bijlage 2.2.1. Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling 20240900.001
Tekst van het document
AANMELDNOTITIE M.E.R.-BEOORDELING Tijdelijke woningen Randweg Oud-Beijerland 14 maart 2025
1/27
DATUM KENMERK
14 maart 2025 20240900.001/197706/KvdBi
PROJECT PROJECTLEIDER
BOPA Tijdelijke woningen Randweg Oud-Beijerland drs. G.M. Boiten
OPDRACHTGEVER HW Wonen PROJECTNUMMER 20240900.001 AUTEUR STATUS
2/27
K.A. van den Bighelaar Definitief
DISCLAIMER
© Rho Adviseurs B.V. Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs B.V., behoudens voor zover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd. AVG Onze producten worden vrijgegeven conform het protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem van Rho Adviseurs B.V.. Daarbij wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. In het kader van de AVG worden, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, persoonsgegevens van derden in onze producten geanonimiseerd. In het belang van de advisering en herkenbaarheid worden bedrijfsgegevens van Rho Adviseurs B.V., namen, e-mailadres(sen) en telefoonnummer(s) van adviseur(s), zijnde auteur(s) van het rapport of de projectleider van het onderhavige project, niet geanonimiseerd.
3/27
INHOUD 1.
2.
3.
4.
4/27
Inleiding
5
1.1 1.2 1.3
5 5 5
Aanleiding M.e.r.-beoordeling Leeswijzer
Plaats en kenmerken van het project
6
2.1 2.2
Plaats van het project Kenmerken van het project 2.2.1 Huidige situatie 2.2.2 Ontwikkeling 2.2.3 Woningbouwprogramma
6 9 9 10 12
2.3
Cumulatie
13
Kenmerken van de milieueffecten
14
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7
Verkeer en parkeren Geluid Luchtkwaliteit Omgevingsveiligheid Bodem Water Ecologie 3.7.1 Gebiedsbescherming 3.7.2 Soortenbescherming
14 16 17 18 19 20 22 23 23
3.8 3.9 3.10 3.11 3.12
Cultuurhistorie en archeologie Gezondheid Gezondheidsrisico’s spuitzones Duurzaamheid en klimaatadaptatie Aanlegwerkzaamheden
24 24 25 25 26
Conclusie
27
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding
De initiatiefnemer is voornemens aan de Randweg in Oud-Beijerland 21 tijdelijke woningen te laten exploiteren voor een periode van 15 jaar. Hiermee wordt invulling gegeven aan de behoefte van Hoeksche Waardse woningzoekenden. Het project geeft ook mede invulling aan de gemeentelijke taakstelling voor de huisvesting van statushouders. De ontwikkeling is in strijd met het omgevingsplan gemeente Hoeksche Waard, omdat de activiteit ‘tijdelijk wonen’ niet past binnen de regels van het bestemmingsplan ’Buitengebied Oud-Beijerland‘. Daarnaast past de ontsluitingsweg ook niet binnen de regels van het bestemmingsplan ‘Correctieve herziening bestemmingsplan Wonen’. Deze plannen maken onderdeel van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan. Om het project mogelijk te maken, wordt een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna BOPA) aangevraagd om zo te kunnen afwijken van het omgevingsplan.
1.2
M.e.r.-beoordeling
In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten mer-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 van deze bijlage zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3 bij besluiten genoemd in kolom 4. Voor deze activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. In die mededeling (meestal een aanmeldsnotitie) is een beschrijving van het project en de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt de motivatie van dit besluit op in de motivering van het wijzigingsbesluit/omgevingsplan/de vergunning. Wanneer uit de m.e.r.-beoordeling blijkt dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden, is een volledige m.e.r.-procedure noodzakelijk. De ontwikkeling betreft de realisatie van 21 tijdelijke woningen.
Een dergelijke ontwikkeling valt onder categorie J11 ‘Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen’. Hiervoor is een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk bij de aanvraag BOPA. De planontwikkeling is op grond van het bovenstaande m.e.r.-beoordelingsplichtig bij de aanvraag van een BOPA. Deze aanmeldnotitie bevat deze m.e.r.-beoordeling.
1.3
Leeswijzer
Deze aanmeldnotitie: ● beschrijft in hoofdstuk 2 de plaats en omvang van het project; ● licht in hoofdstuk 3 de verwachte effecten voor de verschillende milieueffecten toe; ● geeft in hoofdstuk 4 de voorlopige conclusie weer voor de m.e.r.-beoordeling.
5/27
2. PLAATS EN KENMERKEN VAN HET PROJECT 2.1
Plaats van het project
De projectlocatie ligt aan de Randweg aan de westrand van de kern van Oud-Beijerland en maakt deel uit van het bestaande akkerland. Aan de oostzijde doorsnijdt de projectlocatie de bomenrij richting het bestaande parkeerterrein. De locatie is weergegeven in figuur 1.
Figuur 1: Ligging projectlocatie (bron: Rho Adviseurs)
Beschermde gebieden – Milieugevoelige gebieden De projectlocatie is niet gelegen in een kwetsbaar gebied en/of een gebied met beschermde status zoals grondwaterbeschermingsgebieden (zie figuur 2). Ook bevindt de projectlocatie zich niet in een stiltegebied (zie figuur 3). De projectlocatie vormt geen onderdeel van Natura 2000 (zie figuur 4) of Natuurnetwerk Nederland (NNN) (zie figuur 5). Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige gebied ligt op een afstand van circa 13,1 km en betreft het Natura 2000-gebied ‘Krammer-Volkerak’.
6/27
Figuur 2: Grondwaterbeschermingskaart (RIVM,2024)
Figuur 3: Stiltegebieden (IPO,2025)
7/27
Figuur 4: Natura 2000-gebieden (Ministerie Van Economische Zaken, 2018)
Figuur 5: Natuurnetwerk Nederland (IPO,2022)
8/27
2.2
Kenmerken van het project
2.2.1 Huidige situatie De projectlocatie ligt aan de buitengrens van Oud-Beijerland, aan de rand van de Zoomwijck. De locatie betreft een akkerland en ligt aan een bomenrij, die op drie bomen na behouden blijft. Er is geen bebouwing, verharding en verlichting aanwezig. De bebouwing aan de overzijde van de Randweg staat met de voorzijde richting de Randweg georiënteerd. De minimale afstand tussen de voorgevels van de woningen aan het Rudolf Steinerpad en de plangrens is 55 meter. Op basis van de geldende planologische regeling, het omgevingsplan van de gemeente Hoeksche Waard waarvan de bestemmingsplannen onderdeel uitmaken, geldt ter plaatse van de projectlocatie het bestemmingsplan ’Buitengebied OudBeijerland’ waarin de projectlocatie de bestemming ’Agrarisch met Waarde’ heeft en geldt voor een klein deel het bestemmingsplan ‘Correctieve herziening bestemmingsplan Wonen’ en geldt de bestemming ’Groen’. Figuur 2.1 laat de uitsnede van de verbeelding behorende bij de bestemmingsplannen zien.
Figuur 6: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Oud-Beijerland’ en ‘Correctieve herziening bestemmingsplan Wonen’ met de projectlocatie rood omkaderd (bron: Rho Adviseurs)
Buitengebied Oud-Beijerland Het grootste deel van de projectlocatie is (voor zover relevant) bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf en de bescherming van de openheid van het landschap. Er zijn geen bouwmogelijkheden opgenomen. Met daaraan ondergeschikt: extensieve dagrecreatie, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, groenvoorzieningen en nutsvoorzieningen. Correctieve herziening bestemmingsplan Wonen Een klein deel van de projectlocatie is (voor zover relevant) bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting, paden, speelvoorzieningen, beeldende kunst, waterlopen en waterpartijen, waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen. Gebouwen zijn niet toegestaan, er zijn enkel overige bouwwerken toegestaan.
9/27
Parapluplan Archeologie en Parkeren Ook geldt voor de projectlocatie het paraplubestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie en Parkeren' (vastgesteld op 9 mei 2017 en geheel onherroepelijk in werking). De gedetailleerde verwachtings- en beleidsadvieskaart zoals in 2009 vastgesteld ligt hieraan ten grondslag. Om te zorgen voor een uniforme archeologische beleidsvoering wordt met dit parapluplan een archeologische dubbelbestemming toegekend. De projectlocatie heeft grotendeels de dubbelbestemming ’Waarde 2.2.2 Ontwikkeling De ontwikkeling aan de Randweg betreft de realisatie van 21 tijdelijke woningen, de ontwikkeling is weergegeven in figuur 7. De duowoningen hebben een maximale bouwhoogte van 6,65 m en de appartementen hebben een maximale bouwhoogte van 6,30 m. De woningen zijn in een lijn met een kleine verspringing gesitueerd. De woningen zijn met de voorzijde richting de parkeerplaats georiënteerd en met de achterzijde richting het landschap. In figuur 8 is op de ontwerptekening indicatief weergegeven waar de functies in het openbare gebied komen. Dit gaat om de ontmoetingsplaatsen, speelplaatsen, de plaats voor afvalinzameling en de fietsenstalling. Ook zijn de toegang tot de akker en de zone voor de grondwal en versterking van de biodiversiteit aangegeven. De huidige parkeerplaats blijft grotendeels behouden.
Er vervallen 4 plaatsen, deze worden teruggebracht in de projectlocatie. Binnen de projectlocatie wordt ruimte gereserveerd voor 5 extra parkeerplaatsen. Deze worden in eerste instantie niet gerealiseerd om zo veel mogelijk groen te kunnen realiseren. Er komen 2 fietsenbergingen, voor blok 1 een voor 12 fietsen en voor blok 3 een met 30 fietsen. De projectlocatie wordt ontsloten op het bestaande parkeerterrein, hiervoor moeten enkele bomen worden gekapt (zie figuur 2.5, de kap van deze bomen is vergunningplichtig). De dikke bomen in de rij blijven behouden. Daar wordt met beleid omheen gewerkt, rekening houdend met de kroonprojectie en het ondergrondse wortelstelsel. Het parkeerterrein wordt daarnaast via een nieuw pad voor voetgangers toegankelijk voor bewoners. De ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast met een rand van 10 meter bloemrijk grasland met enkele wat hogere struiken (geen bomen) en een grondwal met dichte beplanting, dit dient ter compensatie van de te kappen bomen. In paragraaf 2.2.3 wordt nader ingegaan op de landschappelijke inpassing.
10/27
Figuur 7: De ontwikkeling, januari 2025 (bron: Rho adviseurs)
11/27
Figuur 8: Ontwerp met indicatief de functies (bron: Rho Adviseurs)
2.2.3 Woningbouwprogramma Het woningbouwprogramma van de tijdelijke woningbouw aan de Randweg is als volgt: Tabel 1: Woningbouwprogramma Randweg Oud-Beijerland
Woontype
Aantal
Oppervlakte per woning in m²
Studio’s
8 woningen
32,4
Tweekamerwoningen
6 woningen
45,25
Grondgebonden driekamerwoningen
7 woningen
65
Totaal
21
12/27
2.3
Cumulatie
Voor zover bekend zijn er geen concrete ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van de projectlocatie. Er is daarom geen sprake van een cumulatie van milieueffecten vanwege omliggende projecten.
13/27
3. KENMERKEN VAN DE MILIEUEFFECTEN In dit hoofdstuk worden de belangrijkste milieueffecten van de ontwikkeling beschreven ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige feitelijke, legale situatie (dus passend binnen het planologisch kader) en autonome ontwikkelingen in en rondom het de projectlocatie. Autonome ontwikkelingen zijn ontwikkelingen die zich ook voordoen als het planvoornemen niet wordt uitgevoerd, bijvoorbeeld gevolgen van vastgesteld beleid, projecten waarover al definitieve besluitvorming heeft plaatsgevonden, andere redelijk zekere ontwikkelingen en bijvoorbeeld de autonome groei van het verkeer. De effectbeoordeling in dit hoofdstuk is gebaseerd op diverse onderzoeksrapporten/de informatie uit de BOPA dat voor de ontwikkeling is opgesteld.
3.1
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Een plan moet vanuit verkeer uitvoerbaar zijn in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan. De aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid moeten daarom gemotiveerd worden. Daarnaast is verkeer een onderdeel van de aspecten die in een omgevingsplan worden beoordeeld, zoals veiligheid in de breedste zin des woords. Ook zijn verkeerscijfers en routes van belang voor de onderwerpen die wel expliciet geregeld zijn en onderzocht moeten worden, zoals geluid en luchtkwaliteit. Huidige situatie Langzaam verkeer De projectlocatie is gelegen aan de Randweg, De Randweg is een gebiedsontsluitingsweg, met een vrijliggend tweerichtings- fietspad aan de noordzijde van de rijbaan. Ook voor voetgangers is er een vrijliggend voetpad aanwezig aan de noordzijde van de rijbaan. Ten hoogte van het parkeerterrein aan de zuidzijde van de Randweg is een oversteekplaats voor fietsers ingericht waarbij fietsers voorrang dienen te verlenen aan het gemotoriseerde verkeer. Voor voetgangers is in de huidige situatie geen specifieke oversteekplaats ingericht wegens het beperkte aantal oversteekbewegingen. Wanneer de tijdelijke woningen worden gerealiseerd komen er meer structurele oversteekbewegingen.
In deze situatie is het wenselijk dat een voetgangersoversteekplaats wordt ingericht, bij voorkeur op een verhoging voor extra attentiewaarde. De belangrijkste bestemmingen op loopafstand van de projectlocatie zijn de middelbare school aan de overzijde van de Randweg, het Hoeksch Lyceum op circa 350 meter loopafstand, de Aldi supermarkt op circa 700 meter loopafstand en de bushaltes aan de Helen Parkhurstweg en de Zinkweg. Openbaar vervoer De dichtstbijzijnde OV-halte vanaf de projectlocatie is de bushalte Scholengemeenschap, gelegen op circa 150 meter loopafstand aan de Helen Parkhurstweg. Deze halte is echter ten behoeve van een scholierenlijn, wat betekent dat hier enkel bussen halteren aan het begin en einde van de schooldag. Voor de ontwikkeling is daarom de eerstvolgende halte meer relevant, namelijk de halte aan de Zinkweg gelegen op circa 250 meter loopafstand vanaf de projectlocatie. Vanaf deze halte kan gebruik worden gemaakt van diverse buslijnen richting Goudswaard, Rotterdam Zuidplein en Rotterdam Lombardije. Gemotoriseerd verkeer De Randweg is ingericht als een gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/u. In oostelijke richting kruist de Randweg de Zinkweg deze leidt vervolgens naar de N217 die de hoofdader vormt naar het rijkswegennet.
De Zinkweg is eveneens ingericht als een gebiedsontsluitingsweg en leidt vervolgens in noordelijke richting naar het winkelcentrum van Oud-Beijerland.
14/27
Planvoornemen De ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename van 85 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde weekdag, wat neerkomt op 94 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. De Randweg heeft een gebiedsontsluitende functie met een snelheidsregime van 50km/h. De intensiteit die deze weg kan verwerken op basis van functie en vormgeving is 10.000 motorvoertuigen per etmaal. Na omrekening van de aangeleverde intensiteiten bedraagt de verkeersintensiteit op de Randweg in 2035 op het drukste punt tussen de projectlocatie en de Zinkweg circa 7.700 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. De ontwikkeling leidt tot een procentuele toename van minder dan 1% ten opzichte van de autonome situatie. Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat de verkeersgeneratie van de ontwikkeling op de Randweg direct opgaat in het heersend verkeersbeeld. Het effect op de N217 richting de A29 is verwaarloosbaar. Het effect van de ontwikkeling op de verkeersdoorstroming en verkeersveiligheid van het omliggende wegennet is dan ook verwaarloosbaar. Verkeersafwikkeling De ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename van 94 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Deze toename is dermate laag dat het effect op de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet verwaarloosbaar is. Parkeren De parkeerbehoefte van de ontwikkeling bedraagt 15 parkeerplaatsen.
De projectlocatie is gelegen aan een parkeerterrein bestaande uit 57 parkeerplaatsen welke met name worden gebruikt door bezoekers van middelbare school de Willem van Oranje. In de avonduren en het weekend worden deze plaatsen met name gebruikt door bezoekers van de korfbalvereniging. Als onderdeel van de ontwikkeling komen er 4 parkeerplaatsen op het terrein te vervallen, waarvoor 4 parkeerplaatsen in de plaats worden gerealiseerd op eigen terrein. Daarnaast wordt op eigen terrein ruimte gereserveerd voor de aanleg van 5 aanvullende parkeerplaatsen indien nodig. De parkeercapaciteit van het parkeerterrein daalt daarmee naar 53 parkeerplaatsen. Om een beeld te krijgen van de parkeerdruk is er een parkeerdrukmeting uitgevoerd. Uit de resultaten van de parkeerdrukmetingen blijkt dat zelfs gedurende de drukste meetperiode er een restcapaciteit beschikbaar is van 25 parkeerplaatsen op het parkeerterrein. Rekening houdende met het vervallen van 4 openbare parkeerplaatsen als gevolg van de ontwikkeling is in de toekomstige situatie sprake van een restcapaciteit van 21 parkeerplaatsen. Voor het opvangen van de parkeerbehoefte van de ontwikkeling worden 4 parkeerplaatsen voorzien op eigen terrein. Voor het opvangen van de resterende parkeerbehoefte de ontwikkeling van (15 - 4 =) 11 parkeerplaatsen is voldoende restcapaciteit beschikbaar op het parkeerterrein.
Effectbeoordeling De ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename van 94 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Deze toename is dermate laag dat het effect op de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet verwaarloosbaar is. Het is echter voor het waarborgen van de verkeersveiligheid van de voetgangers vanuit de projectlocatie wenselijk dat een voetgangersoversteekplaats wordt gerealiseerd op de Randweg ten hoogte van de projectlocatie. Daarnaast zorgt de ontwikkeling voor een parkeerbehoefte van 15 parkeerplaatsen. Voor het opvangen van de parkeerbehoefte kan gebruik worden gemaakt van de beschikbare restcapaciteit van het naastgelegen openbare parkeerterrein. Conclusie Vanuit het aspect verkeer en parkeren zijn er geen significante negatieve milieueffecten verwacht.
15/27
3.2
Geluid
Toetsingskader In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor de beoordeling van geluid, dit betreft standaardwaarden, grenswaarden op de gevel en grenswaarden voor het binnengeluid. Voor de beheersing van het geluid van rijkswegen, hoofdspoorwegen, provinciale wegen, sommige lokale spoorwegen en industrieterreinen wordt het systeem van geluidproductieplafonds gehanteerd. Rond de geluidbronnen met een GPP ligt een aandachtsgebied, waar het geluid boven de standaardwaarde uitkomt. Binnen het geluidaandachtsgebied kunnen hogere waarden dan de standaardwaarde aanvaardbaar worden beoordeeld, zolang de grenswaarden en eisen uit afdeling 3.5 van het Bkl in acht worden genomen. Een van de onderdelen die hiervoor beoordeeld moeten worden is het effect op de geluidbealsting bij bestaande woningen vanwege de nieuwe planontwikkeling. Ten aanzien van bedrijvigheid moet op grond van het Bkl de aanvaardbaarheid van geluid van bedrijven bij geluidgevoelige gebouwen worden beoordeeld. In de bruidsschat en het Bal zijn regels opgenomen voor milieubelastende activiteiten. Beoordeling Geluid door activiteiten Met de ontwikkeling worden woningen gerealiseerd. Woningen hebben geen milieuhinder tot gevolg. Nabij de projectlocatie doen zich enkele relevante bedrijfsactiviteiten voor.
Aangezien de afstand tussen het bedrijventerrein en de projectlocatie ruim voldoet aan deze richtafstand, is geluidhinder aan de woningen uitgesloten. Daarnaast ondervindt het bedrijventerrein geen beperking in de milieuruimte of ontwikkelruimte door de geplande woningbouw. Ten noordoosten van de projectlocatie bevindt zich op ongeveer 65 meter afstand een onderwijsinstelling. Gezien de ruime afstand en de beoogde aanwezigheid van barrières, wordt de akoestische situatie als aanvaardbaar beschouwd. De onderwijsinstelling heeft in het tijdelijke deel van het omgevingsplan de bestemming ‘Maatschappelijk’, die maatschappelijke voorzieningen, detailhandel en horeca toestaat. De instelling wordt niet beperkt in zijn milieu categorie door de ontwikkeling. Wegverkeerslawaai Omdat de projectlocatie binnen het geluidaandachtsgebied van gemeentewegen ligt, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit is opgenomen in bijlage 3 bij de omgevingsvergunningaanvraag. De resultaten uit het onderzoek zijn als volgt: • Het geluid is hoger dan de standaardwaarde van 53 dB. De grenswaarde van 70 dB wordt niet overschreden. • Maatregelen om de geluidbelasting reduceren zijn om financiële, verkeerskundige en landschappelijke reden niet mogelijk. • Het gecumuleerde geluid wordt aan de hoog belaste kant als redelijk beoordeeld.
Aan de laag belaste zijde wordt de geluidbelasting als zeer goed beoordeeld. Hier is sprake van een geluidluwe gevel en geluidluwe buitenruimte. Het geluid wordt daarmee als aanvaardbaar beoordeeld • Er is geen sprake van indirecte akoestische effecten. Indirecte gevolgen: Er wordt kwalitatief beoordeeld of de toename van verkeersgeluid door de ontwikkeling aanvaardbaar is ten opzichte van de autonome situatie. Een vuistregel is dat de geluidtoename akoestisch verwaarloosbaar is als de verkeersintensiteit op een weg of wegvak minder dan 40% toeneemt, wanneer andere variabelen (locatie bebouwing, samenstelling van het verkeer, verhardingssoort e.d.) onveranderd blijven. Een toename van 40% komt dan overeen met een toename van 1,5 dB, wat de ondergrens is voor het beoordelen van de indirecte akoestische effecten door veranderend verkeer. Een toename van de geluidbelasting tot 1,5 dB wordt vanuit de optiek van ‘akoestische herkenbaarheid’ als niet significant gezien. Bij een verkeerstoename van meer dan 40% is er dan ook pas een significant effect op de geluidbelasting, deze is dan net waarneembaar met het menselijk gehoor.
16/27
Effectbeoordeling Aan de hand van de gegevens van het centraal instrumenten monitoring luchtkwaliteit zijn voor het jaar 2024 de verkeergegevens van de dichtstbijzijnde weg onderzocht. De verkeersintensiteiten aan de rotonde van de Randweg bedroegen 6.409 mvt/etmaal. De ontwikkeling voorziet in een toename van 94 mvt/etmaal. Dit is een toename van minder dan 40% (namelijk 1,5 %). Het is dus aannemelijk dat de aangevraagde activiteiten niet tot significante indirecte akoestische effecten ter hoogte van omliggende geluidgevoelige gebouwen leidt. Nader onderzoek naar de effecten voor indirecte geluidhinder is daarmee niet noodzakelijk geacht. Conclusie Voor het aspect geluid zijn significante milieu effecten uitgesloten.
3.3
Luchtkwaliteit
Toetsingskader Onder de omgevingswet zijn er rondom aangewezen agglomeraties aandachtgebieden van toepassing, waarbinnen getoetst moet worden aan de rijksomgevingswaarden. Buiten deze agglomeraties is er alleen een beoordelingsplicht als er een snelweg of tunnel wordt aangelegd. Een gemeente kan in een omgevingsplan een lokale omgevingswaarde opnemen, die ook strenger kan zijn dan de rijksomgevingswaarden. Indien een lokale omgevingswaarde wordt vastgesteld, geldt automatisch ook een monitoringsplicht. Het toepasbaarheidsbeginsel, het blootstellingscriterium en het NIBM-criterium blijven wel gehandhaafd bij de beoordeling van luchtkwaliteit: als hieraan wordt voldaan hoeft geen beoordeling van de luchtkwaliteit plaats te vinden. Bij een m.e.r.-beoordeling blijft het in het kader van de gezondheidsbeoordeling belangrijk de effecten op luchtkwaliteit inzichtelijk te maken en te beoordelen. Huidige situatie De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Ruisscheweg. Uit de CIMLK-tool blijkt dat in 2023 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2023: 13,82 µg/m³ voor NO2, 14,25 µg/m³ voor PM10 en 7,20 µg/m³ voor PM2,5. Hieruit blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden.
Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen aan de projectlocatie toe te kennen. Ontwikkeling De ontwikkeling voorziet in de realisatie van 21 tijdelijke woningen aan een of meerdere bestaande ontsluitingsweg(en). Vanwege de omvang van de ontwikkeling kan deze worden aangemerkt als ‘niet in betekenende mate bijdragend’. De projectlocatie is niet gelegen binnen een aandachtsgebied die wordt gemonitord voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Met behulp van de NIBM-tool (zie figuur 9) is aangetoond in welke mate de ontwikkeling effect heeft op de luchtkwaliteit. Aan de hand van de verkeersgeneratie van 94 mvt etmaal is berekend hoeveel NO2 μg/m3 en PM10 in μg/m3 er vrij komt.
17/27
Figuur 9:Uitsneden NIBM-tool project berekening
Effectbeoordeling De concentraties luchtverontreinigende stoffen overschrijden de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functies aan de projectlocatie toe te delen. Uit de NIBM-tool blijkt dat de ontwikkeling in niet betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse. Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er geen negatieve milieueffecten.
3.4
Omgevingsveiligheid
Toetsingskader Bij een m.e.r.-beoordeling wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende risicobronnen gekeken, namelijk bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door leidingen. Rondom deze bronnen kan sprake zijn van aandachtsgebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden. De aandachtsgebieden zijn: ● Het brandaandachtsgebied (BAG) ● Het explosieaandachtsgebied (EAG) ● Het gifwolkaandachtsgebied (GAG) Onder de Omgevingswet wordt een nieuwe categorie te beschermen gebouwen geïntroduceerd: de zeer kwetsbare objecten, dit zijn gebouwen waarvan de gebruikers niet in staat zijn zichzelf in veiligheid te brengen. Hieronder vallen bijvoorbeeld basisscholen en ziekenhuizen.
18/27
Huidige situatie Uit figuur 10 is af te lezen dat er nabij de projectlocatie 2 relevante risicovolle bronnen zijn gesitueerd.
Figuur 10: Uitsnede PAV-risicokaart, projectlocatie in rood aangegeven.
De projectlocatie ligt ruim buiten de PR-contouren en aandachtsgebieden van deze bronnen. Overige plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden vanuit de omgeving liggen op grote afstand tot de projectlocatie. Op basis van deze informatie is nader onderzoek naar externe veiligheid niet noodzakelijk. Ontwikkeling De ontwikkeling maakt 21 tijdelijke woningen mogelijk. Met de ontwikkeling wordt niet voorzien in een nieuwe risicovolle activiteit. Wel worden kwetsbare gebouwen (woonfunctie) mogelijk gemaakt. Conclusie Gelet op het voorgaande is het vanuit het oogpunt van de omgevingsveiligheid aanvaardbaar de betreffende functies waaronder wonen aan de projectlocatie toe te delen. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen negatieve milieueffecten.
3.5
Bodem
Toetsingskader In het Bkl worden de regels voor bodem onder de Omgevingswet opgenomen. De regels zijn gericht op drie pijlers: ● voorkomen van nieuwe verontreinigingen (zorgplicht); ● meewegen van bodemkwaliteit bij toedelen functies (in Omgevingsvisie en Omgevingsplan); ● beheren van historische verontreinigen De regels gaan over het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie en de nazorg na saneren. De milieubelastende activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Milieubelastende activiteiten ten aanzien van bodem zijn onder andere het graven in de bodem met een kwaliteit onder, gelijk aan of boven de interventiewaarde, het op of in de bodem brengen van meststoffen, saneren van bodem en het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie.
19/27
Huidige situatie Er is door DS milieu-consult een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel van de project locatie. Uit het onderzoek (zie bijlage 4 bij de vergunningaanvraag) blijkt dat: ● De locatie is gelegen in PFOA toepassingszone A en in principe niet verdacht van het voorkomen van PFAS. ● De bovengrond voldoet aan de klasse landbouw/natuur. ● De diepere bodem voldoet aan de klasse landbouw/natuur. ● De puinhoudende zandlaag ter plaatse van het voormalige pad is licht verontreinigd met cadmium, kobalt, koper, lood, molybdeen, nikkel en zink. De grond wordt aangemerkt als klasse industrie. ● In het vrijgekomen puinhoudende zand zijn visueel geen asbestverachte materialen waargenomen. Analytisch is geen asbest aangetoond. ● Het grondwater is niet verontreinigd met één van de onderzochte stoffen. ● De licht verhoogde gehalten aan poly- en per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS) liggen beneden de toepassingswaarden voor de bodemfunctieklasse wonen of industrie. Het licht verhoogde gehalte aan barium in het grondwater betreft vermoedelijk een van nature verhoogde achtergrondwaarde.
De hypothese dat de locatie verdacht is van het voorkomen van verontreinigingen, dient op basis van de onderzoeksresultaten (deels) te worden bevestigd, met dien verstande dat ter plaatse van het voormalige pad geen asbest is aangetoond, in de gedempte sloten geen bodemvreemde materialen zijn aangetroffen en dat de bovengrond niet verontreinigd is met organochloor bestrijdingsmiddelen. Ontwikkeling De ontwikkeling maakt geen activiteiten mogelijk die gevolgen hebben voor de bodemsamenstelling of -kwaliteit. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot nader onderzoek en/of sanerende maatregelen. Zodoende zijn (negatieve) effecten op de bodem uitgesloten. Conclusie Vanuit het aspect bodem zijn er geen negatieve milieueffecten.
3.6
Water
Toetsingskader In het Bkl is een aantal instructieregels opgenomen ten borging van de rijksbelangen. Dit betreft met name bescherming van primaire waterkeringen en behoud van waterveiligheid van kust en grote rivieren. Daarnaast zijn er omgevingswaarden vastgesteld voor onder andere de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater en zwemwaterkwaliteit. Aangezien deze omgevingswaarden voortkomen uit Europese normen, zoals de Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn en de Drinkwaterrichtlijn, kan een afwijkende omgevingswaarde daarom alleen strenger zijn De waterschapsverordening bevat algemene regels over het watersysteem (waterkeringen, watergangen en grondwater) binnen het beheergebied van een waterschap. De projectlocatie ligt binnen het beheergebied van het waterschap ‘Hollandse Delta’. Bij de beoordeling van de effecten op het gebied van water zijn de volgende criteria van belang: ● effecten op de waterhuishouding: waterkwantiteit, waterkwaliteit; ● effecten op de waterkeringen en waterveiligheid; ● effecten op waterketen.
20/27
Huidige situatie De projectlocatie heeft een oppervlakte van 5.279,69 m2 en wordt nagenoeg volledig gebruikt voor akkerbouw (onverhard en onbebouwd). Uit de legger van de Hollandse Delta blijkt dat er binnen de projectlocatie geen watergangen of -lichamen aanwezig zijn. De dichtstbijzijnde watergangen betreffen sloten ten noordoosten en noordwesten van de projectlocatie. Beschermingszones en/of onderhoudsstroken van deze sloten liggen op ruime afstand van de projectlocatie. Ook ligt de projectlocatie niet nabij een beschermingszone of keurzone van een waterkering. Voorgenomen plan De ontwikkeling voorziet in een toename van verhard oppervlak, dit is weergegeven op figuur 11. Vanuit het waterschap gelden er verplichtingen ten aanzien van watercompensatie. De toename aan verharding is cijfermatig weergegeven in tabel 2.
Figuur 11:Toename aan verharding projectlocatie Tabel 2: Toename aan verharding
Soort: Openbaar verhard: Verhard (bebouwing): Parkeren half verhard: Onverhard Totaal projectlocatie:
m² 876,51 681,7 112,50 3.608,95 5.279,69
Met het waterschap is afgesproken de toename aan verharding in het naastgelegen peilgebied (ten oosten van de Zinkweg, vijver Frans Halsstraat/Groeneweg) te compenseren door verbreding van de bestaande vijver, zie figuur 12. Er dient hiervoor een omgevingsvergunning bij het waterschap te worden aangevraagd. Deze vergunningaanvraag doorloopt een eigen procedure.
21/27
Figuur 12: Locatie watercompensatie (bron: gemeente Hoeksche Waard)
Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Conclusie Ten behoeve van de watercompensatie dient een omgevingsvergunning aangevraagd te worden bij het waterschap. Er zijn geen verdere belemmeringen of aandachtspunten voor het aspect water.
3.7
Ecologie
Toetsingskader In de omgevingswet zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dieren plantensoorten opgenomen. Deze zijn geïmplementeerd vanuit diverse Europeesrechtelijke regelingen, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
22/27
Gebiedsbescherming De Omgevingswet kent verschillende soorten beschermde natuurgebieden, te weten: ● Natura-2000 gebieden: Natura 2000 richt zich op het behoud en de ontwikkeling van natuurgebieden in heel Europa. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Regels hiervoor zijn vertaald in de omgevingswet ● Natuurnetwerk Nederland (NNN): in de omgevingswet is ook geregeld dat de provincies ter bescherming van bijzondere soorten een landelijk samenhangend stelsel van natuurgebieden moet begrenzen én beschermen, het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Verdere uitwerking hiervan is opgenomen onder de provinciale verordening. Soortenbescherming In de omgevingswet wordt een onderscheid gemaakt tussen: ● soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; ● soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; ● overige soorten. Beoordeling Bij de beoordeling van de effecten op het gebied van natuur zijn de volgende criteria van belang: ● gebiedsbescherming: aantasting of verstoring van Natura 2000 of Natuurnetwerk Nederland; ● soortenbescherming: aantasting of verstoring van bestaande natuurwaarden.
3.7.1 Gebiedsbescherming Huidige situatie De projectlocatie bevindt zich niet in beschermde natuurgebieden. Zie voor verdere toelichting paragraaf 2.1 onder het kopje Beschermde gebieden – Milieugevoelige gebieden. Voorgenomen plan gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige gebied ligt op een afstand van circa 13,1 km en betreft het Natura 2000-gebied ‘Krammer-Volkerak’. De ontwikkeling wordt buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd, er kunnen nog steeds effecten optreden. Voor het onderzoeken van de mogelijke effecten op het nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied voor de realisatie- en gebruiksfase zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd. De memo is opgenomen in bijlage 6 bij de omgevingsvergunningaanvraag, de berekeningen zijn opgenomen in bijlage 7 bij de omgevingsvergunningaanvraag. Uit de berekeningen blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de realisatie- en gebruiksfase van de ontwikkeling. Uit de stikstofberekeningen blijkt dat de ontwikkeling de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet aantast. Conclusie De projectlocatie is niet in een natuur- of groengebied met een beschermde status gelegen. Uit de stikstofberekeningen blijkt dat de ontwikkeling de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet aantast.
Vanuit het aspect gebiedsbescherming worden geen significante nadelige milieu effecten verwacht. 3.7.2 Soortenbescherming Huidige situatie De projectlocatie bestaat uit een agrarisch perceel met een akker en weiland. Voorgenomen plan soortenbescherming De ontwikkeling kan mogelijk invloed hebben op beschermde soorten die zich in en nabij de projectlocatie bevinden. Daarom is een Quickscan Natuur uitgevoerd. Deze is opgenomen in bijlage 8 bij de vergunningaanvraag. Uit de Quickscan Natuur valt te concluderen dat de ontwikkeling niet leidt tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortenbescherming ). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
23/27
Conclusie Op basis van de uitgevoerde Quickscan Natuur wordt geconcludeerd dat met het voldoen aan criteria en eenvoudige maatregelen overtredingen worden voorkomen en dat aanvullend onderzoek voor het aspect soortenbescherming niet nodig is. Indien criteria en maatregelen in acht worden genomen, zijn significante nadelige milieueffecten uitgesloten voor het aspect ecologie soortenbescherming.
3.8
Cultuurhistorie en archeologie
Toetsingskader Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen, die zijn opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Beoordeling In opdracht van Rho adviseurs is in december 2024 door SOB Research een archeologisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 5 bij de omgevingsvergunningaanvraag. Op basis van het archeologisch bureau- en booronderzoek moet worden geconcludeerd dat de ontwikkeling zou kunnen leiden tot verstoring van de archeologische resten ter plaatse van die locaties waar bodemverstoringen plaatsvinden tot een diepte van meer dan 1.4 meter beneden maaiveld (de top van het Hollandveen minus de door de gemeente Hoeksche Waard gehanteerde bufferzone van 0.3 meter). Voor de aanleg van het rioolstelsel worden de grenzen overschreden. Daarom is nader onderzoek nodig naar de archeologische waarde in de bodem.
Conclusie Er dient een voorwaarde opgenomen te worden om te waarborgen dat er archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd conform de bepalingen in het bestemmingsplan en in overeenstemming met de wettelijke protocollen ten behoeve van de Archeologische Monumentenzorg.
3.9
Gezondheid
Toetsingskader Een van de doelen van de omgevingswet is het beschermen van de gezondheid. Een deel van de hiervoor beschreven milieu- en omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meeste gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor en uitnodiging tot beweging, beschikbaarheid/ toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. Beoordeling Uit toetsing van de verschillende milieuthema’s op het gebied van leefomgevingskwaliteit blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot een belangrijke toename van risico’s voor de menselijke gezondheid. Er wordt voldaan aan de normen voor geluid, bodem, externe veiligheid, luchtkwaliteit en trillingen. Een significant negatief effect op de risico’s voor de menselijke gezondheid is daarmee uitgesloten. Gezondheidsbevordering De projectlocatie bevindt zich op loopafstand van diverse voorzieningen en openbaar groen wat uitnodigt tot bewegen. Uit de voorgaande paragrafen wordt duidelijk dat binnen de projectlocatie geen sprake is van een milieubelasting die van
24/27
invloed kan zijn op de gezondheidssituatie vanuit de aspecten geur en omgevingsveiligheid. Onder gezondheid valt ook een veilige leefomgeving. In het kader van leefbaarheid van de ontwikkeling wordt ingezet op wijkbeheer. De ontwikkeling houdt op een passende manier rekening met het belang van het beschermen van de gezondheid. Conclusie Met dit project wordt rekening gehouden met het aspect gezondheid, zowel voor wat betreft bescherming als bevordering. Een significant negatief effect op de risico’s voor de menselijke gezondheid is daarmee uitgesloten.
3.10 Gezondheidsrisico’s spuitzones
Toetsingskader In het kader van de ontwikkeling is het gebruik van de aangrenzende agrarische percelen in kaart gebracht. Deze percelen worden gebruikt voor de teelt van bieten, tarwe en aardappelen. Agrarische gronden kunnen worden bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te waarborgen, dient bij ontwikkelingen nabij agrarische gronden te worden aangetoond dat er geen onaanvaardbare gezondheidsrisico’s optreden als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Hoewel er geen specifieke instructieregels voor dit aspect gelden, geldt als vuistregel een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies, zoals woningen, en agrarische gronden waarbij gewasbeschermingsmiddelen (kunnen) worden gebruikt. Deze afstand kan op basis van een locatie specifieke onderbouwing worden verkleind. Beoordeling Woningen worden aangemerkt als gevoelige functies die bescherming behoeven tegen de drift van gewasbeschermingsmiddelen. De aangrenzende agrarische gronden worden gebruikt voor akkerbouw en hebben de bestemming 'Agrarisch met waarden'. De afstand tussen de woningen en deze agrarische gronden varieert van 10 tot 20 meter. Volgens het tijdelijk deel van het omgevingsplan, waar het bestemmingsplan deel van uitmaakt, mogen deze gronden niet worden gebruikt voor sierteelt, fruitteelt, boomteelt of andere opgaande meerjarige teelten.
Bij dergelijke hoge teelten is de drift van gewasbeschermingsmiddelen over het algemeen aanzienlijk groter dan bij akkerbouw. Daarnaast zijn ook de middelen die in de akkerbouw worden gebruikt vaak minder belastend dan middelen die bijvoorbeeld bij boomteelt worden ingezet. Hoewel in theorie gewasbeschermingsmiddelen op de naastgelegen gronden kunnen worden toegepast. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moet gebeuren conform de geldende wetgeving. Deze wetgeving stelt eisen aan het gebruik, zoals de zorgplicht voor mens, dier, plant en water, en verplicht het gebruik van driftarme apparatuur. Bovendien stelt het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) strikte voorwaarden, zoals het vermijden van toepassing bij ongunstige weersomstandigheden (bijvoorbeeld hoge windkracht). Daarnaast dragen moderne drift reducerende spuittechnieken bij aan een verdere beperking van risico’s voor de omgeving. Conclusie Gelet op het ontbreken van intensieve teelten zoals sierteelt, fruitteelt en boomteelt, de wettelijke eisen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, en de afstand van de woningen tot het akkerbouwperceel, is het risico in het kader van spuitzonering beperkt. De ontwikkeling kan worden gerealiseerd zonder onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. De gewasbeschermingsmiddel van de akkerbouw zorgen niet voor zodanige gezondheid risico’s dat het aanleiding kan geven tot een mer.
3.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie
Toetsingskader De gemeente Hoeksche Waard heeft een programmaplan Duurzaamheid waarin doelen en inspanningen beschreven staan die bijdragen aan een duurzame toekomst. Zo is er voor deze ontwikkeling ook rekening gehouden met duurzaamheid en klimaatadaptatie.
25/27
Duurzaamheid en klimaatadaptatie zijn onderverdeeld in de volgende toetsingscriteria: ● energieverbruik; ● circulariteit; ● klimaatadaptatie; ● biodiversiteit. Energieverbruik Omdat het hier tijdelijke woningen betreft, zullen de woningen, voor wat energie aangaat (installaties ten behoeve van energie), voldoen aan het besluit bouwwerken leefomgeving. Daarbij wordt ervoor gezorgd dat er koeling in de woonkamer wordt toegepast. Dit in verband met het leefklimaat voor de bewoners. Voor deze koeling worden er pv-panelen op de daken aangebracht. Circulariteit De Units zijn volledig houtbouw en demontabel en zijn herbruikbaar op een andere locatie. Omdat de units in de fabriek worden gemaakt kan worden gewerkt met meer elektrisch materieel en zijn de omstandigheden beter te reguleren. Enkel in het transport is sprake van uitstoot. Klimaatadaptatie Uit kaarten van het Landelijk Informatiesysteem Water en Overstromingen (LIWO) blijkt dat de projectlocatie en de directe omgeving momenteel een kleine plaatsgebonden overstromingskans van <1/300 tot 1/3.000 per jaar kennen. LIWO biedt daarnaast prognoses voor de jaren 2050 en 2100, waaruit blijkt dat deze overstromingskans afneemt naar een zeer kleine kans. Wel wordt de toename aan verharding gecompenseerd door de uitbreiding van een waterpartij in de omgeving.
Biodiversiteit Met het realiseren van de landschappelijke inpassing wordt gestreefd naar een zo breed mogelijke diversiteit van zowel planten als dieren. De bloemrijke akkerrand draagt bij aan de bevordering van de lokale biodiversiteit. Zo dienen de verschillende soorten, zoals de meidoorn en de zwarte bes, als voedingsbronnen voor vogels. Andere soorten, zoals de sleedoorn en kornoelje, trekken een diversiteit aan soorten insecten aan.
3.12 Aanlegwerkzaamheden
Voor de sloop- en aanlegwerkzaamheden van de ontwikkelingen kunnen tijdens de werkzaamheden milieueffecten optreden. Daarbij gaat het met name om geluidhinder, trillingen en verkeer gerelateerde effecten. Zo nodig worden maatregelen getroffen om overlast voor de directe omgeving zoveel mogelijk te beperken. Dit dient bij het uitwerken van de aanpak en fasering van de uitvoeringswerkzaamheden nader te worden geconcretiseerd. Gezien de tijdelijkheid van de werkzaamheden en de locatie, aard en omvang van het plan kunnen belangrijke negatieve milieueffecten uitgesloten worden.
26/27
4. CONCLUSIE Uit de informatie in deze aanmeldnotitie blijkt dat de projectlocatie niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot aanzienlijke milieueffecten. Het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk.
27/27