het water zich terugtrekt (als gevolg van een daling van de zeespiegel, of als gevolg van sluiting van strandwallencomplex) na een transgressiefase

sediment

afzetting gevormd door bezinksel of neerslag

stroomrug

restant van een door zand- en klei-afzettingen verlandde, oude stroomgeul. Door differentiële klink meestal hoger gelegen dan de omgeving

transgressiefase

fase waarin de invloed van de zee zich landinwaarts uitbreidt (als gevolg van stijging van de zeespiegel of als gevolg van erosie van het strandwallencomplex)

verlandingsklei

klei die aan het einde van een transgressiefase wordt afgezet

34

Bijlage 1 Administratieve gegevens Projectnaam:

SOB Research Project nr. Opdrachtgever:

Uitvoerder:

Bevoegde overheid:

Aanleiding onderzoek: Opdracht: Veldonderzoek: Conceptrapport: Definitief rapport: Provincie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Kadastrale gegevens: Huidig grondgebruik: Toekomstige situatie: Kaartblad: Geologie: Geomorfologie:

Bodemtype:

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen Tijdelijke woningen Randweg Oud-Beijerland, Gemeente Hoeksche Waard 4011-2411 RHO Adviseurs Postbus 150, 3000 AD Rotterdam Contactpersoon: de heer R. van Oosterhout Tel.: 010 - 2018630 E-mail: roy.vanoosterhout@rho.nl SOB Research, Instituut voor Archeologisch en Aardkundig Onderzoek Hofweg 13, Heinenoord Postbus 5060, 3274 ZK Heinenoord 0186 - 604 432/ 0575 - 476439 Tel.: E-mail: sobresearch@wxs.nl Website: https://www.sobresearch.nl College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Hoeksche Waard Postbus 2003, 3260 EA Oud-Beijerland Contactpersoon: de heer O. Holthausen, Senior KNA Archeoloog Tel.: 088 - 6471412 E-mail: oscar.holthausen@gemeentehw.nl Bestemmingsplanwijziging. 14 november 2024 30 november en 2 december 2024 12 december 2024 27 januari 2025 Zuid-Holland Hoeksche Waard Oud-Beijerland Randweg Kadastrale Gemeente Oud-Beijerland, Sectie C, nr. 4359. Akkerland en grasland. Bebouwing en tuin. 38O Afzettingen van Duinkerke IIIb, op Hollandveen, op Afzettingen van Gorkum/ Calais IV. Het grootste deel van het onderzoeksgebied: code 2M72 (‘vlakte van getij-afzettingen’). Het oostelijke deel van het onderzoeksgebied: een niet gekarteerde, bebouwde zone. Het zuidelijke deel van het onderzoeksgebied: code 2R71 (‘getij-kreekbedding’).

Het grootste deel van het onderzoeksgebied: code Mn82A/ Mn35A (‘kalkrijke Poldervaaggronden; klei’). Het noordwestelijke deel en het noordoostelijke deel van het

35

Grondwatertrap: NAP-hoogte maaiveld: Coördinaten onderzoeksgebied:

Oppervlakte onderzoeksgebied: Oppervlakte plangebied: Kaart onderzoeksgebied: Kaart plangebied: CMA/ AMK-status: CAA -nr.: CMA -nr.: ARCHIS-Monument nr.: ARCHIS-Vondstmelding nr.: ARCHIS-Waarneming nr.: ARCHIS-Onderzoeksmelding nr.: Deponering:

onderzoeksgebied: code Mn22A/ Mn25A (‘kalkrijke Poldervaaggronden; zware zavel’). Het zuidoostelijke deel van het onderzoeksgebied: code Mn35A (‘kalkrijke Poldervaaggronden; lichte klei’). Onbekend. Circa 0.0 - 0.5 meter –NAP. Zuidwest: 86.354/ 425.835 Zuidoost: 86.556/ 425.818 Noordwest: 86.221/ 426.119 Noordoost: 86.385/ 426.107 Circa 4.5 hectare. Circa 0.5 hectare. Zie Afbeelding 2, 3 en 4. Zie Afbeelding 21 en 28. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. 5662998100 Depothouder: het College van Gedeputeerde Staten van de Provincie ZuidHolland, voor deze het bureauhoofd van Bureau CVT Postbus 90602, 2509 LP Den Haag Contactpersoon voor vondstmateriaal:

de

selectie/

de-selectie

van

De Provinciaal Archeoloog van de Provincie Zuid-Holland, de heer P. Floore Postbus 90602, 2509 LP Den Haag Tel.: 070 - 4418445 E-mail: archeologie@pzh.nl Deponering vondstmateriaal:

Deponering digitale documentatie:

Provinciaal Archeologisch Depot Zuid-Holland Kalkovenweg 23, 2401 LJ Alphen aan den Rijn Depotbeheerder: de heer M. Phlippeau Tel.: 070 - 4417282 Mob.: 06 - 25734759 E-mail: archeologischdepot@pzh.nl E-depot (https://www.archeodepot.nl)

36

Bijlage 2 Archeologische en geologische tijdschaal

In dit overzicht zijn de geologische en archeologische hoofdperioden weergegeven. De dateringen in de middenkolom (voor en na Chr.) zijn gekalibreerd en bieden de betrouwbaarste dateringen. Bron: RCE, 2014.

37

38

Bijlage 3 Overzicht voor het Holocene gebied van de gebruikelijke, klassieke lithostratigrafische indeling en de vertaling naar de lithostratigrafie van De Mulder et al., 2003 Klassieke nomenclatuur

Nomenclatuur van De Mulder et al., 2003

Afzettingen van Duinkerke III (a, b) Afzettingen van Duinkerke II Afzettingen van Duinkerke I (a, b) Afzettingen van Duinkerke O

Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren

Hollandveen Basisveen

Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen Laagpakket Formatie van Nieuwkoop, Basisveen Laag

Afzettingen van Calais IV Afzettingen van Calais III Afzettingen van Calais II Afzettingen van Calais I

Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer

Jonge Duin- en Strandafzettingen Oude Duin- en Strandafzettingen

Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Schoorl Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Zandvoort

Afzettingen van de Formatie van Twente (dekzand)

Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden

Afzettingen van de Formatie van Kreftenheye Formatie van Boxtel, Laagpakket van Delwijnen (rivierduinen) Afzettingen van de Formatie van Kreftenheye Formatie van Kreftenheye Afzettingen van de Formatie van Kreftenheye Formatie van Kreftenheye, Laag van Wijchen (Afzettingen van Wijchen) Afzettingen van Tiel III Afzettingen van Tiel II Afzettingen van Tiel I (a, b) Afzettingen van Tiel O

Formatie van Echteld Formatie van Echteld Formatie van Echteld Formatie van Echteld

Afzettingen van Gorkum IV Afzettingen van Gorkum III Afzettingen van Gorkum II Afzettingen van Gorkum I

Formatie van Echteld Formatie van Echteld Formatie van Echteld Formatie van Echteld

39

40

Bijlage 4 Overzicht Boorgegevens

41

42

43

44

45

46

47

48

49

50

51

52

53

54

55

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15447069/1